Advies van het Comité van de Regio' s over het Witboek "Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid - Naar de 21e eeuw: Wegen en Uitdagingen" CdR 171/94
Publicatieblad Nr. C 210 van 14/08/1995 blz. 0001
Advies over het Witboek "Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid P Naar de 21e eeuw : Wegen en Uitdagingen" (95/C 210/01) HET COMITE VAN DE REGIO'S: - besloot op 18 mei 1994 tijdens zijn derde vergadering, onder verwijzing naar zijn in artikel 198 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap neergelegde recht van initiatief, een advies uit te brengen over het door de Commissie op 10 en 11 december 1993 aan de Europese Raad van Brussel voorgelegde voornoemd Witboek, - benadrukt het belang van groei en concurrentievermogen van de economieën van de lid-staten voor de versterking van de economische en sociale samenhang in de Unie, - onderstreept de betekenis van een juist evenwicht tussen economische en sociale ontwikkeling, - is zich bewust van de ernst van het werkloosheidsprobleem, zowel voor de economie als voor de samenleving als geheel, - stelt vast dat de Commissie deze tendens door het scheppen van 15 miljoen banen tegen het jaar 2000 om wil buigen, HEEFT tijdens zijn vierde Voltallige Vergadering op 27 september 1994 met meerderheid van stemmen het volgende advies vastgesteld : Inleiding In het Witboek worden door de Commissie richtsnoeren voorgesteld voor verbetering van de groei en het mondiaal concurrentievermogen, alsook voor het scheppen van zoveel mogelijk arbeidsplaatsen; daartoe stelt zij de volgende algemene actielijnen voor : - volledige benutting van de voordelen van de interne markt door bevordering van duurzame ontwikkeling van economische activiteiten; - opstarten van de informatiemaatschappij en het ontwikkelen van informatienetwerken binnen Europa en daarbuiten; - versnelde aanleg van infrastructurele netwerken voor vervoer en energie; - prikkels voor innovatie en immateriële investeringen; - meer samenwerking tussen de lid-staten; - faire internationale mededingingsregels. Wil men de werkgelegenheid in de Unie opvoeren, dan moeten de lid-staten mondiaal kunnen concurreren op de steeds verder geïntegreerde en complexe wereldmarkt. De economie evolueert geleidelijk naar een economie die uit immateriële elementen bestaat en die in haar ontwikkeling gebaseerd moet zijn op verwerving, verspreiding en toepassing van kennis. Deze mededingingsfactoren zullen immers een sleutelrol spelen bij het opstuwen van de groei en het genereren van hoogwaardige arbeidsplaatsen. Het Comité van de Regio's spreekt zijn krachtige steun uit aan het nieuwe model van "duurzame ontwikkeling" dat in het Witboek van de Commissie wordt beschreven. Gelet op de in het Witboek naar voren gebrachte problemen besloot de Europese Raad tijdens zijn vergadering van 10 en 11 december 1993 te Brussel tot de uitvoering van een actieplan ter bestrijding van de werkloosheid. De Europese Raad vervolgde tijdens zijn bijeenkomst van 24 en 25 juni 1994 op Korfoe het onderzoek naar de met de uitvoering van de voorstellen uit het Witboek geboekte vooruitgang, en besloot hiermee tijdens de bijeenkomst in december 1994 te Essen door te gaan. DE DRIE ASPECTEN VAN HET WITBOEK : GROEI, CONCURRENTIEVERMOGEN EN WERKGELEGENHEID Groei HET COMITE VAN DE REGIO'S 1. merkt op dat de analyse ter zake uit het Witboek inzicht verschaft in de gedetailleerde gedachtengang achter en de fundamentele samenhang tussen de belangrijkste macro-economische evenwichten en het te voeren economische en monetaire beleid; 2. benadrukt dat voor het bereiken van de doelstelling, nl. tegen het jaar 2000 15 miljoen arbeidsplaatsen te creëren, gecooerdineerde en duurzame actie nodig is ten einde a) de groei van de consumptie af te remmen ten gunste van besparingen en investeringen; b) de arbeidsmarkten flexibeler te maken; c) onderzoek, ontwikkeling en innovatie te intensiveren; d) investeringen in transeuropese netwerken voor vervoer, energie en informatie te bespoedigen en daarmee de produktiviteit van het bedrijfsleven te stimuleren; 3. merkt op dat toeneming van de groei gevolgen zal hebben voor het milieu binnen de grenzen van de Unie en daarbuiten, en dat conflicten met de milieuverplichtingen van de Unie en de lid-staten moeten worden voorkomen; 4. merkt op dat, om deze doelstelling te halen, het groeipercentage van het reële inkomen per capita lager dan de totale produktiviteitsstijging dient te zijn; 5. benadrukt dat daartoe de groei van particuliere en publieke consumptie beteugeld, de publieke en particuliere investeringen verhoogd, de inflatie beheerst en de overheidstekorten teruggedrongen moeten worden. Concurrentievermogen HET COMITE VAN DE REGIO'S 6. steunt de door de Commissie in haar Witboek voorgestelde algemene actielijnen voor de verbetering van het mondiale concurrentievermogen van EG-bedrijven op vrije en open markten; 7. is het eens met de opvatting van de Commissie dat het vereiste concurrentievermogen moet worden gerealiseerd via structurele veranderingen waarbinnen solidariteit en efficiency samengaan. Daarom moet de factor arbeid alle aandacht krijgen; 8. sluit zich aan bij het oordeel dat de Europese Unie ten opzichte van haar belangrijkste rivalen op de wereldmarkt aan concurrentievermogen heeft ingeboet. Ten einde dit gat te dichten, dringt het Comité van de Regio's in de eerste plaats aan op een drastische produktiviteitsverbetering in sectoren die aan internationale concurrentie blootstaan, op versnelde ontwikkeling en marketing van produkten die op nieuwe technologie zijn gebaseerd, alsmede op uitbreiding van de Europese netwerken; 9. erkent de noodzaak van verhoogde O& O-inspanningen als een belangrijk middel om het concurrentievermogen te verhogen en banen te creëren, en doet een beroep op de lid-staten, te streven naar een duurzame verhoging van de O& O-uitgaven. Het Comité van de Regio's beklemtoont dat de uitvoering van de voorstellen uit het Witboek middels een gecooerdineerd Europees investeringsoffensief moet worden aangemoedigd, met prikkels voor particuliere investeringen, b.v. via belastingvoordelen voor uitgaven ten behoeve van O& O; 10. deelt de mening dat de financiering van EG-maatregelen voor onderzoek en technologische ontwikkeling moet worden verhoogd tot het Japanse niveau van 3 % van het BBP, dat O& O-activiteiten in de Europese Unie beter moeten worden gecooerdineerd en dat deze maatregelen moeten worden afgestemd op de behoeften van de Europese economie, meer in het bijzonder van het bedrijfsleven; 11. onderstreept dat de Gemeenschap ervoor dient te zorgen dat de interne markt daadwerkelijk functioneert, zodat geprofiteerd kan worden van de ontwikkelingsmogelijkheden en ervaring op dit gebied en het dynamisch effect op de bedrijven; 12. benadrukt dat het vooral van belang is dat a) middelgrote en kleine ondernemingen (het MKB) worden gestimuleerd en lokale ontwikkelingsinitiatieven worden gelanceerd; b) de tenuitvoerlegging van de vier vrijheden binnen de interne markt wordt vervolledigd; c) transeuropese netwerken worden ontwikkeld; 13. is tevreden over het geïntegreerde programma voor het MKB, en wijst erop dat het belangrijk is dat door de interne markt het concurrentievermogen van het MKB, in het bijzonder dat van de allerkleinste en ambachtelijke bedrijven, wordt gestimuleerd. Het Comité van de Regio's roept Commissie, Raad en lid-staten op, de in het geïntegreerde programma vervatte maatregelen (opheffing op alle niveaus van administratieve rompslomp en financiële nadelen, invoering van fiscale lastenverlichting als compensatie voor nadelen in verband met bedrijfsomvang, verwezenlijking van stabiele randvoorwaarden, vergemakkelijking van de toegang tot kapitaalmarkten, aanmoediging van joint-ventures en verbetering van de kwaliteit van het management) zo snel mogelijk uit te voeren ten einde het MKB te helpen zijn concurrentievermogen te verbeteren en zich aan de vereisten van de interne markt en de internationale concurrentie aan te passen. De lokale autoriteiten en regio's moeten volledig participeren in deze uitvoering wegens hun ervaring met het plannen, opzetten en ontwikkelen van industriegebieden en het opstarten van lokale ondersteunende dienstverlening ten behoeve van het MKB; 14. beschouwt transeuropese netwerken, het bestaan van efficiënte infrastructuren tegen lage kosten in de sectoren energie, vervoer en communicatie, als een wezenlijke factor voor de ontwikkeling van de Europese economie en als een aanzienlijke bijdrage tot de verhoging van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven en met name het MKB, gegeven de beperkingen van die bedrijven op het gebied van communicatie en markttoegang; 15. is van mening dat alle regio's gelijke toegang tot transeuropese netwerken moeten krijgen, waardoor zij dichter bij elkaar worden gebracht en het concurrentievermogen van hun economieën wordt verhoogd. Dit is met name het geval voor de insulaire en perifere regio's van de Unie, die slechts volledig van de Europese integratie kunnen profiteren wanneer vervoer en communicatie worden verbeterd; 16. is verheugd over het op 24 en 25 juni jl. op Korfoe aan de Europese Raad voorgelegde rapport-Bangemann, omdat het van oordeel is dat totstandbrenging van de informatiemaatschappij van vitaal belang is voor de versterking van de positie van de Europese bedrijven, in het bijzonder het MKB, ten opzichte van de internationale concurrentie. Dientengevolge is het van belang dat de Europese Unie actie stimuleert die zowel voor de ontwikkeling van informatietechnologie als voor het op de markt brengen daarvan noodzakelijk is. De lokale autoriteiten en regio's moeten worden betrokken bij de selectie van prioritaire projecten ten behoeve van de integrale invoering van efficiënt computergebruik in Europa voor een volledige en efficiënte informatisering; 17. is van oordeel dat milieu-overwegingen en milieu-effectrapporten sterk moeten meewegen bij de beoordeling, de prioriteitenstelling en de financiering van gemeenschappelijke infrastructuurprojecten, en dat regionale en plaatselijke overheden in een vroeg stadium van de planning en de uitvoering van EG-projecten dienen te worden geraadpleegd; 18. onderstreept dat de Europese Unie de verspreiding van nieuwe technologieën moet vergemakkelijken door het scheppen van randvoorwaarden waarbinnen met deze technologieën in het kader van de mededingingsregels kan worden ingespeeld op de behoeften van het bedrijfsleven en meer in het algemeen de verlangens van de Europese samenleving, en stelt dat regionale centra voor techologie-overdracht in deze een centrale rol ten behoeve van het MKB kunnen spelen; 19. benadrukt dat milieuvriendelijke produktieprocessen steeds belangrijker voor het internationale concurrentievermogen worden; 20. acht het voor de groei en het concurrentievermogen van de Europese economie van vitaal belang dat gestreefd wordt naar industriële en technologische samenwerking met derde landen, met name landen met een omvangrijk groeipotentieel; dit geldt tevens voor de Midden- en Oosteuropese landen waarvan de economieën zich in een overgangsfase bevinden, en die in etappes, maar wel spoedig, deel moeten gaan uitmaken van het netwerk van economische betrekkingen van de Europese Unie. Daartoe dient de Commissie zo snel mogelijk een plan in te dienen. Onderwijs HET COMITE VAN DE REGIO'S 21. is verheugd dat het accent wordt gelegd op onderwijs als factor die bijdraagt tot het behoud van het Europese concurrentievermogen, en gelooft dat menselijke arbeid en innovatievermogen de belangrijkste natuurlijke hulpbronnen zijn voor het behoud en de toekomstige uitbouw van de economische kracht van de Europese Unie en dat deze daarom speciale steun behoeven; 22. onderstreept dat inhoud en structuur van het onderwijs onder de bevoegdheden van de lid-staten vallen en verzet zich met kracht tegen elke uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie buiten hetgeen in het Unieverdrag aangaande onderwijs en beroepsopleiding is neergelegd; 23. wijst erop dat de voorstellen voor intensievere cooerdinatie van het schoolonderwijs en interne beroepsopleiding door bedrijven, alsook voor medefinanciering door de particuliere sector binnen een duaal systeem van beroepsopleiding (beroepsbegeleidend onderwijs) al sinds lang in twee lid-staten (Duitsland en Luxemburg) gerealiseerd zijn, en hun grote waarde voor de voorkoming van jeugdwerkloosheid hebben bewezen; 24. merkt op dat de onderwijssystemen binnen de diverse lid-staten aanzienlijk verschillen en dat het derhalve niet passend is algemene conclusies te trekken; 25. is ervan overtuigd dat grote investeringen - in de vorm van geld en kennis - in beroepsopleiding door het bedrijfsleven in de andere lid-staten op lange termijn economisch evenzeer noodzakelijk zullen blijken te zijn als in de landen waar het duale systeem voor beroepsopleiding reeds wordt toegepast; 26. onderstreept dat extra aandacht moet worden besteed aan kwetsbare groepen, zoals herintredende vrouwen, etnische minderheden, langdurig en jeugdige werklozen; 27. doet daarom een beroep op de lid-staten, alsook op de regionale en lokale autoriteiten om, via wetgeving en een intensieve motivatie- en informatiestrategie, het bedrijfsleven ertoe te brengen zich op een breed vlak en systematisch met de opleiding van jongeren bezig te houden, tot de financiering bij te dragen en volledige verantwoordelijkheid voor de opleiding van geschoolde werknemers op zich te nemen; 28. beklemtoont dat, ten einde de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen, opleidingssystemen nodig zijn die een brede basisopleiding, voldoende specialisatie op een bepaald gebied en de integratie van jongeren in het produktieproces in het eindstadium van de basisopleiding omvatten. Hierdoor wordt een soepele overgang van de opleidings- naar de arbeidsfase mogelijk. Alleen op deze wijze kan iets worden gedaan aan het verontrustende feit dat de door achterstandsituaties veroorzaakte hoge uitvalpercentages in onderwijs en beroepsopleiding in een aantal landen tot een bovengemiddelde jeugdwerkloosheid leidt. Dit werkt sociale spanningen en gettovorming in de marge van de samenleving met verregaand asociaal gedrag in de hand, hetgeen kan ontaarden in misdaad, drugsgebruik, etc.; 29. benadrukt dat de sociale partners meer dan tot op heden moeten worden betrokken bij het uitstippelen van het onderwijs- en opleidingsbeleid ten einde de overgang van opleiding naar werk te vergemakkelijken en omvang en aard van de vaardigheden meer op de toekomstige arbeidsplaatsen af te stemmen; 30. onderstreept dat, als aanvulling op hervormingen in de structuur van basisopleidingen, ook voortgezette opleidingen in de zin van permanente educatie een integrerend bestanddeel van iedere bedrijfsstrategie en een thema voor de sociale dialoog moeten worden. Ieder bedrijf moet worden verplicht, iedere werknemer via een loopbaanplanning en systematische toepassing daarvan maximale mogelijkheden te bieden voor zijn persoonlijke carrière, en moet zorgen voor voortdurende aanpassing aan technologische veranderingen. Ook de hogescholen dienen door uitbouw van hun organisatiestructuur en onderwijsmethoden zorg te dragen voor een doeltreffende permanente educatie. Passende werkervaring die buiten de academische instelling, maar