51995PC0086

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten /* COM/95/86DEF - COD 95/0074 */

Publicatieblad Nr. C 185 van 19/07/1995 blz. 0004


Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de cooerdinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten

(95/C 185/05)

(Voor de EER relevante tekst)

COM(95) 86 def. - 95/0074(COD)

(Door de Commissie ingediend op 31 mei 1995)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, en op artikel 66,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag,

Overwegende dat Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (1) het wettelijk raamwerk voor de omroepactiviteiten in de interne markt vormt;

Overwegende dat in artikel 26 van Richtlijn 89/552/EEG is bepaald dat de Commissie uiterlijk aan het einde van het vijfde jaar na de datum van vaststelling van genoemde richtlijn bij, respectievelijk, het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comite een verslag indient over de wijze waarop deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd, en zo nodig voorstellen doet om die richtlijn aan de ontwikkelingen op televisie-omroepgebied aan te passen;

Overwegende dat bij de uitvoering van Richtlijn 89/552/EEG en uit het verslag over de tenuitvoerlegging ervan is gebleken dat het wenselijk is bepaalde definities of verplichtingen van de Lid-Staten uit hoofde van die richtlijn te verduidelijken of nader te omschrijven.

Overwegende dat in de Mededeling van de Commissie van 19 juli 1994, "Europa op weg naar de informatiemaatschappij: een actieplan" erop is gewezen dat het ten aanzien van de inhoud van de audiovisuele diensten van belang is over een kader van voorschriften te kunnen beschikken dat bijdraagt tot het waarborgen van het vrije verkeer van deze diensten binnen de Gemeenschap en dat beantwoordt aan de groeimogelijkheden welke door de nieuwe technologieën in deze sector worden geboden, maar waarbij tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de, met name culturele en sociologische, eigenheid van de audiovisuele programma's, ongeacht de wijze van uitzending ervan;

Overwegende dat de Raad tijdens zijn 1787ste zitting van 28 september 1994 dit actieplan positief heeft ontvangen en op de noodzaak heeft gewezen om het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele industrie te verbeteren;

Overwegende dat de Staatshoofden en regeringsleiders, op 9 en 10 december 1994 in het kader van de Europese Raad te Essen bijeen, de Commissie hebben verzocht vóór hun volgende bijeenkomst een voorstel tot herziening van Richtlijn 89/552/EEG in te dienen;

Overwegende dat bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 89/552/EEG de noodzaak is gebleken het begrip "rechtsbevoegdheid", toegepast op de specifieke sector van de audiovisuele industrie, te verduidelijken, en dat het, rekening houdend met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wenselijk is duidelijk te maken dat het vestigingscriterium het voornaamste criterium vormt dat bepalend is voor de bevoegdheid van een Lid-Staat;

Overwegende dat het begrip "vestiging" overeenkomstig de door het Hof van Justitie in zijn arrest van 25 juli 1991 in zaak C-221/89 (Factortame) (2) vastgestelde criteria de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit door middel van een duurzame vestiging voor onbepaalde tijd behelst;

Overwegende dat de vestiging van een televisie-omroeporganisatie voor de doeleinden van Richtlijn 89/552/EEG aan de hand van een aantal concrete criteria kan worden vastgesteld, zoals de plaats van het hoofdkantoor van de dienstverlener, de plaats waar gewoonlijk de beslissingen ten aanzien van het programmeringsbeleid worden genomen en de plaats waar de centrale regelkamer zich bevindt (dit wil zeggen de plaats waar het voor uitzending naar het publiek bestemde programma definitief wordt samengesteld), voor zover een aanzienlijk deel van het voor de uitoefening van de televisie-omroepactiviteit benodigde personeelsbestand zich in dezelfde Lid-Staat bevindt;

Overwegende dat, overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (1) een Lid-Staat het recht behoudt om maatregelen te nemen ten aanzien van een televisie-omroeporganisatie die zich in een andere Lid-Staat vestigt, maar waarvan de activiteiten volledig of hoofdzakelijk op het grondgebied van de eerstgenoemde Lid-Staat zijn afgestemd, wanneer deze vestiging is geschied om de wetgeving te ontduiken die op deze organisatie van toepassing zou zijn indien zij op het grondgebied van de eerstgenoemde Lid-Staat gevestigd zou zijn geweest;

