ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE over het vijfde jaarverslag over de hervorming van de structuurfondsen 1993
Publicatieblad Nr. C 018 van 22/01/1996 blz. 0025
Advies over het vijfde jaarverslag over de hervorming van de structuurfondsen 1993 (96/C 18/07) De Commissie heeft op 19 juli 1995 besloten overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het vijfde jaarverslag over de hervorming van de structuurfondsen 1993. De Afdeling voor regionale ontwikkeling, ruimtelijke ordening en urbanisme, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 4 oktober 1995 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Van Dijk. Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 329e Zitting van 25 en 26 oktober 1995 (vergadering van 25 oktober 1995) het volgende advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd. 1. Inleiding 1.1. Na de besluitvorming over de hervorming van de structuurfondsen in 1988 is dit het vijfde jaarverslag over de ontwikkelingen na de invoering van de hervorming. In dit verslag is tevens een begin gemaakt met een evaluatie van de hervorming van de structuurfondsen. In 1994 werden namelijk nieuwe afspraken gemaakt met betrekking tot de structuurfondsen. Zo werden toen de "oude" doelstellingen 3 en 4 samengevoegd in de nieuwe doelstelling 3. De nieuwe doelstelling 4 zou betrekking gaan hebben op het ondersteunen van projecten ter voorkoming van werkloosheid. 1.2. Dit jaarverslag verscheen op 20 maart 1995 en betreft het jaar 1993. 2. Inhoud van het jaarverslag 2.1. Dit verslag bestaat uit vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk geeft de Commissie een aanzet voor een evaluatie van de hervormingen van 1988. In hoofdstuk II gaat zij nader in op de ontwikkelingen per doelstelling en per lid-staat; tevens wordt een overzicht gegeven van de communautaire initiatieven. De verantwoording met betrekking tot de uitvoering van de begroting komt in hoofdstuk III aan de orde. In de hoofdstukken IV en evalueert de Commissie de grote projecten en blikt zij vooruit op de nieuwe periode; ook geeft zij aan wat zij gedaan heeft met de opmerkingen van het EP en het ESC. 2.2. Volgens de Commissie zou het Comité in zijn advies over het vierde jaarverslag met name aandacht hebben gevraagd voor de evaluatie van de acties. De Commissie heeft dat in dit document meegenomen. Ook heeft zij gehoor gegeven aan de rol van de sociale partners. In het verslag over 1992 was de Commissie blijkbaar onvoldoende ingegaan op de toetsing van de additionaliteit en het gebruik van de technische bijstand. Dat is in dit verslag opgenomen. 3. Algemene opmerkingen 3.1. Het Comité betreurt dat het jaarverslag over 1993 pas in 1995 verschijnt. Het lijkt alsof de Commissie niet veel waarde hecht aan dergelijke verslagen. Volgens het Comité echter dienen zij een belangrijke rol te spelen bij de verdere uitvoering van de programma's en projecten, waardoor een adequate en snelle verslaglegging noodzakelijk is. Zeker met de ontwikkeling van de nieuwe programmaperiode had het Comité verwacht dat het jaarverslag over 1993 snel gereed zou zijn, opdat het nog een rol zou kunnen spelen bij de ontwikkeling van de programma's voor de jaren 1994-1999. 3.2. Het Comité krijgt de indruk dat de Commissie het verslag slechts wil gebruiken voor het geven van informatie over de afgelopen periode. Het Comité beveelt aan om in het verslag meer hoofdstukken op te nemen met analyses die het toekomstig beleid kunnen beïnvloeden. 3.3. Het Comité vindt dat de Commissie onvoldoende is ingegaan op de aanbevelingen die het in zijn advies over het vierde jaarverslag had geformuleerd. Daarin vroeg het Comité namelijk aandacht voor de volgende zaken : - cooerdinatie van het regionaal beleid tussen de lid-staten en de Gemeenschap, de afstemming tussen het regionaal beleid en andere beleidsvormen van de Gemeenschap en de gevolgen voor het milieu (par. 3.4.1); - het partnerschapsbeginsel (par. 4.1); - de betrokkenheid van de sociaal-economische kringen (par. 4.1.3-4.1.6); - additionaliteit (par. 4.2); - concentratie (par. 4.3); - evaluatie van het effect van de structurele dienstverlening (par. 4.4); - effect op andere beleidsterreinen (par. 4.5). 3.4. In haar jaarverslag geeft de Commissie aan dat zij slechts aan enkele van deze aspecten refereert. Dit stelt het Comité teleur, te meer daar deze zaken nog steeds van groot belang zijn, ook voor de toekomstige werking van de structuurfondsen. 3.5. Het Comité wenst nog steeds gaarne betrokken te worden bij de opstelling van de toekomstige verslagen, maar vreest dat de Commissie hier minder in ziet : het Comité is ondanks de toezeggingen van de Commissie namelijk nog steeds niet betrokken geweest bij het bepalen van de structuur en presentatie van dit jaarverslag. Ware dit wel het geval geweest, dan zou dit de leesbaarheid van het verslag waarschijnlijk ten goede zijn gekomen. 