gedurende de studieperiode wordt opgedaan, kan voor iedere studierichting van belang zijn, mits deze ervaring concrete inhoud heeft en van belang is voor het vinden van een baan. In dat verband dient ook het instrument van het grensoverschrijdende afstandsonderwijs verder te worden ontwikkeld en consequent te worden toegepast; 31. wijst erop dat systematische planning van hogere en voortgezette opleidingen niet in de eerste plaats een overheidstaak is; veeleer moeten de sociale partners en de lokale en regionale autoriteiten hieraan vorm geven en dient het bedrijfsleven hieraan mee te betalen. De publieke bestuurslichamen moeten zich er vooral op richten het MKB te adviseren over voortgezette opleidingen en prikkels; 32. stemt in met het initiatief van de Europese Commissie een proefproject te starten voor samenwerking tussen de regio's. Doel hiervan is het onderling overleg tussen lokale besturen op onderwijsgebied aan te moedigen, met name bij het beantwoorden van de vraag wat de vereisten voor moderne beroepsopleidingen zijn. Aangezien bij het bovenvernoemde proefproject slechts 10 regio's () betrokken zijn, zou het Comité van de Regio's uitbreiding en voortzetting van dergelijke initiatieven in andere regio's toejuichen; 33. doet een beroep op de lid-staten om te waarborgen, indien noodzakelijk door wetgeving, dat werknemers periodes van werkloosheid zonder inkomensderving kunnen benutten om verdere professionele vaardigheden te verwerven waardoor hun reïntegratie op de arbeidsmarkt wordt vergemakkelijkt; 34. steunt het dringende verzoek van de Commissie om voldoende financiële middelen voor universiteiten en andere instellingen van hoger onderwijs en pleit voor nauwere samenwerking tussen deze instellingen en het bedrijfsleven; 35. roept de lid-staten op, gelijke kansen te bieden op het gebied van niet-academische beroepsopleiding en voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen; 36. geeft zijn steun aan de EU-initiatieven voor intensivering van de uitwisseling van ervaring en informatie tussen de lid-staten en aan het bevorderen van de mobiliteit van leerkrachten en leerlingen als bijdrage tot het einddoel van een Europese opleidings- en arbeidsmarkt. In dit verband is het vreemdetalenonderricht een wezenlijke factor voor de totstandkoming van het Europa van de burgers en de voltooiing van de interne markt; 37. verzet zich tegen onnodige standaardisering van nieuwe gedecentraliseerde instrumenten voor multi-media-opleidingen ten einde de huidige snelle ontwikkelingen op dit gebied niet te belemmeren, en is van mening dat deze veeleer aan de markt moeten worden overgelaten. Het Comité van de Regio's veronderstelt overigens dat dit probleem geleidelijk zal verdwijnen door de snelle verbreding van het aanbod van compatibele systemen en converter-programma's; 38. heeft waardering voor de financiële inspanningen van de EU op het gebied van onderwijs en opleiding, met name via het Sociaal en het Regionaal Fonds, en spreekt de verwachting uit dat deze middelen in de toekomst op gerichte en efficiënte wijze zullen worden ingezet om met name onderwijsdiscrepanties in Doelsteling 1-regio's weg te werken. Werkgelegenheid HET COMITE VAN DE REGIO'S 39. deelt de in het Witboek neergelegde opvatting dat het economische beleid in de EU in de afzienbare toekomst in de eerste plaats op een significante vermindering van de werkloosheid moet zijn gericht. Het onaanvaardbaar hoge werkloosheidsniveau is immers in sociaal en politiek opzicht uiterst gevaarlijk en dreigt het vertrouwen van de bevolking in het Europese integratieproces te ondermijnen; 40. wijst erop dat vooral regionale en lokale autoriteiten (Gebietskoerperschaften) zwaar onder de directe en indirecte effecten van de werkloosheid gebukt gaan, en dat de lokale dienstverlening aan de bevolking in gevaar wordt gebracht; 41. wijst erop dat de verwezenlijking van een zo hoog mogelijk welvaarts- en sociale-zekerheidsniveau even zo prioritair dient te zijn als een significante vermindering van de werkloosheid; 42. is van opvatting dat duurzame verlaging van de reële lonen en vergaande bezuinigingen op het sociale-zekerheidssysteem niet de juiste weg zijn om de werkgelegenheidscrisis in Europa te overwinnen en waarschijnlijk eerder tot stagnatie op lange termijn en afremming van de groei zullen leiden. Het Comité van de Regio's is in dit verband verheugd over de realiteitszin waarvan partijen bij loononderhandelingen in verscheidene lid-staten (België, Duitsland, Griekenland, Italië, Ierland en Nederland) onlangs blijk gaven en ziet deze als een effectieve bijdrage aan meer groei en werkgelegenheid; 43. is van oordeel dat een sterker op uitstroom dan op instroom gericht beleid inzake sociale zekerheid uiteindelijk de mogelijkheden voor het creëren van werkgelegenheid ten goede zal komen; 44. is tevreden over de oproep in het Witboek tot een politieke accentverschuiving, waarbij vermindering van het werkloosheidspercentage op zich minder gewicht heeft dan het scheppen van meer banen. Dit betekent dat voorrang wordt gegeven aan het scheppen van arbeidsplaatsen op de reguliere (primaire) arbeidsmarkt. Door de overheid gesteunde banenplannen dienen als een brug naar deze primaire arbeidsmarkt te functioneren; 45. wijst op het feit dat het beter is het scheppen van banen te stimuleren (de secundaire arbeidsmarkt) dan voor de werkloosheid te betalen, en is in dit verband met name verheugd over de talrijke en veelsoortige regionale en lokale werkgelegenheidsinitiatieven. Bevordering van lokale actie dient in de allereerste plaats gebaseerd te zijn op lokale initiatieven die door regionale en nationale autoriteiten worden ondersteund. Het Comité van de Regio's benadrukt de positieve rol die bij de bevordering van lokale initiatieven voor de structuurfondsen is weggelegd; 46. vestigt de aandacht op het feit dat, naast hoge kosten per eenheid produkt, tekortkomingen op technologisch en managementgebied vaak de oorzaak zijn van het verslechterende concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven en doet een beroep op Commissie, Raad en lid-staten de voor de verhoging van het technologisch bewustzijn in de Unie benodigde maatregelen te identificeren en ten uitvoer te leggen; 47. is van mening dat deregulering soms een geëigende weg kan zijn voor de opheffing van starheden op de arbeidsmarkt. Maar dit moet van geval tot geval worden afgewogen; nationale en regionale structuren dienen uitgebreid in deze afweging te worden meegenomen, en daarbij moeten ook de vertegenwoordigers van de werknemers volledig worden betrokken. Zo is het b.v. een illusie te denken dat deregulering in de vorm van een brede versoepeling van het ontslagrecht alle problemen oplost; 48. deelt de opvatting uit het Witboek dat flexibilisering van de werktijd, incl. flexibilisering van de duur van de werkweek, in algemene termen wenselijk is, mits de verlangens van de werknemers in die regelingen tot uiting komen en deze verenigbaar zijn met de economische behoeften van het bedrijfsleven. Ook het Comité van de Regio's vindt dat dit alleen maar kan worden gedaan via flankerende maatregelen en prikkels, alsook overeenstemming tussen de sociale partners; 49. acht het noodzakelijk op tal van manieren te wijzen waarop verkorting van de arbeidsduur banen kan helpen behouden of creëren, op voorwaarde dat het concurrentievermogen van bedrijfsleven en economie niet in gevaar wordt gebracht, en onderstreept de positieve effecten van de bevordering van deeltijdwerk, met de nodige aandacht voor gelijke sociale bescherming van werknemers met een deeltijdbaan en werknemers met een volledige baan. Specifieke prikkels voor arbeidsovereenkomsten op deeltijdbasis zijn nodig. De lokale en regionale autoriteiten in de Europese Unie hebben meegeholpen aan de ontwikkeling van nieuwe arbeidsvormen als deeltijdwerk en job-sharing, en verkeren in een goede positie om met andere werkgevers in de Unie ervaringen met deze onderwerpen uit te wisselen. Nationale, regionale en lokale autoriteiten moeten via hun aanwervingsbeleid in dit verband het goede voorbeeld geven; 50. accentueert de rol van milieubescherming en diensten, b.v. op het gebied van media/telecommunicatie, maar vooral in verband met de lokale maatschappelijke dienstverlening, de zorgsector en vrijetijds-/culturele activiteiten bij het scheppen van nieuwe banen. Ook het Comité van de Regio's is van mening dat op de middellange termijn meer dan 3 miljoen arbeidsplaatsen in deze sectoren kunnen worden gecreëerd. Naast particuliere investeringen is in dit verband bij uitstek voor de regionale en lokale bestuurslichamen een rol weggelegd. Het Comité van de Regio's verwacht dan ook dat deze lichamen en andere lokale actoren met de noodzakelijke bevoegdheden en financiële middelen worden uitgerust; 51. benadrukt dat het ook voor het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen van belang is dat economisch beleid op een dialoog op alle niveaus van de Unie is gebaseerd. Immers, alleen in geval van fundamentele overeenstemming tussen de politiek, werkgevers en werknemers kunnen kwesties van strategisch belang voor de toekomstige ontwikkeling van de Europese economie duurzaam worden opgelost. De Europese traditie van handelen uit solidariteit dient de grondslag van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid te blijven. Gegeven de economische, politieke en juridische verschillen tussen de lid-staten, moeten de noodzakelijke maatregelen in de eerste plaats op het niveau van de lid-staten worden genomen. 52. is ingenomen met de opmerkingen in het Witboek over decentralisatie en stappen in de richting van een gedecentraliseerde economie. Het Comité van de Regio's is van mening dat de lokale en regionale overheden een belangrijke rol moeten spelen bij de uitvoering van de elementen uit het Witboek over dit onderwerp, met name betreffende de opleidingsaspecten in samenhang met de oprichting van lokale partnerschappen ten einde groei en ontwikkeling van het MKB te stimuleren, de invoering van nieuwe technologieën te bevorderen en opleidingsvormen te ontwikkelen die zijn afgestemd op de behoeften op de lokale en regionale arbeidsmarkten. Het Comité van de Regio's gaat ervan uit dat de regionale en lokale autoriteiten, alsook de verschillende andere partners de geëigende bevoegdheden en financiële middelen zullen worden verschaft. Het nieuwe ontwikkelingsmodel HET COMITE VAN DE REGIO'S 53. is zeer tevreden over de bespreking in het Witboek van een nieuw ontwikkelingsmodel; 54. deelt de opvatting dat bij produktie in de Europese Unie de kosten van de factor "arbeid" in het algemeen te hoog en de kosten van de factor "milieu" te laag zijn. Verlaging van het arbeidskostenniveau (zonder daarbij de lonen te verlagen) en gelijktijdige belasting van het gebruik van het milieu kunnen stimulansen opleveren in de richting van zowel meer werkgelegenheid als meer milieubescherming; 55. onderschrijft de in het Witboek geformuleerde opvatting dat een vermindering van het niveau van sociale heffingen bij werkgevers van aanzienlijk belang is voor het creëren van nieuwe en het behoud van bestaande arbeidsplaatsen. Ook het Comité van de Regio's vindt dat het werkgeversaandeel in de sociale zekerheid omlaag moet; 56. wijst erop dat dit nieuwe ontwikkelingsmodel een actieve rol van de kant van de regionale en lokale overheden vereist; deze overheden zijn namelijk de hoofdrolspelers in de bestaande milieuprogramma's die gericht zijn op duurzame groei. In dit verband valt te betreuren dat bij de evaluatie van de economische gevolgen van het nieuwe model de externe kosten niet als economische kostenfactor worden meegenomen. Het Comité van de Regio's adviseert de Commissie, daadwerkelijk te zorgen voor bredere toepassing van produkten die vervaardigd zijn met schone technologie. In dat verband is het zaak dat de Unie haar O & O-inspanningen op dit gebied aanzienlijk opvoert en beter cooerdineert. Dit vereist een brede milieu-audit alsook een consequent aanbestedingsbeleid; 57. legt de nadruk op de behoefte aan maatregelen in de belastingsfeer ter compensatie van de verlaging van het werkgeversaandeel in de sociale premies. In dit verband dient hoofdzakelijk te worden gedacht aan belastingen op resp. energie, CO2 en natuurlijke hulpbronnen, alsmede op een uniforme belasting in de EU op inkomsten uit kapitaal. Verder wijst het Comité van de Regio's erop dat een op milieu gericht fiscaal beleid niet mag leiden tot een verhoging van de totale belastingopbrengsten voor de overheid als percentage van het BBP; 58. erkent in dit verband de noodzaak van de ontwikkeling en invoering van nieuwe geïntegreerde technologieën, verhoging van het rendement van energie en het opzetten van een milieuvriendelijke infrastructuur, met name op het gebied van vervoer, bevoorrading en afvalverwerking. Slotopmerkingen HET COMITE VAN DE REGIO'S 59. betreurt dat in het Witboek geen sectorale, lokale of regionale analyse wordt gegeven, b.v. in relatie tot de waarschijnlijke gevolgen voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid van de liberalisering van de Europese en mondiale dienstenmarkten, die momenteel goed zijn voor meer dan 2/3 van de werkgelegenheid en vindt dat binnen het Comité van de Regio's zelf en elders op Europees niveau meer overleg over in het bijzonder de onder punt 49 genoemde regionale en lokale dienstverlening moet plaatsvinden; 60. betreurt dat in het Witboek nauwelijks wordt aangegeven hoe regionale en plaatselijke overheden kunnen bijdragen tot groei en het scheppen van werkgelegenheid. Niettemin zijn het in grote mate deze instanties die met de uitvoering van openbare werken en de zorg voor sociale voorzieningen de voorwaarden voor ontwikkeling in de particuliere sector creëren. De Commissie en de lid-staten zouden elke gelegenheid moeten waarnemen om het model van duurzame ontwikkeling, ook buiten de EU, ingang te doen vinden. Bovendien zou de Commissie als criteria voor de financiering van EU-programma's voor infrastructuurontwikkeling te hanteren richtsnoeren moeten opstellen, die aannemers verplichten milieuvriendelijke produkten, recyclingmateriaal en alternatieven voor natuurlijke hulpbronnen, zoals secundaire materialen, te gebruiken; 61. onderstreept dat lokale en regionale autoriteiten, met name in stadsgebieden, gevraagd kan worden een rol te spelen op de volgende gebieden : - steun voor economische initiatieven; - efficiency van de lokale arbeidsmarkt; - onderzoeks- en innovatiebeleid; - vervoernetwerken; - informatie- en telecommunicatietechnologie; - milieu en kwaliteit van het bestaan; - algemene en beroepsopleidingen. 