Resolutie over de door de Raad aangebrachte wijzigingen op de amendementen van het Parlement op: Afdeling I-Parlement en bijlage Ombudsman, Afdeling II-Raad, Afdeling IV-Hof van Justitie, Afdeling V-Rekenkamer, Afdeling VI-Economisch en Sociaal Comité en Comité van de regio' s van het ontwerp van algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1996
Publicatieblad Nr. C 017 van 22/01/1996 blz. 0162
A4-0310/95 Resolutie over de door de Raad aangebrachte wijzigingen op de amendementen van het Parlement op: Afdeling I-Parlement en bijlage Ombudsman, Afdeling II- Raad, Afdeling IV-Hof van Justitie, Afdeling V-Rekenkamer, Afdeling VI- Economisch en Sociaal Comité en Comité van de regio's van het ontwerp van algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1996 Het Europees Parlement, - gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, - gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van 29 oktober 1993 over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure, - gezien de in eerste lezing aangenomen amendementen en zijn resolutie over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1996 (Afdelingen I, II, IV, V, VI) dd. 26 oktober 1995 ((Deel II, punt 8 b) van de notulen van die datum en bijlage.)), - gezien de besluiten van de Raad van 17 november 1995 over het ontwerp van algemene begroting als in eerste lezing door het Parlement geamendeerd en gewijzigd (C4-0500/95), - gezien de nota van wijzigingen op het ontwerp van algemene begroting (Afdeling II - Raad) van 30 oktober 1995 (C4-0510/95), - gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A4-0310/95), A. overwegende dat de Raad op 17 november 1995 de twee verordeningen heeft vastgesteld inzake bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen naar aanleiding van de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden ((PB L 280 van 23.11.1995, blz. 1 en 4.)), 1. onderstreept dat de Raad in ruime mate heeft ingestemd met de ontwerp- begroting zoals in eerste lezing door het Parlement gewijzigd, met name met de amendementen betreffende de gedeeltelijke aanwending van de marge van rubriek 5 van de financiële vooruitzichten, teneinde de aflossing van de investeringskosten van de onroerende goederen van de instellingen te bespoedigen, betreffende de interinstitutionele samenwerking en betreffende bepaalde huishoudelijke uitgaven; 2. stelt vast dat door de Raad geen wijzigingen zijn aangebracht in de amendementen van het Parlement op zijn eigen begroting; 3. verwondert zich over het feit dat de Raad een nota van wijzigingen heeft ingediend om de onderdelen betreffende de interinstitutionele samenwerking in zijn eigen begroting op te nemen, zonder de "zeer uitzonderlijke omstandigheden" noch de niet-inachtneming van de in artikel 14 van het Financieel Reglement gestelde termijnen, te motiveren; 4. merkt op dat de amendementen van het Parlement betreffende de definitieve beëindiging van de dienst van ambtenaren en tijdelijke functionarissen door de Raad ofwel als ontwerp-amendementen ofwel als wijzigingsvoorstellen zijn behandeld, naar gelang van de desbetreffende afdeling van de begroting; 5. neemt kennis van de geconstateerde vooruitgang op het gebied van het functioneren van een voor de medewerkers van de parlementsleden geldend systeem, met name na het op 11 december 1995 door zijn Bureau genomen besluit; is echter van oordeel dat een duurzame oplossing pas mogelijk is door middel van een statuut voor de functie van parlementair medewerker op een vóór 30 mei 1996 door de Commissie in te stellen voorstel; 6. benadrukt dat de opneming van een extra bedrag van 37,5 miljoen ecu voor de huren van het Parlement en van 50 miljoen ecu voor de huren van het Hof van Justitie slechts een gering effect zal hebben op de totale omvang van de betalingsverplichtingen van de instellingen voor hun onroerend- goedinvesteringen; dat dit totale bedrag van 87,5 miljoen ecu in rubriek 5 een marge overlaat waarmee wordt voldaan aan de eisen van het Interinstitutioneel Akkoord; 7. wijst erop dat bij de aanneming van zijn resolutie over de richtsnoeren voor de begroting van 1996 op 5 april 1995 ((PB C 109 van 01.05.1995, blz. 49.)) de instellingen is verzocht een overzicht op te stellen van de huidige plannen met betrekking tot huisvesting van deze instellingen; verzoekt het Hof van Justitie derhalve de mogelijkheden van vervroegde betaling van de tot aan 1999 voorziene aflossingen te onderzoeken en deze aan de begrotingsautoriteit mede te delen; 8. acht het wenselijk erop te wijzen dat de instellingen die partij zijn bij het Interinstititioneel Akkoord, bij gelegenheid van de herziening van de financiële vooruitzichten met het oog op de uitbreiding zijn overeengekomen dat de uitgaven van rubriek 5 in 1996 opnieuw bezien zullen worden om rekening te houden met de financieringsbehoeften voor de gebouwen van de Europese instellingen; 9. verzoekt de Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over de betalingsverplichtingen voor alle gebouwen van het Hof van Justitie, alvorens de begrotingsautoriteit zich uitspreekt over de aanwending van de in hoofdstuk 100 "Voorzieningen" ten behoeve van artikel 200 "Huren" opgenomen kredieten; 10. wijst erop dat het begrotingsjaar 1996 van fundamenteel belang is voor de tenuitvoerlegging van de interinstitutionele samenwerking; dat de verzoeken om overschrijving van in hoofdstuk 100 voor hiermee verband houdende activiteiten opgenomen kredieten zullen worden behandeld in het licht van de door de instellingen gemaakte concrete vorderingen; dat de tenuitvoerlegging van deze samenwerking het beginsel van aanwijzing van de uitgaven op de begroting naar gelang van hun bestemming in de hand werkt; 11. merkt op dat de verwerping van het amendement inzake het personeel van het Hof van Justitie, de omzetting van vaste posten in tijdelijke posten voor de logistieke ondersteuning in het Ardenne-gebouw en de schrapping van de toelichting bij het organigram van het Comité van de regio's en dat van de gemeenschappelijke organisatiestructuur niet naar behoren zijn gemotiveerd; 12. heeft bijgevolg besloten de amendementen betreffende het personeel van het Hof van Justitie, het Comité van de regio's en de gemeenschappelijke organisatiestructuur op basis van de meest recente informatie opnieuw in te dienen; 13. verzoekt zijn Voorzitter onderhavige begrotingsbesluiten te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de betrokken instellingen en raadgevende organen.