Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van rationele planningtechnieken in de elektriciteits- en de gasdistributiesector /* COM/95/0369 DEF - SYN 95/0208 */
Publicatieblad Nr. C 001 van 04/01/1996 blz. 0006
Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot invoering van rationele planningtechnieken in de elektriciteits- en de gasdistributiesector (96/C 1/05) COM(95) 369 def. - 95/0208(SYN) (Door de Commissie ingediend op 14 november 1995) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1, Gezien het voorstel van de Commissie, Overeenkomstig artikel 189 C van het Verdrag, in samenwerking met het Europees Parlement, Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Gezien het advies van de Comité van de Regio's, Overwegende dat de Raad Energie/Milieu in zijn vergadering van 29 oktober 1990 als doelstelling stabilisering van de totale CO2-emissies in de gehele Gemeenschap tegen het jaar 2000 op het niveau van 1990 heeft genomen; Overwegende dat in artikel 130 R van het Verdrag is bepaald dat het optreden van de Gemeenschap op milieugebied een behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen dient te waarborgen; dat de stroomopwekkingssector verantwoordelijk is voor 30 % en de aardgassector voor 18 % van de CO2-uitstoot in de Gemeenschap (1); Overwegende dat de Raad bij Beschikking 93/389/EEG (2) een bewakingssysteem voor de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen heeft vastgesteld; Overwegende dat, gegeven de transnationale aard van de CO2-emissies, de invoering van rationele planningtechnieken in de gas- en de elektriciteitsdistributiesector op het niveau van de Lid-Staten niet op bevredigende wijze kan worden verwezenlijkt en dat, in toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, zoals vervat in artikel 3 B van het Verdrag, hetgeen door deze richtlijn wordt voorgesteld, in de vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen bestaat, welke door alle Lid-Staten dienen te worden toegepast, maar die toch elke Lid-Staat de nodige ruimte bieden om deze aan de eigenheid van zijn energiesector aan te passen. Overwegende dat de Raad in zijn Resolutie van 15 januari 1985 betreffende de verbetering van de energiebesparingsprogramma's van de Lid-Staten (3), deze heeft verzocht hun inspanningen ter bevordering van een rationeel energiegebruik voort te zetten en zo nodig te intensiveren door de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd energiebesparingsbeleid; Overwegende dat de Raad in zijn Resolutie van 16 september 1986 (4) als doelstelling voor de Gemeenschap een rationeler energiegebruik dank zij een grotere energie-efficiëntie alsmede een verbetering van het rendement van de uiteindelijke energievraag met ten minste 20 % tussen nu en 1995 heeft vastgesteld; Overwegende dat een verbeterde efficiëntie van het energieverbruik zowel op de continuïteit van de energievoorziening als op het milieu wereldwijd een positief effect zal hebben, weshalve een hoge mate van internationale samenwerking wenselijk is om de best mogelijke resultaten te bereiken; Overwegende dat de verhouding tussen de elektriciteits- en de gasbedrijven enerzijds en de eindverbruiker anderzijds de distributiebedrijven gelegenheid biedt om de keuze van de verbruiker met betrekking tot investeringen in een efficiënter energieverbruik te beïnvloeden; Overwegende dat alle groepen van elektriciteits- en gasverbruikers, met inbegrip van residentiële verbruikers, rechtstreeks profijt zullen hebben van een door de distributienutsbedrijven uitgewerkt rationeler planningsproces; Overwegende dat de Raad bij Beschikking 89/364/EEG (1) een communautair actieprogramma ten behoeve van een efficiënter elektriciteitsverbruik heeft vastgesteld; Overwegende dat de Raad bij Beschikking 91/565/EEG (2) een communautair programma voor energiebesparing (SAVE) heeft vastgesteld, dat op versterking van de infrastructuur voor een efficiënt energieverbruik in de Gemeenschap is gericht; Overwegende dat het Europees Parlement en de Raad bij Besluit 1110/94/EG (3) het vierde kaderprogramma