Overwegende dat iedere belanghebbende partij in de Gemeenschap haar rechten geldend moet kunnen maken voor de bevoegde rechterlijke instanties van de Lid-Staat waaronder de televisie-omroeporganisatie die de uit de toepassing van deze richtlijn voortvloeiende nationale bepalingen niet naleeft, ressorteert;

Overwegende dat de Lid-Staten de mogelijkheid hebben ten aanzien van uitzendingen vanuit derde landen die niet aan de in arikel 2 van Richtlijn 89/552/EEG vervatte voorwaarden beantwoorden, de door hen passend geachte maatregelen te nemen, mits zij daarbij echter het Gemeenschapsrecht en de internationale verplichtingen van de Gemeenschap eerbiedigen;

Overwegende dat Richtlijn 89/552/EEG, teneinde de hindernissen op te heffen die het gevolg zijn van de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de bevordering van Europese produkties, bepalingen tot harmonisering van deze regelingen bevat, en dat in het algemeen deze bepalingen tot liberalisering van het handelsverkeer regels moeten behelzen waardoor de mededingingsvoorwaarden worden geharmoniseerd;

Overwegende dat bovendien uit hoofde van artikel 128, lid 4, van het Verdrag op de Gemeenschap de plicht rust bij haar optreden uit hoofde van andere bepalingen van het Verdrag, met de culturele aspecten rekening te houden;

Overwegende dat in het Groenboek "Strategische opties voor de versterking van de programmaindustrie in de context van het audiovisuele beleid van de Europese Unie", dat de Commissie op 7 april 1994 heeft goedgekeurd, met name op de noodzaak wordt gewezen ter bevordering van Europese produkties krachtiger maatregelen te nemen met het oog op de ontwikkeling van de sector;

Overwegende dat het, naast bovengenoemde overwegingen, noodzakelijk is te zorgen voor passende omstandigheden ter verbetering van het concurrentievermogen van de programma-industrie; dat uit de mededeling betreffende de toepassing van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 89/552/EEG, welke de Commissie op 3 maart 1994 overeenkomstig artikel 4, lid 3, heeft goedgekeurd, is gebleken dat de maatregelen ter bevordering van Europese produkties tot deze verbetering kunnen bijdragen, zij het dat zij naar gelang van de ontwikkeling op het gebied van de televisie-omroep moeten worden aangepast;

Overwegende dat door middel van de daadwerkelijke toepassing van het bepaalde in artikel 4 van Richtlijn 89/552/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, gedurende tien jaar, mede rekening houdend met het effect van de financiële instrumenten waarover de Gemeenschap en de Lid-Staten beschikken, de versterking van de Europese programmaindustrie als doelstelling zou moeten kunnen worden verwezenlijkt;

Overwegende dat dient te worden gezorgd voor de daadwerkelijke toepassing van dergelijke maatregelen in de gehele Gemeenschap teneinde een gezonde en billijke mededingingssituatie tussen de ondernemers in een zelfde sector te waarborgen; dat daarenboven de toepassing van deze maatregelen het wederzijdse vertrouwen tussen de Lid-Staten kan versterken;

Overwegende dat na afloop van de periode van tien jaar eventuele nationale maatregelen op dit gebied geen afbreuk mogen doen aan het beginsel van het vrije verkeer van diensten doordat zij de ontvangst of de doorgifte van televisieuitzendingen uit andere Lid-Staten belemmeren;

Overwegende dat de aan Europese produkties gewijde aandelen moeten worden bereikt met inachtneming van de economische realiteit; dat om dit doel te bereiken bijgevolg in een stelsel van geleidelijkheid moet worden voorzien;

Overwegende dat rekening dient te worden gehouden met de specifieke aard van uitzendingen die uitsluitend in een andere taal dan in de talen van de Lid-Staten geschieden;

