51995IR0368

Advies van het Comité van de Regio's over de "Evaluatie van de economische en bestuurlijke consequenties van EU-wetgeving voor regionale en plaatselijke overheden" CdR 368/95

Publicatieblad Nr. C 126 van 29/04/1996 blz. 0001


Advies van het Comité van de Regio's over de "Evaluatie van de economische en bestuurlijke consequenties van EU-wetgeving voor regionale en plaatselijke overheden"

(96/C 126/01)

Achtergrond

Op 5 december 1994 heeft het Bureau Sub-commissie 1 opgedragen om op eigen initiatief een beginseldocument op te stellen over de evaluatie van de economische en bestuurlijke consequenties van EU-wetgeving voor plaatselijke en regionale overheden. Sub-commissie 1 heeft de heer Ollén als rapporteur voor dit onderwerp aangewezen. De heer Ollén heeft tevens opdracht gekregen een beschrijving te maken van de economische en bestuurlijke structuren op plaatselijk en regionaal niveau. Ten aanzien van deze laatste opdracht zal door een groep van deskundigen apart verslag worden uitgebracht. Deze beschrijving is van grote betekenis als basis voor het beginseldocument over de economische en bestuurlijke consequenties van EU-wetgeving.

Het Comité van de Regio's heeft tijdens zijn 10e zitting d.d. 15 en 16 november 1995 (vergadering van 15 november 1995) het volgende advies goedgekeurd.

HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,

Gelet op

- het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en in het bijzonder Artikel 198 C daarvan;

- de Verklaringen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap die beschrijven hoe rekening dient te worden gehouden met financiële en milieu-effecten;

- het Financieel Reglement van de Europese Unie;

- het Handvest van de Raad van Europa over lokaal zelfbestuur;

- het Advies van het Comité van de Regio's van 21 april 1995 over herziening van het Verdrag van de Europese Unie.

A. Het Comité van de Regio's onderschrijft de in het Verdrag vastgestelde richtsnoeren en de toepassing daarvan op het in artikel 3 B daarvan vastgelegde subsidiariteitsbeginsel.

B. Alle lasten, zij het financiële of administratieve, voor de Gemeenschap, nationale regeringen, lokale autoriteiten, economische subjecten en burgers moeten tot een minimum worden beperkt en evenredig zijn aan het te bereiken doel. De maatregelen van de Gemeenschap moeten zoveel mogelijk ruimte laten voor nationale besluiten. EU-normen dienen in beginsel minimumnormen te zijn. De vorm van optreden van de EU dient zo eenvoudig mogelijk te zijn. Ceteris paribus moet de voorkeur worden gegeven aan richtlijnen boven verordeningen en aan kaderrichtlijnen boven gedetailleerde maatregelen.

C. De Commissie dient volgens de Verklaringen 18 en 20, gehecht aan het Verdrag, op de volgende wijze rekening te houden met de financiële en milieu-effecten van communautaire maatregelen: "De conferentie neemt er nota van dat de Commissie zich ertoe verbindt om, in voorkomend geval op basis van het door haar noodzakelijk geachte overleg en door een uitbreiding van haar systeem van evaluatie van de communautaire wetgeving, bij haar wetgevingsvoorstellen rekening te houden met de kosten en de baten voor de overheden van de lid-staten en voor alle betrokkenen. De conferentie neemt akte van de verbintenis van de Commissie en van de lid-staten om in haar voorstellen, respectievelijk bij de tenuitvoerlegging, ten volle rekening te houden met de milieu-effecten en met het beginsel van duurzame groei".

D. Overeenkomstig het Financieel Reglement van de Europese Unie dient aan alle besluiten een raming toegevoegd te worden van de verwachte gevolgen voor het budget van de Unie zelf. Een systematische financiële raming van de consequenties voor de budgetten van nationale, regionale en plaatselijke overheden is daarentegen niet vereist.

E. Europees commissaris mevrouw Wulf-Mathies heeft tijdens de zitting van het Comité van de Regio's d.d. 21 april 1995 het voornemen van de Commissie bekend gemaakt om de adviserende rol van het Comité uit te breiden door het te raadplegen over een veertigtal onderwerpen op de agenda van de Commissie. Daaronder is een groot aantal onderwerpen die buiten het gebied vallen waarbinnen de Commissie volgens het Verdrag verplicht is het Comité van de Regio's te raadplegen.

