51994PC0036

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD betreffende de kwaliteit van het zwemwater /* COM/94/36DEF - SYN 94/0006 */

Publicatieblad Nr. C 112 van 22/04/1994 blz. 0003


Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de kwaliteit van het zwemwater (94/C 112/03) (Voor de EER relevante tekst) COM(94) 36 def. - 94/0006(SYN)

(Door de Commissie ingediend op 29 maart 1994)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

In samenwerking met het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende dat Richtlijn 76/160/EEG van de Raad van 8 december 1975 betreffende de kwaliteit van het zwemwater (2) herhaalde malen is gewijzigd, laatstelijk bij Richtlijn 91/692/EEG (3); dat deze richtlijn thans duidelijkheidshalve algeheel dient te worden herzien;

Overwegende dat het voor de bescherming van het milieu en van de volksgezondheid noodzakelijk is de verontreiniging van het zwemwater te verminderen en dat water tegen verdere verslechtering te beschermen;

Overwegende dat de kwaliteit van het zwemwater voor de toerismesector in de Gemeenschap een belangrijke factor is; dat de verbetering en bewaking daarvan eveneens in het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt nodig is;

Overwegende dat overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel optreden van de Gemeenschap wordt gevergd om in de gehele Gemeenschap een basisbescherming van de gezondheid van baders te waarborgen, om de kwaliteit van het aquatische milieu te verbeteren door coördinatie van de inspanningen van de Lid-Staten en om voor de toerismebranche in de Gemeenschap zwemwater van toereikende kwaliteit te waarborgen;

Overwegende dat alle burgers van de Unie recht hebben op bescherming van hun gezondheid en op een schoon milieu; dat de kwaliteit van het zwemwater aan de hand van op communautair niveau geharmoniseerde criteria dient te worden geëvalueerd, zodat het publiek oordeelkundig kan vergelijken;

Overwegende dat de lijst van de te meten parameters de kwaliteit van het zwemwater op de meest geëigende wijze dient weer te geven en aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang dient te beantwoorden;

Overwegende dat het de Lid-Staten vrij moet blijven staan om strengere waarden vast te stellen dan die waarin deze richtlijn voorziet, alsook om voor niet in deze richtlijn genoemde parameters waarden vast te stellen;

Overwegende dat het dienstig is te bepalen dat zwemwater op bepaalde voorwaarden wordt geacht overeen te stemmen met de waarden van de daarop betrekking hebbende parameters, ook indien een bepaald gedeelte van de tijdens een badseizoen verkregen analyseresultaten of geconstateerde waarden niet aan de aangegeven grenswaarden voldoet; dat de regels ter bepaling van dat gedeelte in cijfers moet worden uitgedrukt; dat de in Richtlijn 76/160/EEG vervatte, voor de naleving daarvan strekkende criteria vereenvoudiging behoeven;

Overwegende dat de Lid-Staten alle bronnen die de kwaliteit van het zwemwater kunnen beïnvloeden, dienen te identificeren en, wanneer de kwaliteit niet aan de eisen voldoet, passende maatregelen dienen te nemen om dit te verhelpen;

Overwegende dat het, om de aandacht te vestigen op situaties waar buitengewoon goede resultaten worden geboekt, wenselijk is een categorie "zwemwater van uitstekende kwaliteit" in te voeren;

Overwegende dat voor zwemwater dat voor het eerst na 31 december 1995 onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt als gevolg van een sterke toevloed van baders, de Lid-Staten de nodige tijd dient te worden gegeven om de kwaliteit van dit water op het vereiste peil te brengen;

Overwegende dat het publiek adequaat over de kwaliteit van het zwemwater en over alle, door de bevoegde autoriteiten genomen maatregelen om daarin verbetering te brengen, dient te worden voorgelicht;

Overwegende dat de Lid-Staten de kwaliteit van het zwemwater voldoende frequent en volgens onderling vergelijkbare methoden dienen te analyseren; dat de frequentie van de analyses voor zwemwater waarvan de uitstekende kwaliteit reeds eerder is aangetoond, onder bepaalde voorwaarden kan worden verminderd;

