DERTIENDE JAARLIJKS VERSLAG OVER DE CONTROLE OP DE TOEPASSING VAN HET GEMEENSCHAPSRECHT (1995) /* COM/96/0600 DEF */
Publicatieblad Nr. C 303 van 14/10/1996 blz. 0001
DERTIENDE JAARLIJKS VERSLAG over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht - 1995 - (96/C 303/01) COM(96) 600 def. WOORD VOORAF Het verslag over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht wordt elk jaar door de WOORD VOORAF .......... 8 RUIMTE ZONDER GRENZEN 1. Inleiding .......... 16 2. Toestand in de verschillende sectoren .......... 17 2.1. Opheffing van de fysieke grenzen .......... 17 2.1.1. Douane-aangelegenheden .......... 17 2.1.1.1. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van douane-aangelegenheden .......... 17 2.1.2. Vrij verkeer van landbouwprodukten .......... 17 2.2. Opheffing van de technische grenzen .......... 18 2.2.1. Vrij verkeer van goederen .......... 18 2.2.1.1. Artikelen 30 en volgende van het Verdrag .......... 18 2.2.1.2. Preventievoorschriften van Richtlijn 83/189/EEG .......... 21 2.2.2. Stand van de tenuitvoerlegging van de richtlijnen per sector in het kader van het vrije verkeer .......... 21 2.2.2.1. Levensmiddelen .......... 21 2.2.2.2. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van levensmiddelen .......... 22 2.2.2.3. Farmaceutische produkten .......... 22 2.2.2.4. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van farmaceutische produkten .......... 22 2.2.2.5. Chemische produkten .......... 22 2.2.2.6. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van chemische produkten .......... 23 2.2.2.7. Motorvoertuigen, trekkers en motorrijwielen .......... 23 2.2.2.8. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van motorvoertuigen, trekkers en motorrijwielen 23 2.2.2.9. Voor de bouw bestemde produkten .......... 24 2.2.2.10. Duurzame verbruiksgoederen (machines, persoonlijke beschermingsmiddelen, voorverpakking, metrologie, elektrotechniek en medische apparatuur) 24 2.2.2.11. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van duurzame verbruiksgoederen (machines, persoonlijke beschermingsmiddelen, metrologie, voorverpakking, elektrotechniek en medische apparatuur) .......... 24 2.2.3. Vrij verkeer van personen, recht van vestiging, kiesrecht .......... 24 2.2.3.1. Verbod van discriminaties .......... 24 2.2.3.2. Binnenkomst en verblijf .......... 25 2.2.3.3. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van het verblijfsrecht .......... 25 2.2.3.4. Actief en passief kiesrecht .......... 26 2.2.3.5. Vakbondsrechten .......... 26 2.2.3.6. Toegang tot overheidsbetrekkingen .......... 26 2.2.3.7. Sociale zekerheid van migrerende werknemers .......... 26 2.2.3.8. Erkenning van diploma's .......... 26 2.2.3.9. Stand van de mededeling van de maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van de erkenning van diploma's .......... 28 2.2.3.10. Zelfstandige handelsagenten .......... 28 2.2.4. Vrij verrichten van diensten .......... 28 2.2.4.1. Audiovisuele sector .......... 28 2.2.4.2. Telecommunicatie .......... 28 2.2.4.3. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op telecommunicatiegebied .......... 29 2.2.4.4. Financiële diensten .......... 29 2.2.4.5. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van de financiële diensten .......... 31 2.2.5. Vrij verkeer van kapitaal .......... 31 2.2.6. Vennootschapsrecht .......... 32 2.2.6.1. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van het vennootschapsrecht .......... 33 2.2.7. Intellectuele en industriële eigendom .......... 33 2.2.7.1. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van de intellectuele en industriële eigendom .......... 34 2.2.8. Overheidsopdrachten .......... 34 2.2.8.1. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van overheidsopdrachten .......... 36 2.3. Opheffing van de belastinggrenzen .......... 36 2.3.1. Directe belastingen .......... 36 2.3.1.1. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van de directe belastingen .......... 37 2.3.2. Indirecte belastingen .......... 37 2.3.2.1. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van de indirecte belastingen .......... 38 CONSUMENTENBESCHERMING 1. Inleiding .......... 39 2. Situatie in de verschillende sectoren .......... 39 2.1. Kosmetische produkten .......... 39 2.2. Textielprodukten .......... 39 2.3. Veiligheid en gezondheid .......... 39 2.4. Bescherming van de economische belangen .......... 39 2.5. Stand van de mededeling van de maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van de consumentenbescherming en produktveiligheid .......... 40 MEDEDINGING 1. Inleiding .......... 40 2. Situatie in de verschillende sectoren .......... 40 2.1. Openbare bedrijven .......... 