62. vraagt de Commissie een analyse te maken van de gevolgen van conjuncturele en structurele economische veranderingen voor de verschillende categorieën regio's binnen de Europese Unie (b.v. achtergestelde landbouwregio's en industriële regio's in verval in verhouding tot de andere regio's binnen de Unie). Ook dient in dit verband rekening te worden gehouden met de te verwachten ontwikkelingen in de betrekkingen met de Midden- en Oosteuropese buurlanden zodat ontwikkelingspatronen zo snel mogelijk kunnen worden geïdentificeerd en besproken; 63. vindt het spijtig dat er geen analyse is gegeven van winstdeling en andere aandelenprojecten als gedeeltelijke uitbetaling van het loon in de vorm van aandelen. Het Comité benadrukt dat werknemers met een aandeel in hun bedrijf en de mate waarin bedrijven hierdoor kapitaal kunnen aantrekken, vanuit het oogpunt van sociaal beleid van belang zijn. Het Comité van de Regio's roept de Europese Unie op, door te gaan met vergelijkende studies over de ontwikkeling van bestaande, nationale projecten waarin de werknemers stimulansen worden geboden; 64. betreurt dat het nieuwe ontwikkelingsmodel in een apart hoofdstuk is behandeld en niet of niet voldoende tot uiting komt in de andere hoofdstukken, b.v. over ontwikkeling en technologisch beleid en transeuropese infrastructurele netwerken, waarin dit denkbeeld juist zou moeten worden verwerkt en toegepast. Aan de andere kant is het positief dat milieuproblemen in samenhang met de verbetering van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven worden behandeld; 65. wijst een uitbreiding van de financiële manoeuvreerruimte van de Unie en schepping van nieuwe financieringsinstrumenten af. Het beginsel dient te worden gehanteerd dat zoveel mogelijk met particulier kapitaal dient te worden gefinancierd en dat deze vorm van financiering voorrang dient te genieten. Voor zover publieke middelen moeten worden aangewend, is de financiering in de eerste plaats een zaak van de met planning en uitvoering belaste instanties, en veronderstelt deze een eigen inbreng van de respectieve verantwoordelijken voor de projecten. De financiële bijdrage van de EU zou, zo die al noodzakelijk is, zoveel mogelijk uit het Cohesiefonds en de overige beschikbare huishoudelijke middelen moeten komen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zou een beroep op specifieke bijdragen van de Unie ten behoeve van transeuropese netwerken gedaan kunnen worden. Ook zou de Europese Investeringsbank met haar beschikbare leningsfaciliteiten te hulp moeten komen. Brussel, 27 september 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC () PB nr. L 126 van 18. 5. 1994. () Zie ook de slotopmerkingen uit het advies. () Zie tevens de slotopmerkingen uit het advies. () Via het op 14 juni 1994 met een goedgekeurd kapitaal van 2 miljard ecu opgerichte Europees Investeringsfonds (EIF), waaraan particuliere banken voor 30 %, de EIB voor 40 % en de Commissie voor 30 % hebben deelgenomen, kunnen tot een bedrag van tussen de 6 en 16 miljard ecu aan leningsgaranties worden verstrekt (tot 50 % van de kosten van een project), vooral ten behoeve van grote infrastructuurprojecten voor een totaal bedrag van ongeveer 30 miljard ecu (zie PB nr. L 173 van 7. 7. 1994). Verder heeft de EIB tot en met mei 1994 reeds voor 5,8 miljard ecu aan leningen verstrekt op de 8 miljard die uit hoofde van de "Edingburgh faciliteit" zijn toegekend, en waardoor 75 % (in plaats van 50 %) van het bedrag aan investeringen in infrastructuur (vervoer en milieu), alsmede ten behoeve van het MKB, gefinancierd kunnen worden. () Groot-Kopenhagen (Denemarken), Sachsen-Anhalt (Duitsland), West-Griekenland, de gemeente Valencia (Spanje), Pays de la Loire (Frankrijk), Ligurië (Italië), Groot-Dublin (Ierland), Limburg (Nederland), Centraal Portugal en East Anglia (VK). () Groot-Kopenhagen (Denemarken), Sachsen-Anhalt (Duitsland), West-Griekenland, de gemeente Valencia (Spanje), Pays de la Loire (Frankrijk), Ligurië (Italië), Groot-Dublin (Ierland), Limburg (Nederland), Centraal Portugal en East Anglia (VK). () zie het besluit van de Raad van 19 april 1994 (PB nr. L 107 van 28. 4. 1994). () Geïntegreerd programma voor het MKB en de ambachtelijke sector (doc. COM(94) 207), alsmede de aanbeveling van de Commissie van 25 mei 1994, betreffende de belastingheffing bij kleine en middelgrote ondernemingen (PB nr. L 177 van 9. 7. 1994) en de mededeling van de Commissie over de verbetering van het fiscale klimaat voor het midden- en kleinbedrijf (PB nr. C 187 van 9. 7. 1994). () Advies CES 546/94 over het Socrates-programma, en advies CES 381/94 over het "Jeugd voor Europa-programma III". BIJLAGE 1 bij het Advies van het Comité van de Regio's 1. Voorgeschiedenis De staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie hebben tijdens de Europese Raad van Edinburgh van 10 en 11 december 1992 een eerste door de ernst van de crisis en omvang van de werkloosheid ingegeven serie besluiten genomen (faciliteit van Edinburgh). De Europese Raad van Kopenhagen van 21 en 22 juni 1993 heeft na een dramatische uiteenzetting van voorzitter Delors de Commissie belast met het maken van een diepgaande analyse van de oorzaken van de economische crisis en het indienen van voorstellen om daaruit te geraken. Zodoende heeft de Commissie haar Witboek aan de Europese Raad van Brussel van 10 en 11 december 1993 voorgelegd. De Europese Raad van Korfoe van 24 en 25 juni 1994 heeft de eerste concrete besluiten genomen (11 prioritaire projecten voor het vervoersnetwerk), terwijl ondertussen ook de lid-staten maatregelen in de in het Witboek aangegeven richting, hebben genomen. 2. Analyse 2.1. Feiten De Europese Unie telt momenteel 17 miljoen werklozen, oftewel 11 % van de beroepsbevolking. In april 1994 waren meer dan 18,5 miljoen personen ingeschreven bij arbeidsbureaus. Ongeveer de helft van de werklozen zijn dat langer dan één jaar, en het werkloosheidspercentage onder jongeren beneden de 25 bedraagt 20 %. Afgezien van de economische verspilling van een dergelijk menselijk potentieel, vormt de werkloosheid tevens een menselijke en sociale plaag waarop heel wat euvels in onze moderne samenleving zijn terug te voeren (criminaliteit, drugsgebruik, racisme). Deze evolutie is op het eerste gezicht verbazingwekkend. Aan de ene kant nl. kende de Gemeenschap in de loop van de jaren 1986/1990, waarschijnlijk in afwachting van de verwezenlijking van de interne markt op 1 januari 1993, een gemiddeld jaarlijks groeipercentage van 3,2 %, terwijl de werkloosheid met 1,3 % per jaar toenam. Zodoende daalde de werkloosheid van 10,8 % in 1995 tot 8,3 % in 1990. Op grond van de daadwerkelijke verwezenlijking van de interne markt en het vooruitzicht van de oprichting van de economische en monetaire unie vóór het einde van de eeuw zou men kunnen veronderstellen dat Europa de weg naar boven zou kunnen blijven volgen, meer dan 3 % zou kunnen blijven groeien, nieuwe arbeidsplaatsen zou kunnen creëren en de werkloosheid verder zou kunnen terugdringen. Juist op het moment dat de interne markt realiteit werd (zie de grafiek in de bijlage), is echter precies het tegendeel geschied. Aan de andere kant valt te constateren dat de Verenigde Staten en Japan veel lagere werkloosheidspercentages dan de Europese Unie kennen : 6,1 % in de Verenigde Staten en 2,5 % in Japan in 1993. In het Witboek wordt onderstreept dat het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage van het BBP in de Verenigde Staten gedurende de periode 1973-1990 2,3 % bedroeg. Voor de arbeidsproduktiviteit lag dit percentage echter slechts op 0,4 % per jaar, waardoor gedurende deze periode van 17 jaar de gemiddelde werkgelegenheidsgroei per jaar 1,9 % bedroeg. Deze groei viel nagenoeg samen met een toename van het aantal in de Verenigde Staten te vervullen vacatures - dat overigens veel hoger lag dan in Europa - waardoor de werkloosheid in de pas kon blijven met het bijna constante gemiddelde niveau van conjuncturele fluctuaties (5,5 %) tijdens dezelfde periode. Nochtans steeg gedurende deze periode het reële inkomen per capita in de Verenigde Staten slechts met 0,4 % per jaar tegen 1,5 % in de Gemeenschap. Verkeert het "Europese model" in een crisis ? 2.2. Oorzaken Wanneer het slecht gaat, bestaat altijd de neiging een ander daarvan de schuld te geven. Zo ook in dit geval : de oorzaken zouden van buitenaf komen, terwijl de Gemeenschap de dieper liggende oorzaak van de crisis voor een groot deel aan zichzelf te wijten heeft. 2.2.1. Concurrentie van derde landen Het netto-verlies van 3 miljoen banen in 1992/1993 zou zijn veroorzaakt door vermeende oneerlijke concurrentie van de kant van Zuidoostaziatische landen (eerst Taïwan, Zuid-Korea, Singapore en Hongkong, vervolgens Thaïland, Maleisië en Indonesië en binnenkort ook Viëtnam en de Volksrepubliek China). De zeer lage lonen de Midden- en Oosteuropese landen zouden eveneens oorzaak van oneerlijke concurrentie, zelfs van bedrijfsverplaatsingen zijn. Ten aanzien van bepaalde sectoren en in bepaalde gevallen gaat deze stelling ongetwijfeld op, maar er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen lonen en onaanvaardbare arbeidsvoorwaarden. Verder dient te worden onderstreept dat de invoer in de Europese Unie vanuit bovengenoemde Zuidoostaziatische landen in 1993 slechts 14 % van de totale invoer (12 % van onze uitvoer) bedroeg en de invoer vanuit Midden- en Oost-Europa slechts 4 % (5 % van onze uitvoer). Het aandeel van de invoer uit landen met lagere lonen in de totale uitgaven van de OESO-landen voor goederen en diensten bedraagt slechts 1,5 %. Overigens maakt de Commissie volledig gebruik van de haar ten dienste staande bevoegdheden in geval van bewezen dumping, d.w.z. wanneer de exporteur beneden zijn kostprijs verkoopt. Daarnaast mag niet worden vergeten dat het gaat om uiterst dynamische landen en nieuwe markten waarmee de Europese Unie, met het oog op haar toekomstige uitvoer, het contact niet mag verliezen. 2.2.2. Arbeidskosten De arbeidskosten in Europa zijn te hoog. Allereerst in absolute termen : in bepaalde landen is nl. de situatie bereikt dat, uitgaande van een brutoloon van 100 de werknemer slechts 65 netto in handen krijgt en de werkgever in totaal 150 moet betalen. De verplichte heffingen op arbeid, van fiscale dan wel van parafiscale aard zijn in Europa onmiskenbaar te hoog; in bepaalde landen liggen zij zelfs hoger dan het nettoloon. Er dienen dus andere middelen gevonden te worden voor de financiering van de overheidsuitgaven en met name de sociale zekerheid. Zo niet, dan zal kapitaal de plaats van arbeid blijven innemen, en daarmee veeleer produktieprocesinnoverend dan produktinnoverend werken. Ook zijn de arbeidskosten in Europa verhoudingsgewijs te hoog, d.w.z. in vergelijking met derde landen (viermaal zo hoog als in de Zuidoostaziatische "tijgers" en tienmaal zo hoog als in Oost-Europa). Anderzijds moet echter worden onderstreept dat de arbeidsproduktiviteit in Europa zeer hoog is, hoewel deze de ondernemingen kennelijk weinig manoeuvreerruimte biedt om hun concurrentievermogen in stand te houden en activiteiten in nieuwe sectoren op te starten. 2.2.3. Verlies van marktaandelen Ondanks de crisis en de hoge arbeidskosten, heeft Europa zo ongeveer zijn marktaandeel in de internationale handel weten te handhaven. Ongelukkerigerwijs heeft het zich gespecialiseerd in, bij wijze van spreken, uitvoer van traditionele produkten en heeft het sectoren met hoogwaardige technologie, dragers van groei en werkgelegenheid, waarbinnen onze eigen markten voor hoofdzakelijk Amerikaanse en Japanse bedrijven geopend zijn, links laten liggen. 2.2.4. Starheid van de arbeidsmarkt Hoewel Europa terecht trots op zijn sociale wetgeving kan zijn, leiden die regels vaak tot te veel starheid op de arbeidsmarkten, soms tot uitblijven, of zelfs vernietiging van arbeidsplaatsen en veelal tot een zekere terughoudendheid van de kant van de bedrijfsleiding, personeel in een periode van gunstige conjunctuur aan te nemen. Meer flexibiliteit is dus geboden. Zonder afbreuk te doen aan de fundamentele regels van sociale bescherming, dient overregulering die creatie van arbeidsplaatsen verhindert, uit de wereld te worden geholpen. 2.2.5. Onderzoek en ontwikkeling De uitgaven voor en de kwaliteit van onderzoek liggen in Europa lager dan in de Verenigde Staten en Japan (in Japan meer dan 3 % van het BBP, in de Verenigde Staten 2,8 % en in de Europese Unie 2 %). Daarnaast ontbreekt het Europa aan goede cooerdinatie ten einde te voorkomen dat twaalf keer onderzoek naar hetzelfde wordt gedaan. Wellicht dat de Unie zich kan concentreren op een paar grote gemeenschappelijke projecten; het vierde kaderprogramma van 26 april 1994 gaat reeds in deze richting. Daarin is voor de periode 1994-1998 en voor 4 soorten activiteiten () een bedrag van 11 miljard ecu gepland, exclusief de 1,25 miljard ecu voor het EURATOM-onderzoek gedurende dezelfde periode. Verder moet er vooral voor worden gezorgd dat de periode tussen uitvinding, ontwikkeling en marketing van nieuwe produkten zoveel mogelijk wordt verkort. 3. Remedies Om de werkloosheid te kunnen bestrijden en meer arbeidsplaatsen te scheppen, is een door de sociale partners gesteunde grootschalige aanpak nodig, op Europees, nationaal, regionaal én gemeentelijk niveau. In termen van het Witboek dienen goede en slechte remedies van elkaar onderscheiden te worden, hoewel deze twee begrippen iedere keer genuanceerd dienen te worden. 3.1. Slechte remedies Te noemen zijn : 3.1.1. Protectionisme Om oneerlijke concurrentie door derde landen te voorkomen, zou het voldoende zijn de grenzen van de Europese Unie te sluiten, of ten minste de douanerechten en heffingen van gelijke werking te verhogen. Nu de GATT-onderhandelingen op 15 april 1994 te Marakech zijn afgesloten, dient de Europese Unie als eerste handelsmacht ter wereld de ondertekende verdragen te respecteren en alles te doen wat binnen haar mogelijkheden ligt om de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vanaf 1 januari 1995 onder de beste voorwaarden van start te doen gaan. Overigens schatten experts dat met de liberalisering van de wereldhandel na de afsluiting van de Uruguay-ronde het wereldwijde BBP onmiddellijk met 1 % per jaar zal groeien, hetgeen zeer voordelig zou zijn voor de Europese Unie waarvan de uitvoer van goederen 9 % van haar BBP bedraagt. Het is dus niet het moment om protectionisme aan te prijzen, vooral niet wanneer deze toename van de internationale handel tot een groei van het aantal arbeidsplaatsen in Europa kan leiden. Daarentegen dient de Europese Unie binnen het GATT waakzaam te blijven en zich iedere keer wanneer daartoe aanleiding bestaat te beschermen, zoals de Verenigde Staten en Japan dat doen. Iedere keer wanneer te lage lonen in derde landen aan de wieg van onze invoer staan (dumping), zal hard moeten worden ingegrepen. Alle invoer in de Gemeenschap zou met grote aandacht moeten worden behandeld wanneer de rechten van de mens (en van het kind) niet worden geëerbiedigd. Daarnaast kan en moet de Unie sociale clausules opnemen in de handelsverdragen die zij met derde landen sluit. 3.1.2. "Deficit spending" Het opendraaien van de budgettaire kraan ten behoeve van consumptiedoeleinden wordt niet meer beschouwd als een passende remedie om de economie op nationaal en communautair niveau weer op gang te krijgen, te meer daar het merendeel van de lid-staten van de Unie niet over de noodzakelijke budgettaire marges beschikt. In werkelijkheid zou deze remedie erger zijn dan de kwaal; het ontsporen van het gedurende de tweede helft van de jaren '80 in de lid-staten gevoerde economische beleid heeft de harmonieuze ontwikkeling van de economieën voldoende ontwricht om een dergelijke weg niet meer als begaanbaar te beschouwen. 