Resolutie over de mensenhandel
Publicatieblad Nr. C 032 van 05/02/1996 blz. 0088
A4-0326/95 Resolutie over de mensenhandel Het Europees Parlement, - gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 21 maart 1950 betreffende de afschaffing van de mensenhandel en de uitbatingen van de prostitutie van derden, - gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 betreffende afschaffing van alle vormen van discriminatie van de vrouw, - gezien de resolutie nr. 42/140 van 7 december 1987 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de rechten en de waardigheid van de migrerende werknemers, - gezien de Conventie van de Verenigde Naties van 20 november 1989 voor de rechten van het kind, - gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, - gezien aanbeveling N. R (91) 11 van 9 september 1991 van de Raad van Europa over seksuele uitbuiting, pornografie, prostitutie en de handel in kinderen en jonge volwassenen, - onder verwijzing naar het actieplatform van de Conferentie van Peking, - gezien de aanbevelingen van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 29 en 30 november 1993 ((Notulen van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 29 en 30 november 1993.)), - gezien zijn resolutie van 11 juni 1986 over geweld jegens vrouwen ((PB C 176 van 14.7.1986, blz. 73.)), - gezien zijn resolutie van 14 april 1989 over prostitutie en mensenhandel ((PB C 120 van 16.5.1989, blz. 352.)), - gezien zijn resolutie van 8 juli 1992 over een Europees Handvest voor de rechten van het kind ((PB C 241 van 21.9.1992, blz. 67.)), - gezien zijn resolutie van 22 januari 1993 over de oprichting van Europol ((PB C 42 van 15.2.1993, blz. 250.)), - gezien zijn resolutie van 16 september 1993 over vrouwenhandel ((PB C 268 van 4.10.1993, blz. 141.)), - gezien zijn resolutie van 17 december 1993 over pornografie ((PB C 20 van 24.1.1994, blz. 546.)), - gezien zijn resolutie van 19 mei 1995 over de EUROPOL-overeenkomst ((PB C 151 van 19.6.1995, blz. 376.)), - gelet op artikel 148 van zijn Reglement, - gezien het verslag van de Commissie openbare vrijheden en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie cultuur, jeugd, onderwijs en media en de Commissie rechten van de vrouw (A4-0326/95), A. overwegende dat de handel in mensen (mannen, vrouwen, kinderen en jonge volwassenen) onverenigbaar is met de waardigheid en de waarde van de mens en een ernstige schending van de mensenrechten vormt, B. overwegende dat de mensenhandel in grote mate het gevolg is van onevenwichtige economische betrekkingen op internationaal niveau en dat dit probleem zowel te maken heeft met het ontwikkelingsbeleid als met de internationale samenwerking met de ontwikkelingslanden en de landen van Midden- en Oost-Europa, C. overwegende dat de mensenhandel een van de favoriete activiteiten van de internationale georganiseerde misdaad is geworden, waarbij economische nood, jeugdige onervarenheid en armoede op mensonterende wijze worden uitgebuit voor prostitutie, drugshandel, smokkel en georganiseerde zwarte arbeid, D. overwegende dat het zeer belangrijk is de mensen te beschermen tegen elke uitbuiting van hun eventueel kwetsbare sociale en economische omstandigheden of hun onervarenheid, welke ten doel heeft hen clandestien onder op slavernij gelijkende omstandigheden te werk te stellen of hen te onderwerpen aan prostitutie, pornografie of enige andere vorm van seksueel misbruik, ofwel aan handel in menselijke organen, E. overwegende dat elke samenleving de plicht heeft iedereen alle mogelijkheden tot zelfontplooiing te bieden en ervoor te zorgen dat hun belangen door allen gerespecteerd worden, F. overwegende dat de slachtoffers van mensenhandel hiertoe door derden gedwongen worden, het uit noodzaak doen en wegens hun illegale status, armoede, discriminatie, afhankelijkheid en verschulding voortdurend blootgesteld worden aan misdadige afpersing en onderdrukking, G. overwegende dat de migranten die het slachtoffer zijn van mensenhandel en die op clandestiene dan wel legale wijze het land zijn binnen gekomen en te werk zijn gesteld, meestal op onmenselijke en vernederende wijze behandeld en geëxploiteerd worden, vrijheidsbeperkingen ondergaan, uiterst lage lonen ontvangen en tot lange en onregelmatige werktijden gedwongen worden, hetgeen volledig in strijd is met de mensenrechten, H. overwegende dat een steeds groter aantal kinderen en jonge volwassenen het slachtoffer zijn van georganiseerde mensenhandel, met name ten behoeve van de pornografische industrie en het sekstoerisme, I. overwegende dat