Overwegende dat het vraagstuk van specifieke termijnen voor elk type van televisie-exploitatie van cinematografisch werk in de eerste plaats een zaak van contractsvrijheid is; dat het evenwel, bij gebrek aan een overeenkomst tussen de belanghebbende partijen of de betrokken vakkringen, wenselijk is in een tijdpad te voorzien dat op de behoeften van de onderscheiden fasen van de exploitatie van dergelijke produkties is afgestemd;

Overwegende dat het van belang is de ontwikkeling mogelijk te maken van het tele-winkelen, dat een belangrijke economische activiteit voor het gehele bedrijfsleven en een reële afzetmogelijkheid voor de goederen en diensten in de Gemeenschap betekent, door het stelsel van zendtijden aan te passen; dat het, om in alle opzichten voor de bescherming van de belangen van de consumenten te kunnen zorgen, van essentieel belang is dat het tele-winkelen ten aanzien van vorm en inhoud van de uitzendingen aan een aantal minimum-normen wordt onderworpen;

Overwegende dat duidelijker regels moeten worden vastgesteld voor de bescherming van de lichamelijke, geestelijke en morele ontwikkeling van minderjarigen; dat, door een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen programma's waarvoor een absoluut verbod geldt en die welke, mits passende technische middelen worden gehanteerd, kunnen worden toegestaan, aan het streven van de Lid-Staten en de Gemeenschap om het algemeen belang te dienen, tegemoet moet kunnen worden gekomen;

Overwegende dat het begrip "dienstverrichting", zoals bedoeld in de artikelen 59 en 60 van het Verdrag, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (1) van toepassing is op de uitzending, met inbegrip van die via exploitanten van kabelnetwerken, van televisieprogramma's; dat overeenkomstig artikel 3 B van het Verdrag niet verder dient te worden gegaan dan nodig om de doelstellingen van de Gemenschap op het gebied van de televisie-omroep te bereiken, en dat voorts nogmaals dient te worden gewezen op het beginsel dat de Lid-Staten ten aanzien van de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties strengere of gedetailleerder regels kunnen vaststellen;

Overwegende dat in artikel B van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat de Unie zich onder meer de volledige handhaving van het "acquis communautaire" (de verworvenheden van de Gemeenschap) ten doel stelt,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 89/552/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a) punt b) komt te luiden:

"b) 'televisiereclame`, elke vorm van een door een overheids- of een particuliere onderneming in het raam van de uitoefening van een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of van een vrij beroep tegen vergoeding of soortgelijke betaling via het medium televisie uitgezonden boodschap met het oog op de bevordering van de levering, tegen betaling, van goederen of diensten met inbegrip van onroerende goederen, rechten en verplichtingen. Hieronder is tele-winkelen niet begrepen;"

b) het volgende punt e) wordt toegevoegd:

"e) 'tele-winkelen`, televisieprogramma's en -spots die rechtstreekse aanbiedingen aan het publiek omvatten met het oog op verkoop, koop of verhuur van produkten of verstrekking van diensten tegen vergoeding;".

2. Artikel 2 komt te luiden:

"Artikel 2

1. Elke Lid-Staat ziet erop toe dat alle televisie-uitzendingen van televisie-omroeporganisaties die onder zijn bevoegdheid vallen, de regels van het recht dat op voor het publiek in de Lid-Staat bestemde uitzendingen van toepassing is, in acht nemen;

2. Onder de bevoegdheid van een Lid-Staat vallen de televisie-omroeporganisaties die op het grondgebied van die Lid-Staat zijn gevestigd, waar zij over een duurzame vestiging beschikken en daadwerkelijk een economische activiteit uitoefenen.

3. Onder de bevoegdheid van een Lid-Staat vallen eveneens buiten het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde televisie-omroeporganisaties die aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a) zij maken gebruik van een door deze Lid-Staat toegekende frequentie;

b) zij maken gebruik, hoewel geen door een Lid-Staat toegekende frequentie benuttend, van een door deze Lid-Staat toegekende satellietcapaciteit;

c) zij maken gebruik, hoewel noch een frequentie, noch een door een Lid-Staat toegekende satellietcapaciteit benuttend, van een zich in die Lid-Staat bevindende opstraalverbinding.