3.1.3. Sociale dumping Ten einde het hoofd te kunnen bieden aan concurrentie door derde landen, zouden volgens sommigen ook bij ons de salarissen moeten worden verlaagd of dat de op grond van de demografische situatie in Europa onbetaalbaar geworden sociale-zekerheidssystemen drastisch moeten worden herzien. Ook een dergelijk deflatoir beleid is als middel erger dan de kwaal, want vermindering van de koopkracht van de Europese bevolking zou rampzalige gevolgen hebben voor de afzet van produkten en diensten binnen de interne markt, vandaag de dag goed voor 90 % van de totale verkoop. Duidelijk is echter dat er desalniettemin keuzen te maken zijn, vooral ten aanzien van de reële inkomensgroei en de sociale voordelen, en dat de sociale zekerheidssystemen met meer selectiviteit moeten worden uitgevoerd ten einde de steun te concentreren op personen die er het meest behoefte aan hebben. 3.1.4. Algemene verkorting van de arbeidstijd () Gegeven de omvang van de behoeften waarin niet wordt voorzien, vormt de algemeen verplichte verkorting van de arbeidstijd, b.v. door invoering van een 32-urige werkweek, weliswaar in se geen slechte, maar toch slechts een noodoplossing, ook al worden de lonen in dezelfde mate verlaagd. Een dergelijk systeem zou de laagst geschoolden en laagst betaalden in onze samenleving in een nog moeilijkere positie manoeuvreren. Het voorgaande is uiteraard geen beletsel op sectoraal of bedrijfsniveau (overgangs)plannen in te voeren voor verdeling van arbeid ten einde ontslagen te voorkomen en systemen voor deelarbeid, via fiscale maatregelen of premies, aan te moedigen. Waarschijnlijk is er niets aan te doen dat de algemene tendens in de richting van arbeidstijdverkorting zich doorzet. 3.2. Goede remedies In het Witboek wordt in de eerste plaats benadrukt dat het fout is, de werkloosheid aan de achterblijvende vraag toe te schrijven, alleen al omdat de behoeften van onze samenleving enorm zijn. Van de bevolking in Europa leven ongeveer 50 miljoen inwoners, oftewel 15 % van de bevolking onder kritische omstandigheden, d.w.z. dat hun reële inkomen 50 % van de nationale gemiddelden bedraagt. De behoeften aan woningen, renovatie inbegrepen, openbaar vervoer, milieubescherming (zuivering van vervuild water, onderhoud van natuurgebieden en openbare plaatsen, toezicht op kwaliteitsnormen) en buurtdiensten (thuishulp voor bejaarden, kinderopvang, jongerenhulp, veiligheid van woonblokken) zijn enorm, zonder uiteraard de behoeften op het gebied van vrije tijd en cultuur, met of zonder audiovisuele middelen, over het hoofd te zien. In deze behoeften wordt voor een groot gedeelte niet voorzien, omdat er te veel obstakels van regelgevende aard zijn, dan wel omdat de effectieve vraag te gering is, of omdat de betrokkenen niet over voldoende inkomen beschikken, of omdat de desbetreffende diensten voor de betrokkenen te duur zijn. De inspanningen zouden zich in de eerste plaats hierop moeten concentreren. Naast de interne vraag zijn er nog altijd de thans opengestelde exportmarkten voor onze bedrijven, mits deze concurrerend en innovatief zijn. De belangrijkste hulpmiddelen om het concurrentievermogen te vergroten en de werkloosheid te bestrijden zijn : 3.2.1. Grote investeringsprojecten () Ten einde de concurrentiepositie van Europa te versterken en tegelijkertijd de werkgelegenheid uit te breiden, moeten een aantal openbare werken (netwerken) waaraan Europa grote behoefte heeft, versneld worden uitgevoerd : - vervoersinfrastructuur (autowegen, hogesnelheidstrein, vliegvelden, vaarwegen); - breedbandsnelwegen voor informatie (de wereld van "multimedia" : geluid, tekst, beeld); - transeuropese energienetwerken (gas en electriciteit); - grote milieuprojecten. Dit betreft een pakket grote projecten, waarbij voorrang dient te worden gegeven aan de verbetering van netwerken die knelpunten voor het goede functioneren van de interne markt vormen; dat is op Europees niveau het meest rendabel. De totale kosten van deze investeringen tussen nu en het jaar 2000 worden geraamd op ongeveer 500 miljard ecu, waarvan 120 miljard voor prioritaire projecten, en de Europese Unie ongeveer 10 % voor haar rekening zou kunnen nemen, hetzij in de vorm van fondsen, hetzij in de vorm van leningen of leningsgaranties (het Europees Investeringsfonds) (). Het totaal van de voorgestelde investeringen bedraagt ongeveer 1 % van het BBP van de EU (5 500 miljard ecu in 1994). Vast staat evenwel dat de meerjarenprogrammering van de Unie-begroting, zoals in Edinburgh voor de periode 1994-1999 overeengekomen, niet zal worden herzien. Door de Unie te verstrekken subsidies zullen dus uit bestaande budgetlijnen moeten komen, zoals de structuurfondsen en het Cohesiefonds. De Europese Raad van Korfoe heeft 11 projecten als hoogst prioritair aangemerkt. Het betreft transeuropese vervoersnetwerken, voornamelijk de verbindingen via de hogesnelheidstrein met een geschatte financieringsbehoefte van 68 miljard ecu, waarvan 32 miljard voor de periode 1994-1999. De financiering wordt per project bekeken. In totaal zijn 38 infrastructuurprojecten op vervoersgebied en 8 projecten op het gebied van energie vastgesteld. 3.2.2. Ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf (MKB) Het MKB - in de zin van de Europese definitie (tot 500 werknemers) - is goed voor 75 % van de werkgelegenheid in de particuliere sector binnen de Unie, waarvan een kwart uit zelfstandigen bestaat (1/3 van de werkgelegenheid binnen het MKB wordt geboden door bedrijven met minder dan 10 werknemers). De meeste werkgelegenheid wordt binnen het MKB gegenereerd (3/4 van de in de afgelopen drie jaar gecreëerde arbeidsplaatsen), dat daarom moet worden gestimuleerd via : - maximale vermindering van de bestuursrechtelijke bepalingen : - vergemakkelijking van de financiering voor het scheppen van arbeidsplaatsen door verlening door de Europese investeringsbank EIB) () van - rentesubsidies (van 2 procentpunten gedurende 5 jaar) op (globale) leningen voor een totaalbedrag van 1 miljard ecu (tot 30 000 ecu per gecreëerde arbeidsplaats); - leningsgaranties (via het EIF). De Commissie heeft op 3 juni 1994 een zogenaamd geïntegreerd programma opgestart ten behoeve van acties ten gunste van het MKB (). 3.2.3. Verbetering van onderwijs en beroepsopleiding Een gedegen opleiding, zowel algemeen als specifiek, staat in onze moderne samenleving aan de basis van een goede arbeidsorganisatie, gekenmerkt door steeds meer techniek. Machines hebben de mens het werk voor een groot gedeelte uit handen genomen, maar de mens moet de machine zo efficiënt mogelijk sturen en moet tevens in het kader van O & O nieuwe produkten ontwikkelen. Via een passende beroepsopleiding kunnen werklozen bij het vinden van werk geholpen worden. Ondanks de voorsprong van Europa op dit gebied, b.v. op de Verenigde Staten, moeten nog grote inspanningen worden gedaan. 3.2.4. Macro-economisch kader De Commissie stelt in het Witboek voor, tegen het einde van de eeuw 15 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen te creëren, waardoor tussen nu en het jaar 2000 het huidige werkloosheidspercentage meer dan gehalveerd wordt. Op het eerste gezicht lijkt deze doelstelling (te) ambitieus, maar er mag niet worden vergeten dat tussen 1984 en 1990 binnen de Europese Unie maar liefst 9 miljoen arbeidsplaatsen gecreëerd zijn. Verder blijkt uit modellen dat een dergelijk ambitieus project wel degelijk kan worden gerealiseerd, als iedereen zich de noodzakelijke inspanning getroost om het onmisbare macro-economische kader te realiseren. De Commissie heeft verscheidene scenario's gepresenteerd, waarvan scenario nr. 1 (zwakke groei en geen convergentie) en nr. 4 (sterke groei met structurele maatregelen) hieronder zijn weergegeven. >RUIMTE VOOR DE TABEL> In deze hypothese blijft het groeipercentage zwak (nauwelijks meer dan 2 % per jaar), de arbeidsproduktiviteit hoog en daarmee tevens het werkloosheidspercentage (12,2 % in het jaar 2000), evenals het overheidstekort (5 % in het jaar 2000). De particuliere consumptie stijgt slechts matig, ondanks de stijging van de reële lonen. In de hypothese van sterke groei daarentegen (3,5 % per jaar) zou het werkloosheidspercentage tot 4,5 % in het jaar 2000 dalen. >RUIMTE VOOR DE TABEL> Om de doelstelling, tussen nu en het jaar 2000 15 miljoen arbeidsplaatsen meer, te bereiken : - dient de groei van het reële netto-loon per hoofd tot de helft van de groei van de arbeidsproduktiviteit beperkt te blijven; - dient de groei van zowel particuliere als overheidsconsumptie beperkt te blijven; - dienen zowel de particuliere als de overheidsinvesteringen verhoogd te worden (van 19 % naar 24 % van het BBP); - dient de inflatie op het niveau van 2,6 % gehandhaafd te blijven; - dienen de overheidstekorten van 6 % van het BBP in 1994 naar minder dan 1 % in het jaar 2000 te worden teruggedrongen, zonder aanzienlijke toename van de fiscale en parafiscale druk die rond 44 % van het BBP zou moeten blijven schommelen. Ook al bestaat er enige mate van overeenstemming tussen de regeringen van de lid-staten en de sociale partners over de te volgen hoofdlijnen van een dergelijk macro-economisch kader, toch wordt in het Witboek zelf reeds het gevaar dat ons bedreigt, aangegeven : "De grootste uitdaging waarvoor de beleidsmakers zich gesteld zien, is echter er voor te zorgen dat men zich bewust blijft van de noodzaak een adequaat macro-economisch en structureel beleid uit te voeren, ook wanneer de recessie voorbij is" (blz. 54). Volgens de jongste economische voorspellingen van de Commissie (half mei 1994) is Europa bezig zich aan de crisis te ontworstelen : voor 1995 wordt een groei van het BBP van 2,5 % verwacht, een toename van de investeringen van 4,9 %, een groei van de werkgelegenheid van 0,3 %, en een stabilisering van het werkloosheidspercentage op 11,5 %. Gegeven deze toch bemoedigende cijfers (de werkloosheid daargelaten) zal de verleiding voor de beleidsmakers groot zijn, de teugels te laten vieren en de sanering van de overheidsfinanciën enigszins uit te stellen, hoewel dit laatste onmisbaar is om de lange-termijnrente te kunnen verlagen en de noodzakelijke openbare investeringen te kunnen doen. In dit verband acht de Europa Raad van Korfoe van 24/25 juni 1994 "het van wezenlijk belang dat de verbetering in de economische situatie er niet toe leidt dat de acties om structurele aanpassingen in Europa te bevorderen, verslappen, maar integendeel benut worden om essentiële hervormingen te bespoedigen, in het bijzonder op het gebied van de werkgelegenheid, waar de situatie nog zeer zorgwekkend is". Sinds het begin van de jaren '80 begint de werkgelegenheid in de Gemeenschap pas te stijgen vanaf het moment dat de groei van het BBP hoger is dan 2 % (in het begin van de jaren '70 was dat zelfs 4 %). Wanneer de relatieve arbeidskosten zich ten opzichte van de kapitaalkosten gunstig zouden ontwikkelen, bestaan er geen redenen om aan te nemen dat dit verschil in de komende jaren niet verkleind zou kunnen worden (b.v. tot 1,5 of zelfs 1 %). In de Verenigde Staten bedraagt dit verschil slechts 0,5 %. De door de Commissie gepresenteerde simulaties, waarvan de belangrijkste onderdelen hierboven in de tabellen zijn weergegeven, geven het mogelijke macro-economische kader aan, maar tonen tegelijkertijd dat het niet mogelijk is om zonder structurele inspanningen een oplossing voor het werkloosheidsprobleem te vinden. >REFERENTIE NAAR EEN FILM> BIJLAGE 2 Aanvullend Advies over de "Stedelijke aspecten van het Witboek 'Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid" Het Comité van de Regio's heeft op 26 juli 1994 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, eerste alinea, van het Reglement van Orde een aanvullend advies op te stellen over de stedelijke aspecten van het Witboek 'Groei - Concurrentievermogen en Werkgelegenheid'. Commissie 4 (Stadsbeleid), die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 29 juli 1994 goedgekeurd. Rapporteur was de heer V. Castellani. Dit advies is aan de ten principale aangewezen commissie 1 voorgelegd, die daarvan tijdens haar vergadering op 9 september jl. kennis heeft genomen. Het Comité van de Regio's heeft tijdens zijn 4e zitting (vergadering van 27 september 1994) het volgende advies goedgekeurd. 1. De grondslag leggen voor een aanhoudende en duurzame ontwikkeling van de Europese economieën, deze in staat stellen de internationale concurrentie het hoofd te bieden en de miljoenen arbeidsplaatsen scheppen die nodig zijn : dat zijn de taken waarover de lid-staten volgens het Witboek hun gedachten zouden moeten laten gaan. De beoogde structurele veranderingen dienen niet van bovenaf te worden opgelegd; voortdurend moet worden gespeurd naar dynamische elementen in de samenleving die voor dit doel kunnen worden ingezet. Van bijzonder belang is een systematische samenwerking tussen overheid en particuliere sector. Slechts in enkele passages van het Witboek wordt expliciet verwezen naar de rol die bij deze gemeenschappelijke opdracht kan worden vervuld door lokale overheden, met name door steden. Wanneer men aandachtig leest, blijkt echter dat voor tal van de beoogde maatregelen een gecooerdineerd optreden van deze overheden vereist is en dat in het document wel degelijk wordt erkend dat zij specifieke verantwoordelijkheden hebben. 1.1. Bij het doorvoeren van de beoogde structurele veranderingen en het concreet opsporen en totstandbrengen van synergie op cruciale punten tussen overheid en particuliere sector kunnen steden een belangrijke rol spelen, omdat zij tot de meest dynamische "actoren" in de samenleving kunnen worden gerekend. In dit advies worden enkele van de voornaamste gebieden aangegeven waarop steden een essentiële rol spelen, en wordt erop gewezen dat deze rol expliciet erkend dient te worden ten einde de mogelijkheden van optreden te benutten. 2. Steden spelen een rol op de volgende gebieden : - steun voor economische initiatieven; - efficiency van de lokale arbeidsmarkt; - onderzoeks- en innovatiebeleid; - vervoersnetwerken; - informatie- en telecommunicatietechnologie; - milieu en kwaliteit van het bestaan. 2.1. Steun voor economische initiatieven 2.1.1. In de rol van de stad in het economisch leven is een verschuiving gaande van een rechtstreeks optreden, nl. de eigenlijke zorg voor produktie en dienstverlening, naar een meer indirect optreden, nl. stimulering van activiteiten van particuliere ondernemers, verlening van steun en subsidies hiervoor, en vergemakkelijking van samenwerking tussen particuliere bedrijven. 2.1.2. Steden kunnen ertoe bijdragen dat plaatselijke ondernemingen zich verenigen in groepen of consortia die, vaak met medewerking van communautaire of regeringsinstellingen, (als enige) in staat zijn de weg naar transnationale ontwikkeling in te slaan. Het is duidelijk waarom bedrijven dit doen : kostendeling, risicobeperking en totstandbrenging van synergie door samenvoeging van "kennis en kunde" in verschillende projectstadia. 2.1.3. Spontane initiatieven van bedrijven en traditionele overheidsinitiatieven zijn echter op zich niet voldoende; bedrijven moeten ook doortastender opereren en de overheid dient meer de lange termijn in het oog te houden, met name wanneer rentabiliteit pas na een bepaalde periode te verwachten is en wanneer maatschappelijke waarden in het geding zijn. 2.1.4. Gemeenten zijn dikwijls niet in staat dergelijke keuzes en maatregelen, die vaak een groter gebied bestrijken, op coherente wijze gestalte te geven. In de beste situatie verkeren uit meerdere gemeenten bestaande "metropolen", die echter niet zó mogen worden geconcipieerd dat kleinere gemeenten bij de besluitvorming op het gebied van economische planning en ruimtelijke ordening slechts mogen toekijken. De oplossing voor de diverse problemen dient steeds te worden gezocht in de voor elke situatie meest geschikte gebiedseenheid, en dat is niet noodzakelijkerwijs dezelfde voor alle te ontplooien activiteiten. 