Resolutie over zondagsarbeid
Publicatieblad Nr. C 020 van 20/01/1997 blz. 0140
B4-1354, 1368, 1395, 1413 en 1433/96 Resolutie over zondagsarbeid Het Europees Parlement, - gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 november 1996 in de zaak Verenigd Koninkrijk tegen de Raad van de Europese Unie aangaande richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, A. overwegende dat het Hof van Justitie de tweede zin van artikel 5 van bovengenoemde richtlijn, waarin is bepaald dat de minimumrusttijd in beginsel de zondag omvat, nietig heeft verklaard omdat het vaststellen van een bepaalde dag van de week als rusttijd geen verband houdt met de gezondheid en de veiligheid op het werk, 1. verzoekt de lid-staten en de sociale partners bij de omzetting van de arbeidstijdrichtlijn in nationale wetgeving op passende wijze rekening te houden met de tradities en de culturele, sociale, religieuze en familiale behoeften van hun burgers, en het speciale karakter van de zondag als rustdag te erkennen, daar gewoonlijk alle gezinsleden op deze dag vrij zijn; bevestigt andermaal het recht van werknemers op een wekelijkse rustdag; 2. verzoekt de lid-staten bij de formulering van deze wetgeving rekening te houden met de bijzondere situatie van degenen die bezwaren hebben tegen zondagsarbeid in een niet-essentiƫle bedrijfstak of dienst; 3. roept de lid-staten op om de regeling betreffende de openingstijden van winkels af te stemmen op de regeling inzake de arbeidstijden van werknemers wat de zondagsrust betreft en dit niet alleen ten behoeve van de werknemers maar ook van de andere personen die bij de uitoefening van de betreffende beroepsactiviteiten betrokken zijn; 4. verzoekt de lid-staten te erkennen dat er in een multiculturele samenleving ook religieuze gemeenschappen zijn die een voorkeur kunnen hebben voor een andere rustdag; 5. verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk aan het Parlement verslag uit te brengen over de toepassing van bovengenoemde richtlijn 93/104/EG van de Raad; 6. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen en parlementen van de lid- staten.