40 2.2. Monopolieposities .......... 41 2.3. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van het mededingingsbeleid .......... 41 WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID 1. Inleiding .......... 42 2. Situatie in de verschillende sectoren .......... 42 2.1. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen .......... 42 2.2. Arbeidsvoorwaarden .......... 43 2.3. Veiligheid en gezondheid op het werk .......... 43 2.4. Volksgezondheid .......... 43 2.5. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken .......... 43 LANDBOUW 1. Inleiding .......... 43 2. Situatie in de verschillende sectoren .......... 43 2.1. Marktordeningen .......... 43 2.2. Harmonisatie .......... 44 2.3. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op landbouwgebied .......... 46 VISSERIJ 1. Inleiding .......... 46 2. Situatie in de verschillende sectoren .......... 47 2.1. Marktordeningen .......... 47 2.2. Visbestanden .......... 47 2.3. Verenigbaarheid met het Gemeenschapsrecht van de nationale wetgevingen inzake de toekenning van de vlag .......... 47 MILIEUZAKEN 1. Inleiding .......... 48 1.1. Algemene toestand .......... 48 1.2. Mededeling van de nationale uitvoeringsmaatregelen .......... 48 1.3. Conformiteit van de nationale uitvoeringsmaatregelen .......... 48 1.4. Juiste toepassing van de richtlijnen .......... 49 1.5. Vrije toegang tot milieu-informatie .......... 49 1.6. Milieu-effectbeoordeling .......... 50 1.7. Te treffen maatregelen .......... 51 2. Toestand in de diverse sectoren .......... 51 2.1. Lucht .......... 51 2.2. Chemische sector .......... 52 2.3. Water .......... 52 2.4. Geluidshinder .......... 53 2.5. Afvalstoffen .......... 53 2.6. Natuur .......... 54 2.7. Stralingsbescherming .......... 54 2.8. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op milieugebied .......... 55 VERVOER 1. Inleiding .......... 56 2. Situatie in de verschillende sectoren .......... 56 2.1. Vervoer over de weg .......... 56 2.2. Gecombineerd vervoer .......... 56 2.3. Vervoer over de binnenwateren .......... 57 2.4. Spoorwegvervoer .......... 57 2.5. Zeevervoer .......... 57 2.6. Luchtvervoer .......... 57 2.7. Zomertijd .......... 58 2.8. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op vervoergebied .......... 58 ENERGIE 1. Inleiding .......... 58 2. Toestand in de verschillende sectoren .......... 59 2.1. Doorzichtigheid van de prijzen .......... 59 2.2. Interne markt van elektriciteit en aardgas .......... 59 2.3. Rationeel gebruik van energie en energiebesparing .......... 59 2.4. Koolwaterstoffen .......... 59 2.5. Stand van de mededeling van de nationale maatregelen ter uitvoering van de richtlijnen op energiegebied .......... 59 PERSONEEL VAN DE GEMEENSCHAPPEN .......... 60 VRAAGSTUKKEN OP HET GEBIED VAN DE STATISTIEK .......... 60 BIJLAGEN Bijlage I: Vermoede inbreuken 1991-1995 .......... 61 Bijlage II: Geconstateerde inbreuken 1991-1995 .......... 68 Bijlage III: Inbreuken op de verdragen, verordeningen en beschikkingen .......... 76 Bijlage IV: Stand van toepassing van de richtlijnen .......... 89 Bijlage V: Arresten van het Hof van Justitie waaraan nog geen uitvoering werd gegeven .......... 174 Bijlage VI: Toepassing van het Gemeenschapsrecht door de nationale rechterlijke instanties .......... 178 Europese Commissie opgesteld op verzoek van het Europees Parlement (resolutie van 9 februari 1983) alsook de Lid-Staten (verklaring nr. 19, punt 2, gehecht aan het op 7 februari 1992 te Maastricht ondertekend verdrag). Dit verslag vormt tevens een antwoord op de verzoeken die binnen de Europese Raad of de Raad voor specifieke sectoren werden gedaan. De Europese Unie zou geen echte op het recht gefundeerde en door het recht tot stand gebrachte Unie zijn indien de naleving en de daadwerkelijke toepassing van dit recht door - en in - de Lid-Staten niet permanent zouden worden gecontroleerd. Deze controletaak werd de Commissie toevertrouwd door artikel 155 van het Verdrag (1). Traditioneel is de kern van het jaarlijks verslag over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht de analyse van de inbreukprocedures die door de Commissie gedurende het voorbije jaar werden ingeleid op grond van artikel 169 van het Verdrag. Dit is dan ook het doel van dit verslag, dat de situatie op 31 december 1995 weergeeft. Het is evenwel van kapitaal belang er bij het begin aan te herinneren dat de taak van het controleren van de toepassing van het Gemeenschapsrecht die door artikel 155 van het EG-Verdrag aan de Commissie als "hoedster van het Verdrag" is toevertrouwd, niet beperkt blijft tot de inbreukprocedures. Wanneer de Commissie tegen andere instellingen een beroep instelt (artikelen 173 en 175), wanneer zij toezicht uitoefent