2.1.5. Bij het plannen van de ontwikkeling dient men te beseffen dat een stad met alleen een financiële, organisatorische en bestuursfunctie de ongelijkheden veelal vergroot, terwijl in een stad met een voedingsbodem van kleine of middelgrote bedrijven in produktie en handel een meer gevarieerd sociaal netwerk in stand kan worden gehouden dat ruimte biedt voor sociale en economische mobiliteit. Door een verstandige stadsplanning, gecombineerd met betere mogelijkheden voor toepassing van nieuwe technologieën en een adequaat en doelmatig opleidingsstelsel, kunnen gunstige voorwaarden voor een open en pluralistische samenleving behouden blijven. 2.1.6. Kleine ondernemingen creëren op veel plaatsen welvaart en zorgen in het bijzonder voor nieuwe werkgelegenheid. Zij staan echter in hoge mate bloot aan de grillen van de markt. Om hun positie te versterken en hun interne organisatie aan te passen, hebben zij externe middelen nodig. Ook landen die in het verleden beleidsmatig vooral gericht waren op grote bedrijven, zien nu doorgaans in dat het MKB in zijn ontwikkeling dient te worden gestimuleerd. Lokale overheden spelen in dit verband een zeer belangrijke rol. Over het algemeen blijken kleine bedrijven het vooral goed te doen waar op plaatselijk niveau voor een adequaat, op nieuwe situaties inspelend klimaat wordt gezorgd. Het is van cruciaal belang dat lokale overheden een dergelijk gunstig ondernemingsklimaat proberen te handhaven. Stabiele regelgeving en een slagvaardig en doelmatig bestuur zijn hierbij de eerste vereisten. 2.2. Efficiënte werking van de lokale arbeidsmarkt 2.2.1. Een arbeidsmarkt is efficiënt als iedere burger in zijn/haar onderhoud kan voorzien door het verrichten van arbeid in een omgeving waarin zijn produktievermogen optimaal wordt benut. 2.2.2. Een arbeidsmarkt kan pas efficiënt zijn als de toegang door niets wordt belemmerd en als zij die werken of kunnen werken, hun plaats op die arbeidsmarkt precies kennen. Toegangsbelemmeringen en tekortkomingen in de informatie leiden tot een inefficiënt functioneren van de arbeidsmarkt. Maar die belemmeringen kunnen uit de weg worden geruimd en de informatiestroom kan worden bevorderd via gerichte maatregelen die door lokale overheden kunnen worden geconcipieerd en uitgevoerd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bevoegdheden en de mogelijkheden tot optreden van gemeenten op het gebied van de arbeidsmarkt. Van deze maatregelen kunnen worden genoemd : - maatregelen om te voorkomen dat jongeren wat voor werk dan ook aannemen omdat zij onvoldoende scholing hebben, schoolverlaters zonder diploma die uiteindelijk maar ongeschoolde arbeid gaan verrichten; indien zij niet tijdig worden geholpen, gaat produktiepotentieel verloren, hetgeen een sociaal-economisch stelsel niet mag laten gebeuren; - opleiding van arbeidskrachten op alle niveaus (scholen, instellingen voor beroepsopleiding, universiteiten) om te kunnen inspelen op de permanente kwalitatieve verschuivingen in de vraag naar personeel; zo moet de in verschillende Europese regio's voorkomende paradoxale situatie worden tegengegaan dat tal van werkzoekenden geen werk hebben en bedrijven tegelijkertijd grote moeite hebben om aan gekwalificeerd personeel te komen; - oprichting van een overheidsdienst voor arbeidsvoorziening, die zou moeten functioneren als een doelmatig en niet-bureaucratisch informatiesysteem om vraag en aanbod van arbeid beter bij elkaar te brengen. Het is heel wel mogelijk dat zich naast de typische structurele problemen van de arbeidsmarkt moeilijkheden voordoen met reeds in sommige Europese steden gevestigde allochtone minderheden die in weerwil van een gelijke en soms hogere kwalificatie dikwijls onvoldoende worden begeleid. 2.3. Onderzoeks- en innovatiebeleid 2.3.1. Uit de studies van het Europese programma "FAST" is gebleken dat stedelijke gebieden zeer innoverend kunnen zijn omdat hun culturele, institutionele, infrastructurele en financieel-economische klimaat bijzonder gunstig is voor onderzoek, de innoverende toepassingen daarvan en de verspreiding van onderzoeksresultaten in bedrijven en de samenleving. Er kan dus gesteld worden dat een doelmatig Europees onderzoeksbeleid door een stadsbeleid geflankeerd moet worden. 2.3.2. Het is kenmerkend dat de belangrijkste instellingen die bij het onderzoeksbeleid betrokken zijn (universiteiten, grote ziekenhuizen, openbare en particuliere onderzoekslaboratoria, enz.) typische stadsverschijnselen zijn, ofwel omdat zij zó nauw met de stad verbonden zijn dat zij elders niet op dezelfde manier zouden kunnen functioneren, ofwel omdat de bijdragen die deze instellingen op zuiver en toegepast wetenschappelijk gebied op nationaal, Europees of mondiaal niveau kunnen leveren, grotendeels afhankelijk zijn van omvang en kwaliteit van de interactie tussen hen en de andere componenten van de lokale en regionale stedelijke samenleving. Beleidsmaatregelen op verschillende niveaus om innoverende en culturele kernen in steden en hun aansluiting op netwerken te versterken, kunnen dus een aanzienlijke kwalitatieve invloed hebben op de onderzoeksresultaten, ook bij gelijk blijvende investeringen en andere algemene voorwaarden. Beseft dient te worden dat voor nieuwe programma's dikwijls vooral van buiten de grote steden gekwalificeerde krachten dienen te worden aangetrokken. Bijgevolg dienen beleidsmaatregelen op het terrein van research en innovatie te worden geflankeerd door maatregelen inzake scholing en herscholing van werklozen of van hen die door werkloosheid worden bedreigd. 2.4. Vervoersnetwerken 2.4.1. De grote goederen- en personenstromen en de daarvoor benodigde infrastructurele netwerken hebben hun knooppunten in de steden. De ruimtelijke en de functionele structuur van de netwerken wijst echter op een arbeidsverdeling die niet alleen stedelijk, maar ook en vooral regionaal is. Dit betekent dat de stad in het vervoersnetwerk een schakel vormt tussen een lokaal en regionaal wegennet en de grote nationale en Europese verbindingen. 2.4.2. De zorg voor een goed evenwicht in het raakvlak tussen de beide categorieën verkeersstromen op knooppunten is een stedelijk beleidsdoel. De doelstellingen van het vervoersbeleid zouden daaraan ondergeschikt moeten worden gemaakt en daarop moeten worden afgestemd. Steden en stedelijke netwerken zijn eind- en startpunt en "verkeersplein" voor grote verkeersstromen; daarom moeten zij een initiërende en actieve taak hebben bij de opbouw van de Europese infrastuctuur. 2.4.3. Deze netwerken zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de vervulling van de tweeledige rol van steden als knooppunten en elitecentra die Europa concurrentiekracht kunnen geven en als schakel tussen de gebieden waarin zij gelegen zijn en het grote Europa. 2.4.4. In het Europese vervoersbeleid zal rekening moeten worden gehouden met de vraag hoe die dubbelrol het best kan worden vervuld in de verschillende omstandigheden : bestaande en potentiële lokale specialisatie, positie van de stad in de post-industriële overgangsfase en geografische ligging ervan. Zo kunnen steden en omringende regio's die vrij dicht bij het hart van Europa liggen (b.v. Milaan en Berlijn) met een HST-net efficiënt in een Europees stadsnetwerk worden opgenomen. Maar dat zou de problemen van meer "perifere" steden en regio's niet oplossen, maar integendeel nog verergeren. Deze hebben namelijk, om hun Europese rol te kunnen spelen, in de eerste plaats behoefte aan speciale aandacht voor het luchtverkeer. 2.5. Informatie- en telecommunicatietechnologie (ICT) 2.5.1. Steden zijn altijd al centra bij uitstek geweest voor het verzamelen, verwerken en verspreiden van informatie. Nu informatie een sleutelrol speelt bij de ontwikkeling van en de controle over alle sectoren van economie en samenleving, zullen de Europese steden ook een belangrijkere rol gaan spelen naarmate de "informatiemaatschappij" in Europa voortschrijdt. Op het ogenblik hebben de Europese steden al een strategische functie als knooppunten in informatiestromen en dus ook in de telecommunicatienetwerken. 2.5.2. In de afgelopen 20 jaar hebben de belangrijkste economische en politieke functies (directies van ondernemingen, financieel beheer, O & O, cultuur en andere "schaarse" diensten) zich in toenemende mate in de steden geconcentreerd. Parallel daaraan hebben middenkaderfuncties zich meer over kleinere plaatsen gespreid, te zamen met de overbrenging van produktieactiviteiten naar die plaatsen. 2.5.3. Deze beide tegengestelde verschijnselen maken deel uit van een en hetzelfde proces : informatienetwerken en -stromen die op grote stedelijke knooppunten gericht zijn, worden gereorganiseerd en naar eens perifeer geachte regio's en landen toegeleid. In de nieuwe "gemeenschappelijke informatieruimte" moeten de steden dus vooral gezien worden als de motor achter deze ontwikkeling en als de scharnierpunten van de grote structurele veranderingen waaruit het Europa van de 21e eeuw tevoorschijn zal komen. 2.5.4. Aangezien de vraag naar telecommunicatie vooral uit steden afkomstig is, zullen steden steeds meer de grote infrastructuurwerken van ICT aantrekken ("informatiesnelwegen", "teleports", enz.), vooral als voor de financiering en het beheer ervan in toenemende mate gebruik moet worden gemaakt van particulier kapitaal, zoals in het Witboek wordt gesteld. 2.5.5. Dit alles is nauw verweven met het stadsbeleid. Op plaatselijk niveau moet ICT kunnen steunen op infrastructuren, regelgeving en beheersinstrumenten, zodat de verschillende betrokkenen en maatschappelijke groeperingen op doeltreffende wijze aan "de stad als informatiezenuwcentrum" kunnen deelnemen. Op regionaal, nationaal en communautair niveau moet de informatiefunctie van de stad territoriaal "geleed" zijn, in die zin dat een té grote territoriale concentratie in de grote metropolen moet worden voorkomen en dat het omvangrijke potentieel van kleine en middelgrote steden d.m.v. netwerksynergie moet worden benut. 2.6. Milieu en kwaliteit van het leven in de steden 2.6.1. Van de bevolking in de Europese Unie leeft 80 % in de stad; de levenskwaliteit wordt dan ook in ruime mate bepaald door de omstandigheden in het stadsmilieu. De EG besteedt in het bijzonder aandacht aan dit aspect van het stadsbeleid in programma's als LIFE, Sustainable City, Civitas, e.d. 2.6.2. Stedelijke agglomeraties zijn wat bevolkingsconcentratie, bedrijvigheid, verbruikersconcentratie, materiaal- en energiegebruik betreft, plaatsen waar de milieuproblemen het ernstigst zijn : de vervuiling kan er bijzonder hoge waarden bereiken en de afvoer van afvalstoffen en milieuherstel kosten daar het meest. Het zijn echter ook de plaatsen waar de milieubeweging ontstaat en groeit en waar nieuwe "schone technologieën" en strategieën van duurzame ontwikkeling worden uitgedacht. 2.6.3. Tegelijkertijd zijn steden in historisch, cultureel en architectonisch opzicht de belangrijkste plaatsen waar collectieve herinneringen en symbolische waarden worden bewaard. Vele daarvan, zoals kunststeden, die een rijk en gevarieerd cultureel milieu te bieden hebben en grote evenementen huisvesten, bezitten een erfgoed aan waarden en cultuur waarop niet alleen de plaatselijke identiteit, maar ook de nationale en de Europese identiteit stoelen. 2.6.4. Ten slotte is het stedelijke milieu niet alleen fundamenteel voor de levenskwaliteit van de inwoners, maar is het als zodanig een positieve concurrerende factor van belang, die aantrekkingskracht op hoger gekwalificeerde bedrijvigheid uitoefent. Zo bevinden de stedelijke innovatiecentra, d.w.z. de lokaties die het Europese concurrentievermogen kunnen helpen vergroten, zich met name in de buurt van belangrijke culturele centra en in een aantrekkelijke omgeving. 3. Op al deze terreinen zijn de steden dus al actief, te zamen met de provincies en regio's. Zij zouden echter meer mogelijkheden moeten krijgen om actief te worden in de geest van het Witboek, zodat zij plaatsen worden van grote economische en sociale bedrijvigheid, en daarmee zelf ook belangrijke innovatiefactoren op het nationale en internationale toneel. Dit is overigens al vaak het geval. Dat moet worden ingezien, en vervolgens zou het institutioneel referentiekader moeten worden geschapen om deze tendens een algemeen karakter te geven. 3.1. Verduidelijkt moet worden dat onder "stad" hier niet alleen de plaatselijke overheid moet worden verstaan, maar veeleer alle personen die individueel of gezamenlijk in de stad aan een interactieproces deelnemen : burgers, gezinnen, verenigingen, organisaties, bedrijven. In de hedendaagse maatschappelijke en economische context hebben al deze subjecten noodzakelijkerwijs steeds meer contacten met de buitenwereld en zijn zij in veel gevallen mobiel en verplaatsen zij zich zoals het hun uitkomt. Het dilemma waarvoor de steden zich tegenwoordig geplaatst zien, is opportunistisch gedrag tegen te gaan van hen die lokale hulpbronnen gebruiken zonder bij te dragen tot behoud en tot verruiming ervan in het algemeen belang, maar deze daarentegen alleen opgebruiken om daarna naar elders te vertrekken. Een stad wordt als het ware zelf "ondernemer" als zij daarentegen de voorwaarden schept waarin de burgers gestimuleerd worden te investeren in de onderlinge betrekkingen, door middel van gemeenschappelijke lange-termijnstrategieën op economisch, politiek en cultureel vlak. 3.2. Op die manier vormt de stad een "maatschappelijk kapitaal", opgebouwd uit wederzijds vertrouwen, regels voor interactie, instellingen, in bedrijven en in infrastructuur geïnvesteerd kapitaal, gemeenschappelijke know-how, gegarandeerde levenskwaliteit; een kapitaal dat zichzelf in stand houdt en groeit. De gemeente heeft als instelling een belangrijke eigen rol te spelen : er moet nuttige samenwerking in de gewenste richting plaatsvinden en groepen burgers en de gehele stad moet de mogelijkheid van vertegenwoordiging worden geboden zonder dirigisme. De gemeente is dus een "onderneming" met een groot aantal privaat- en publiekrechtelijke actoren. 