Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD betreffende het recht van onderdanen van derde landen om binnen de Gemeenschap te reizen /* COM/95/346 DEF - CNS 95/0199 */
Publicatieblad Nr. C 306 van 17/11/1995 blz. 0005
Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende het recht van onderdanen van derde landen om binnen de Gemeenschap te reizen (95/C 306/03) (Voor de EER relevante tekst) COM(95) 346 def. - 95/0199(CNS) (Door de Commissie ingediend op 24 augustus 1995) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100, Gezien het voorstel van de Commissie, Gezien het advies van het Europees Parlement, Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, Gezien het advies van het Comité van de regio's, Overwegende dat in artikel 7 A van het Verdrag is voorzien in de totstandbrenging van de interne markt die een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag; Overwegende dat te dien einde de Lid-Staten aan onderdanen uit derde landen die rechtmatig op het grondgebied van een Lid-Staat verblijven, het recht dienen toe te kennen zich voor een kort verblijf op het grondgebied van de andere Lid-Staten te begeven; dat immers, indien dit recht van reizen niet zou worden toegekend, de Lid-Staten met de aanwezigheid in de andere Lid-Staten van personen die niet het recht hebben hun grondgebied binnen te komen, zouden worden geconfronteerd, hetgeen een reden zou kunnen opleveren om aan de binnengrenzen controles te handhaven; Overwegende dat de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten op dit gebied rechtstreeks op de totstandbrenging en de werking van de interne markt van invloed is; Overwegende dat, wanneer een Lid-Staat aan een onderdaan van een derde land een verblijfstitel verleent en hem of haar aldus het recht toekent om in die Lid-Staat zijn of haar woonplaats te hebben, dit een handeling is, die met toereikende waarborgen is omgeven, zodat de andere Lid-Staten van die persoon niet meer behoeven te eisen dat deze een door de eigen autoriteiten van die Lid-Staten voorafgaandelijk verleend visum verkrijgt en zij die persoon het recht van reizen kunnen toekennen; dat elke Lid-Staat in ieder geval de betrokkene kan verwijderen naar de Lid-Staat die de verblijfstitel heeft verleend en die tot terugname van die persoon gehouden is, indien deze persoon op onregelmatige wijze op zijn grondgebied verblijft, indien deze niet aan de voorwaarden voor de uitoefening van het recht van reizen voldoet of indien deze een bedreiging vormt voor de openbare orde en de openbare veiligheid of de internationale betrekkingen van die Lid-Staat; Overwegende dat, wanneer een onderdaan van een derde land die zijn of haar woonplaats niet in de Gemeenschap heeft, over een door een Lid-Staat afgegeven visum beschikt dat hem of haar het recht geeft om de buitengrenzen van alle Lid-Staten te overschrijden, aangezien het visum voor de gehele Gemeenschap geldig is en daartoe door de Lid-Staten wederzijds wordt erkend, elke Lid-Staat over voldoende waarborgen beschikt om betrokkene het recht van reizen toe te kennen; dat ditzelfde recht a fortiori moet worden toegekend aan onderdanen van derde landen die de buitengrenzen mogen overschrijden zonder aan de visumplicht te zijn onderworpen; dat elke Lid-Staat in ieder geval het recht heeft om een onderdaan van een derde land te verwijderen, indien deze op onregelmatige wijze op zijn grondgebied verblijft, indien deze niet aan de voorwaarden voor de uitoefening van het recht van reizen voldoet of indien deze een bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de internationale betrekkingen van die Lid-Staat; Overwegende dat de personen die van het recht van reizen gebruik maken, niet ten laste behoeven te komen van de sociale bijstand van de Lid-Staat die zij bezoeken; dat het derhalve dienstig is dit recht aan de voorwaarde te onderwerpen over voldoende middelen te beschikken om de reis te maken; Overwegende dat deze richtlijn in een geheel van communautaire en nationale maatregelen past, waarmee de juridische situatie van onderdanen van derde landen in de Lid-Staten wordt geregeld; dat het derhalve dienstig is de draagwijdte van de onderhavige richtlijn nauwkeurig te omschrijven, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 1. De Lid-Staten kennen aan onderdanen van derde landen die rechtmatig in een Lid-Staat verblijven het recht van reizen op het grondgebied van de andere Lid-Staten toe, onder de bij deze richtlijn vastgestelde voorwaarden. 2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de rechten die - door het gemeenschapsrecht worden toegekend aan onderdanen van derde landen, die familieleden van burgers van de Unie zijn; - worden verleend aan onderdanen van derde landen en aan hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die uit hoofde van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en haar Lid-Staten enerzijds en deze landen anderzijds, ten aanzien van toegang tot en verblijf in een Lid-Staat rechten genieten die identiek zijn aan die van de burgers van de Unie. 3. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de op onderdanen van derde landen van toepassing zijnde bepalingen van gemeenschaps- of van nationaal recht met betrekking tot - ander verblijf dan dat van korte duur, - de toegang tot de arbeidsmarkt en tot niet in loondienst verrichte werkzaamheden. Artikel 2 In de zin van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder: 1. "recht van reizen", het recht de binnengrenzen van de Gemeenschap te overschrijden voor een verblijf van korte duur op of voor een doorreis over het grondgebied van een Lid-Staat, zonder dat de persoon die dit recht uitoefent, gehouden is bij de Lid-Staat of Lid-Staten op het grondgebied waarvan dit recht wordt uitgeoefend, een visum aan te vragen; 2. "verblijfstitel", elke door de autoriteiten van een Lid-Staat afgegeven titel of vergunning waarbij het een persoon wordt toegestaan op zijn grondgebied te verblijven en welke voorkomt op de in artikel 3, lid 4, bedoelde lijst; 3. "visum in de zin van artikel 2, punt 3", het visum dat voor de gehele Gemeenschap geldig is en dat voor de overschrijding van de buitengrenzen van de Lid-Staten wederzijds wordt erkend; 4. "onderdanen van derde landen", een ieder die geen burger van de Unie in de zin van artikel 8, lid 1, van het Verdrag is. Artikel 3 1. De Lid-Staten kennen het recht van reizen toe aan onderdanen van derde landen die houder zijn van een door een andere Lid-Staat afgegeven geldige verblijfstitel. Deze personen mogen gedurende een ononderbroken periode van ten hoogste drie maanden op het grondgebied van de andere Lid-Staten reizen, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen: - een geldige verblijfstitel en een geldig reisdocument bij zich hebben; - over voldoende middelen van bestaan beschikken, zowel voor de duur van het verblijf of van de doorreis als voor de terugkeer naar de Lid-Staat die de verblijfstitel heeft afgegeven of voor de reis naar een derde land waar hun toelating wordt gewaarborgd. 2. De Lid-Staten nemen overeenkomstig de voorwaarden en de nadere bepalingen in de bijlage een ieder terug aan wie zij een verblijfstitel hebben verleend en die op onregelmatige wijze op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijft, zelfs indien de geldigheidsduur van voornoemde titel is verstreken. 3. Een onderdaan van een derde land die houder is van een door een Lid-Staat verleende verblijfstitel en die van zijn recht van reizen gebruik maakt, kan worden verwijderd indien hij niet aan de voorwaarden van lid 1 voldoet of indien hij een bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de internationale betrekkingen van de Lid-Staat waar hij dit recht van reizen uitoefent. 4. De Lid-Staten geven de Commissie en de overige Lid-Staten kennis van de lijst van documenten die zij voor de doeleinden van dit artikel als verblijfstitel afgeven, alsmede van elke wijziging van die lijst. De Commissie maakt deze lijsten, alsmede de eventuele latere wijzigingen daarop bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 4 1. De Lid-Staten kennen het recht van reizen toe aan onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum in de zin van artikel 2, punt 3. Deze personen mogen reizen op het grondgebied van de Lid-Staten voor de door dit visum toegekende verblijfsduur, op voorwaarde dat zij een van het visum voorzien geldig reisdocument bij zich hebben en aan de voorwaarde van artikel 3, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, voldoen. 2. De Lid-Staten kennen het recht van reizen toe aan de onderdanen van derde landen die door alle Lid-Staten van de visumplicht zijn vrijgesteld. Deze personen mogen reizen op het grondgebied van de Lid-Staten voor een duur van maximaal drie maanden binnen een periode van zes maanden te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst op het grondgebied van een der Lid-Staten, op voorwaarde dat zij een geldig reisdocument bij zich hebben en aan de voorwaarde van artikel 3, lid 1, tweede alinea, tweede streepje, voldoen. 3. Lid 2 is tevens van toepassing op onderdanen van derde landen waarvoor een zeker aantal Lid-Staten een visumplicht hebben ingesteld. Het recht van deze personen om te reizen is echter beperkt tot het grondgebied van die Lid-Staten die de onderdanen van de betrokken derde landen hebben vrijgesteld van de verplichting, een visum bij zich te hebben, behoudens indien zij houder zijn van een visum in de zin van artikel 2, punt 3. In dit laatste geval is het verblijf op het grondgebied van de Lid-Staten die de visumplicht hebben opgelegd, beperkt tot de door het visum toegestane duur. 4. De bepalingen van dit artikel laat het recht van een Lid-Staat onverlet om het verblijf van een onderdaan van een derde land op zijn grondgebied toe te staan voor langer dan drie maanden. 