Overwegende dat het baden niet noodzakelijk dient te worden verboden wanneer het water niet aan de in deze richtlijn vervatte grenswaarden beantwoordt;

Overwegende dat de Lid-Staten evenwel ter bescherming van de gezondheid van de baders telkens in die badzones waar de verontreiniging een gevaar voor de volksgezondheid vormt, het baden dienen te verbieden; dat met de genoemde grenswaarden rekening dient te worden gehouden;

Overwegende dat de vooruitgang van de techniek een snelle aanpassing van de in bijlage I vervatte technische voorschriften noodzakelijk kan maken; dat, om de uitvoering van de daartoe vereiste maateregelen te vergemakkelijken, een procedure dient te worden ingesteld in het kader waarvan de Commissie, bijgestaan door een uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten samengesteld comité, dergelijke aanpassingen kan vaststellen;

Overwegende dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de verplichtingen van de Lid-Staten wat de in bijlage II vermelde tijdslimieten voor de omzetting in de nationale wetgeving en voor de toepassing van de desbetreffende maatregelen betreft,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van zwemwater met uitzondering van voor therapeutische doeleinden bestemd water en van in zwembaden gebruikt water.

2. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "zwemwater", onverminderd artikel 7, alle wateren, of delen van de wateren, te weten stromende of stilstaande zoete wateren alsmede zeewater, waarin het baden:

- door de bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel

- niet is verboden en gewoonlijk door een groot aantal baders wordt beoefend;

b) "badzone", de plaats waar zich zwemwater bevindt;

c) "badseizoen", de periode waarin, gelet op de plaatselijke gebruiken, met inbegrip van de eventuele plaatselijke bepalingen betreffende het baden, alsmede op de meteorologische omstandigheden, een grote toevloed van baders kan worden verwacht.

Artikel 2

De fysisch-chemische en microbiologische parameters die van toepassing zijn op het zwemwater zijn vermeld in bijlage I, tabel 1.

Artikel 3

1. De Lid-Staten stellen voor alle badzones, of voor elke badzone afzonderlijk, de waarden vast voor de in bijlage I, tabel 1, genoemde parameters.

2. De krachtens lid 1 vastgestelde waarden mogen niet minder streng zijn dan die vermeld in bijlage I, tabel 1, kolom I. Bij de vaststelling van die waarden streven de Lid-Staten ernaar, onverminderd artikel 8, de overeenkomstige waarden in bijlage I, tabel 1, kolom G, als richtwaarden aan te houden.

3. De Lid-Staten kunnen voor zwemwater strengere waarden vaststellen dan die waarin de richtlijn voorziet en tevens waarden voor niet in bijlage I, tabel 1, opgenomen parameters.

Artikel 4

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen ten einde de kwaliteit van het zwemwater ten minste in overeenstemming te brengen met de in bijlage I, tabel 1, kolom I, vermelde waarden.

2. Voor badzones die na 31 december 1995 voor het eerst onder de toepassing van artikel 1, lid 2, onder a), tweede streepje, vallen, nemen de Lid-Staten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan het begin van het derde, op de aanwijzing van een nieuwe badzone volgende badseizoen het zwemwater aldaar ten minste aan de in bijlage I, tabel 1, kolom I, vermelde waarden voldoet.

3. In afwijking van de leden 1 en 2 dient de bevoegde autoriteit, wanneer de genomen maatregelen niet tot overeenstemming met de in bijlage I, tabel 1, kolom I, vervatte waarden hebben geleid, de oorzaak of oorzaken vast te stellen en de nodige maatregelen te nemen om zo spoedig mogelijk overeenstemming met die waarden te bereiken. Tevens deelt de bevoegde autoriteit de Commissie onverwijld de redenen voor het niet-voldoen aan de betrokken waarden en de nodige te treffen maatregelen mede, met vermelding van een tijdschema voor de verwezenlijking ervan.