3.3. Alleen steden die in staat zijn de ontwikkeling te bevorderen, kunnen voor provinciale en regionale overheden van nut zijn. Tegelijkertijd kunnen alleen steden die tot integratie en tot ontwikkelingsstrategieën in staat zijn, over de middelen beschikken om de gehele bevolking bij de plannen te betrekken en om met succes het hoofd te bieden aan het gevaar van het sociaal dualisme van de moderne metropolen. De kloof tussen hen die in de maatschappij geïntegreerd zijn en hen die uitgesloten zijn, wordt in de steden zichtbaar. Het zijn dan ook in de eerste plaats de steden die daar iets aan moeten doen, en die krachtige en erkende autoriteiten moeten zijn om op het vlak van de maatschappelijke solidariteit doeltreffend te kunnen optreden. Er is dus een Europa van de steden dat, om velerlei redenen en in het algemeen belang, in het Europa van de staten en de regio's een plaats voor zijn inwoners opeist. Brussel, 27 september 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC BIJLAGE 3 Aanvullend Advies van het Comité van de Regio's over het Witboek van de Europese Commissie inzake "Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid - Naar de 21e eeuw : Wegen en Uitdagingen" (1993) COMMISSIE 5 VAN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S, overwegende: dat artikel 198 A van het Verdrag betreffende de Europese Unie de regionale en lokale lichamen in staat stelt via het Comité van de Regio's deel te nemen aan het besluitvormingsproces van de Europese Unie; dat in artikel 100 A en de artikelen 130 R, S en T van de Europese Akte wordt onderstreept dat de Commissie uitgaat van een hoog niveau van milieubescherming, de doelstellingen van communautaire milieumaatregelen vaststelt en een aantal beginselen opstelt die aan deze maatregelen ten grondslag liggen; dat het Verdrag betreffende de Europese Unie de in de Europese Akte van 1987 genoemde doelstellingen en beginselen van communautaire activiteiten op milieugebied, bevestigt en de maatregelen de status van beleidsmaatregelen verleent; dat in "Agenda 21", het tijdens de in 1992 te Rio de Janeiro gehouden wereldmilieuconferentie van de UNCED opgestelde werkprogramma, de nadruk wordt gelegd op de betekenis van strategieën voor duurzame ontwikkeling; dat in het Verdrag betreffende de Europese Unie het concept van duurzaamheid (artikel 2) wordt geïntroduceerd, wordt gesproken over duurzame en niet-inflatoire groei met inachtneming van het milieu en de mogelijkheid wordt geboden dat de Europese Raad maatregelen vaststelt op het vlak van ruimtelijke ordening, bodembestemming, met uitzondering van afvalstoffenbeheer en maatregelen van algemene aard, en kwantitatief waterbeheer; dat het vijfde milieu-actieprogramma ("Op weg naar duurzame ontwikkeling : een beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap op het gebied van het milieu een duurzame ontwikkeling", maart 1992) voorrang verleent aan duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen, beperking van het verbruik van niet-duurzame energie, verbetering van de kwaliteit van het stedelijk milieu, verbetering van het mobiliteitsbeheer (door een efficiëntere en milieuvriendelijkere keuze van vervoersstructuren), en geïntegreerde bestrijding van verontreiniging en preventie van afval; dat in het Europa 2000-verslag, het Groenboek over het stadsmilieu en het vijfde milieu-actieprogramma wordt onderstreept dat alle communautaire beleidsmaatregelen in het licht van het beginsel van duurzame ontwikkeling moeten worden herzien en dat de initiatieven van de Commissie bij dit beginsel moeten aansluiten, BRENGT ONDERSTAAND ADVIES UIT : 1. Inleiding 1.1. Het Comité van de Regio's spreekt zijn krachtige steun uit aan het nieuwe model van "duurzame ontwikkeling" dat in het Witboek van de Europese Commissie wordt beschreven en tot doel heeft de economische groei op duurzame wijze te stimuleren, ten einde tot een hogere werkgelegenheidsintensiteit en een lagere energie-intensiteit, alsmede een lager verbruik van natuurlijke hulpbronnen te komen. Zoals in het Witboek wordt gezegd, is "voor het aanpakken van de oorzaken van de huidige werkloosheidsproblemen (...) een duidelijke breuk met het verleden noodzakelijk"; er zullen nieuwe initiatieven moeten worden genomen in het kader van de Europese Unie, die als kweekplaats voor veranderingen moet fungeren. 1.2. Er is duidelijk behoefte aan erkenning en gebruikmaking van de complementariteit tussen groei - concurrentievermogen - werkgelegenheid en milieu - kwaliteit van het bestaan. De Europese Unie moet natuurlijk over een sterke economie beschikken, maar zij moet ook vanuit milieu-oogpunt robuust zijn : een succesvolle economie en een gezond milieu gaan hand in hand. Het Comité van de Regio's is van mening dat het nieuwe model van duurzame ontwikkeling vooral gericht zou moeten zijn op behoud en verbetering van het Europese milieu in de breedste zin van het woord, m.i.v. stad en platteland, op vermindering van vervuiling, congestie en verval, en bescherming van attractieve gebouwen, belangrijke habitats en aantrekkelijke landschappen. 1.3. Tegelijkertijd is er toenemend behoefte aan efficiënt gebruik van niet-duurzame energievormen en aan een positievere houding t.a.v. energiebesparing. Waar zulks mogelijk is, zouden overheden voorrang moeten verlenen aan duurzame energievormen, zoals zonne- en windenergie en kleinschalige biogasproduktie, en zouden zij blijk moeten geven van een positieve opstelling t.a.v. voorstellen op dit terrein door in de wettelijk voorgeschreven planningsprocedure hun stem te laten horen. Op de lange termijn is het mogelijk via landinrichting invloed uit te oefenen op vervoerspatronen en energiegebruik, b.v. door een lage woningdichtheid in de stedelijke periferie tegen te gaan en de regeneratie van stadscentra, het behoud van traditionele winkelgebieden en groter gebruik van het openbaar vervoer te stimuleren. 1.4. Wil het in hoofdstuk 10 van het Witboek beschreven model voor duurzame ontwikkeling in praktijk worden gebracht, zullen de regionale en plaatselijke overheden een actieve rol moeten krijgen. Het vijfde milieu-actieprogramma van de Europese Unie kent de plaatselijke overheden een sleutelrol toe : ca. 40 % van de in het programma beschreven maatregelen zullen onder de verantwoordelijkheid van regionale en plaatselijke overheden komen te vallen. Ook in het tijdens de conferentie voor milieu en ontwikkeling van Rio opgestelde actieprogramma voor duurzame ontwikkeling in de wereld, "Agenda 21", zijn de plaatselijke overheden als één van de belangrijkste groepen actoren aangewezen. Door hun eigen "plaatselijke Agenda 21" op te stellen, kunnen de plaatselijke en regionale overheden in Europa een belangrijke bijdrage leveren tot de totstandbrenging van het in het Witboek genoemde waardevolle concept van duurzame ontwikkeling. 1.5. Het nieuwe ontwikkelingsmodel legt weliswaar de nadruk op de complementariteit van economische groei en milieubescherming en op het positieve karakter van de relatie tussen economie en milieu, maar het valt niet te ontkennen dat deze twee vaak op gespannen voet staan en dat zich omstandigheden voordoen waarin moeizame keuzes en compromissen nodig zullen zijn. Het ontwikkelen van "schone" technologieën vormt een voedingsbodem voor economische ontwikkeling, en houdt in veel gevallen geen risico's voor het milieu in of leidt zelfs tot verbetering van de duurzaamheid, maar het biedt geen oplossing voor àlle bestaande spanningsvelden; er zijn nu eenmaal omstandigheden waarin met het oog op de komende generaties prioriteit aan de bescherming van het milieu moet worden verleend. Duurzame ontwikkeling betekent aanvaarden dat het draagvermogen van ecosystemen de grenzen bepaalt van de mate waarin het milieu bepaalde menselijke activiteiten "verdraagt", hoe wenselijk deze om andere reden ook mogen zijn. 1.6. Het Comité van de Regio's acht het onaanvaardbaar dat externe kosten momenteel niet worden meegerekend in de economische boekhouding. Het is van mening dat er transparantie nodig is om de gebreken van het huidige ontwikkelingsmodel te verhelpen, door de verborgen kosten van de welvaart, m.n. op het vlak van milieu, fossiele brandstoffen, kernenergie en vervoer aan het licht te brengen. Daartoe zou de Gemeenschap op korte termijn onderzoek naar "groene boekhouding" op stapel moeten zetten. 1.7. De tenuitvoerlegging van het nieuwe ontwikkelingsmodel zal een zeker partnerschap tussen een aantal actoren vereisen. Zo moeten de overheden op alle niveaus (d.w.z. op Europees, nationaal, regionaal en plaatselijk niveau) hun beleid onderling aanpassen en worden van bedrijfsleven en consument samenwerking en een positieve opstelling verwacht. Het Comité van de Regio's is het ermee eens dat de overgang naar dit nieuwe model soepeler zal verlopen wanneer alle landen samenwerken. 1.8. Er heerst nog enige onzekerheid t.a.v. de tenuitvoerlegging van het nieuw ontwikkelingsmodel en er zal cohesie nodig zijn om ervoor te zorgen dat bepaalde groepen burgers en regio's van de Gemeenschap (met name perifere gebieden en eilanden) geen buitensporige nadelen ondervinden. 1.9. Om het nieuwe model voor duurzame ontwikkeling in praktijk te kunnen brengen, moet er een arbeidsrelatie tot stand komen tussen verschillende overheidslagen (tussen plaatselijk en regionaal niveau, en nationaal en Europees niveau), en tussen de overheid en de burger. Het is van essentieel belang dat de strategie overal in de Gemeenschap wordt verspreid, teneinde alle belangrijke actoren tot actieve participatie aan te zetten. De "plaatselijke Agenda 21" is een initiatief op Europese schaal, bedoeld om plaatselijke beleidsmaatregelen uit te werken t.b.v. een duurzame ontwikkeling via partnerschappen tussen plaatselijke en regionale overheden en andere instanties, om zo voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen te zorgen. Het Comité van de Regio's beveelt dit model van samenwerking en medebesluitvorming aan voor de tenuitvoerlegging van de in het Witboek beschreven ontwikkelingsstrategie. 1.10. Het Comité van de Regio's is van mening dat het huidige institutionele bestel van de Europese Commissie moet worden aangepast, wil zij stimulansen aan duurzame ontwikkeling kunnen bieden. Het Comité van de Regio's is het ermee eens dat de overgang naar een nieuw ontwikkelingsmodel een "systematische herziening (vereist) van het huidige macro- en sectorale beleid met als voornaamste richtsnoer dat alle externe effecten in de marktprijzen tot uiting moeten komen". Een dergelijke herziening zou alle activiteiten van de Commissie moeten omvatten en vereist een horizontale integratie van de directoraten-generaal die o.m. belast zijn met energie, vervoer, milieu, landbouw en regionale ontwikkeling. Dit laatste zal wellicht het eenvoudigst te bereiken zijn door een Commissaris voor duurzame ontwikkeling te benoemen. 1.11. Aangezien het Europese bedrijfsleven wereldwijd moet concurreren, vindt het Comité van de Regio's dat de Europese Commissie en de lid-staten elke gelegenheid moeten waarnemen om het model van duurzame ontwikkeling ook buiten de Europese Unie ingang te doen vinden. 2. Bijzondere opmerkingen 2.1. Hoofdstuk 3 (Transeuropese netwerken): Het Comité van de Regio's is het eens met de voorbereiding van richtplannen voor transeuropese vervoers- en telecommunicatienetwerken. Het stelt vast dat de Gemeenschap volgens de bepalingen van artikel 129 van het EU-Verdrag niet bevoegd is, de lid-staten rechtstreeks de wettelijke verplichting op te leggen om transeuropese netwerken aan te leggen en te ontwikkelen. Om deze reden en overeenkomstig het subsidiariteits- en het transparantiebeginsel dienen de lid-staten, de plaatselijke en regionale lichamen en de burgers gedurende de gehele consultatiefase bij de besluitvorming te worden betrokken. 2.2. Het Comité van de Regio's acht door administratieve procedures (verlening van vergunningen en evaluatie) veroorzaakte onnodige vertraging bij de tenuitvoerlegging van grote infrastructuurprojecten uiteraard onaanvaardbaar, maar vindt het volledig terecht dat plaatselijke en regionale overheden soms namens de samenleving ingrijpen. Vervoers- en energie-infrastructuren hebben een grootschalige en langdurige impact; het moet daarom worden geaccepteerd dat er een zekere vertraging ontstaat wanneer de eventuele impact op de leefbaarheid en de kwaliteit van het bestaan wordt beoordeeld. In dit opzicht is het Comité van de Regio's het volledig eens met het in het Witboek uitgesproken standpunt dat "alleen projecten die de toets van een milieu-effectrapportage hebben doorstaan, in aanmerking komen" voor opname in een eerste communautaire lijst van projecten. Het Comité van de Regio's stelt vast dat noch het Europees Parlement, noch het Comité van de Regio's over de selectie van de elf tijdens de Top van Korfoe vastgestelde projecten is geraadpleegd, en vindt dat zowel het Comité van de Regio's als het Europees Parlement de kans zouden moeten krijgen aan de selectieprocedure mee te werken. 2.3. Hoofdstuk 10 (Een nieuw ontwikkelingsmodel voor de Gemeenschap): Het Comité van de Regio's gaat volledig akkoord met de doelstelling, een omslag teweeg te brengen in de huidige negatieve relatie tussen milieu - kwaliteit van het bestaan en economische groei, maar erkent dat er een overgangsfase nodig is. Het is het er ook mee eens dat de Gemeenschap haar O & O-inspanningen op het gebied van "schone" technologieën zou moeten opvoeren en cooerdineren en economische stimulansen zou moeten ontwikkelen om de omzetting van O & O-resultaten in produkten en procédés aan te moedigen. 2.4. Het Comité van de Regio's is van mening dat de Europese Commissie het goede voorbeeld zou moeten geven en ervoor zou moeten zorgen dat meer gebruik wordt gemaakt van met schone technologie vervaardigde produkten; hiertoe zijn een uitgebreide milieu-audit en een stringent aanbestedingsbeleid nodig. Bovendien zou de Commissie als criteria voor de financiering van EU-programma's voor infrastructuurontwikkeling te hanteren richtsnoeren moeten opstellen, die aannemers verplichten milieuvriendelijke produkten, recyclingmateriaal en alternatieven voor natuurlijke hulpbronnen, zoals secundaire materialen, te gebruiken. 2.5. De plaatselijke en regionale lichamen in Europa hebben reeds behoorlijke resultaten geboekt op het vlak van behoud en verbetering van het milieu via een goed ontwikkeld systeem van ruimtelijke ordening en planning. De opmerking in het Witboek over verbetering van de kwaliteit van het bestaan in termen van aantrekkelijkheid van het landschap, een betere integratie van nieuwbouw en vervoersinfrastructuur in historische stadscentra en de aanwezigheid van parken en andere groene zones in stadsgebieden, bevat geen openlijke erkenning voor hetgeen reeds is bereikt. 2.6. Het Comité van de Regio's beschouwt ruimtelijke ordening en plaatselijke en regionale ontwikkeling als twee sleutelelementen bij het streven naar meer werkgelegenheid. De problematiek van de ruimtelijke ordening heeft in toenemende mate een communautaire dimensie gekregen. De Europese Commissie dient haar verslag over Europa in 2010 te baseren op het nieuwe model voor duurzame ontwikkeling, en zij zou er bij alle plaatselijke en regionale overheden op moeten aandringen, bij de herziening van hun bestemmingsplannen hetzelfde te doen. Daardoor zouden nieuwe methodes kunnen worden uitgewerkt voor interactieve stimulering van ontwikkeling op plaatselijk niveau, netwerken voor onderzoek en ontwikkeling, uitwisseling van technologie, verhoging van de produktiviteit en het scheppen van nieuwe werkgelegenheid. "Europa in 2010" dient te worden uitgebreid : er moet een Europees ruimtelijk beleid op stapel worden gezet en de regionale en plaatselijke actoren dienen als partners bij dit proces te worden betrokken. Er moeten programma's voor ruimtelijke ordening worden ontwikkeld, in het kader waarvan de plaatselijke en regionale lichamen gezamenlijk optreden. Een dergelijke aanpak zou op termijn moeten leiden tot verlichting van de druk op de natuurlijke hulpbronnen, vermindering van de verontreiniging en de impact op het ecologische systeem, en zou het moeten bijdragen tot het behoud van de biodiversiteit. 