3.6. Het Comité is verder positief over het verslag, dat rijk is aan informatie en een schat aan gegevens bevat over de huidige stand van zaken met betrekking tot de structuurfondsen. Het juicht met name de verslaglegging over de rol van de sociale partners toe, waar het in eerdere adviezen ook om had verzocht. 3.6.1. Het Comité meent echter dat de Commissie onvoldoende gebruik maakt van het enorme potentieel aan informatie dat beschikbaar is. De inhoud van het verslag zou minder beschrijvend en meer analytisch van aard moeten zijn. 3.6.2. Er moet een evaluatie komen van het programma over de jaren 1989-1993. Alleen dan is het mogelijk een juiste inschatting te maken van de verbeteringen die voor de periode 1994-1999 dienen te worden aangebracht. 3.7. Ter wille van de toegankelijkheid van het verslag beveelt het Comité aan om er in het vervolg een samenvatting aan toe te voegen. 4. Bijzondere opmerkingen 4.1. Op basis van het voorliggende verslag heeft het Comité grote moeilijkheden om te bepalen in hoeverre voldaan is aan de eisen van additionaliteit en concentratie. De Commissie geeft aan dat de naleving van het additionaliteitsbeginsel alleen voor de doelstelling 1-regio's voldoende onderzocht is. De evaluatie van de andere doelstellingen laat nog op zich wachten (par. 2.5). 4.2. Met betrekking tot concentratie meent het Comité dat het verslag eigenlijk geen evaluatie geeft van de behaalde resultaten. De Commissie beperkt zich tot het opsommen van de projecten die in aanmerking kwamen voor de verschillende doelstellingen, maar meldt geen ontwikkelingen of effecten (par. 2.2). 4.3. In het verslag wordt aandacht besteed aan de cooerdinatie tussen het regionale beleid en het communautaire beleid op andere terreinen. Dienaangaande blijken er nog verschillende problemen te bestaan. Met name de naleving van de Europese milieuwetgeving laat nog te wensen over (hoofdstuk IV, par. 2.1). 4.3.1. Hierbij doet zich een belangrijk probleem voor : moet de Europese regionale politiek aangepast worden aan de andere Europese beleidsterreinen of moet het juist zo zijn dat eerst de algemene kaders worden geschetst van het Europese beleid, waar het beleid van de structuurfondsen dan in moet passen ? Het Comité wil zich hier niet uitspreken over deze kwestie, omdat hierover later dit jaar een initiatiefadvies zal worden opgesteld. 4.4. De inschakeling van de sociale partners kan op verschillende niveaus plaatsvinden : het Europese, nationale en regionale niveau. Het Comité heeft de indruk dat hun participatie op Europees niveau conform de afspraken geschiedt. Het stelt echter vraagtekens bij de mate waarin zij op nationaal niveau bij de besluitvorming worden betrokken, om over hun participatie op regionaal niveau maar te zwijgen. 4.4.1. Voor het Comité is participatie van de sociale partners van cruciaal belang. In de nieuwe programmaperiode moet hier meer aandacht voor komen, maar de indruk bestaat dat lid-staten het minder nauw nemen met de voorschriften dienaangaande. Het Comité zou in de volgende verslaglegging een zwaar accent op de uitvoering van deze eisen willen zien. Daarbij zou eveneens aandacht moeten worden geschonken aan het moment waarop de sociale en economische partners erbij zijn betrokken en wat precies gedaan is met hun betrokkenheid. De overheden moeten in hun verslaglegging aangeven welk overleg heeft plaatsgevonden en wat er met de resultaten van het overleg is gebeurd. Daarbij moet aandacht worden geschonken aan elk relevant niveau. De Commissie moet in haar verslag rapporteren over deze nationale ervaringen. Dit om te voorkomen dat de betrokkenheid van de sociale partners een wassen neus wordt. Het Comité dringt erop aan dat de Commissie deze eisen als een belangrijk criterium toepast bij de vaststelling van de toewijzing van de gelden aan een bepaald project, zeker gezien de nieuwe kaderverordening. 4.5. De Commissie gaat in het verslag niet in op de cooerdinatie van het nationale regionale beleid met het Europese regionale beleid. Het Comité hecht eraan dat een dergelijke cooerdinatie plaatsvindt, omdat het van mening is dat dit een noodzakelijke voorwaarde is voor een effectief regionaal beleid. In het verslag had een overzicht gegeven kunnen worden van de respectieve door de lid-staten en de Commissie geselecteerde regio's. Dit kan een indruk geven van de mate van waardering voor het Europese regionale beleid. Wel geeft de Commissie om de drie jaar een periodiek verslag over de sociaal-economische situatie en ontwikkeling van de regio's van de Gemeenschap uit. 4.6. In hoofdstuk IV, paragraaf 1.8, geeft de Commissie aan dat er bij de hervorming van de structuurfondsen ook duidelijkheid zou moeten worden verschaft over de kapitaalkosten per gecreëerde arbeidsplaats. Helaas heeft het Comité in dit verslag tevergeefs moeten zoeken naar een evaluatie van dit aspect. Het hoopt in een volgende versie meer informatie daarover te kunnen krijgen. Brussel, 25 oktober 1995. De voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité C. FERRER