een groeiend aantal Europese kinderen het slachtoffer is van ontvoering door diegenen die zich aan mensenhandel schuldig maken, J. overwegende dat de slachtoffers de mogelijkheid moet worden geboden zich van het milieu van misdadige onderdrukking en afhankelijkheid te bevrijden door middel van adequate bescherming en concrete maatregelen ter bevordering van het vinden van menswaardig werk en van toegang tot opleiding, cultuur en sociale herintegratie, K. overwegende dat een groot aantal slachtoffers van de mensenhandel bij terugkeer in hun land van herkomst te maken zullen krijgen met talrijke problemen zoals uitsluiting uit de familie, onmogelijkheid een baan te vinden, sociale uitsluiting en het risico van represailles, L. overwegende dat het geweld jegens de slachtoffers van de mensenhandel, en met name jegens kinderen en jonge volwassenen, bijzonder schadelijke gevolgen heeft voor hun lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, M. overwegende dat het clandestiene werk van migranten, dat onder erbarmelijke omstandigheden wordt verricht, niet alleen een flagrante schending van de mensenrechten is, maar ook een middel voor werkgevers zonder scrupules om groot financieel voordeel te behalen dankzij loondistorsies, die tot concurrentievervalsing kunnen leiden, N. overwegende dat de mensenhandel een vorm van slavernij is die samenhangt met de grote internationale misdaad en dat de bestrijding van deze vorm van slavernij in de eerste plaats gericht moet zijn op de mensensmokkelaars, de werkgevers, de souteneurs, de bordeelhouders, de reisbureaus die seksreizen organiseren en de producenten van pornografisch materiaal waarbij kinderen betrokken zijn, en niet op de slachtoffers hiervan, O. overwegende dat de preventie, de afschrikking en de eventuele repressie van de mensenhandel weliswaar tot de bevoegdheid blijven behoren van de lid- staten uit hoofde van de uitoefening van hun politietaken, maar dat de Europese Unie dit probleem niet mag veronachtzamen, met name gezien de inwerkingtreding van de Akkoorden van Schengen, P. overwegende dat de bevoegdheid van de Gemeenschap legitiem is gezien het nieuwe kader dat voortvloeit uit de grote ruimte zonder grenzen waarin in theorie vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal geldt, Q. overwegende dat in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, die betrekking heeft op de justitiële, douane-, politiële en statistische samenwerking, helaas voorkeur wordt gegeven aan de intergouvernementele werkzaamheden, terwijl de functie van democratische controle en de dynamieke rol die het Europees Parlement op dit gebied zou kunnen uitoefenen, worden veronachtzaamd, R. overwegende dat in artikel K.2, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie expliciet wordt verwezen naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin bepaald wordt dat niemand mag worden onderworpen aan martelingen en onmenselijke of vernederende straffen of behandelingen (artikel 3), S. overwegende dat onderwijs, beroepsopleiding, gezondheidszorg en consumentenbescherming voortaan deel uitmaken van de communautaire bevoegdheden en dat hieruit gevolgen kunnen worden getrokken voor het uitwerken van actievoorstellen, T. overwegende dat Europol tot taak heeft informatie uit te wisselen over de georganiseerde zware criminaliteit, U. overwegende dat het delict vrouwenhandel in de nationale wetgeving van de lid-staten alsmede in internationale verdragen niet altijd duidelijk omschreven is en daardoor soms leidt tot begripsverwarring die de preventie bemoeilijkt; V. overwegende dat de ministers van de lid-staten, in het kader van de Trevi- groep bijeen, de groep "Trevi 3" de opdracht hebben gegeven de politiële activiteiten op het gebied van de bestrijding van de mensenhandel en met name de seksuele uitbuiting middels de handel in kinderen en vrouwen te bestuderen, teneinde deze activiteiten eventueel te harmoniseren en de doeltreffendheid ervan te verhogen, W. gelet op de bovengenoemde aanbevelingen van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 29 en 30 november 1993 inzake de bestrijding van het proxenetisme door middel van een georganiseerd informatiesysteem, X. overwegende dat de intergouvernementele conferenties een unieke gelegenheid bieden om de communautaire bevoegdheden op gebieden die de lichamelijke en geestelijke integriteit van de mens bedreigen, zoals mensenhandel, vast te stellen en uit te breiden, 1. verstaat onder mensenhandel de illegale handeling van diegene die rechtstreeks of indirect de inreis of het