op de wettigheid van de door de Lid-Staten verleende steun (artikel 93), wanneer zij fraude ten nadele van de communautaire begroting bestrijdt, wanneer zij toeziet op de naleving van de in de artikelen 85 en 86 van het Verdrag vervatte beginselen van verbod van overeenkomsten tussen en van misbruik van een machtspositie door ondernemingen, vervult de Commissie ook haar taak van controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Deze werkzaamheden worden in afzonderlijke verslagen behandeld. Het oorspronkelijke karakter van de op artikel 169 van het Verdrag gebaseerde inbreukprocedures kan nooit genoeg worden beklemtoond. Deze procedure - die alleen de Commissie kan inleiden - is erop gericht een geschil tussen de Gemeenschap en een Lid-Staat te regelen, en particulieren kunnen daarbij geen partij zijn. Deze als "objectief" bestempelde procedure is bedoeld om de Lid-Staten ertoe te brengen terug te keren tot een situatie die met het Gemeenschapsrecht in overeenstemming is. Zij is niet in de eerste plaats bedoeld om de rechtsbescherming te waarborgen van particulieren die zich op het Gemeenschapsrecht beroepen. Deze laatsten hebben het recht zich te wenden tot de nationale overheidsinstellingen en de nationale rechterlijke instanties die als "communautaire rechterlijke instanties van gemeenrecht" zijn gekwalificeerd, waarbij zij thans zelfs de geldelijke aansprakelijkheid van een Lid-Staat wegens schending van het Gemeenschapsrecht in het geding kunnen brengen (2). Tot de Commissie gerichte klachten zijn evenwel een onvervangbaar instrument, niet alleen voor de Commissie maar ook voor de burgers van de Gemeenschap. Dit is vooral duidelijk wanneer deze laatsten er niet in slagen op nationaal vlak de rechten te doen eerbiedigen die zij op grond van het Gemeenschapsrecht hebben. Ook al heeft de burger van de Gemeenschap geen macht over de inbreukprocedures, toch speelt hij daarbinnen een sleutelrol. De tot de Commissie gerichte klachten zijn een bevoorrechte bron van informatie om deze soort procedures op gang te brengen, bijvoorbeeld wanneer daarbij gewag wordt gemaakt van een administratieve praktijk die met het Gemeenschapsrecht in strijd is, of wanneer daarbij inbreuken aan het licht komen op gebieden waarop de Commissie die niet zou kunnen ontdekken bij gebrek aan inspectiebevoegdheid. Ook dragen de klachten ertoe bij dat de Commissie inbreuken worden gemeld bij operaties waarbij communautaire medefinanciering plaatsvindt (3). Het is derhalve van primordiaal belang dat de Commissie niet alleen rekenschap geeft aan degenen die een klacht indienen - en die soms geen andere toevlucht dan de Commissie hebben - maar tevens aan alle burgers van de Gemeenschap en aan het Europees Parlement. Het jaarlijks verslag is de veruitwendiging van deze wil tot doorzichtigheid van de Commissie. 1995 is in de eerste plaats het eerste jaar van de Gemeenschap met vijftien. Dit verslag omvat de resultaten van de toepassing van het Gemeenschapsrecht in Oostenrijk, Zweden en Finland. Voor de eerste keer verwelkomde de Gemeenschap drie nieuwe landen die voorheen lid waren van de Europese Economische Ruimte. Dit lidmaatschap vormt ongetwijfeld de verklaring voor het zeer hoge percentage van de mededelingen van de maatregelen tot omzetting van de communautaire richtlijnen door deze nieuwe Lid-Staten. Deze hadden reeds sedert 1 januari 1994, de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, een deel van de communautaire verworvenheden in hun nationale wetgeving opgenomen. Overeenkomstig artikel 172, lid 1, van het toetredingsverdrag heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA de Commissie de volledige wetgeving toegezonden die haar door deze Staten was medegedeeld (1). In één jaar tijd hebben de nieuwe Lid-Staten zoveel communautaire wetgeving in hun eigen wetgeving opgenomen dat het totale percentage van de mededelingen van de nationale maatregelen tot omzetting van de richtlijnen hoger ligt dan het communautaire gemiddelde in Zweden en Finland (2) en 84,2 % bedraagt in Oostenrijk. 