2.7. Weliswaar wordt in de ruimtelijke ordening inmiddels veel gebruik gemaakt van herstel en restauratie, maar de Commissie zou ook nog naar wegen moeten zoeken om schoonmaakoperaties sneller te doen verlopen en de erfenis van door een verouderd ontwikkelingsmodel en vroegere gebrekkige controlemechanismen veroorzaakt verval kwijt te raken. Er moet worden erkend dat grond ook een schaars goed is, dat in sommige gevallen dient te worden gerecycleerd (na mijnactiviteiten) of schoongemaakt (na industrieel gebruik), en dat soms minder waard is dan hetgeen ervoor is betaald, wat het herstel in de weg staat. 2.8. De manier waarop schaarse en eindige hulpbronnen worden gebruikt, b.v. bij de winning van energie, is van essentieel belang voor het model van duurzame ontwikkeling. Het Comité van de Regio's neemt kennis van voorstellen als de CO2-belasting. Het is het volledig eens met het beginsel om de belasting op maatschappelijke goederen, zoals arbeid en kapitaal, over te hevelen naar "milieuzonden", zoals het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het produceren van afval. Bij dergelijke wijzigingen in het systeem van belastingheffing dient te worden voorkomen dat er ongelijkheden optreden, zoals stijging van de vervoerskosten in plattelandsgebieden waar geen of weinig vervoersalternatieven aanwezig zijn, maar moet aan de progressieve elementen worden vastgehouden. 3. Conclusie 3.1. Het Witboek vormt een belangrijke mijlpaal in de erkenning dat economische groei niet zonder meer hand in hand gaat met een toename van de werkgelegenheid. Het betekent tevens een significante stap op de weg naar het inzicht dat de relatie tussen de actoren op het niveau van plaatselijke ontwikkeling en tussen economische en milieudoelstellingen in een nieuwe vorm moet worden gegoten. De overgang van het huidige naar het nieuwe ontwikkelingsmodel vormt een grote uitdaging, die evenwel in het belang van de komende generaties moet worden aangegaan. Als deze onderneming slaagt, zal er een Europa ontstaan waar door "herontdekking" van de waarde van arbeid t.o.v. kapitaal meer werkgelegenheid wordt gecreëerd, hetgeen weer tot gevolg heeft dat de roofbouw op hulpbronnen (energie en grondstoffen) kan worden teruggedrongen, de kwaliteit van het bestaan kan worden verbeterd en een duurzamer toekomstperspectief kan worden geboden. Brussel, 27 september 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC BIJLAGE 4 Aanvullend Advies over de onderwijs- en opleidingsaspecten van het Witboek over Groei, Concurrentievermogen en Werkgelegenheid Overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 1, van zijn Reglement van Orde, heeft het Comité van de Regio's besloten een aanvullend advies uit te brengen over de Onderwijs- en opleidingsaspecten van het Witboek over groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid. De commissie voor Onderwijs en Opleiding, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar aanvullend advies op 20 juli 1994 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Efstathiadis. Het Comité van de Regio's heeft tijdens zijn ...e Zitting (vergadering van ...) het volgende advies uitgebracht: 1. Inleiding 1.1. In het Witboek over groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid wordt een aantal problemen tegen de bredere achtergrond van de hoge werkloosheid geplaatst. Tegelijkertijd staat het concurrentievermogen onder druk en heeft de technologische ontwikkeling ingrijpende gevolgen voor veel aspecten van het maatschappelijk en economisch leven. 1.1.1. De volgende prioriteiten staan centraal voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid: - bestrijding van de werkloosheid; - ondersteuning van het MKB; - voltooiing van de transeuropese netwerken. Voorwaarde voor het welslagen hiervan is dat alle inspanningen op het scheppen van banen worden geconcentreerd. 1.1.2. "Immateriële" investeringen als het verwerven en overdragen van kennis zijn investeringen van de lid-staten in de leefbaarheid van de toekomstige maatschappij. 1.2. Uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie dient de Gemeenschap bij te dragen tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lid-staten aan te moedigen en zo nodig de activiteiten te ondersteunen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lid-staten voor de inhoud van onderwijs en beroepsopleiding en de opzet van het onderwijsstelsel en de beroepsopleiding alsook van hun culturele en taalkundige verscheidenheid. (artt. 126 en 127 van het EU-Verdrag). 1.3. Hoewel de lid-staten zelf verantwoordelijk zijn voor de opzet van de onderwijs- en de beroepsopleidingssystemen, dient de Gemeenschap deze activiteiten via haar programma's en financiële instrumenten te ondersteunen. Geleidelijk aan beginnen dit soort activiteiten meer effect te sorteren op het economisch leven in de lid-staten. 1.4. De steun van de publieke opinie is een conditio sine qua non voor een volwaardig en doeltreffend beleid voor groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid. Dit veronderstelt dat de plaatselijke en regionale overheden hierbij worden betrokken, niet alleen op grond van hun democratische verantwoordelijkheden, maar ook in verband met hun functie op het gebied van het verstrekken van onderwijs en opleiding. 1.5. Het Comité van de Regio's heeft tot taak de desbetreffende programma's te beoordelen. Op grond van zijn deskundigheid en capaciteiten kan het Comité een bijdrage leveren aan de versterking van het concurrentievermogen, met name wanneer het de economische en sociale samenhang van de verschillende regio's betreft. 1.6. Uitgangspunt dient te zijn de bestaande verschillen tussen de onderscheiden gebieden van de Gemeenschap en tussen de regio's van de lid-staten te verkleinen. Als gevolg van de concentratie van investeringen en menselijk kapitaal in een aantal gebieden is groeipotentieel in andere regio's onbenut gebleven. 1.7. Een groeibeleid dat alleen op economische leest geschoeid wordt, en het sociale en culturele leven niet in gelijke mate bevordert, zal ontsporen en op lange termijn zijn doel voorbijschieten. Overdracht van middelen is noodzakelijk om de sociale en regionale ongelijkheden te bestrijden en gelijke kansen te bieden wat woonruimte, onderwijs, opleiding en werkgelegenheid betreft. 2. Analyse van de opleidingsaspecten in het Witboek 2.1. De werkloosheid treft met name mensen die onvoldoende geschoold zijn. Deze diagnose in het Witboek bevestigt de doorslaggevende rol die onderwijs en beroepsopleiding dienen te spelen bij het heractiveren van groei, werkgelegenheid en concurrentievermogen in de Europese Unie. Voorwaarde hiervoor is wel dat onderwijs en opleiding na een onderzoek waarin alle maatschappelijke aspecten worden meegenomen, worden herzien en aangepast aan de behoeften. 2.2. In de analyse van de zwakke punten in het deel "werkgelegenheid" van het Witboek (hoofdstuk 7.3) wordt een belangrijk feit geconstateerd dat wij ter harte moeten nemen en tot speerpunt van onze inspanningen moeten maken. 2.3. Het naar verhouding lage gemiddelde opleidingsniveau in sommige lid-staten en meer in het bijzonder het te grote aantal jongeren dat de school zonder de noodzakelijke basiskwalificaties verlaat, is inderdaad zorgwekkend. Dit leidt tot marginalisering en sociale uitsluiting en tot een nieuwe instroom van werklozen. In sommige regio's van de Unie is sprake van bijzonder lage opleidingsniveaus, wat uitermate verontrustend is. 2.3.1. Volgens het Witboek verlaat in de EU 42% van de leerlingen het onderwijssysteem met een middelbaar diploma, tegen 75% in de VS en 90% in Japan. Bovendien verlaat van de jongeren die het slachtoffer worden van schooluitval, binnen de EU 25 tot 30% het onderwijs zonder een voldoende basis voor een adequate inpassing in het beroepsleven. Als toevoeging hierop wil het Comité extra de aandacht vestigen op het onvermogen van het onderwijssysteem, tegemoet te komen aan de noden van kinderen met speciale behoeften, zoals kinderen van migrantenarbeiders in de EU. 2.3.2. Het Comité wil erop wijzen dat nauwkeurige statistische vergelijkingen tussen de lid-staten van de EU en derde landen eigenlijk niet mogelijk zijn en dat zelfs binnen de EU. de percentages sterk uiteenlopen; dat neemt echter niet weg dat het onderwijs- en opleidingsniveau binnen de EU wel degelijk verbetering behoeft. 2.4. De plaats van onderwijs en opleiding binnen het maatschappelijk bestel dient te worden herzien. 2.4.1. Pas als jongeren de school verlaten hebben, komen zij tot de ontdekking dat er geen werk voor hen is. Zo ontstaan sociale spanningen, gettovorming in de marge van de samenleving met verregaand asociaal gedrag, hetgeen kan ontaarden in misdaad, drugsgebruik, etc. (Bij de afsluiting van het Belgische voorzitterschap vroeg de Belgische minister van buitenlandse zaken, de heer Claes, zich af hoeveel miljoenen werklozen binnen de EU de komende jaren in de greep van de misdaad zouden komen). 2.5. Met het traditionele onderwijsmodel wordt niet echt ingespeeld op de behoefte aan permanente opleiding; het studieprogramma moet immers afgewisseld worden met praktijkstages. 2.5.1. Het secundair en tertiair onderwijs dient afgestemd te worden op de snelle ontwikkelingen en veranderingen in onze moderne maatschappij. 2.5.2. Een gedegen scholing van het menselijk kapitaal, waarbij de samenwerking binnen het onderwijsbestel vanaf het begin gegarandeerd is, leidt tot gemotiveerde mensen die dankzij hun verworven know-how de concurrentiepositie weer kunnen versterken. 2.6. Permanente educatie, dus de voortdurende verrijking van de persoonlijke kennis en kunde, is de voornaamste doelstelling van onze samenleving, en is een thema voor de sociale dialoog. 2.6.1. Hier is een taak weggelegd voor het secundair en tertiair onderwijs, nl. om studenten een basispakket mee te geven voor verdere ontplooiing op eigen kracht. Deze onderwijsinstellingen dienen hun organisatiestructuur en onderwijsmethoden aan te passen, zodat een gedegen en doeltreffende permanente educatie tot stand kan komen. 2.6.2. In het tertiair onderwijs wordt dikwijls de nadruk gelegd op theoretische kennis, die een belangrijke voorbereiding kan zijn voor de academische wereld en voor het verrichten van onderzoek. Voor hen die de arbeidsmarkt voor niet-academici willen betreden, is een dergelijke aanpak wellicht minder op zijn plaats, en de tertiarie onderwijsinstellingen dienen erop toe te zien dat alle studenten toegang hebben tot een leerplan dat hun een basis verschaft voor het aanleren van additionele vaardigheden. Passende praktijkstages buiten de academische instelling, maar gedurende de studieperiode, moeten een belangrijk onderdeel vormen van iedere vorm van tertiair onderwijs. 2.6.3. Afstandsonderwijs kan een belangrijke bijdrage leveren - ook in ESC-adviezen zijn de beweegredenen hiervoor uiteengezet. Voorwaarde is wel dat het menselijke contact niet verloren gaat en er goed gestructureerde opleidingsnetwerken ter beschikking staan. 2.7. Het ontplooien van activiteiten op universiteiten is niet alleen in het belang van de betrokkenen - universitair personeel, docenten, studenten - maar ook van het bedrijfsleven en met name het MKB. 2.7.1. Tot op heden waren beroepsopleidingen voornamelijk afgestemd op de activiteiten op bedrijfsniveau. 2.7.2. Volgens het Witboek wordt de beroepsopleiding door de ontwikkeling van nieuwe technologie, dankzij de toepassing ervan en de vorming van de daarbij betrokken onderzoekers, kwalitatief verbeterd. 2.7.3. Het bedrijfsleven doet een dringend beroep op de onderwijs- en opleidingssystemen; universiteiten en onderzoekscentra dienen hierop in te springen met adequate studieprogramma's. Er dient een systeem van "opleidingspunten" ontwikkeld te worden zodat stagiairs of studenten via cursussen of studieprogramma's vaardigheden kunnen aanleren waarmee een extra certificaat, diploma of graad bemachtigd kan worden. 2.7.4. Dankzij diensten als digitaal beeldmateriaal, elektronische toegang tot informatie en elektronische post kan de huidige concurrentiekracht van het MKB versterkt worden. 2.7.5. Voor toepassingen als telewerken, telematica en telemanagement is behoefte aan geschoold personeel. 2.8. De rol van het MKB als drijvende kracht achter de dynamiek van de interne markt wint aan betekenis dankzij zijn gunstige invloed op het concurrentievermogen. 3. Omschrijving van de sectoren waarbinnen activiteiten zijn ontplooid, en van de lopende programma's 3.1. Leonardo en Sokrates zijn proefprojekten met algemene doelstellingen; voor de uitvoering ervan worden diverse financieringsmethoden toegepast. 3.2. Met het Leonardo-programma wordt een gemeenschappelijk kader voor communautaire acties geboden. Gestreefd wordt naar een coherente, duidelijk omschreven en alomvattende ontwikkeling van de beroepsopleidingsector. Het programma houdt tevens een pakket maatregelen in ter aanvulling en ondersteuning van de met de algemene doelstellingen strokende activiteiten van de lid-staten. 3.3. Doel van het Sokrates-programma is, de Europese dimensie in het onderwijs op alle niveaus te ontwikkelen ten einde bij de burger een Europees bewustzijn te kweken dankzij: - het cultureel erfgoed in de lid-staten; - verspreiding van de kennis van vreemde talen om saamhorigheid en wederzijds begrip tussen de volkeren te stimuleren; - intensivering van de mobiliteit onder studenten; - het aanmoedigen van de samenwerking tussen instellingen van elk onderwijsniveau in alle lid-staten, teneinde het intellectuele potentieel, via de mobiliteit van docenten, optimaal te benutten; - bevordering van de wederzijdse erkenning van academische kwalificaties; - het stimuleren van de toepassing van informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs; - ontwikkeling van het afstandsonderwijs; - intensivering van de uitwisseling van kennis en ervaring. 3.4. Beide programma's bestrijken de in het Witboek over groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid behandelde aspecten en behoeften van het onderwijs. 3.5. Voor de aanpak van de in het Witboek aan de kaak gestelde problematiek is met steun van het Europees Sociaal Fonds (ESF) een heel scala van communautaire initiatieven ontwikkeld, zoals Employment (waaronder de programma's Horizon, NOW, Youth Start), Adapt (industriële omschakeling) en het MKB-initiatief. 4. Bijzondere opmerkingen over het Witboek en suggesties voor maatregelen 4.1. Het Comité van de Regio's staat achter de inspanningen van de Europese Unie om de Europese dimensie in onderwijs en opleiding te bevorderen en de kwaliteit van het onderwijs op alle niveaus te verbeteren, maar het is van mening dat een degelijke basisopleiding voor allen het doel moet zijn waarnaar primair gestreefd moet worden. 4.1.1. Ter ondersteuning hiervan zou het wenselijk zijn een daartoe in elke lid-staat op te richten instantie voorlichting te laten verstrekken over de ontwikkeling van deze Europese dimensie op scholen. 4.1.2. Ook bij de scholing van onderwijzend en administratief personeel dient deze Europese dimensie tot uitdrukking te komen. 