F. De Voltallige Vergadering van het Comité van de Regio's heeft op 21 april 1995 haar standpunten geformuleerd ten opzichte van de komende Verdragswijziging. Hierin wordt o.a. een zekere uitbreiding van de verplichte raadpleging van het Comité voorgesteld. Ook wordt ervoor gepleit dat Europese maatregelen die de economie op plaatselijk en regionaal niveau duidelijk beïnvloeden met zorg bekeken worden alvorens ze ten uitvoer te leggen.

Inleiding

1. De EU-wetgeving heeft direct of indirect gevolgen voor de economie van plaatselijke en regionale overheden. Dit document bevat een aantal voorstellen voor de wijze waarop rekening gehouden kan worden met deze gevolgen vóór er besluiten genomen worden door de wetgevende instellingen van de Europese Unie. EU-besluiten kunnen op de volgende manieren tot consequenties voor plaatselijke en regionale overheden leiden:

- Veel EU-regels hebben tot doel om het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal te waarborgen. Dit kan positieve gevolgen hebben voor regio's en gemeenten.

- Aanbestedingsregels waarin grotere concurrentie geëist wordt, kunnen kostenverlagend werken voor gemeenten en regio's.

- Harmonisatie van regels houdt een verminderde behoefte aan verschillende nationale regels in en kan vereenvoudigingen op plaatselijk en regionaal niveau met zich brengen.

- In veel gevallen legt de lid-staat de verantwoordelijkheid voor de praktische consequenties van EU-wetgeving bij de plaatselijke en regionale overheden, die daarvan directe financiële consequenties kunnen ondervinden.

- EU-voorschriften, b.v. voor procedures en rapportages, kunnen van invloed zijn op de bestuurlijke organisatie van plaatselijke en regionale overheden.

- Procedurevoorschriften voor de Europese Unie zelf kunnen extra uitgaven voor plaatselijke en regionale overheden met zich brengen.

2. Het succes van EU-besluiten hangt vaak af van de economische en bestuurlijke mogelijkheden van plaatselijke en regionale overheden. Het is van essentieel belang dat EU-besluiten in de praktijk uitvoerbaar zijn. Door rekening te houden met de economische en bestuurlijke consequenties van EU-initiatieven voor plaatselijke en regionale overheden kunnen kansen op succes worden verbeterd, hetgeen de kwaliteit van de EU-initiatieven ten goede zal komen en de implementatie en naleving ervan zal vergemakkelijken.

3. Dit document heeft alleen betrekking op consequenties op plaatselijk en regionaal niveau, niet op consequenties op nationaal niveau. Het document heeft betrekking op alle EU-besluiten, d.w.z. op zowel verordeningen als richtlijnen, echter alleen op die besluiten die economische en bestuurlijke consequenties van betekenis hebben voor plaatselijke en regionale overheden. Zulke voorstellen kunnen eveneens onderdeel uitmaken van groenboeken, witboeken en investeringsplannen.

4. Door middel van o.a. structuurfondsen heeft de Europese Unie mogelijkheden om de plaatselijke en regionale ontwikkeling in de lid-staten te steunen. De toepassing van deze programma's zal niet worden behandeld in dit document. Deze toepassingen zijn in tal van gevallen gebaseerd op direct contact met plaatselijke en regionale overheden. In verscheidene lid-staten is dit contact evenwel onvoldoende ontwikkeld. In dit proces dienen aanpassingen overwogen te worden. Hierbij kan b.v. gedacht worden aan een door de EU gestelde eis inzake vertegenwoordiging van plaatselijke en regionale overheden in de beheerscomités van structuurfondsen. In de verschillende programma's voor steun aan de landbouw dienen gelijksoortige eisen opgenomen te worden.

5. Dit document heeft niet tot doel om via een herziening van reeds bestaande EU-wetgeving vereenvoudigingen tot stand te brengen voor plaatselijke en regionale overheden. Dit is een zaak waarmee het Comité van de Regio's zich dient bezig te houden in een apart advies.