verblijf bevordert van een onderdaan van een derde land met als doel deze persoon uit te buiten door middel van bedrog of enige andere vorm van dwang ofwel door misbruik te maken van de kwetsbare of bestuursrechtelijke situatie van deze persoon; 2. verlangt dat de Commissie de Raad een voorstel voorlegt voor toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden teneinde de communautaire bevoegdheid ter zake te versterken; 3. acht versterking van de internationale samenwerking noodzakelijk, zowel tussen de staten als tussen de gerechtelijke en politiële organen, teneinde de mensenhandel doeltreffend te kunnen bestrijden; 4. verzoekt de lid-staten specifieke richtlijnen voor politie en justitie te onwikkelen teneinde actieve opsporing in de lid-staten te vergemakkelijken; 5. meent dat, ook al valt de mensenhandel niet onder de uitdrukkelijk in artikel K1, Titel VI, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, genoemde sectoren, ter bestrijding van dit verschijnsel nu al gemeenschappelijke maatregelen moeten worden genomen op grond van de wisselwerking tussen de in dit artikel opgesomde bevoegdheden, met name sub 2, 3, 5 en 9; 6. verlangt dat op de Intergouvernementele Conferentie van 1996 besloten wordt de mensenhandel op te nemen onder de gebieden die thans door artikel K.1 van het Unieverdrag bestreken worden en dat dit onderwerp onder de communautaire bevoegdheden ressorteert, vooral op grond van de taak van het EP om controle uit te oefenen en toezicht te houden; 7. is van oordeel dat een gemeenschappelijk beleid op het gebied van de mensenhandel gericht moet zijn op preventie, afschrikking, repressie en sociale herintegratie; Ten aanzien van de externe preventieve maatregelen: 8. acht het absoluut noodzakelijk onder de doelstellingen van het ontwikkelingshulpbeleid steun voor de slachtoffers of potentiële slachtoffers van de mensenhandel op te nemen; 9. dringt erop aan dat de Unie acht slaat op de specifieke positie van vrouwen en kinderen in haar relaties met ontwikkelingslanden en de Oost- en Middeneuropese landen, 10. verzoekt de lid-staten preventiecampagnes in de landen van oorsprong te steunen en bij emigratie zich te concentreren op de mogelijkheden, beperkingen en rechten; 11. wenst dat de politiële instanties van de lid-staten op institutionele grondslag samenwerken met de ontwikkelingslanden en de Oost- en Middeneuropese landen om de bestrijding van de georganiseerde misdaad te verbeteren en om een duidelijker beeld te krijgen van het net van de mensenhandel en van de transitowegen van deze handel; Ten aanzien van de interne preventieve maatregelen: 12. verlangt dat de lid-staten onderzoek laten verrichten naar de aard, omvang, middelen, transitowegen en organisatie van de mensenhandel, de samenhang ervan met de georganiseerde misdaad en de omvang van de economische winst en dat zij de resultaten ervan bekend maken, teneinde voorlichtingscampagnes voor het grote publiek op te kunnen zetten met behulp van een passend gebruik van de massamedia; 13. verlangt dat de lid-staten voorlichtings- en preventiecampagnes organiseren die ten doel hebben de mogelijkheden, beperkingen en rechten in geval van emigratie te verduidelijken; 14. juicht de initiatieven van ILO en WHO toe om standaards te ontwikkelen voor de informele sector en acht het wenselijk ook in de Unie arbeidswetgeving voor informele arbeid te ontwikkelen, teneinde de kwetsbaarheid en rechteloosheid van de in deze sector werkende personen te verminderen en de toegang tot gezondheidszorg, sociale diensten en verzekeringen mogelijk te maken; Ten aanzien van de afschrikkende maatregelen: 15. verzoekt de lid-staten het concept mensenhandel duidelijk te omschrijven en deze handel als schending van de mensenrechten en ernstig misdrijf te beschouwen; 16. verzoekt de lid-staten het begrip sekstoerisme duidelijk te omschrijven en te bepalen welke vormen ervan als misdrijf moeten wordne beschouwd, bureaus die sekstoerisme organiseren te controleren en samen te werken met de betrokken instanties; 17. acht het noodzakelijk om een scherpere controle uit te oefenen op de verblijfs- en werkvergunningen die worden verleend aan "folklore-artiesten", danseressen, "au pair"-jongeren en kamermeisjes, alsmede op bars, cabarets, enz., en om de noodzakelijke regelingen in te voeren voor agentschappen voor kunstenaars en huwelijksbureaus en daarbij specifieke contacten en voorlichtingscampagnes te organiseren voor de betrokken werknemers en personen, teneinde de rechten en de bescherming van potentiële slachtoffers