4. Wat zeewater in de nabijheid van grenzen tussen Lid-Staten en grensoverschrijdende wateren betreft die aan de kwaliteit van het zwemwater in een andere Lid-Staat afbreuk doen, worden de gevolgen voor de gemeenschappelijke kwaliteitsdoelstellingen voor de daardoor getroffen badzones door de oeverstaten in onderling overleg vastgesteld.

De Commissie kan aan dit overleg deelnemen.

Artikel 5

1. Zwemwater wordt geacht aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen indien voor elke parameter waarvoor in bijlage I, tabel 1, kolom I, een waarde is vermeld, het aantal monsters dat niet met de desbetreffende waarde in overeenstemming is, niet hoger is dan het in bijlage I, tabel 2, genoemde aantal.

De overeenstemming met de waarde wordt beoordeeld aan de hand van de in een badseizoen verkregen resultaten.

2. Zwemwater wordt geacht van "uitstekende kwaliteit" te zijn indien:

- het op de in lid 1 beschreven wijze aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet, en

- voor elke parameter waarvoor in bijlage I, tabel 1, kolom G, een waarde is vermeld, het aantal monsters dat niet met de desbetreffende waarde in overeenstemming is, niet hoger is dan het in bijlage I, tabel 3, genoemde aantal.

De vaststelling dat zwemwater van "uitstekende kwaliteit" is, geschiedt aan de hand van de in een badseizoen verkregen resultaten.

3. Bij de beoordeling van de overeenstemming met de in bijlage I, tabel 1, kolommen G en I, vermelde waarden behoeven tijdelijke overschrijdingen die het gevolg zijn van overstromingen, natuurrampen of uitzonderlijke weersomstandigheden niet in aanmerking te worden genomen. Wanneer van deze bepaling gebruik is gemaakt, dient dit aan de Commissie te worden gemeld.

4. De Lid-Staten dragen ervoor zorg dat op goed in het oog vallende wijze in elke badzone adequate informatie over de zwemwaterkwaliteit wordt aangebracht. Deze informatie omvat met name:

- een mededeling over het al dan niet overeenstemmen van het zwemwater in het vorige badseizoen met de vereisten van de richtlijn,

- de recentste gegevens aan de hand waarvan het publiek de zwemwaterkwaliteit in het lopende badseizoen kan beoordelen, en

- informatie over eventuele lopende of geplande werkzaamheden om de situatie te verbeteren, welke informatie tevens een tijdschema dient te omvatten.

Het bepaalde in dit lid laat de tenuitvoerlegging van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (4) onverlet.

Artikel 6

1. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten bemonsteren en analyseren het zwemwater en voeren controles uit op zicht en op reuk tijdens de in lid 2 omschreven periode en ten minste met de in bijlage I, tabel 1, genoemde frequentie.

Bij wijze van uitzondering mag, wanneer de waterkwaliteit in de twee voorgaande badseizoenen volgens de in artikel 5, lid 2, vermelde criteria uitstekend was en wanneer zich geen nieuwe factor heeft voorgedaan waardoor de waterkwaliteit kan worden aangetast, tijdens het lopende badseizoen de in bijlage I, tabel 1, vermelde bemonsteringsfrequentie worden gehalveerd.

2. Met de in lid 1 bedoelde bemonsteringen, analyses en controles op zicht en op reuk dient twee weken vóór het badseizoen te worden aangevangen en zij dienen gedurende het gehele badseizoen te worden herhaald. De bemonsteringen en de controles dienen te worden uitgevoerd op plaatsen waar zich dagelijks gemiddeld de meeste baders ophouden. Waar mogelijk dienen de monsters 30 centimeter onder het wateroppervlak te worden genomen.

