51995IP1133

Resolutie over de schending van de mensenrechten op Oost- Timor en in Indonesië

Publicatieblad Nr. C 269 van 16/10/1995 blz. 0168


B4-1133, 1156 en 1157/95

Resolutie over de schending van de mensenrechten op Oost-Timor en in Indonesië

Het Europees Parlement,

- onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over de rechten van de mens op Oost-Timor en in Indonesië,

A. gezien de berichten in de internationale pers over het krachtiger militair optreden tegen de protestbetogingen van de bevolking van Oost-Timor tegen de Indonesische bezetting, met name in Manatuto,

B. gezien de gebeurtenissen van juli 1995 in de verschillende plaatsen van het gebied Baucau, waarbij acht doden gevallen en twaalf personen verdwenen zijn, maar ook in de gebieden Lospalos, Ermera en Liquiça, en de laatste opstootjes in Dili, waarbij 14 personen gewond zijn en 3 scholieren van de middelbare school van Komoro de dood hebben gevonden,

C. overwegende dat de militaire autoriteiten zelf verklaren dat ze sinds 8 september 1995 tot 30 arrestaties overgegaan zijn, terwijl er in de berichten sprake is van 66 gevangengenomen personen, waaronder 11 vrouwen,

D. gezien het rapport van Amnesty International van juli 1995 over de situatie in Oost-Timor,

E. overwegende dat de ambassadeur van de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties, Madeleine Albright, na haar bezoek aan Jakarta haar ongerustheid over de situatie op Oost-Timor uitgesproken heeft,

F. gezien de verklaringen van de bisschop van Dili, Mgr. Ximenes Belo, die het repressief optreden van tegenwoordig in verband brengt met de pogingen tot gedwongen islamisering van de bevolking,

G. gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag over Timor,

H. gezien het aanhoudend protest van de bevolking van Timor tegen de bezetting van haar grondgebied door Indonesië,

I. zeer ongerust over de omstandigheden waarin nog altijd honderden politieke gevangenen in Indonesië vastgehouden worden en over het feit dat een aantal van hen nog altijd ter dood veroordeeld blijft voor feiten die zich ongeveer 30 jaar geleden hebben voorgedaan,

J. geschokt door de recente besluiten van de Indonesische autoriteiten om de doodstraffen te voltrekken die uitgesproken zijn tegen sergeant-majoor I Bungkus en sergeant-majoor Natanael Marsudi, beiden 67 jaar oud, die sinds oktober 1965 in de gevangenis zitten,

1. veroordeelt scherp de Indonesische militaire onderdrukking in Oost-Timor en verklaart zich solidair met de slachtoffers en hun familie;

2. verlangt dat de fundamentele rechten, waaronder de vrijheid van godsdienst, op Oost-Timor geëerbiedigd worden;

3. betuigt zijn steun aan de bevolking van Oost-Timor in haar strijd voor het zelfbeschikkingsrecht en wenst dat de lopende onderhandelingen tussen Indonesië en Portugal onder auspiciën van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de onderlinge dialoog op Timor zo vlug mogelijk tot resultaten leiden; verlangt dat de inspraak van de vertegenwoordigers van het volk van Oost-Timor wordt gewaarborgd;

4. vraagt de internationale gemeenschap en vooral de lid-staten van de Europese Unie met aandrang de verkoop van wapens en de militaire bijstand aan Indonesië volledig stop te zetten en elke vorm van economische samenwerking op te schorten zolang de bezetting van Timor voortduurt, in overeenstemming met zijn resolutie van 14 juni 1995 over de mededeling van de Commissie aan de Raad «Naar een nieuwe Azië-strategie» ((Deel II, punt 6 van de notulen van die datum.));

5. doet een beroep op de Indonesische regering om de doodstraffen in Indonesië te vernietigen en de gevangenen hiervan onverwijld op de hoogte te stellen;

6. dringt er bij de Indonesische regering op aan alle politieke gevangen onmiddellijk vrij te laten en de 24 gevangenen die nog altijd gevangen worden gehouden naar aanleiding van de gebeurtenissen in oktober 1965 amnestie te verlenen en vrij te laten;

7. herhaalt zijn resolutie van 21 november 1991 over het bloedbad op Oost- Timor ((PB C 326 van 16.12.1991, blz. 182.)) om een missie naar Oost-Timor te sturen om er inlichtingen over de situatie in te winnen en dringt er bij de Indonesische regering op aan dat ze ervan afziet de komst van die missie te hinderen;

8. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Indonesische regering en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.