1995 was ook een jaar waarin de Commissie bijzonder actief was op het gebied van de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Nooit tevoren had de Commissie in één jaar tijd zoveel besluiten in het kader van artikel 169 van het EG-Verdrag genomen: 5 068 besluiten (tegen 4 802 in 1994). I. EVOLUTIE VAN DE INBREUKPROCEDURES IN 1995 1995 zal gekenmerkt zijn door zeven grote tendensen: A. In 1995 geregistreerde inbreukdossiers: daling van het aantal klachten en stijging van het aantal ambtshalve ontdekte gevallen; B. Belangrijke rol van het Europees Parlement bij het inleiden van de inbreukprocedures; C. In 1995 ingeleide procedures: stabiel aantal aanmaningen; D. Procedures betreffende vastgestelde inbreuken: daling van het aantal met redenen omklede adviezen en stabiel aantal aanhangigmakingen; E. Sterke stijging van het aantal seponeringen; F. Begin van de aanzuivering van de passiefzijde: een groot aantal van de oudste dossiers werd geregeld; G. Grotere doorzichtigheid van de inbreukprocedures. A. In 1995 geregistreerde inbreukdossiers - daling van het aantal klachten De analyse van de statistieken brengt ons tot een verbazende vaststelling: het aantal bij de Commissie ingediende klachten stijgt niet meer. De cijfers van de laatste 5 jaar (1991: 1 051; 1992: 1 185; 1993: 1 040; 1994: 1 145; 1995: 978) tonen goed aan dat het om een echte tendens gaat en niet om een toeval (3). De situatie is evenwel uiteenlopend wat de verschillende sectoren betreft: op het gebied van douane en indirecte belastingen is het aantal klachten stabiel. Dit cijfer is gestegen voor overheidsopdrachten - van 100 naar 137 in één jaar, en op het gebied van vervoer. Het is daarentegen gedaald op landbouwgebied (127 i.p.v. 191). Het constante karakter van het aantal klachten verraadt, rekening houdend met de uitbreiding van de Gemeenschap en de bevolking ervan, een achteruitgang van het aantal klachten. Deze achteruitgang is des te opvallender daar de uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie zou moeten leiden tot moeilijkheden, geschillen en derhalve extra klachten. Een en ander moet derhalve heel voorzichtig worden geïnterpreteerd. Het zou er kunnen op wijzen dat de burgers van de Gemeenschap bij de nationale overheidsinstellingen of rechterlijke instanties genoegdoening hebben gekregen zonder zich tot de Commissie te hebben hoeven wenden. Een dergelijke verklaring zal wel ongetwijfeld te optimistisch zijn. In elk geval is zij moeilijk te onderbouwen en zou ze een studie vereisen die het kader van dit verslag te buiten gaat. De daling van het aantal klachten wijst misschien ook op een betere toepassing van het Gemeenschapsrecht door de Lid-Staten gezien de ervaring die zij hebben opgedaan met en het afschrikkende effect van de procedures wegens niet-nakoming. Nog een andere verklaring kan worden aangevoerd: de mogelijkheid die particulieren hebben om bij de Europese Commissie klacht neer te leggen is nog onvoldoende bekend bij de burgers van de nieuwe Lid-Staten. De nieuwe toetredingen zijn derhalve nog niet uitgemond in een proportionele stijging van het aantal klachten. De precieze rol van de Commissie is soms ook onbekend, zoals blijkt uit bepaalde klachten die duidelijk niet tot haar bevoegdheid behoren. - stijging van het aantal ambtshalve ontdekte gevallen Van 1994 tot 1995 steeg het aantal ambtshalve ontdekte gevallen van 277 tot 320. Dit moet er ons op wijzen dat wij ons bevinden in een periode van consolidatie. De wetgevingsactiviteit van de Gemeenschap is minder intens dan ze geweest is (1). Zij is misschien ook meer toegespitst op bepaalde oogmerken. In de door het werkprogramma van de Commissie voor 1995 vastgelegde lijn heeft deze op de daadwerkelijke toepassing van de bestaande regels de nadruk gelegd door over te gaan tot een diepgaande controle op de omstandigheden van de toepassing van het Gemeenschapsrecht in de Lid-Staten, zoals wordt aangetoond door de aanzienlijke stijging van het aantal ambtshalve ontdekte gevallen alsook door de totale stijging van het aantal inbreukdossiers die door de Commissie over het gehele jaar werden onderzocht. De Commissie heeft in 1994 meer dan 4 800 inbreukdossiers onderzocht, tegenover 5 068 in 1995, wat een niet onaanzienlijke stijging betekent. B. De belangrijke rol van het Europees Parlement bij de inleiding van de inbreukprocedures De Commissie legt systematisch een dossier inzake een vermoedelijke inbreuk aan zodra in een vraag van een Parlementslid (2) of een verzoekschrift melding wordt gemaakt van het feit dat het Gemeenschapsrecht niet wordt nageleefd. Van alle nieuwe inbreukdossiers die door de Commissie in de loop van 1995 werden geregistreerd, gaan er 30 terug op een schriftelijke of mondelinge vraag van een lid van het Europees Parlement, en 4 op een verzoekschrift. In dit verband moeten de cijfers in herinnering worden gebracht van de jaren 1992 (45 vragen en 33 verzoekschriften) en 1993 (30 vragen en 23 verzoekschriften) (3). Deze cijfers maken trouwens het zowel kwalitatieve als kwantitatieve belang van de rol van het Parlement bij de vaststelling van de inbreuken niet meteen duidelijk. Naast de gevallen waarop de hierboven genoemde cijfers betrekking hebben, melden de Parlementsleden immers gevallen van vermoedelijke inbreuken die al eerder door de diensten van de Commissie kunnen zijn ontdekt of ten aanzien