4. Deze richtlijn is niet van toepassing op televisie-uitzendingen die uitsluitend voor ontvangst in andere Staten dan de Lid-Staten zijn bestemd en die niet direct of indirect door het publiek in een of meer Lid-Staten worden ontvangen.".

3. Een artikel 2 bis wordt ingevoegd:

"Artikel 2 bis

De Lid-Staten waarborgen de vrijheid van ontvangst en belemmeren niet de heruitzending op hun grondgebied, van televisie-uitzendingen uit andere Lid-Staten om redenen die binnen de door deze richtlijn gecooerdineerde gebieden vallen. De Lid-Staten mogen tijdelijk de geëigende maatregelen nemen om aan de ontvangst beperkingen op te leggen en/of de heruitzending van televisie-uitzendingen op te schorten indien:

a) een televisie-uitzending uit een andere Lid-Staat een duidelijke, belangrijke en ernstige inbreuk op artikel 22 en/of op artikel 22 bis vormt;

b) de televisie-omroeporganisatie in de twaalf voorafgaande maanden reeds ten minste twee maal inbreuk op dezelfde bepaling(en) heeft gemaakt;

c) de betrokken Lid-Staat de televisie-omroeporganisatie en de Commissie schriftelijk kennis heeft gegeven van de beweerde inbreuken en van zijn voornemen maatregelen te nemen om aan de ontvangst beperkingen op te leggen en/of de heruitzending op te schorten indien een dergelijke inbreuk nogmaals zou worden gemaakt;

d) overleg met de uitzendende Staat en de Commissie niet binnen vijftien dagen, te rekenen vanaf de onder c) bedoelde kennisgeving, tot een minnelijke schikking heeft geleid, en de beweerde inbreuk voortduurt.

De Commissie spreekt zich binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de kennisgeving van de door de Lid-Staat genomen maatregel, bij beschikking uit ten aanzien van de verenigbaarheid van di maatregel met het Gemeenschapsrecht. In geval van een negatieve beschikking dient de Lid-Staat onverwijld aan de betrokken maatregel een einde te maken.

De in de eerste alinea bedoelde bepaling vormt in de Lid-Staat, onder de bevoegdheid waarvan de betrokken televisie-omroeporganisatie valt, geen beletsel om ongeacht welke procedure, maatregel of sanctie op de betrokken inbreuken toe te passen.".

4. Artikel 3 komt als volgt te luiden:

"Artikel 3

1. Het staat de Lid-Staten vrij, voor de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties strengere of gedetailleerder voorschriften vast te stellen op de gebieden die onder de onderhavige richtlijn vallen. Deze voorschriften moeten het Gemeenschapsrecht eerbiedigen en kunnen met name betrekking hebben op:

- het bereiken van taalpolitieke doelstellingen;

- de inachtneming van het algemeen belang in verband met de functie van de televisie inzake voorlichting, vorming, cultuur en amusement, alsmede in verband met het behoud van pluralisme in de voorlichting en de media.

2. De Lid-Staten zien met passende middelen in het kader van hun wetgeving toe op de naleving van de bepalingen van de onderhavige richtlijn door de televisie-omroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen.

Iedere Lid-Staat stelt de sancties vast welke op de onder zijn bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisatie moeten worden toegepast in geval van niet-naleving van de ter uitvoering van deze richtlijn getroffen bepalingen. Deze sancties moeten toereikend zijn om de naleving van deze bepalingen te waarborgen.

3. De Lid-Staten voorzien eveneens in het kader van hun wetgeving wat de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties betreft, in de mogelijkheid voorlopige maatregelen te treffen om aan inbreuken op de in de onderhavige richtlijn vervatte bepalingen een einde te maken, zo nodig door de zendvergunning te schorsen.".

5. Artikel 4 komt te luiden:

"Artikel 4

1. De Lid-Staten zien met passende middelen erop toe dat de televisie-omroeporganisatie het grootste gedeelte van hun zendtijd, met uitzondering van de aan nieuwsberichten, sportevenementen, spelen, reclame of teletekstdiensten of tele-winkelen gewijde zendtijd, voor Europese produkties in de zin van artikel 6 reserveren.