5. Een voor een kort verblijf in de Gemeenschap toegelaten onderdaan van een derde land die van het recht van reizen gebruik maakt, kan worden verwijderd indien hij of zij niet aan de voorwaarden van lid 1 of van lid 2 voldoet, naar gelang die onderdaan wel of niet onder de visumplicht valt, of indien die onderdaan een bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de internationale betrekkingen van de Lid-Staat waar hij het recht van reizen uitoefent. Artikel 5 De Lid-Staten kunnen personen die het recht van reizen uitoefenen, verplichten hun aanwezigheid op het grondgebied van de Lid-Staten te melden. Artikel 6 De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1996 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis. Wanneer de Lid-Staten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten. Artikel 7 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 8 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. BIJLAGE Voorwaarden en nadere bepalingen voor terugname door de Lid-Staten van onderdanen van derde landen die houder zijn van een door de Lid-Staten afgegeven verblijfstitel en die op onregelmatige wijze op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijven (artikel 3, lid 2, van de richtlijn) 1. De onderhavige bepalingen betreffende terugname zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die houder zijn van een verblijfstitel in de zin van artikel 2, punt 2, en die het recht van reizen uitoefenen doch op onregelmatige wijze op het grondgebied van een andere Lid-Staat verblijven. De onderhavige bepalingen laten de verplichtingen van de Lid-Staten onverlet om krachtens de Asielovereenkomst van Dublin op onregelmatige wijze in een andere Lid-Staat verblijvende asielzoekers terug te nemen. 2. Voor zover een onder punt 1 bedoelde persoon een Lid-Staat vanuit een andere Lid-Staat is binnengekomen voor een kort verblijf of voor doorreis overeenkomstig artikel 3, lid 1, en daar op onregelmatige wijze verblijft, dient die persoon zich onverwijld naar de Lid-Staat waarvoor hij of zij een verblijfstitel heeft, te begeven tenzij die persoon toestemming krijgt zich naar een ander land te begeven waar zijn toelating wordt gewaarborgd. Indien een onderdaan van een derde land zich naar een ander land wenst te begeven, moet deze persoon kunnen aantonen, bijvoorbeeld door een inreisvergunning of een geldig visum te tonen, dat hij of zij daar kan worden toegelaten, en over de nodige middelen beschikt, bij voorbeeld in de vorm van een reisbiljet of ander reisdocument, contantgeld of een banktegoed, voor zijn of haar vervoer naar en zijn of haar verblijf in het land waar die persoon kan worden toegelaten. 3. Weigert een onderdaan van een derde land die op onregelmatige wijze op het grondgebied van een Lid-Staat verblijft, het land te verlaten, dan zijn de Lid-Staten ertoe gehouden, die persoon volgens de navolgende beginselen terug te nemen. Indien de betrokkene in het bezit is van een in een andere Lid-Staat geldige verblijfstitel, is de Lid-Staat die deze titel heeft verleend, ertoe gehouden de betrokken persoon terug te nemen. Voorts nemen de Lid-Staten tot uiterlijk twee maanden na het verlopen van de verblijfstitel een onderdaan van een derde land terug overeenkomstig artikel 3, lid 2. De verplichting tot terugname geldt slechts voor zover het verzoek om terugname door de autoriteiten die de wederrechtelijke aanwezigheid van de betrokkene in de Lid-Staat hebben vastgesteld, binnen een termijn van één maand wordt ingediend. 4. De betrokkene moet worden teruggenomen nadat de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Lid-Staat een verzoek hebben ingediend waarin wordt aangetoond dat betrokkene in het bezit is van een door de Lid-Staat die tot terugname wordt uitgenodigd, verleende verblijfstitel. Een Lid-Staat die een in punt 3 bedoeld verzoek ontvangt, dient binnen acht dagen op dat verzoek te antwoorden. Indien de Lid-Staat niet binnen die termijn antwoordt, wordt die Lid-Staat geacht de terugname te aanvaarden, behoudens wanneer die Lid-Staat uitdrukkelijk heeft verzocht deze termijn met een week te verlengen. De voor terugname aangezochte Lid-Staat dient de persoon wiens terugname hij heeft aanvaard, uiterlijk binnen een maand terug te nemen. Deze termijn kan worden verlengd indien de beide betrokken Lid-Staten, na indiening van een daartoe strekkend, uitdrukkelijk en met redenen omkleed verzoek door de Lid-Staat die verlenging van de termijn wenst, aldus zijn overeengekomen. De Lid-Staten verstrekken elkaar de lijsten van de autoriteiten die bevoegd zijn om terugnameverzoeken te behandelen en delen elkaar de grensdoorlaatposten mede waar de terugname kan geschieden. 5. De met de terugname gepaard gaande kosten, worden door de betrokkene gedragen. Indien deze de uitgaven niet kan opbrengen, komen de kosten van de terugname tot aan de plaats waar de terugname dient te geschieden, in beginsel ten laste van de Lid-Staat die om de terugname verzoekt.