waarvan reeds een klacht kan zijn geregistreerd. Een derde van deze dossiers betreft inbreuken op de communautaire voorschriften op milieugebied (voornamelijk industrieprojecten waarmee werd gestart zonder voorafgaande milieu-effectbeoordeling), en een ander derde betreft de interne markt (losse voorbeelden hiervan zijn de hinderpalen voor de vrijheid van vestiging van tandartsen en de schendingen van de richtlijnen inzake "overheidsopdrachten"). Een Europees Parlementslid heeft bijvoorbeeld aan de Commissie een reeks overheidsopdrachten voor dienstverlening op het gebied van advies inzake milieubeheer en -planning gemeld die waren gegund zonder publikatie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. De belangstelling van het Europees Parlement heeft voornamelijk betrekking op de twee gebieden (milieu en interne markt) waarop alleen al meer dan 60 % van de dossiers betrekking heeft die bij de Commissie in behandeling zijn. C. In 1995 ingeleide procedures: Stabiel aantal aanmaningen De Commissie heeft 1 016 inbreukdossiers ingeleid in 1995, tegen 974 in 1994 en 1 209 in 1993. Dit cijfer houdt zeker verband met het feit dat het aantal klachten niet meer stijgt, alsook met het feit dat de voorafgaande contacten tussen Commissie en Lid-Staten - die zich bewust zijn van het belang van hun verplichtingen die uit het Gemeenschapsrecht ontstaan - steeds vruchtbaarder zijn. D. Procedures betreffende vastgestelde inbreuken - zeer sterke daling van het aantal met redenen omklede adviezen De aanzienlijke daling van het aantal verzonden met redenen omklede adviezen (192) kan worden verklaard door het uitzonderlijk hoge aantal in 1994 verzonden met redenen omklede adviezen (546, tegen 352 in 1993) en door technische achterstand bij de Commissie, welke achterstand thans is ingelopen. - stabiel aantal aanhangigmakingen Bij het Hof van Justitie werden 72 nieuwe zaken aanhangig gemaakt in de loop van 1995 (tegen 64 in 1992, 44 in 1993 en 89 in 1994). De Commissie streeft ernaar de fase vóór de eigenlijke aanhangigmaking ten volle te benutten om de in gebreke blijvende Lid-Staat ertoe te brengen de situatie te regulariseren, of om over een aanvaardbare oplossing te onderhandelen. Zoals het Hof van Justitie het uitdrukt, vormt het beroep bij niet-nakoming "de ultima ratio door middel waarvan de in het Verdrag aanvaarde gemeenschapsbelangen beschermd worden tegen het mogelijk stilzitten of de tegenwerking der Lid-Staten" (4). De relatieve stabiliteit van het aantal aanhangigmakingen is ook het gevolg van het hoge percentage regularisaties door de Lid-Staten na de toezending van het met redenen omklede advies. E. Aanzienlijke stijging van het aantal seponeringen Het totaal aantal seponeringen van de procedures voor vermoedelijke inbreuken en die voor vastgestelde inbreuken is van 1 811 in 1994 gestegen tot 2 045 in 1995. In dit verband moet worden gewezen op de veelbetekenende cijfers die werden genoteerd op het gebied van het vrije verkeer van goederen, waar 238 seponeringen tegen slechts 2 aanhangigmakingen werden geregistreerd. De Commissie plukt hier de vruchten van een lange traditie van dialoog met de Lid-Staten in het kader van de "pakketvergaderingen". Het aantal seponeringen waartoe na de inleiding van de procedure werd besloten, bedroeg 1 344 in 1995 tegen 668 in 1994. Deze cijfers wijzen niet op een of andere zwakheid van de Commissie doch wel op het feit dat haar optreden tegenover de Lid-Staten, om een behoorlijke omzetting binnen de door de communautaire richtlijnen gestelde termijnen te vergemakkelijken of om de daadwerkelijke toepassing van het rechtstreeks toepasselijke Gemeenschapsrecht te waarborgen, doeltreffend is. Het beleid dat door de Commissie op milieugebied wordt gevolgd, is exemplarisch: 182 dossiers werden na het stadium van de aanmaning geseponeerd in 1995. In 1994 waren er dit slechts 70. Ook moet worden gewezen op de voorbeelden die werden genoemd op het gebied van overheidsopdrachten en BTW (1). F. Aanzuivering van de passiefzijde: een groot aantal van de oudste dossiers werd geregeld Dankzij het beginsel van het algemeen onderzoek van alle lopende dossiers onderzoekt de Commissie periodiek opnieuw alle dossiers. Zo werden in 1995 evenals in de hieraan voorafgaande jaren alle oudste dossiers systematisch opnieuw onderzocht. Van de 1 545 dossiers die in 1992 werden geopend, waren er in 1995 nog 161 in behandeling. Van de 1 340 dossiers die in 1993 werden geopend, waren er in 1995 nog 225 in behandeling, terwijl dit cijfer één jaar eerder 404 bedroeg. Het aantal in 1994 geopende en nog steeds in behandeling zijnde dossiers daalde in één jaar met de helft: van 1 136 naar 670 (zie tabel 1.3). Het is duidelijk dat deze inspanningen moeten worden voortgezet. De inbreukprocedure bestaat uit opeenvolgende etappes die de Lid-Staat ertoe in staat moeten stellen vóór de aanhangigmaking bij het Hof aan de inbreuk een einde te maken. Deze procedure neemt derhalve noodzakelijkerwijs tijd in beslag. Toch is het ook zo dat het onderzoek van de dossiers nog te lang duurt en dat de Commissie alles in het werk stelt om de betrokken termijnen te verkorten. G. Een grotere doorzichtigheid van de inbreukprocedures De inbreukprocedure is er, uitgaande van het Verdrag zelf, volledig op gericht tot een regularisatie van de gewraakte inbreuksituatie te komen alvorens het Hof van Justitie wordt ingeschakeld. Hierom is deze procedure traditioneel vertrouwelijk en verloopt zij met de discretie die nodig is om de betrokken Lid-Staat beter de gelegenheid te geven zijn situatie te regulariseren. De voltooiing van de interne markt en de onophoudelijk groeiende belangstelling van het Europees Parlement voor de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht alsook het streven van de Commissie om haar optreden duidelijker te maken, hebben deze ertoe gebracht haar doorzichtigheidsbeleid aan te scherpen. Zo heeft zij haar beleid inzake persmededelingen ontwikkeld. Op haar vergadering van 19 juli 1995 heeft zij besloten 22 persmededelingen betreffende 58 inbreukgevallen te publiceren zonder het formele uitbrengen van het met redenen omklede advies of de instelling van het beroep van het Hof van Justitie af te wachten. De doorzichtigheid van de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht, met name inzake de eengemaakte markt, werd als een politieke prioriteit beschouwd. Dit optreden werd in de loop van het tweede halfjaar van 1995 hernieuwd en werd gunstig onthaald. II. ANALYSE VAN DE RESULTATEN VAN 1995 A. Rechtstreeks van toepassing zijnde regelgeving De behandeling van de inbreuken op de andere communautaire normen dan de richtlijnen wordt onverminderd voortgezet. In 1995 werd tot 89 aanmaningen besloten, tegen 67 in 1994. Wanneer men een analyse van de verschillende sectoren maakt, springt in 1995 een aantal feiten in het oog. Met een reeks in 1995 gewezen arresten heeft het Hof van Justitie nader de grenzen aangegeven van de werkingssfeer van artikel 30, zoals uitgelegd door het arrest in de zaak "Keck en Mithouard" van 24 november 1993 (2) (zie punt 2.2.1.1 hierna). Het groot aantal inbreukprocedures die werden ingeleid in verband met het vrije verkeer van personen, moet worden beklemtoond, met name met betrekking tot de discriminaties op het gebied van de toegang tot het arbeidsproces en het verblijfsrecht (artikel 48 van het Verdrag en Verordening (EEG) nr. 1612/68 (3)). Op mededingingsgebied verdient het feit vermelding dat de Commissie erin is geslaagd op efficiënte wijze een einde te maken aan het monopolie inzake de havenverrichtingen in de haven van Genua (1). Op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid boet het geschil betreffende artikel 119 van het Verdrag inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen niet aan belang in. Het arrest-Kalanke van 17 oktober 1995 betreffende positieve discriminatie ten gunste van vrouwen heeft geleid tot een interpreterende mededeling van de Commissie. Op het gebied van visserij en aquicultuur onderzoekt de Commissie systematisch de nationale wetgevingen om na te gaan of zij verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht op het gebied van het verlenen van de vlag en de technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden. B. Richtlijnen 1. Mededeling van de omzettingsmaatregelen Het aantal procedures dat in 1995 wegens niet-mededeling van de omzettingsmaatregelen werd ingeleid, ligt iets boven dat van het vorige jaar (799 in plaats van 732). De onderstaande tabel bevat een algemeen overzicht van de stand van de tenuitvoerlegging van alle op 31 december 1995 van toepassing zijnde richtlijnen. Opvallend is dat het aantal richtlijnen dat in de loop van het voorbije jaar in werking is getreden, minder stijgt dan in de jaren daarvoor (met een veertigtal in plaats van een zestigtal in 1994). Hierin kunnen de eerste effecten van een minder intense wetgevende activiteit van de Gemeenschap worden herkend. De Gemeenschap maakt minder wetgeving om die beter te maken. Deze tendens zou de komende jaren sterker moeten worden (zie in dit verband het document dat door de Commissie op de Europese Raad van Madrid van december 1995 werd voorgelegd: "De wetgeving verbeteren"; de Commissie heeft het initiatief genomen tot 25 voorstellen voor teksten in 1995, tegen 61 in 1990 en 51 in 1992. Voor 1996 heeft zij er 19 gepland (2)). >RUIMTE VOOR DE TABEL> Op 31 december 1995 hadden de Lid-Staten