voor communautaire acties op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie hebben vastgesteld en dat de Geïntegreerde-Hulpbronnenplanning een belangrijk instrument vormt bij de toepassing en de bevordering van nieuwe energietechnologieën, waartoe het vierde kaderprogramma zal leiden, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Deze richtlijn heeft ten doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van de Gemeenschap om de CO2-emissies in het jaar 2000 in de gehele Gemeenschap op het niveau van 1990 te stabiliseren, en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de economie van de Gemeenschap te verbeteren door verbetering van de efficiëntie van het eindgebruik in de gas- en de elektriciteitsdistributiesector door invoering van rationelere planningtechnieken. Met behulp van deze technieken, hierna "Geïntegreerde-Hulpbronnenplanning" genoemd, dienen de investeringsmogelijkheden in energievoorziening en de vermindering van de vraag naar energie op gelijke economische grondslag te worden beoordeeld. Artikel 2 De Lid-Staten treffen een geheel van maatregelen ter bevordering van de toepassing van een Geïntegreerde-Hulpbronnenplanning als instrument waarmee de elektriciteits- en de gasdistributiebedrijven het vraagstuk hoe zij in de toekomst aan de vraag naar energie kunnen voldoen, op een rationeler wijze kunnen benaderen, met name: a) vaststelling van procedures in het kader waarvan elektriciteits- en gasdistributiebedrijven periodiek een Geïntegreerde-Hulpbronnenplan bij de door de Lid- Staat aangewezen bevoegde autoriteit moeten indienen. In dit Geïntegreerde-Hulpbronnenplan worden alle hulpbronnenalternatieven (met inbegrip van vraagbeheersing) op een gelijke economische basis beoordeeld; b) nagaan of de in het Geïntegreerde-Hulpbronnenplan geïdentificeerde maatregelen voor doelmatig gebruik van energie worden uitgevoerd; c) herziening van de bestaande wetgeving in deze sector om zeker te zijn dat mechanismen worden gecreëerd die het de elektriciteits- en de gasdistributiebedrijven mogelijk maken om de kosten van de aan de verbruikers geboden energie-efficiëntieprogramma's terug te verdienen. Dergelijke mechanismen behoren te waarborgen dat de distributiebedrijven die vraagbeheersingsprogramma's uitvoeren, wat netto-opbrengst betreft er niet op achteruitgaan; d) aanmoediging van elektriciteits- en gasdistributiebedrijven om: - alomvattende voorlichtingsprogramma's op te zetten die erop gericht zijn de verbruikers voor te lichten over rationele keuzen inzake energie-efficiëntie; - de gebruikers zo nodig te stimuleren om in energie-efficiëntie te investeren; - programma's voor vraagbeheersing op te zetten, die gericht zijn op energieverbruikers met lage inkomens, die een onevenredig groot deel van hun beschikbare inkomen aan energie besteden; - in energie-efficiëntie te investeren door oprichting van filialen die de verbruikers mogelijkheden voor financiering door derden bieden of de inspanningen van bestaande, die mogelijkheden biedende financieringsinstellingen steunen; e) bevordering van de integratie van vraagbeheersingsopties in aanbestedingsprocedures voor capaciteit in de distributiesector, daar waar deze procedures bestaan. Artikel 3 De Lid-Staten werken met de Commissie samen om de resultaten van de op de grondslag van deze richtlijn genomen maatregelen gedurende acht jaar met ingang van 1997, om de twee jaar te beoordelen. Artikel 4 1. Uiterlijk op 1 januari 1997 stellen de Lid-Staten de maatregelen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten. 2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 5 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 6 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. (1) A view to the Future, Commissie van de Europese Gemeenschappen, september 1992. (2) PB nr. L 167 van 9. 7. 1993, blz. 31. (3) PB nr. C 20 van 22. 1. 1985, blz. 1. (4) PB nr. C 241 van 25. 9. 1986, blz. 1. (1) PB nr. L 157 van 9. 6. 1989, blz. 32. (2) PB nr. L 307 van 8. 11. 1991, blz. 34. (3) PB nr. L 126 van 18. 5. 1994, blz. 1.