Resolutie over de ontwikkelingsproblemen/structurele interventies uit hoofde van de doelstellingen 1, 2 en 5b in Spanje (1994-1999)
Publicatieblad Nr. C 277 van 23/09/1996 blz. 0040
A4-0163/96 Resolutie over de ontwikkelingsproblemen/structurele interventies uit hoofde van de doelstellingen 1, 2 en 5b in Spanje (1994-1999) Het Europees Parlement, - gezien de beschikking van de Commissie van 29 juni 1994 betreffende de vaststelling van het communautair bestek voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap van de onder doelstelling 1 vallende regio's in Spanje (C4-0053/96) ((PB L 250 van 26.9.1994, blz. 5.)) en van 30 december 1994 houdende goedkeuring van het enig programmeringsdocument voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de in Spanje onder doelstelling 2 vallende regio's (C4-0054/96) ((PB L 384 van 31.12.1994, blz. 101.)), - gezien het enig programmeringsdocument voor de gebieden die in Spanje beantwoorden aan doelstelling 5b, - gezien de mededeling van de Commissie over de nieuwe regionale programmaregelingen voor doelstelling 1 en 2 van het structuurbeleid van de Unie (COM(95)0111 def.), - gezien het regionaal ontwikkelingsplan voor de Spaanse gebieden van doelstelling 1 en het regionaal en sociaal reconversieplan voor de Spaanse gebieden van doelstelling 2, - gezien de verzoekschriften nrs. 387/91 en 584/91, - gezien het verslag van zijn Commissie regionaal beleid en het advies van de Commissie sociale zaken en werkgelegenheid (A4-0163/96), A. overwegende dat de Structuurfondsen niet meer dan één van de instrumenten voor de strijd tegen geografische ongelijkheden binnen de Unie zijn en dat het streefdoel van grotere economische en sociale samenhang, dat aanwezig moet zijn in alle vormen van gemeenschappelijk beleid van de Unie en in het economisch beleid van de lid-staten, de consolidering van de Structuurfondsen veronderstelt, B. overwegende dat de Structuurfondsen een langzame en ongelijke convergentie tot stand brengen, C. overwegende dat er in Spanje grote ongelijkheden tussen de regio's zijn, die niet wezenlijk geringer geworden zijn na de eerste programmaperiode 1988- 1993, hoewel het nationaal gemiddelde van het BBP per inwoner veel dichter bij het gemiddelde van de Unie is komen te liggen, D. overwegende dat de Structuurfondsen in de periode 1994-1999 in Spanje tegen een achtergrond van budgettaire soberheid optreden, die beheerst wordt door het convergentieplan voor de eenheidsmunt, E. overwegende dat de werkloosheid het grootste probleem voor de Spaanse economie vormt, F. gezien het hoge percentage van de bevolking dat werkzaam is in de primaire sector en de lage bevolkingsdichtheid op het platteland, G. overwegende dat de territoriale verdeling van de infrastructuurwerken een van de voornaamste middelen blijft om de hindernissen voor de sociaal-economische ontwikkeling van vooral de regio's van doelstelling 1 weg te nemen, H. overwegende dat de territoriale indeling van Spanje een duidelijke politieke en institutionele decentralisatie vertoont, I. gezien de essentiële rol, in het belang van de doelmatigheid, die de regionale en lokale autoriteiten en de sociale partners te vervullen hebben bij het programmeren, evalueren en opvolgen van het structuurbeleid, J. gelet op het debat dat in de Commissie regionaal beleid is gevoerd ter gelegenheid van de openbare hoorzitting over structurele interventies in Spanje, waaraan werd deelgenomen door nationale, regionale en plaatselijke overheidsvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van de sociale partners, vakbonden en werkgeversbonden, 1. stelt vast dat de nieuwe zogenaamde "communautaire bestekken" voor doelstelling 1 en 2 en de enige programmadocumenten voor doelstelling 5b voor de periode 1994-1999 in essentie een voortzetting van de vorige programmafase vertegenwoordigen; 2. verheugt zich over de nieuwe nadruk die het "communautair bestek" voor doelstelling 1 op verbetering en aanpassing van het produktie-apparaat legt, naast de menselijke hulpbronnen en een betere levenskwaliteit (resp. 34,5 en 33,4% van de middelen), in plaats van de infrastructuur, die in de betreffende periode, voor wat het vervoer betreft, in ieder geval gefinancierd wordt uit het Cohesiefonds; 3. juicht het feit toe dat zo veel nadruk wordt gelegd op de ontwikkeling van het menselijk potentieel, met name met betrekking tot de communautaire bestekken voor doelstelling 1, aangezien uitsluitend via verbetering van de vaardigheid van de werkende bevolking banen kunnen worden geschapen en de rampzalig hoge werkloosheid in deze gebieden kan worden teruggedrongen. Steunt in dit verband de nadruk die wordt gelegd op technische beroepsopleiding, met name in de technische sector; 4. is van mening dat het, in het kader van een beleid tot verbetering van de vaardigheden en als middel ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, van belang is dat via ESF-maatregelen wordt gewaarborgd dat alle jongeren tegen de tijd dat zij achttien zijn een getuigschrift van vakbekwaamheid bezitten, zoals bepaald in de beroepsopleidingswetgeving van 1990; 5. meent dat het feit dat in de programmering voor doelstelling 2 aanzienlijke middelen zijn bestemd voor het vervoersnet (40% van alle EFRO-middelen in 1994 en 1995, 25% in 1996), niet ten koste mag gaan van de noodzakelijke omschakeling van de bedrijvigheid in gebieden van doelstelling 2; 6. betreurt het dat aan de wegeninfrastructuur meer aandacht wordt besteed dan aan het spoor en dat ook meer geld wordt uitgetrokken voor de wegenbouw dan voor de verbetering van het spoornet, hetgeen in strijd is met het vijfde actieprogramma voor milieu en duurzame ontwikkeling; 7. verwondert zich over de geringe aandacht die het zogenaamde "communautair bestek" voor doelstelling 1 aan het beheer van de waterrijkdommen besteedt, gezien het in financieel en politiek opzicht grote belang van water voor grote delen van de regio's die onder deze doelstelling vallen; 8. verzoekt de Commissie de gebruikte technieken voor de economische evaluatie van projecten voor het beheer van de waterrijkdommen te verifiëren om te garanderen dat er geen projecten worden gefinancierd die economisch discutabel en schadelijk voor het milieu zijn, en om steun te verlenen aan investeringen ter beperking van het weglekken van water uit distributienetten en ter verbetering van de instandhouding van de watervoorraden; 9. wijst op het belang van secundaire vervoersnetwerken voor de territoriale bereikbaarheid en een evenwichtige regionale ontwikkeling van grote, middelgrote en kleine centra en meent dat investeringen in vervoerinfrastructuren moeten voorzien in de integratie tussen nationale en interregionale vervoersnetten en het lokale vervoer en in de onderlinge aansluiting tussen de verschillende wijzen van vervoer; 10. betreurt de afwezigheid van de plaatselijke autoriteiten bij de programmering en meent dat ze beter vertegenwoordigd moeten zijn in de opvolgingscomités; 11. betreurt het dat de lokale overheden bij hun deelneming aan de communautaire programma's problemen hebben met het beheer en de voorlichting; 12. meent dat de verdeling van het beheer van de middelen tussen de centrale overheid en de overheden van de autonome gebieden rekening zou moeten houden met de omvang van de bevoegdheden van de autonome gebieden; 13. is van mening dat ook in de gebieden van doelstelling 5b de deelneming van de regionale regeringen en de lokale overheden groter moet worden en dat de voorkeur gegeven moet worden aan acties die in het gebied stabiele arbeidsplaatsen opleveren; 14. juicht het feit toe dat de sociale partners actief betrokken zijn bij de planning en de onderhandelingen over de communautaire bestekken. Is van mening dat zij eveneens een doorslaggevende rol kunnen spelen bij de tenuitvoerlegging van het programma en stelt met tevredenheid vast dat de sociale partners, althans wat betreft de door het ESF gefinancierde programma's, vertegenwoordigd zijn in de commissies van toezicht. Betreurt echter dat de deelneming van de sociale partners zich niet uitstrekt tot de controlecommissies van de andere fondsen; 15. herhaalt dat zo ruim mogelijke informatie voor de mogelijke rechthebbenden op structurele bijstand van het grootste belang is voor de doelmatigheid en transparantie, en vraagt de regionale en nationale overheden bijgevolg dat ze gebruik maken van hun officiële publikaties om zowel de essentiële gegevens van de operationele programma's als de goedkeuringsbesluiten voor de projecten bekend te maken; 16. betreurt dat er voor de programmering van de lopende periode geen volledig overzicht van de resultaten van de eerste zogenaamde "communautaire bestekken" beschikbaar is en vraagt de nationale en regionale overheden en de Europese Commissie dat ze aan de hand van dergelijke resultaten via de opvolgingscomités realistische aanpassingen doorvoeren; 17. betreurt dat de structurele ingrepen in Spanje te lijden hebben van te weinig cooerdinatie, voornamelijk door de overdreven versnippering van de verschillende afdelingen van de Spaanse overheidsdiensten; is niettemin van mening dat een geïntegreerde aanpak van structurele kredietverlening gebaat zou zijn bij een betere samenwerking tussen de DG's V en XVI van de Commissie en met de Spaanse regering; 18. acht de cooerdinatie van de Structuurfondsen met de andere financiële instrumenten van de Unie onvoldoende en betreurt vooral het ontbreken van concrete vooruitzichten voor de bijdragen van de EIB en het Cohesiefonds tot het zogenaamde "communautair bestek" voor doelstelling 1 - het Cohesiefonds moet trouwens meewerken aan de verdubbeling van de middelen voor de regio's van doelstelling 1 in 1999, zoals voorgeschreven door artikel 12 van verordening (EEG) 2081/93 ((PB L 193 van 31.7.1993, blz. 5.)) (kaderverordening betreffende de Structuurfondsen); 19. acht de verhoging van de co-financieringspercentages voor de Unie in de gebieden van doelstelling 1 bevredigend, zoals ze aangepast is aan de sociaal-economische situatie van elke betreffende regio, vooral gezien tegen de achtergrond van het streng budgettair beleid dat de uitvoering van de nieuwe programma's beheerst, en in de overweging dat de percentages nog altijd ruim onder de maximumgrens van de verordeningen blijven; 20. verzoekt de Commissie om zich te bezinnen op investeringen in infrastructuur die de kwaliteit van belangrijke natuurgebieden bedreigen, onder meer gebieden die speciale bescherming genieten krachtens de richtlijnen inzake in het wild levende vogels en hun natuurlijke habitats, en zo nodig alles in het werk te stellen om alternatieve oplossingen te vinden; 21. is van oordeel dat de Adviesraad voor het milieu met het oog op de eerbiediging van het communautaire beleid en de bescherming van het milieu, op diens verzoek correct moet worden ingelicht over projecten die worden gefinancierd uit de Structuurfondsen, in overeenstemming met richtlijn 90/313/EG inzake de vrije toegang tot milieu-informatie ((PB L 158 van 23.6.1990, blz. 56.)) over milieuzaken, informatie waarin zowel milieu-aspecten als de economische levensvatbaarheid aan de orde moeten komen; dat er tevens voor moet worden gezorgd dat milieudeskundigen worden betrokken bij de werkzaamheden van de controlecomités; 22. herhaalt dat de beleidsvoering van de Structuurfondsen voortgezet en geconsolideerd moet worden en herinnert eraan dat hun bijdrage in de strijd tegen geografische ongelijkheden in de Unie alleen maar doelmatig kan zijn als economische en sociale samenhang als leidraad voor het ontwerpen en uitvoeren van alle vormen van EU-beleid dienen; 23. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Spaanse regering, en de beide Kamers van het Spaanse parlement.