gemiddeld 90,7 % medegedeeld van de nationale uitvoeringsmaatregelen die nodig waren voor de tenuitvoerlegging van alle van toepassing zijnde communautaire richtlijnen. Dit cijfer daalt ten opzichte van het vorige jaar (91,89 %) omdat met de drie nieuwe Lid-Staten rekening is gehouden. De individuele "prestaties" van de twaalf overige Lid-Staten zijn over de hele lijn beter. Derhalve kunnen worden vastgesteld: - een hoog mededelingspercentage in de drie nieuwe Lid-Staten. - Zweden neemt de zesde plaats in; - het resultaat van Oostenrijk kan voor een zeer groot deel worden verklaard door een achterstand bij de mededeling van de omzettingsmaatregelen op landbouwgebied (punt 2.3); - de Finse situatie is hoofdzakelijk toe te schrijven aan het speciale statuut dat de AAland-eilanden op grond van het internationale recht genieten (5). Zij hebben met name autonomie op bepaalde gebieden zoals landbouw en milieu, en moeten specifieke omzettingsmaatregelen nemen. Afgezien van de situatie van de AAland-eilanden, ligt het Finse percentage boven het communautaire gemiddelde. - verbetering van het mededelingspercentage van de nationale maatregelen tot omzetting van richtlijnen in alle twaalf overige Lid-Staten, met, voor de eerste keer, een percentagerecord van nagenoeg 98 % in een Lid-Staat (Denemarken). Achter deze hoge gemiddelde percentages gaat evenwel een contrasterende realiteit schuil. Het mededelingspercentage bedraagt 100 % op douanegebied en inzake verblijfsrecht (behalve, op dit laatste gebied, in België en in Duitsland). Het mededelingspercentage beloopt overal meer dan 90 % op de gebieden uitrustingsgoederen en motorvoertuigen, alsmede op het gebied van de erkenning van diploma's. Het mededelingspercentage loopt in de verschillende Lid-Staten zeer sterk uiteen op de gebieden telecommunicatie en financiële dienstverlening. De sectoren waarin de grootste moeilijkheden aanhouden en waarin de maatregelen tot omzetting van reeds oude richtlijnen nog altijd niet werden medegedeeld, zijn milieu (punten 1.2 en 2.8), vervoer (punt 2.8) en energie (punt 2.5). Op landbouwgebied blijft de achterstand bij de mededeling van de nationale omzettingsmaatregelen aanzienlijk met betrekking tot met name de richtlijnen die werden goedgekeurd in het kader van het Witboek inzake de interne markt. Het aantal aanhangigmakingen bij het Hof steeg van 34 in 1994 tot 57 in 1995 (punten 1 en 2.2). Toch blijkt de evolutie positief te zijn: het aantal nieuwe procedures die werden ingeleid wegens niet-mededeling van de omzettingsmaatregelen, daalt ten opzichte van 1994. Dit geldt ook voor de met redenen omklede adviezen. Op het gebied van de consumentenbescherming werden de nationale maatregelen tot omzetting van de belangrijke Richtlijn 92/59/EEG (1) inzake algemene produktveiligheid nog altijd niet medegedeeld door vijf Lid-Staten. 2. Conformiteit van de omzettingsmaatregelen De Commissie gaat uit van het beginsel dat veel gevallen van onjuiste toepassing van de communautaire richtlijnen vermeden zouden worden indien de voor de omzetting ervan genomen nationale maatregelen aan de door de richtlijn gestelde eisen zouden voldoen. Daarom is de controle op de "kwaliteit" van de nationale uitvoeringsmaatregelen een van de prioritaire taken van de Commissie op het gebied van de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. De Commissie onderzoekt de bestaande wetgeving zoveel mogelijk systematisch, zoals bijvoorbeeld blijkt uit haar optreden op het gebied van het vrij verkeer van goederen (zie punt 2.2.1 hierna). Het aantal nieuwe, wegens gebrek aan conformiteit geregistreerde dossiers steeg van 54 in 1994 tot 63 in 1995. In 23 gevallen werd besloten tot het sturen van een aanmaning (tegen 32 in het vorige jaar). Inzake overheidsopdrachten is het aantal dossiers dat wegens gebrek aan conformiteit van de nationale wetgeving wordt onderzocht, in één jaar verdubbeld: van 14 gevallen in 1994 tot 30 gevallen in 1995. Voor het vaststellen van de voornaamste oorzaken van niet-conformiteit werd een diepgaande analyse gemaakt op milieugebied (punt 1.3); hierbij is naar voren gekomen dat de controle op de conformiteit van de nationale uitvoeringsmaatregelen bijzonder delicate analyses van het nationaal recht kan vereisen, met name wanneer de voor de omzetting bevoegde autoriteit zich niet op het nationaal maar op het regionaal of provinciaal niveau bevindt - in welk geval voor eenzelfde Lid-Staat de goedkeuring van verschillende teksten nodig kan zijn. Bovendien kunnen de richtlijnen de Lid-Staten complexe verplichtingen opleggen waarbij de goedkeuring of de wijziging van verschillende juridische teksten vereist is. 3. Toepassing van de omzettingsmaatregelen De klachten