4.2. Vertrekpunt voor de herziening en verbetering van het onderwijs dient de basisvorming te zijn. Hier dient kwaliteit van de leerstof zwaarder te wegen dan kwantiteit. De leerling moet leren inzien dat actieve deelname aan het onderwijsgebeuren een vanzelfsprekend onderdeel van zijn sociale activiteit is. 4.3. Om aan de eisen en verplichtingen van de toekomstige werkplek te kunnen voldoen, zijn permanente educatie en constante bijscholing onontbeerlijk voor elke hedendaagse werknemer; die moet namelijk kunnen inspelen op de veranderende vraag naar vaardigheden en de nieuwe technologie. Scholing dient voortaan een vaste plaats in te nemen in de loopbaan van elke werknemer. 4.4. Aan de tot op heden uitgevoerde projekten konden slechts bepaalde doelgroepen deelnemen, en niet alle belanghebbenden in de regio. 4.5. De plaatselijke en regionale overheden kunnen een belangrijke rol spelen door voorwaarden te creëren voor partnerschapsbanden met het bedrijfsleven. Zij fungeren immers als katalysator en cooerdinator en kunnen voor toenadering tussen alle aan de projekten deelnemende partners zorgen. Unilateraal optreden of een sectoriële aanpak is geen antwoord op dit vraagstuk; daarvoor is samenwerking van heel de gemeenschap vereist. 4.6. Toenadering tussen universiteiten en plaatselijke en regionale overheden biedt een aantal interessante perspectieven. Deze overheden dienen zeker ook ingeschakeld te worden bij de bevordering van de samenwerking tussen arbeidsmarkt en onderwijswereld. 4.6.1. Met nadruk zij gesteld dat een universitaire instelling niet afgeschermd kan worden van de in haar regio spelende problematiek, daar waar zij functioneert en zich ontwikkelt. Haar taak ligt op het gebied van zowel educatie als onderzoek. 4.6.2. Een noodzakelijk bijkomend actieterrein is de opleiding van werknemers in het MKB, dat de stuwende kracht achter de dynamiek van de interne markt en het concurrentievermogen van Europa is. Het MKB lijkt, afgezien van bedrijven die gespecialiseerd zijn in hoogwaardige technologie, niet voldoende te anticiperen op de behoeften van de markt, met name wat de toepassing van nieuwe organisatiemethoden en nieuwe technologie betreft. Bedrijven in de privé-sector zouden zich derhalve meer moeten toeleggen op onderwijs en opleiding, en de dimensie "opleiding" van hun werknemers tot een vast gegeven moeten maken van hun personeelsbeleid. 4.7. Het Comité van de Regio's stemt in met het initiatief van de Europese Commissie een proefproject te starten voor samenwerking tussen de regio's. Doel hiervan is het onderling overleg tussen lokale besturen op onderwijsgebied aan te moedigen, met name bij het beantwoorden van de vraag wat de vereisten voor moderne beroepsopleidingen zijn. 4.7.1. Aangezien bij het bovenvernoemde proefprojekt slechts 10 regio's () betrokken zijn, zou het Comité van de Regio's uitbreiding en voortzetting van dergelijke initiatieven in andere regio's toejuichen. 4.7.2. Het Comité van de Regio's staat ook achter het onlangs in het kader van het Arion-programma genomen initiatief van de Europese Commissie, waarbij 950 onderwijsdeskundigen de mogelijkheid geboden wordt voor een werkbezoek aan een andere lid-staat tijdens het academiejaar 1994/1995 teneinde het onderwijssysteem aldaar beter te leren kennen. 4.7.3. Dezelfde wens werd ook al geuit in adviezen van het ESC () en in het advies van het Comité van de Regio's over het Socrates-programma (CdR 43/94). 4.8. Het aanleren van vreemde talen levert een onmiskenbare bijdrage aan de opbouw van het "Europa van de burger" en de voltooiing van de interne markt. Kennisverwerving van vreemde talen mag echter niet ten koste gaan van de in bepaalde delen van de lid-staten gesproken andere talen. 4.9. De politieke, economische en sociale eenwording van de Europese Unie vereist een zowel kwantitatieve als kwalitatieve toename van de voorlichting over de algemene en specifieke vraagstukken i.v.m. de ontwikkeling van het onderwijsbestel. Met het Eurydice-netwerk wordt op deze behoefte ingespeeld. 4.9.1. Het zou zinvol zijn ook beroepsopleidingen in het Eurydice-netwerk op te nemen. Hier ligt een taak voor het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (CEDEFOP). 4.10. Met de tot op heden uitgevoerde programma's voor onderwijs en beroepsopleiding heeft de Commissie bepaalde sectoren willen stimuleren, maar uiteindelijk dienen deze activiteiten samengebracht te worden in een overkoepelend netwerk; de structuurfondsen moeten hierbij ingezet worden voor de bekostiging van de nodige uitrusting en infrastructuur. 4.10.1. Overigens dient het zwaartepunt van deze inspanningen in de minder begunstigde regio's te liggen, teneinde ontwikkeling met verschillende snelheden tegen te gaan. Het Comité van de Regio's wijst erop dat er voor de eerste keer middelen beschikbaar zijn voor onderwijsinfrastructuur (lokalen, gebouwen, etc.) in het kader van de nieuwe verordening inzake het Europees Regionaal fonds. Het Comité pleit ervoor, deze mogelijke steun voor de periode 1994-1999 optimaal te benutten en via een adequate verdeling de onderwijsachterstand in de regio's van Doelstelling 1 weg te werken. 4.11. Wat bij de lopende actieprogramma's ontbreekt, is de voor integratie in het maatschappelijk bestel benodigde synergie. Het Comité van de Regio's pleit derhalve voor communautaire initiatiefmaatregelen op meerjarige basis. Doel ervan zou zijn, maatschappelijk onderzoek en netwerkvorming tussen plaatselijke en regionale besturen enerzijds en bedrijfs-, beroeps- en onderwijswereld van een regio anderzijds te bevorderen en zo tot een optimale benutting van het menselijk kapitaal gedurende het hele beroepsleven te komen. 4.11.1. Door dit initiatief wordt een link gelegd met de overige programma's, die zo daadwerkelijk hun beslag zouden krijgen in de samenleving, en ten volle tot hun recht zouden komen in de regio's. De plaatselijke en regionale besturen zouden hierbij als promotor optreden en: - horizontale vraagstukken inzake onderwijs, opleiding en politiek bestuderen; - communautaire programma's en plannen volgen en beoordelen; - gegevens verzamelen en verspreiden. 4.11.2. Partnerschap tussen plaatselijke en regionale overheden, universiteiten en het bedrijfsleven brengt banden tot stand tussen: - onderwijs/opleiding en industrie/economie; - onderwijs/opleiding en werkloosheidsbestrijding; - onderwijs/opleiding en bestrijding van sociale uitsluiting; - onderwijs/opleiding en integratie van migrantenkinderen; - onderwijs/opleiding en regionale ontwikkeling; - onderwijs/opleiding en behoeften. 4.11.3. Dit initiatief zou kunnen leiden tot 'kruisbestuiving' tussen plaatselijke en regionale overheden en het onderzoeks-, onderwijs- en bedrijfswezen. 4.11.4. De Gemeenschap dient op het gebied van onderwijs en infrastructuur naar vermindering van de verschillen tussen regio's van Doelstelling 1 en het ontwikkelde Noorden te streven. 4.11.5. De in het kader van universitaire netwerken, uitwisseling van studenten en samenwerking tussen industriële en universitaire centra opgedane ervaring via programma's als Leonardo en Socrates, dient ten volle benut te worden. 4.11.6. Plaatselijke en regionale overheden dienen hun invloed te laten gelden in bedrijven, zodat deze de belangen van werknemers - of die nu in de culturele, beroeps- of sociale sfeer liggen - serieus nemen en behartigen. Dit komt de sociale en beroepsmatige bewustwording en integratie van de werknemers ten goede en leidt zo tot verhoging van het rendement tot profijt van de werkgevers zelf. 4.11.7. Er zouden plaatselijke centra voor beroepskeuzevoorlichting opgericht moeten worden die nauwe banden hebben met het bedrijfsleven. 4.11.8. Aangezien de kennisoverdracht voortdurend moet worden bijgesteld en geherstructureerd, is er behoefte aan flexibeler en open opleidingssystemen waardoor de mensen zich beter kunnen aanpassen aan nieuwe technologie, die zowel in het belang van het bedrijfsleven als van de betrokkenen zelf is. 5. Voor het overige onderschrijft het Comité van de Regio's het advies van het ESC van 27 januari 1994 inzake de participatie van de sociaal-economische kringen in het kader van het regionaal beleid, evenals het advies van 27 april 1994 over het Groenboek over de Europese dimensie van het onderwijs (CES 420/94 fin). 6. Het Comité van de Regio's beseft dat het in het Witboek geformuleerde voorstel voor fiscale prikkels niet voor alle lid-staten relevant is. Anderzijds erkent het Comité het belang van harmonisering van de verschillende wijzen van financiële steunverlening voor het onderwijs in de afzonderlijke lid-staten. Brussel, 27 september 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC BIJLAGE 5 Aanvullend Advies over het Witboek van de Europese Commissie "Groei, Concurrentievermogen, Werkgelegenheid - Naar de 21e eeuw : Wegen en Uitdagingen" HOOFDLIJNEN, COMMENTAAR OP HET WITBOEK VAN DELORS Algemeen - Doelstellingen onderschrijven van het Witboek met nadruk op het werkloosheidsvraagstuk. - Wijzen op het feit dat het karakter van het Witboek vooral van macro-economische aard is. Dat betekent dat macro-economische beslissingen gevolgen hebben voor lokale regionale overheden. - Economische groei en sociale ontwikkeling beide noodzakelijk, ook vanuit het oogpunt van concurrentievermogen. - Wijzen op de kosten van de sociale gevolgen van de werkloosheid. De kosten van de werkloosheid dragen voor een belangrijk deel bij aan de hoge overheidstekorten van de lid-staten. Terecht benadrukt het Witboek dat de totale maatschappelijke kosten, rekening houdend met de slechtere gezondheidssituatie en de toenemende criminaliteit, veel hoger zijn naar puur economische maatstaven gemeten, dan wanneer iemand in de sociale verzekering wordt gehouden. Het is duidelijk dat op lokaal/regionaal niveau de gevolgen van de hoge werkloosheid zichtbaar worden : - marginalisering; - sociale uitsluiting; - criminaliteit. Het Witboek geeft aan dat drie miljoen nieuwe banen moeten worden gecreëerd, voor een deel gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het milieu en van de levensomstandigheden. Dit kan o.a. door middel van : thuishulp voor ouderen, gezondheidszorg, gehandicaptenzorg, kinderopvang, conciërgediensten, buitenschoolse activiteiten ... - Maar ook in de sfeer van stads- en dorpsvernieuwing, openbare veiligheid, openbaar vervoer, onderhoud van het openbaar groen, bewaking van milieu-kwaliteitsnormen. In dit verband merk ik op dat het LIFE-Programma versterkt zou moeten worden ten einde grondslag te vormen voor : - vernieuwingen van de milieutechnologie in het midden- en kleinbedrijf (MKB); - systemen voor doelmatig energiegebruik; - reiniging van verontreinigde terreinen. Als gevolg van de werking van een imperfecte arbeidsmarkt kunnen in deze sectoren niet zonder meer banen worden gecreëerd. Hier ligt dus een rol voor de overheid. Dit impliceert overigens wèl dat er financiële middelen voor moeten worden vrijgemaakt. Juist op het lokaal/regionaal niveau zijn er mogelijkheden voor een actief beleid : 1. Bevordering van werkgelegenheid; 2. Begeleiding naar banen. AD. 1. Het organiserend vermogen van de Overheid De lokale/regionale overheden kunnen juist vanwege het feit dat zij direct contact hebben met alle betrokkenen, een bijdrage leveren door de vragende en de aanbiedende partij met elkaar in contact te brengen. Veel nieuwe werkgelegenheid ontstaat vooral in het Midden- en Kleinbedrijf. De lokale en regionale overheden kunnen deze doelstelling actief ondersteunen door een bedrijfsvriendelijk beleid te voeren, open te staan voor ontwikkelingen in de marktsector en op gedecentraliseerd niveau periodiek overleg te voeren met werkgevers. Ook het scheppen van voorwaarden voor economische ontwikkeling, zoals het aanleggen van goede infrastructuur, het aanleggen van bedrijfsterreinen en het optrekken van bedrijfsverzamelgebouwen is een taak die zeker op lokaal/regionaal niveau moet worden aangepakt. De lokale en regionale overheden als werkgever. Als initiator van economische ontwikkeling kunnen lokale/regionale overheden een bijdrage leveren aan het creëren van arbeidsplaatsen. Economische ontwikkeling op zich is niet genoeg voor het creëren van voldoende banen. Er zal een structurele aanpak moeten worden ontwikkeld, met name gericht op een actief beleid dat leidt tot het creëren van banen en niet op het "passief" terugdringen van werkloosheid (in het commentaar van commissie 1. wordt onder punt 37 terecht aandacht aan deze zaak gegeven). Middelen zijn o.a. een verdergaande flexibiliteit van de arbeidsmarkt en het omzetten van produktiviteitsgroei in arbeidsplaatsen in plaats van loonsverhogingen. AD. 2. Het is van groot belang de aandacht op instroom in de sociale zekerheid nadrukkelijk te verleggen naar uitstroom uit de sociale zekerheid. Met name vanuit Nederland is de ervaring dat hier sprake is van een accentverschuiving van betekenis. Hiermee wil ik aangeven dat vroeger degene die aanspraak heeft op een sociale uitkering, nu begeleid wordt, geactiveerd wordt om zich een zelfstandige positie te verwerven; dat betekent dat de sociale begeleiding een hele andere dimensie/richting krijgt. - Het bevorderen van werkervaring, training en scholing ter versterking van de positie op de arbeidsmarkt en de doorstroming naar regulier werk. In Nederland zijn goede ervaringen opgedaan in dit verband met Jeugdwerkgarantieplannen en banenpools. Deze zijn gericht op het aanbieden van betaald werk aan moeilijk bemiddelbare werklozen. Het blijkt dat doorstroming naar regulier werk door middel van deze Jeugdwerkgarantieplannen en banenpools vruchten afwerpt. - Volwasseneneducatie heeft tot doel om werkzoekenden en met werkloosheid bedreigde volwassenen in een betere uitgangspositie te brengen ten aanzien van het vinden van werk. Extra aandacht zou moeten worden gegeven aan de doelgroepen zoals herintredende vrouwen, allochtonen en langdurige werklozen. - Tenslotte is het traject van vrijwilligerswerk naar betaald werk een onmisbare schakel. Ook voor degenen die nog slechts geringe kansen op de arbeidsmarkt hebben om in de toekomst in betaalde arbeid te worden ingeschakeld, biedt vrijwilligerswerk een zinvolle bezigheid, die een aantal voordelen/kenmerken heeft van betaald werk, waardoor de kansen op doorstroming naar de arbeidsmarkt groter kunnen worden. Om dit alles te kunnen realiseren, zal aan vier randvoorwaarden moeten worden voldaan : 1. Flexibele op de arbeidsmarkt gerichte programma's; 2. Nauw contact met het bedrijfsleven; 3. Samenwerking met de verschillende betrokken onderwijsinstellingen; 4. Meten van de effecten van de genomen maatregelen. Dit laatste punt is van belang i.v.m. de financiële consequenties van de ondernomen activiteiten. Het is zonder meer wenselijk om de effecten van het beleid te meten en te bekijken of de resultaten van een werkloosheidsbestrijdingsproject wel opwegen tegen de kosten die moeten worden gemaakt. Tenslotte vraag ik aandacht voor een Europees beleid gericht op het stimuleren van deze ontwikkeling via de structuurfondsen en communautaire initiatieven zoals Youth Start, LEDA en ILE. Verder kan de uitwisseling van opgedane ervaringen door lokale/regionale overheden een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van lokale/regionale initiatieven. Vandaar dat de communautaire initiatieven op dit terrein, zoals het programma Pacte, versterkt moeten worden. Ook het opzetten van een informatiebank waarin zijn opgeslagen de activiteiten en ontwikkelingen die door de verschillende lokale/regionale overheden worden ontwikkeld, kan een Europese activiteit zijn. Brussel, 27 september 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC