Resolutie over de situatie in voormalig Joegoslavië
Publicatieblad Nr. C 065 van 04/03/1996 blz. 0154
B4-0182, 0188, 0243, 0248, 0252 en 0253/96 Resolutie over de situatie in voormalig Joegoslavië Het Europees Parlement, - onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 januari 1996 over de tenuitvoerlegging van het vredesakkoord voor Bosnië-Herzegovina ((Deel II, punt 8 van de notulen van die datum.)), A. overwegende dat alleen de volledige tenuitvoerlegging, naar de geest en de letter, van het Dayton-akkoord door alle bij het conflict in Bosnië-Herzegovina betrokken partijen bijdraagt tot werkelijke vooruitgang in het vredesproces in dit gebied, B. verontrust door de moeilijkheden bij de toepassing van het vredesakkoord van Dayton wegens de blijvend sterke invloed van de heren Karadzic en Mladic op de burger- en militaire autoriteiten in de Republika Serbska, en wegens het ontbreken van de toegezegde internationale politiemacht, C. overwegende dat het herstel van een multi-etnische, multiculturele en multireligieuze samenleving in geheel Bosnië-Herzegovina een absolute prioriteit dient te zijn, D. overwegende dat de toekomst van Mostar en Sarajevo als verenigde steden van essentieel belang is voor de toekomst van geheel Bosnië-Herzegovina, E. diep verontrust over de recente aanslagen van extreem nationalistische Kroatische groeperingen op EU-bestuurder Hans Koschnik, die de toekomst van Mostar, alsook van de gehele Kroatische Moslimfederatie, ernstig in gevaar brengen, F. ernstig bezorgd over de traagheid waarmee van oorlogsmisdaden verdachte personen worden gearresteerd, G. overwegende dat degenen die zich aan oorlogsmisdrijven schuldig hebben gemaakt, moeten worden opgespoord, berecht en veroordeeld door het Internationale Tribunaal voor het voormalige Joegoslavië, teneinde het vertrouwen tussen de aldaar wonende gemeenschappen te herstellen, H. overwegende dat veel Europese regeringen momenteel concrete programma's overwegen voor de repatriëring van vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina, 1. veroordeelt het geweld van de Kroatische demonstranten, waardoor het conflict opnieuw kan losbarsten; dringt aan op uitvoering van het voorstel van de heer Koschnik; verlangt dat de twee gescheiden structuren in de stad worden ontmanteld; 2. doet een beroep op de Raad en de Commissie hun beleid tot hereniging van Mostar met nog meer vastbeslotenheid voort te zetten; 3. dringt er bij de Kroatische regering op aan dat zij zich actief inzetten voor een vreedzame regeling, optreden en steun verlenen tegen Kroatische extremistische groeperingen en steun verlenen aan de krachten die zich concreet inzetten voor vrede en verzoening; 4. weigert de voortzetting te accepteren van de zogeheten Herzeg-Bosna- politiek-economische en culturele entiteit in welke verhulde vorm dan ook; 5. onderstreept dat herstel van een gerechte orde in Bosnië-Herzegovina van de veronderstelling uitgaat dat alle aangeklaagde oorlogsmisdadigers onverwijld uit invloedrijke posities worden verwijderd en dat zij worden gearresteerd en voor het gerecht gebracht; 6. wenst dat het Internationaal Tribunaal de juiste middelen krijgt om de identiteit van de personen in de massagraven, de oorzaak van hun dood en de identiteit van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn vast te stellen; verzoekt tevens de IFOR hier tot doeltreffende samenwerking te komen; 7. roept de Servische autoriteiten ertoe op hun volledige medewerking te verlenen aan de opstelling van volledige en gedetailleerde rapporten over de massamoorden die zijn begaan tijdens de oorlog in Bosnië-Herzegovina, en hun volledige medewerking te verlenen aan het Internationale Tribunaal, teneinde hen die schuldig zijn aan deze wrede misdaden voor het gerecht te brengen; 8. verzoekt de IFOR op te treden in overeenstemming met het Akkoord van Dayton en het Verdrag van Genève, die voorschrijven dat zijn bevoegdheid om oorlogsmisdadigers te arresteren niet mag worden verwaarloosd; 9. uit zijn waardering voor de voortvarendheid waarmee dit tribunaal te werk is gegaan bij uitlevering aan Den Haag van generaal Djorde Djukic en kolonel Aleksa Krsmanovic, officieren van het Servisch-Bosnische leger van generaal Mladic, die onlangs door de autoriteiten van de Bosnische Federatie zijn gearresteerd; 10. is van oordeel dat een te snelle en gedwongen repatriëring van de vluchtelingen het vredesproces in Bosnië-Herzegovina zou kunnen destabiliseren en roept derhalve de Commissie en alle Europese regeringen ertoe op een zeer voorzichtig terugkeerbeleid te ontwikkelen, dat rechtstreeks is gekoppeld aan de vooruitgang in het vredesproces en de tenuitvoerlegging van het programma voor de wederopbouw; 11. wenst toepassing van het beginsel van lastendeling door de lid-staten van de Europese Unie op de kosten van de terugkeer en de hervestiging van vluchtelingen, om aldus een eind te maken aan de zeer onevenwichtige verdeling van de financiële en materiële inspanningen; 12. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van Kroatië, Servië en Bosnië-Herzegovina, de voorzitter en de procureur-generaal van het Internationaal Tribunaal voor Oorlogsmisdaden in het voormalige Joegoslavië, de secretaris-generaal van de NAVO, de hoge VN-vertegenwoordiger en de EU-bestuurder in Mostar.