betreffende concrete gevallen van onjuiste toepassing van een nationale tekst die voor de uitvoering van een richtlijn werd genomen, zijn voor de Commissie een kostbare informatiebron, vooral wanneer zij gebreken op het gebied van de conformiteit van deze tekst met de richtlijn aan het licht brengen, of wanneer daarbij herhaalde inbreuken of problemen van horizontale aard aan het licht worden gebracht, zoals administratieve handelwijzen die niet verenigbaar zijn met de richtlijn. Zo hadden in 1995 meer dan 40 klachten betrekking op de richtlijnen inzake de erkenning van diploma's voor beroepsdoeleinden. In veel gevallen zouden klachten inzake een onjuiste toepassing van een nationale wetgeving die conform is met de communautaire richtlijn waarvan zij de omzetting vormt, natuurlijk door de nationale overheidsdiensten en rechtbanken kunnen worden behandeld en opgelost (2). De Commissie blijkt evenwel de onontbeerlijke toevluchtsinstantie te zijn, met name wanneer de nationale rechtsmiddelen uitgeput, illusoir of inefficiënt zijn. Voor een betere toepassing van het Gemeenschapsrecht is in de eerste plaats een beleid tot preventie van de inbreuken vereist. De grotere inschakeling van de nationale instanties, en met name van de nationale parlementen, bij het communautair wetgevingsproces is daarop gericht. Daardoor zouden de moeilijkheden bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht op nationaal vlak moeten worden verlicht. Het onderhouden van regelmatige contacten met de nationale autoriteiten, met name in het kader van de institutionele comités, maakt mogelijk inbreuken te vermijden (1). Tijdige informatie van de Commissie, zoals in het kader van de informatieprocedure op het gebied van technische normen en voorschriften bedoeld in Richtlijn 83/189/EEG (2), kan ook nieuwe belemmeringen van het handelsverkeer voorkomen (3). In een recent arrest heeft het Hof van Justitie het nuttige effect van deze informatieprocedure vergroot (4). De inspanningen die de Commissie zich getroost om het Gemeenschapsrecht te verspreiden en om dit leesbaar en toegankelijk te maken, vormen ook een integrerend onderdeel van dit beleid. De controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht blijft niettemin een eindeloze opgave waarvoor de Commissie zich twee prioritaire doelstellingen heeft gesteld: - de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht een centrale plaats geven binnen haar werkzaamheden. Het werkprogramma van de Commissie voor 1996 is resoluut op deze doelstelling gericht (5), - een bevredigende taakverdeling vinden tussen de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht op communautair vlak en de rol die de nationale, en met name de gerechtelijke autoriteiten op dit gebied toebedeeld krijgen. Het werk van de Commissie zou immers vergeefs zijn zonder burgers van de Gemeenschap die waken over en letten op de eerbiediging van hun rechten, zonder gerechtelijke en administratieve autoriteiten van de Lid-Staten voor wie de naleving van het Gemeenschapsrecht prioritair is. Het is in deze zin dat de Commissie zich heeft uitgesproken in het advies dat zij op 28 februari 1996 heeft uitgebracht ter voorbereiding van de Intergouvernementele Conferentie bedoeld in artikel N, lid 2, van het Verdrag van Maastricht: Het consolideren van een op het recht gebaseerde Unie betekent vooral zorgen voor de tenuitvoerlegging en de naleving van het Gemeenschapsrecht, waarvoor de verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij de nationale autoriteiten berust. Dit is des te noodzakelijker in een uitgebreide Gemeenschap die meer uiteenlopende nationale rechts- en administratieve stelsels omvat. De Commissie is van mening dat: - de middelen waarover zij beschikt om te zorgen voor de toepassing van het Gemeenschapsrecht doeltreffender zouden moeten worden gemaakt, met name wat betreft de interne markt; - de rol van het Hof van Justitie zou moeten worden uitgebreid, in het bijzonder ten aanzien van de naleving van zijn arresten (6). Ten slotte juicht de Commissie de waakzaamheid van het Europees Parlement op het gebied van de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht toe. Zijn rol bij het opsporen van de inbreuken werd onderstreept. Door te interveniëren bij de politieke krachten van de Lid-Staten en de publieke opinie te sensibiliseren, kan het Europees Parlement een nog grotere rol spelen, zodat mede daardoor een einde wordt gemaakt aan de inbreuken die in het verslag worden genoemd. De Commissie heeft de voortdurende steun nodig van een Europees Parlement dat evenveel belangstelling voor de daadwerkelijke toepassing van de communautaire wetgeving heeft als voor de uitwerking ervan. BIJLAGE >RUIMTE VOOR DE TABEL>