Voorbeelden van economische en bestuurlijke consequenties van EU-wetgeving

6. De laatste jaren heeft de EU-wetgeving op een groot aantal verschillende gebieden aanzienlijke economische en structurele gevolgen gehad voor plaatselijke en regionale overheden. Deze overheden zijn in veel lid-staten verantwoordelijk voor een groot deel van de dienstverlening en de werkgelegenheid. De onderstaande voorbeelden kunnen geen volledig beeld geven, omdat de EU-wetgeving zoals aangegeven in de inleiding zowel negatieve als positieve consequenties kunnen hebben. Hieronder volgt een beknopte weergave van de voorbeelden; een uitvoeriger weergave is in de bijlage bij dit document opgenomen.

7. De Dienstenrichtlijn kan positieve effecten hebben in de vorm van kostenverlaging door meer concurrentie. Concurrentie bij aanbestedingen kan echter eveneens met zich meebrengen dat de lage drempelwaarden tot meer administratieve rompslomp leiden, en dat het aantrekken van gelden door de overheid minder snel tot stand kan komen dan commercieel gezien normaal is. Ook de afsplitsing van bedrijven in overheidsbezit kan bemoeilijkt worden.

8. De richtlijn inzake overgang van ondernemingen kan marktconforme uitbesteding van werkzaamheden bemoeilijken. De richtlijn over arbeidsvoorwaarden voor deeltijdwerknemers brengt volgens berekeningen hoge kosten met zich mee. De richtlijn over technische hulpmiddelen voor thuiswonende lichamelijk gehandicapten leidt tot grote extra uitgaven. Als gevolg van de richtlijn over de controle op de invoer van levensmiddelen moeten nieuwe controleprocedures en meetmethoden worden ingevoerd.

9. De richtlijn over het zwemwater houdt volgens het nieuwe voorstel weliswaar vereenvoudigingen in, maar stelt nieuwe eisen aan analyses die duur zijn in de uitvoering en papierwerk met zich brengen. Naar aanleiding van de richtlijn over het drinkwater moeten bepaalde waterleidingen vervangen worden. Om de omvangrijke kosten die hieraan verbonden zijn te dekken, kan een financieringsvorm op EU-niveau noodzakelijk zijn.

Redeneringen

Uitgangspunten

10. EU-wetgeving kan het werk van plaatselijke en regionale overheden vereenvoudigen, maar ook extra uitgaven en problemen bij de tenuitvoerlegging teweegbrengen. Het Comité van de Regio's is van mening dat Raad en Commissie geen besluiten dienen te nemen zonder zich op de hoogte gesteld te hebben van de consequenties van deze besluiten voor regionale en plaatselijke overheden.

11. In de toekomst zijn nieuwe initiatieven van de Commissie te verwachten. Het Comité van de Regio's is van mening dat het van wezenlijk belang is dat thans een nieuwe werkwijze binnen de Europese Unie wordt ingevoerd die ervoor zorgt dat de consequenties voor plaatselijke en regionale overheden van voorstellen voor nieuwe EU-wetgeving duidelijk belicht worden.

12. Het Comité noemt hiervoor drie belangrijke redenen:

A. Ten eerste is het van belang dat plaatselijke overheden effectief kunnen werken en niet gebonden zijn aan al te gedetailleerde wetgeving, noch op nationaal niveau, noch op EU-niveau.

B. Ten tweede is het van belang dat er een betere informatie komt over plaatselijke en regionale omstandigheden zodat de kwaliteit van EU-besluiten verhoogd wordt.

C. Ten derde zullen de implementatie en naleving van EU-richtlijnen eenvoudiger worden wanneer de richtlijnen steunen op een solide lokale basis.

13. In de huidige situatie worden de economische consequenties van communautaire besluiten in veel gevallen te laat zichtbaar. De economische consequenties worden pas duidelijk wanneer besluiten in de nationale wetgeving worden omgezet of wanneer ze in de praktijk gebracht worden op plaatselijk en regionaal niveau.

14. Het is van belang dat de werkwijze binnen de EU wordt veranderd ten einde de gevolgen van voorstellen tijdig te kunnen voorzien en de effectiviteit van het werk van de Commissie te vergroten. Om dit doel te bereiken, dienen de gevolgen voor plaatselijke en regionale overheden bekend te zijn vóór het besluit genomen wordt.

15. Men dient zich te realiseren dat EU-besluiten in verschillende landen uiteenlopende effecten kunnen hebben, doordat de bevoegdheden van plaatselijke overheden van land tot land verschillen.