3. De bevoegde autoriteiten inventariseren periodiek alle stortingen en lozingen, ongeacht of deze permanent dan wel met tussenpozen geschieden, waardoor de kwaliteit van het zwemwater kan worden aangetast, en bepalen het belang daarvan in relatie tot de in artikel 4, lid 1, vervatte verplichtingen, tot de plaatselijke geografische omstandigheden en tot de situatie inzake getijden en stromingen.

De bevoegde autoriteiten inventariseren met name alle bronnen van verontreiniging, zowel stortingen en lozingen als vervuiling door diffuse bronnen, die besmetting van zwemwater met salmonella kunnen veroorzaken; zij nemen passende maatregelen om verontreiniging door dergelijke bronnen te vermijden.

4. De bevoegde autoriteiten onderzoeken elke onverwachte, plotselinge daling van de zwemwaterkwaliteit om de oorzaak daarvan vast te stellen en nemen onverwijld passende maatregelen om de kwaliteit van het water op peil te brengen.

5. De referentieanalysemethoden voor de betrokken parameters zijn aangegeven in bijlage I, tabel 1.

Lid-Staten die andere methoden toepassen, dragen ervoor zorg dat de verkregen resultaten gelijkwaardig zijn aan of vergelijkbaar zijn met die welke in bijlage I, tabel 1, zijn aangegeven. Wanneer zij van die andere methoden gebruik maken stellen zij de Commissie daarvan in kennis en leveren zij het bewijs dat deze gelijkwaardig zijn aan of vergelijkbaar zijn met de referentiemethode. De Commissie licht vervolgens de overige Lid-Staten daarover in. Zij kan die andere methoden op de betrouwbaarheid ervan toetsen.

Artikel 7

1. Wanneer verontreiniging een bedreiging voor de volksgezondheid vormt, verbieden de Lid-Staten het zwemmen in elk van de betrokken badzones afzonderlijk. Een dergelijke bedreiging wordt geacht te bestaan wanneer zich, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een geval van aanzienlijke afwijking van de in bijlage I, tabel 1, kolom I, aangegeven waarden voldoet.

2. Tenzij het verbod permanent is, wordt het betrokken water nog steeds als zwemwater in de zin van deze richtlijn beschouwd.

3. Lid-Staten die voor afzonderlijke badzones een permanent zwemverbod instellen, delen dit onverwijld aan de Commissie mede, onder vermelding van de redenen waarom het betrokken zwemwater niet met de eisen van deze richtlijn in overeenstemming kan worden gebracht.

Artikel 8

De tenuitvoerlegging van de krachtens deze richtlijn genomen maatregelen mag in geen geval direct of indirect tot achteruitgang van de huidige zwemwaterkwaliteit leiden.

Artikel 9

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om bijlage I aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang worden vastgesteld overeenkomstig de procdure van artikel 10.

Artikel 10

1. De Commissie wordt bijgestaan door een Comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het advies dat het Comité heeft uitgebracht, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten, voor drie maanden na deze kennisgeving uitstellen.

De Raad kan binnen de in de voorgaande alinea genoemde termijn met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 11

Elk jaar, voor het eerst uiterlijk op 31 december 1996, dienen de Lid-Staten bij de Commissie een verslag in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. Dit verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van Richtlijn 91/692/EEG. De vragenlijst of het schema wordt zes maanden vóór de aanvang van de verslagperiode aan de Lid-Staten toegezonden. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd vóór het einde van het betrokken jaar.

Binnen vier maanden na ontvangst van de verslagen van de Lid-Staten publiceert de Commissie een verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de Gemeenschap.

Artikel 12

Richtlijn 76/160/EEG wordt op 31 december 1995 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de Lid-Staten wat de in bijlage II vermelde tijdslimieten voor de omzetting in de nationale wetgeving en voor de toepassing van de desbetreffende maatregelen betreft.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 13

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

(1) PB nr. L 31 van 5. 2. 1976, blz. 1.

(2) PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 48.

(3) PB nr. L 158 van 23. 6. 1990, blz. 56.

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

>RUIMTE VOOR DE TABEL>