2. In het geval van kanalen waarvan de niet aan reclame of tele-winkelen gewijde zendtijd voor ten minste 80 % aan cinematografische werken of fictie, aan documentaires of tekenfilms gewijd is, geven de Lid-Staten de televisie-omroeporganisaties de mogelijkheid om, in plaats van aan de in lid 1 bedoelde verplichting te voldoen, 25 % van het programmabudget voor Europese produkties in de zin van artikel 6 te reserveren. In deze richtlijn wordt onder 'programmabudget` verstaan, de boekhoudkundige kosten van aankoop en aankoop vooraf van de rechten voor televisieuitzending, van produktie en coproduktie van alle door het betrokken kanaal in de loop van het referentiejaar uitgezonden programma's.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde aandelen worden geleidelijk trapsgewijze bereikt binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het betrokken kanaal met zijn uitzendingen is begonnen.

4. De bepalingen van het onderhavige artikel en van artikel 5 zijn niet van toepassing op de kanalen die uitsluitend uitzenden in een andere taal dan in de talen van de Lid-Staten.

5. Vanaf de datum van de vaststelling van deze richtlijn leggen de Lid-Staten om de twee jaar aan de Commissie een verslag voor over de toepassing van het onderhavige artikel en van artikel 5.

Dit verslag bevat met name een statistisch overzicht van de mate waarin de in het onderhavige artikel en in artikel 5 genoemde aandelen voor elk van de kanalen die onder de bevoegdheid van de betrokken Lid-Staat vallen, is bereikt. De Lid-Staten delen de Commissie de redenen mede waarom deze gedeelten niet zijn bereikt, alsmede de maatregelen die zij in elk afzonderlijk geval nemen om ervoor te zorgen dat de televisie-omroeporganisatie die metterdaad bereikt.

De Commissie brengt deze verslagen, eventueel vergezeld van een advies, ter kennis van de andere Lid-Staten en van het Europees Parlement. Zij ziet toe op de toepassing van het onderhavige artikel en van artikel 5, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag. In haar advies kan de Commissie met name rekening houden met de in vergelijking met voorgaande jaren geboekte vooruitgang, het aandeel van de voor het eerst uitgezonden produkties in het programma-aanbod, bijzondere omstandigheden waarin nieuwe televisie-omroeporganisaties zich bevinden en de specifieke situatie van landen met een geringe audiovisuele produktiecapaciteit of met een geringe audiovisuele produktiecapaciteit of met een beperkt taalgebied.".

6. Artikel 5 komt te luiden:

"Artikel 5

De Lid-Staten zien met passende middelen erop toe dat de televisie-omroeporganisaties ten minste 10 % van hun zendtijd met uitzondering van de aan nieuwsberichten, sportevenementen, spelen, reclame, tele-winkelen of teletekst gewijde zendtijd of, bij wijze van alternatief, naar keuze van de Lid-Staat, ten minste 10 % van hun programmabudget reserveren voor Europese produkties die door van televisieomroeporganisaties onafhankelijke producenten zijn vervaardigd.

Dit aandeel moet worden bereikt door ten minste 50 % te reserven voor recente produkties, dat wil zeggen produkties die binnen vijf jaar nadat zij zijn vervaardigd, worden uitgezonden.".

7. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1, onder a), komt te luiden:

"a) produkties die afkomstig zijn uit Lid-Staten;"

b) lid 3 komt te luiden:

"3. De in lid 1, onder c), bedoelde produkties zijn die welke uitsluitend of in coproduktie met in een of meer Lid-Staten gevestigde producenten worden vervaardigd door producenten die gevestigd zijn in een of meer derde Europese Staten waarmee de Gemeenschap op de audiovisuele sector betrekking hebbende overeenkomsten heeft gesloten, indien die produkties voornamelijk met medewerking van in een of meer Europese Staten woonachtige auteurs of medewerkers worden vervaardigd."

c) Een lid 3 bis wordt ingevoegd:

"3 bis. Produkties die geen Europese produkties in de zin van lid 1 zijn, maar die worden vervaardigd in het kader van tussen de Lid-Staten en derde landen gesloten bilaterale coproduktie-verdragen worden als Europese produkties beschouwd voor zover het aandeel van de coproducenten uit de Gemeenschap in de totale produktiekosten het grootst is en over dat aandeel niet door een of meer buiten de Lid-Staten gevestigde producenten zeggenschap wordt uitgeoefend."

d) In lid 4 worden de woorden "en van lid 3 bis" toegevoegd na de woorden "produkties die geen Europese produkties zijn in de zin van lid 1.".