16. Het aantal regionale en plaatselijke autoriteiten evenals de grootte van de respectieve overheden varieert sterk in de lid-staten. Het aantal gemeentes bedraagt ca. 80 000. Het aantal regionale bestuurlijke overheden bedraagt ca. 900.

17. De financiering van plaatselijke overheden is op een groot aantal uiteenlopende manieren geregeld. Er is b.v. een grote variatie in de grootte van het aandeel van de plaatselijke uitgaven dat gefinancierd wordt uit bronnen van inkomsten waarover de plaatselijke overheid zelf zeggenschap heeft.

18. Bij de gedecentraliseerde bestuursvormen in de lid-staten zijn er beduidende verschillen in de taken die de lokale overheden toebedeeld hebben gekregen. De verdeling van verantwoordelijkheden over nationale, regionale en plaatselijke overheden varieert van lid-staat tot lid-staat, evenals de structuren van deze organen in financieel en bestuurlijk opzicht.

19. Bij het indienen van voorstellen voor EU-wetgeving dient te worden beseft dat deze verschillen er zijn en dient daarmee rekening mee te worden gehouden. Harmonisatie van bestuursvormen, financiering en taakstelling op plaatselijk en regionaal niveau is niet wenselijk. De ontwikkeling binnen de Unie mag de lid-staten niet in een bepaald bestel dwingen dat ervan uitgaat dat plaatselijke en regionale overheden in alle lid-staten op dezelfde manier functioneren.

20. Om deze redenen dient de besluitvormingsprocedure zodanig aangepast te worden dat het Comité van de Regio's er verantwoordelijk voor wordt dat consequenties op plaatselijk en regionaal niveau voldoende belicht zijn voordat voorstellen in de Raad behandeld worden.

Factoren die bekeken dienen te worden bij evaluatie van financiële en bestuurlijke consequenties 21. Om een evaluatie van financiële en bestuurlijke consequenties van EU-besluiten voor de lid-staten mogelijk te maken, dienen de gegevens die ten grondslag liggen aan deze besluiten in hun algemeenheid de volgende aspecten te belichten. Welke aspecten specifiek belicht dienen te worden, moet per geval apart bekeken worden.

A. Directe stijgingen van de uitgaven in de respectieve landen op plaatselijk en regionaal niveau ten gevolge van de voorgestelde richtlijn. Deze stijgingen kunnen worden uitgedrukt in een totaal uitgavenbedrag of in verhouding tot het deel van de bevolking dat gevolgen ondervindt in de vorm van een veranderde toegankelijkheid tot overheidsdiensten of veranderde produktiekosten, b.v. op het vlak van de loonkosten. Indirecte stijgingen van de uitgaven als gevolg van de voorgestelde richtlijn, in de vorm van controle, verantwoording, rapportage, enz.

B. Verlagingen van de uitgaven als gevolg van het wegvallen van voorschriften van financiële, bestuurlijke en wettelijke aard die de ontwikkeling en uitvoering van het werk van plaatselijke en regionale overheden bemoeilijken. Hierbij kan worden gedacht aan vereenvoudiging van controleprocedures of verplaatsing van de controle naar een ander land.

C. Inkomstenstijgingen in de vorm van hogere belastingopbrengsten, b.v. door meer werkgelegenheid, meer mogelijkheden om heffingen op te leggen of meer stabiliteit in de inkomsten door verhoogde efficiëntie.

D. Inkomstendalingen in de vorm van lagere belastingopbrengsten of beperkingen op het recht om heffingen op te leggen.

E. Milieu-effecten, waarmee volgens de Verklaring in het Verdrag van Maastricht bij de besluitvorming ten volle rekening dient te worden gehouden.

F. Beperking van de vrije concurrentie. Bepaalde vormen van regelgeving kunnen tot een ongewenste beperking van de vrije concurrentie leiden.

Een nieuwe werkwijze binnen de Unie

22. Het Comité van de Regio's is van mening dat bij de beoordeling van financiële en bestuurlijke consequenties van EU-besluiten voor regionale en plaatselijke overheden de volgende nieuwe beginselen moeten worden gehanteerd.

23. Het Comité van de Regio's herhaalt zijn standpunt dat het er de eindverantwoordelijkheid voor dient te krijgen dat de financiële en bestuurlijke consequenties voor plaatselijke en regionale overheden voldoende en op de juiste wijze belicht worden in de voorstellen van de Commissie.