duidelijk te maken; 18. is van mening dat het recht van geïmmigreerde vrouwen op een persoonlijke verblijfsvergunning, d.w.z. die onafhankelijk is van die van hun echtgenoot, en op een werkvergunning voor het grondgebied van de Unie kan bijdragen aan het voorkomen van vrouwenhandel; 19. verzoekt de lid-staten de controle op het bankwezen en de fiscus te cooerdineren teneinde het witwassen van de opbrengsten uit de mensenhandel te bestrijden; Ten aanzien van de repressieve maatregelen: 20. verlangt dat de in het kader van EUROPOL voorziene samenwerking tussen de politiële instanties alle aspecten van de georganiseerde misdaad omvat, met inbegrip van de mensenhandel en de ontvoering van kinderen; 21. acht het in verband hiermee noodzakelijk dat er een uitwisseling van geïnformatiseerde gegevens over de identiteit van de handelaars en de transnationale transitonetten plaatsvindt tussen de politiële organen van de landen die de EUROPOL-Overeenkomst hebben ondertekend en dat er speciale cursussen worden georganiseerd voor de beambten van de grenspolitie; 22. verzoekt de lid-staten zo spoedig mogelijk straffen voor mensenhandel in hun strafrecht op te nemen en ze zo nodig te verzwaren; verzoekt de Commissie in samenwerking met de lid-staten een delictomschrijving te ontwikkelen, teneinde binnen de Unie de bestrijding in goede samenwerking en zonder begripsverwarring te kunnen aanpakken; 23. verlangt invoering van regels van extraterritoriale bevoegdheid om personen die zich buiten het grondgebied van de Unie schuldig hebben gemaakt aan seksuele uitbuiting van kinderen en jongeren te kunnen vervolgen en bestraffen; 24. verzoekt alle lid-staten de opbrengsten uit de mensenhandel en ook de hiervoor gebruikte vervoermiddelen in beslag te nemen; Ten aanzien van de hulp aan de slachtoffers: 25. verlangt dat in geval van aangifte van de uitbuiters de lid-staten directe maatregelen treffen ter bescherming van de veiligheid en de waardigheid van de slachtoffers door hun het recht te waarborgen om zich burgelijke partij te stellen, door hun een tijdelijke verblijfsvergunning om humanitaire redenen te verstrekken en hen in hun hoedanigheid van getuigen tijdens en na het proces te beschermen; 26. verzoekt de lid-staten de slachtoffers van mensenhandel niet alleen strafrechtelijke maar ook sociale bijstand te verlenen en suggereert hiertoe volgende concrete maatregelen: - bescherming van de slachtoffers tegen chantage en wraakacties door het instellen van telefonische noodnummers waar de betrokkenen terecht kunnen in hun moedertaal, - het ter beschikking stellen van vertaalfaciliteiten (vertalers en tolken) bij politie en justitie voor opvang van de slachtoffers, - de oprichting in het gastland van opvanghuizen voor de slachtoffers; 27. verzoekt de lid-staten de slachtoffers toe te staan op hun grondgebied te verblijven indien de terugkeer naar het eigen land het leven van de desbetreffende persoon in gevaar kan brengen en aanleiding kan geven tot nieuwe uitbuitingen; 28. verzoekt de Commissie de herkomstlanden bij te staan bij de ontwikkeling van ondersteuningsmaatregelen voor terugkerende slachtoffers, waarbij vertrouwelijkheid, onderwijs en opleiding centraal dienen te staan, zodat economische zelfstandigheid en integratie in de samenleving bevorderd wordt; ° ° ° 29. verzoekt de Commissie en de lid-staten een specifieke clausule in alle bilaterale of multilaterale overeenkomsten met ontwikkelingslanden, de landen van Midden- en Oost-Europa en de minst ontwikkelde landen op te nemen betreffende de instelling van gezamenlijke maatregelen ter voorkoming en bestrijding van vrouwenhandel; 30. meent dat de NGO's die de mensenhandel bestrijden moeten worden gesteund door de regeringen en nauw moeten samenwerken met de instanties van de lid- staten, teneinde een actief beleid van opsporing, sociale integratie en internationale samenwerking tussen de NGO's ten uitvoer te kunnen leggen; 31. verzoekt de Commissie en de lid-staten in internationaal verband stappen te ondernemen om een nieuwe VN-conventie te ontwikkelen, ter vervanging van de verouderde en ineffectief gebleken "Convention on the Suppression of Traffic in Persons and of the Prostitution of Others" (1949); zo'n nieuwe conventie dient dwang en misleiding centraal te stellen; 32. verzoekt de Commissie en de lid-staten bij de VN aan te dringen op het benoemen van een speciale rapporteur voor mensenhandel door de Commissie voor Mensenrechten van de VN; 33. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de regeringen van de lid-staten.