8. Artikel 7 komt als volgt te luiden:

"Artikel 7

De houders van rechten en de televisie-omroeporganisaties komen de termijnen overeen voor de uitzending van cinematografische werken. Bij gebreke van een dergelijke overeenkomst zenden de televisie-omroeporganisaties in het geheel geen cinematografische werken uit alvorens de volgende termijnen zijn verstreken nadat met de exploitatie daarvan in de bioscoopzalen in een van de Lid-Staten is begonnen:

a) zes maanden voor diensten waarbij per vertoning wordt betaald ('pay-per-view`);

b) twaalf maanden voor andere vormen van betaaltelevisie dan de onder a) bedoelde;

c) achttien maanden voor andere diensten dan de onder a) en b) genoemde.

De Lid-Staten zien toe op de naleving van deze bepalingen door de televisie-omroeporganisaties die onder hun bevoegdheid vallen.".

9. Artikel 8 vervalt.

10. De titel van hoofdstuk IV komt als volgt te luiden:

"Televisiereclame, sponsoring en tele-winkelen".

11. Artikel 11, lid 3, komt te luiden:

"3. De uitzending van cinematografische werken van lange duur mag één keer per volledig tijdvak van vijfenveertig minuten worden onderbroken. Indien de geprogrammeerde duur ervan ten minste twintig minuten meer vergt dan twee of meer volledige tijdsvakken van vijfenveertig minuten mag nog één maal worden onderbroken."

12. In artikel 12 komt het inleidende zinsdeel te luiden:

"Televisiereclame en tele-winkelen mogen niet:".

13. De artikelen 13 en 14 komen te luiden:

"Artikel 13

Televisiereclame en tele-winkelen voor sigaretten en tabaksprodukten zijn in ongeacht welke vorm verboden.

Artikel 14

Televisiereclame en tele-winkelen voor geneesmiddelen en medische behandelingen die in de Lid-Staat onder de bevoegdheid waarvan de televisie-omroeporganisatie valt, alleen op doktersvoorschrift verkrijgbaar zijn, zijn verboden.".

14. Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a) Het inleidend zinsdeel komt te luiden:

"Televisiereclame en tele-winkelen voor alcoholhoudende dranken moeten aan de volgende criteria voldoen:"

b) In de punten a), b), c), e) en f) wordt in plaats van de woorden "zij mag" gelezen de woorden "zij mogen".

15. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a) Het inleidend zinsdeel komt te luiden:

"Televisiereclame en tele-winkelen mogen minderjarigen geen morele of fysieke schade berokkenen en moeten daarom voldoen aan de volgende criteria voor hun bescherming:"

b) In de punten a) tot en met d) wordt in plaats van de woorden "zij mag" gelezen de woorden "zij mogen".

16. Artikel 17, lid 2, komt te luiden:

"2. Televisieprogramma's mogen niet worden gesponsord door natuurlijke of rechtspersonen wier voornaamste bezigheid bestaat in de produktie of verkoop van produkten of de levering van diensten waarvoor reclame overeenkomstig artikel 13 verboden is.".

17. Artikel 18 komt te luiden:

"Artikel 18

1. De zendtijd voor reclame mag niet meer dan 15 % van de dagelijkse zendtijd uitmaken. Dit percentage kan tot 20 worden verhoogd indien hij andere vormen van reclame dan reclameboodschappen en/of spots voor tele-winkelen omvat die in of tussen de programma's van een niet uitsluitend aan tele-winkelen gewijde dienst worden ingevoegd, op voorwaarde dat de reclameboodschappen niet meer dan 15 % beslaan.