24. Hiertoe wordt de volgende werkwijze voorgesteld:

A. Bij de jaarlijkse dialoog tussen Commissie en Comité van de Regio's over de aangelegenheden waarover het Comité geraadpleegd dient te worden, zal speciale aandacht worden geschonken aan onderwerpen met aanzienlijke financiële consequenties voor plaatselijke en regionale overheden.

B. De Commissie heeft de verantwoordelijkheid om tijdens de voorbereidingsfase consequenties voor plaatselijke en regionale overheden te belichten.

C. De Commissie is verplicht het Comité van de Regio's te raadplegen over een mogelijke medewerking tijdens de voorbereidingsfase.

D. Het Comité van de Regio's heeft de eindverantwoordelijkheid als het gaat om het beoordelen van de gegevens ter belichting van consequenties voor plaatselijke en regionale overheden en of deze gegevens als basis voor besluitvorming toereikend zijn.

E. Mochten, volgens het Comité van de Regio's, deze consequenties duidelijk verkeerd zijn belicht, dan dient de hem gestelde raadplegingstermijn te worden verlengd, om b.v. vertegenwoordigers van regionale en plaatselijke overheden in de lid-staten te raadplegen.

Raadplegingsprogramma

25. De hier voorgestelde werkwijze kan op de volgende manier nader worden beschreven:

A. Tijdens de jaarlijkse dialoog tussen Commissie en Bureau van het Comité van de Regio's wordt een programma opgesteld, waarin staat over welke aangelegenheden het Comité geraadpleegd zal worden. In dat programma dient exact aangegeven te worden voor welke aangelegenheden er via de hier voorgestelde werkwijze actie ondernomen zal worden om te komen tot een beschrijving van financiële en bestuurlijke consequenties ervan op plaatselijk en regionaal niveau. Onder deze categorie vallen uitsluitend aangelegenheden die significante financiële gevolgen hebben voor plaatselijke en regionale overheden.

B. Het Comité van de Regio's dient vertegenwoordigers van plaatselijke en regionale overheden op de hoogte te stellen van het programma inzake onderwerpen die ter raadpleging aan het Comité voorgelegd zullen worden, zodat zij tijdig hun visie over deze onderwerpen kunnen ontwikkelen.

C. In de dialoog over het programma van de onderwerpen waarover het Comité van de Regio's dient te worden geraadpleegd, moeten Comité en Commissie overeenkomen hoeveel vertegenwoordigers van het Comité in een vroeg stadium hun medewerking gaan verlenen aan het belichten van consequenties van EU-wetgeving voor plaatselijke en regionale overheden. Dit dient van geval tot geval te worden bekeken. De Commissie moet de verplichting krijgen het Comité tijdens de voorbereidingsfase te raadplegen.

D. In dit verband dringt het Comité van de Regio's er met klem op aan dat alle regionale en plaatselijke overheden die financieel bijdragen aan de door EU-fondsen gegenereerde programma's betrokken worden bij het op nationaal niveau te houden overleg over de besteding van deze gelden.

26. Het Comité van de Regio's kan tijdens de voorbereidingsfase op verschillende manieren zijn medewerking verlenen:

A. Het Comité van de Regio's kan de Commissie de deskundigheid van representanten van plaatselijke en lokale overheden aanbieden. Van de medewerking van deze deskundigen kan de Commissie eveneens gebruik maken bij het opstellen van voorstellen die niet ter raadpleging aan het Comité voorgelegd hoeven te worden, maar toch consequenties hebben voor plaatselijke en regionale overheden.

B. In samenwerking met de Commissie kunnen door het Comité van de Regio's gemeenschappelijke werkgroepen gevormd worden om de consequenties van EU-besluiten te bekijken.

C. Het Comité van de Regio's kan een vertegenwoordiger aanwijzen die door de Commissie in een vroeg stadium over specifieke aangelegenheden kan worden geraadpleegd. Voor het functioneren van de aan te wijzen vertegenwoordiger is het van belang dat hij goede contacten onderhoudt met de commissie binnen het Comité die zich met het onderwerp in kwestie bezighoudt, omdat de omstandigheden van lid-staat tot lid-staat verschillen.