2. De zendtijd voor reclameboodschappen binnen een gegeven tijdvak van een klokuur mag niet meer dan 20 % bedragen.".

18. De artikelen 18 bis en 18 ter worden ingevoegd:

"Artikel 18 bis

1. De programma's en de spots voor tele-winkelen moeten gemakkelijk als zodanig herkenbaar zijn en, in het geval waarin zij worden ingevoegd in een dienst die niet uitsluitend aan deze activiteit is gewijd, moeten zij duidelijk van de andere uitzendingen van deze dienst, met inbegrip van de reclame-uitzendingen, door optische en/of akoestische middelen worden onderscheiden.

2. De programma's en de spots inzake tele-winkelen moeten voldoen aan de bepalingen van richtlijn van de Raad betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten, inzonderheid wat de informatie over de inhoud van de overeenkomsten betreft.

Artikel 18 ter

1. De vensters die aan programma's tele-winkelen gewijd zijn en die in een niet uitsluitend aan deze activiteit gewijde dienst worden ingevoegd, mogen per periode van 24 uur niet meer dan drie uur bestrijken.

2. Voor uitsluitend aan programma's tele-winkelen gewijde diensten gelden geen beperkingen naar tijd.".

19. Artikel 19 vervalt.

20. Artikel 20 komt te luiden:

"Artikel 20

Onverminderd artikel 3 mogen de Lid-Staten, onder eerbiediging van het Gemeenschapsrecht, andere voorwaarden vaststellen dan die welke zijn neergelegd in artikel 11, leden 2 tot en met 5, en de artikelen 18 en 18 ter voor wat betreft de uitzendingen die uitsluitend bestemd zijn voor het nationale grondgebied en die niet rechtstreeks of onrechtstreeks in een of meer andere Lid-Staten kunnen worden ontvangen.".

21. Artikel 21 vervalt.

22. De titel van hoofdstuk V komt te luiden:

"Bescherming van minderjarigen en van de openbare zedelijkheid".

23. Artikel 22 komt te luiden:

"Artikel 22

1. De Lid-Staten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat in de uitzendingen, waaronder begrepen de 'trailers`, van de onder hun bevoegdheid vallende televisie-omroeporganisaties geen programma's voorkomen die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, met name programma's waarin pornografische scènes of beelden van nodeloos geweld voorkomen.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen gelden eveneens voor andere programma's die schade kunnen toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen, tenzij door de keuze van het tijdstip van de uitzending of door technische maatregelen wordt gewaarborgd dat minderjarigen in het zendgebied de uitzendingen normalerwijze niet kunnen zien of beluisteren.".

24. De artikelen 22 bis en 22 ter worden ingevoegd:

"Artikel 22 bis

De Lid-Staten zien erop toe dat uitzendingen geen enkele aansporing tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit bevatten.

Artikel 22 ter

De Commisie besteedt in het in artikel 26 bedoelde verslag bijzondere aandacht aan de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk.".

25. Artikel 25 vervalt.

26. Artikel 26 komt te luiden:

"Artikel 26

Uiterlijk aan het einde van het derde jaar na de datum van vaststelling van de overhavige richtlijn, en vervolgens om de twee jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de wijze waarop deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd en doet zij zo nodig voorstellen om de richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen op het gebied van de televisie-omroep.".

Artikel 2

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk een jaar na de datum van de inwerkingtreding ervan aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

De bepalingen van artikel 1, punt 5, zijn daadwerkelijk toepasselijk voor een tijdvak van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

(1) PB nr. L 298 van 17. 10. 1989, blz. 23.

(2) Jurispr. 1991, blz. I-3905, r.o. 20.

(1) o.a. in zaak 33/74 (van Binsbergen), Jurispr. 1974, blz. 1299 en in zaak C-23/93 (TV10 SA), Jurispr. 1994, blz. I-4795.

(1) o.a. in zaak 155/73 (Sacchi), Jurispr. 1974, blz. 409 en in zaak 52/79 (Debauve), Jurispr. 1980, blz. 833.