D. Het Comité van de Regio's kan de plaatselijke en regionale overheden in de lid-staten direkt hun gezichtspunten vragen om zo in een vroeg stadium een uitgebreider en grondiger basis voor besluitvorming te krijgen als het gaat om consequenties in de afzonderlijke lid-staten.

E. Tijdens de voorbereidingsperiode wordt het Comité van de Regio's in de Commissie gerepresenteerd door vertegenwoordigers die door het Comité aangewezen worden. De onderwerpen zullen echter niet officieel behandeld worden in de Voltallige Vergadering van het Comité of in de commissie die zich met het onderwerp in kwestie bezighoudt, vóór het Commissievoorstel ter raadpleging aan het Comité van de Regio's is toegezonden. Om het werk van de rapporteurs te vergemakkelijken dienen deze benoemd te worden zodra overeenstemming is bereikt over het programma voor aangelegenheden waarover het Comité geraadpleegd moet worden. Of deze rapporteurs het Comité ook gaan vertegenwoordigen om door de Commissie in een vroeg stadium geraadpleegd te kunnen worden over specifieke aangelegenheden, zal van geval tot geval bekeken moeten worden.

27. De Commissie is er in het algemeen verantwoordelijk voor dat de consequenties van haar voorstellen voldoende belicht zijn voor verdere besluitvorming in de EU-instellingen. De Commissie heeft zodoende de verplichting tijdens haar voorbereiding van voorstellen een beeld te geven van alle relevante aspecten, inclusief de consequenties voor regionale en plaatselijke overheden.

28. Het Comité van de Regio's dient de eindverantwoordelijkheid te krijgen, wanneer moet worden beoordeeld of de financiële en bestuurlijke consequenties voor plaatselijke en regionale overheden voldoende en correct belicht zijn in het voorstel van de Commissie aan de Raad. Het is dus de taak van het Comité om de feiten die de Commissie presenteert, nader te bekijken en te beoordelen of deze feiten gecompleteerd dienen te worden. In het laatste geval moet het Comité het recht krijgen op verlenging van de raadplegingstermijn. De noodzaak hiertoe bestaat vooral wanneer er behoefte blijkt te zijn aan aanvullende informatie uit de lid-staten op plaatselijk en regionaal niveau, ingeval zulks tijdens de voorbereidingsfase niet is gebeurd.

29. De tijd die voor deze beoordelingen nodig is blijft hetzelfde ongeacht de instantie die deze informatie verlangt en ongeacht het tijdstip tijdens de voorbereiding van het voorstel waarop de adviesaanvraag ingediend wordt. Het Comité van de Regio's krijgt bijgevolg de eindverantwoordelijkheid dat de juiste informatie ingewonnen wordt bij de plaatselijke en regionale overheden in de lid-staten, voor zover deze informatie toegankelijk is in de verschillende lid-staten.

30. Het Comité van de Regio's wijst er nog eens op dat D.-G. XXII een speciale positie toebedeeld heeft gekregen bij de behandeling van alle onderwerpen die betrekking hebben op het midden- en kleinbedrijf. Gezien de functie die het Comité van de Regio's heeft als hét orgaan binnen de Unie dat plaatselijke en regionale aspecten in het oog dient te houden, lijkt de voorgestelde sleutelpositie voor het Comité van de Regio's een logische zaak.

Conclusies; voorstel tot wijziging van het besluitvormingsproces

31. De gedane voorstellen dienen hun weerslag te vinden in een op de volgende punten gewijzigd besluitvormingsproces van de Raad:

32. In Artikel 190 van het Verdrag moet het beginsel worden verankerd dat de consequenties van EU-besluiten voor regionale en lokale overheden moeten worden geëvalueerd.

33. In het Financieel Reglement moet worden vastgelegd dat deze consequenties in het besluitvormingsproces moeten worden meegenomen.

34. Het Comité van de Regio's krijgt de eindverantwoordelijkheid wanneer moet worden beoordeeld om te beoordelen of de gegevens over de economische en bestuurlijke consequenties voor lokale en regionale overheden correct en toereikend zijn als grondslag voor verdere besluitvorming. In een jaarlijkse dialoog dienen Commissie en Comité van de Regio's vast te leggen over welke onderwerpen het Comité dient te worden geraadpleegd en waarin in het bijzonder is aangegeven welke van deze aangelegenheden beduidende financiële consequenties zullen hebben.

35. Het Comité van de Regio's krijgt als bijkomende taak (aanvulling op Artikel 198 C in het Verdrag van Maastricht), te belichten welke financiële en bestuurlijke consequenties van betekenis er voor plaatselijke en regionale overheden in de lid-staten verbonden zijn aan de voorstellen die de Commissie of de Raad het Comité ter raadpleging voorlegt en ten aanzien van zaken die het Comité op eigen initiatief onder de aandacht wenst te brengen.

36. De Commissie besluit om vertegenwoordigers van plaatselijke en regionale overheden door bemiddeling van het Comité van de Regio's meer te gaan betrekken bij het werk van haar comité van deskundigen.

37. De Commissie en het Comité van de Regio's stellen regels vast voor het belichten van financiële en bestuurlijke consequenties voor plaatselijke en regionale overheden met als uitgangspunt de factoren die in dit advies beschreven worden en die per geval dienen te worden toegepast.

Brussel, 15 november 1995.

De voorzitter van het Comité van de Regio's

Jacques BLANC

BIJLAGE

Voorbeelden van financiële en bestuurlijke consequenties van EU-wetgeving

Het merendeel van de EU-besluiten heeft voor alle of voor een aantal lid-staten gevolgen, die doorwerken op plaatselijk en regionaal niveau. Dit houdt in dat de voorbeelden die hier gegeven worden nooit een volledig beeld kunnen geven. Zoals opgemerkt in de Inleiding kunnen besluiten zowel negatieve als positieve gevolgen hebben.

De "dienstenrichtlijn": Door toename van de concurrentie heeft de richtlijn positieve effecten in de vorm van kostenverlagingen voor goederen en diensten. De richtlijn kan echter ook negatieve effecten met zich brengen. De in de richtlijn genoemde drempelwaarden van 200 000 ecu die dienen als laag te worden beschouwd. Dit kan leiden tot meer administratieve rompslomp, aangezien zeer weinig opdrachten waarmee kleinere bedragen gemoeid zijn, aan leveranciers uit andere landen worden gegund. Tot op heden is de ervaring dat de invloed van deze richtlijn op grensoverschrijdende handel beperkt is. Een andere ervaring is dat kleine opdrachten waarmee bedragen gemoeid zijn van rond de drempelwaarde een onevenredige hoeveelheid papierwerk met zich brengen in verband met de aanbestedingsprocedure en de vereiste gedetailleerde specificaties. Bij een conform de EU-richtlijn toegepaste procedure kunnen de administratieve kosten vaak hoger uitvallen dan de potentiële besparingen. Volgens de aanbestedingsregels moet er vrije concurrentie zijn wanneer een gemeente een opdracht uitbesteedt aan een andere gemeente. Vaak gaat het daarbij om verplichte opdrachten waarvoor geen markt bestaat in de conventionele zin van het woord. De aanbestedingsregels houden mogelijkerwijs in dat bij het aantrekken van gelden door de overheid het concurrentiebeginsel dient te worden gehanteerd, hetgeen het echter niet mogelijk maakt, in een zo snel tempo te handelen als in de particuliere sector gebruikelijk is. De regels houden eveneens beperkingen in voor ambtenaren die een eigen bedrijf willen beginnen, doordat zo'n nieuw bedrijf net zoals andere ondernemingen onderworpen is aan de regels voor vrije concurrentie, hetgeen de afsplitsing van bedrijven in overheidsbezit kan bemoeilijken. De effecten van de richtlijn hangen af van de mate waarin de richtlijn ten uitvoer wordt gelegd in de verschillende lid-staten.

De richtlijn "overgang van ondernemingen": Bij overgang van ondernemingen dienen de arbeidsovereenkomsten van het personeel onveranderd overgenomen te worden door de nieuwe eigenaar. Dit kan het marktconform uitbesteden van diensten bemoeilijken. Als b.v. een voordien met een opdracht belaste onderneming een taak weer moet overnemen (b.v. omdat deze opdracht door de nieuwe onderneming niet dan wel slechts ontoereikend blijkt te kunnen worden vervuld), dan is eerstgenoemde onderneming namelijk verplicht, niet alleen het personeel over te nemen dat oorspronkelijk naar de nieuwe onderneming was overgegaan en daar nog in dienst is, maar ook het personeel dat door de nieuwe onderneming zelf in dienst is genomen voor het vervullen van de opdracht. Het Comité van de Regio's heeft op 21 april 1995 over deze richtlijn advies uitgebracht en daarin o.a. verklaard dat het de bezwaren deelt die door bepaalde plaatselijke en regionale overheden naar voren zijn gebracht. Deze bezwaren gelden het voorstel, de gemeenschappelijke verplichtingen voor overeenkomsten aangegaan met werknemers uit te breiden en zijn gebaseerd op de opvatting dat dit een beduidende lastenstijging voor plaatselijke en regionale overheden met zich zou kunnen brengen.

De richtlijn "arbeidsvoorwaarden voor deeltijdwerknemers": Volgens berekeningen leidt deze richtlijn tot een kostenstijging voor plaatselijke en regionale overheden in bepaalde lid-staten. Voor Zweden bedraagt de kostenstijging volgens een voorlopige berekening bijvoorbeeld ca. 70 miljoen ecu en voor Denemarken ca. 62 miljoen ecu. In deze landen is een oplossing gevonden door de verschillende regels te vervangen door collectieve arbeidsovereenkomsten tussen plaatselijke en regionale overheden en de werknemersorganisaties.

Richtlijn "technische hulpmiddelen voor thuiswonende lichamelijk gehandicapten": In de richtlijn is bepaald dat er op uitgebreidere schaal dan voorheen technische hulpmiddelen beschikbaar dienen te worden gesteld voor mensen met een lichamelijke handicap die thuis wonen of bijvoorbeeld in een verpleegtehuis verblijven. Deze richtlijn leidt in Denemarken volgens berekeningen tot ca. 135 miljoen ecu aan extra kosten.

De richtlijn "controle op de invoer van levensmiddelen": Grensgemeenten met controleposten moeten nieuwe methoden invoeren voor het controleren van vee en het vaststellen van b.v. de aanwezigheid van salmonella. De mogelijkheden heffingen op te leggen en hiermee de kosten te dekken, zijn afgenomen. De gemeenten dienen informatie te verschaffen over, hoe omgegaan dient te worden met levensmiddelen die mogelijk besmet zijn.

De richtlijn "zwemwater": Het voorstel voor een richtlijn dient ter vervanging van een eerdere richtlijn en legt minimumeisen vast voor de methoden, frequentie en tijdstip van het nemen van monsters en de controles van de kwaliteit van het zwemwater. Het nemen van monsters zal worden verricht door de gemeenten. Het Comité van de Regio's heeft op 27 en 28 september 1995 een advies over dit voorstel voor de richtlijn () uitgebracht, waarin het verklaarde ernstig bezorgd te zijn over de mogelijke verplichtstelling van bepaalde testen. Het Comité bracht naar voren dat het in verband met de kosten en het papierwerk die een dergelijke verplichtstelling met zich zou brengen, voor plaatselijke en regionale overheden problematisch zal worden zich eraan te houden. Het Comité heeft de Commissie daarom verzocht, de mogelijkheden te onderzoeken voor een flexibeler regelgeving t.a.v. deze testen. De Commissie zou ook dienen te overwegen of het mogelijk is, door bepaalde maatregelen de kosten van deze testen te verlagen.

De richtlijn "drinkwater": Het desbetreffende voorstel houdt in dat waterleidingen van lood of van een lood bevattend materiaal vervangen moeten worden. In het totaal gaat het om naar schatting 20 miljoen woningen en 4 miljoen pijpleidingen in Frankrijk. De uitgaven die nodig zijn om aan deze norm te voldoen, bedragen naar berekening 40 miljoen ecu en zullen doorwerken in de prijs van leidingwater en gevolgen hebben voor de begroting van de betrokken overheden.

Het Comité van de Regio's heeft op 21 september 1995 het advies over het richtlijnvoorstel "drinkwater" () behandeld. In dat advies wordt het volgende gezegd: "Het Comité acht het een goede zaak dat de parameterwaarde voor lood met het oog op de volksgezondheid wordt aangescherpt, maar wijst erop dat EU-steun noodzakelijk is gezien de bijzonder hoge kosten die naleving van deze eis met zich zal brengen."() PB nr. C 210 van 14. 8. 1995, blz. 53.

() PB nr. C 100 van 2. 4. 1996, blz. 134.