ADVIES van het Economisch en Sociaal Comité over de "Mededeling en voorstel voor een richtlijn inzake de doorzichtigheid en kwaliteit van de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen"
Publicatieblad Nr. C 388 van 31/12/1994 blz. 0032
Advies over de mededeling en voorstel voor een richtlijn inzake de doorzichtigheid en kwaliteit van de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen (94/C 388/08) Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 22 april 1994 besloten, overeenkomstig artikel 23, 3 alinea, van het Reglement van Orde, een initiatiefadvies op te stellen over de mededeling en voorstel voor een richtlijn inzake de doorzichtigheid en kwaliteit van grensoverschrijdende betalingen. De Afdeling voor economische, financiële en monetaire vraagstukken, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 14 juni 1994 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Meyer-Horn. Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 317e Zitting (vergadering van 6 juli 1994) het volgende advies uitgebracht, dat met meerderheid van stemmen (1 stem tegen, 5 onthoudingen) is goedgekeurd. Samenvatting 1. Het Comité staat achter het streven van zowel de Commissie als het bankwezen om het grensoverschrijdende betalingsverkeer te verbeteren. Wel betreurt het het dat dit streven niet eerder van de grond is gekomen. 2. Het Comité prefereert een gedragscode boven een richtlijn. Volgens EG-commissaris Scrivener, die belast is met consumentenbescherming, zou een dergelijk handvest het fiat krijgen van zowel de organisaties van het bankwezen en de gebruikers (verbruikers, handel, MKB) als van de Commissie. Daarmee zou dit handvest een bindend karakter krijgen en bij het publiek de nodige bekendheid krijgen. 3. Wordt toch een richtlijnvoorstel ingediend, dan dient dit zich te beperken tot algemene raamvoorwaarden. Als een Europese richtlijn zou worden vastgesteld met gedetailleerde voorschriften voor het internationale betalingsverkeer, moet gevreesd worden dat vele, vooral kleinere kredietinstellingen opdrachten voor internationale betalingen, met name op rekeningen bij kleine lokale banken in afgelegen gebieden, zullen weigeren. Hierdoor zouden aanzienlijke lacunes ontstaan in een geheel Europa dekkend betalingscircuit. 4. Er moeten veelomvattende technische maatregelen worden genomen en dienovereenkomstige afspraken worden gemaakt om grensoverschrijdende betalingen tussen meer dan 10 000 banken met 200 000 agentschappen in 12 landen te kunnen afwikkelen. Daarbij moet ook worden bedacht dat deze kredietinstellingen vaak niet met elkaar in vaste relatie staan. Grensoverschrijdende betalingen zijn nu nog maar goed voor 1,3 % van het totale betalingsverkeer in de EU. 5. De Europese overkoepelende organisaties van het bankwezen hebben eind 1992 te Brussel een gemeenschappelijke organisatie voor de standaardisering van grensoverschrijdende betalingen, het ECBS, opgericht. Het ECBS werkt samen met de Commissie, het Europees Monetair Instituut, Europay, Visa en SWIFT. 6. Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie, op verbetering van de stelsels voor grensoverschrijdende betalingen gerichte vormen van samenwerking tussen banken te bevorderen. Het dringt er bij de Commissie op aan, te onderzoeken in hoeverre de mededingingsvoorschriften van artikel 85 van het EG-Verdrag op een dergelijke samenwerking toepasselijk zijn, waarbij gedacht moet worden aan de uitzonderingsregeling die ten aanzien van de Eurocheque-overeenkomst werd toegestaan. 7. Onderdeel van een zelfregulering in de vorm van een gedragscode is met name de taak van de afzonderlijke banken om hun cliënten te adviseren over de voor- en nadelen van de diverse betalingsmodaliteiten (overmaking, cheque, kaart), alsook over de proefondervindelijke termijnen en de gemiddelde kosten. Voor de cliënten moeten de condities transparant zijn en moet een vergelijking tussen het aanbod van concurrerende banken mogelijk zijn. 8. Het Comité sluit zich aan bij de eis van het Europees Bureau van Unies van Verbruikers (BEUC) dat een regeling wordt getroffen voor de aansprakelijkheid voor niet behoorlijk uitgevoerde courante grensoverschrijdende betalingen. Het Comité heeft er begrip voor dat in alle lid-staten klachtenbureaus worden ingesteld, maar voor de samenwerking tussen deze klachtenbureaus en voor de aanstelling van een Europese ombudsman zijn geen bindende voorschriften van de EU noodzakelijk. 9. Dubbele aanrekening van kosten - dus zowel bij de opdrachtgever als bij de begunstigde - is onaanvaardbaar en ontoelaatbaar. De in een opheldering van deze gevallen geïnteresseerde banken moet de gelegenheid worden gegeven, de oorzaak van deze dubbele aanrekening na te trekken om herhaling te voorkomen. 10. Het Comité adviseert, de door de Commissie aangekondigde studie over de vooruitgang op het gebied van grensoverschrijdende betalingen breed op te zetten om de studie representatief en significant te maken. Er moet niet uitsluitend en schematisch onderzoek worden gedaan naar overmakingen door steeds vier banken in de grotere lid-staten en twee banken in de kleinere lid-staten, en niet alleen naar de snelst mogelijke afwikkeling van 1 000 overmakingen van steeds 100 ecu. 1. Inleiding 1.1. Op aandringen van de Commissie hebben de overkoepelende Europese organisaties van het bankwezen () richtsnoeren opgesteld voor het verstrekken van informatie aan hun cliënten over grensoverschrijdende betalingen. Deze richtsnoeren zijn, na overleg met de Commissie en binnen de PSULG-werkgroep (zie par. 1.3), in maart 1992 voorgelegd. De Commissie wilde dat deze richtsnoeren door de banken vóór eind 1992 daadwerkelijk zouden worden toegepast, kennelijk met het oog op de termijn voor de verwezenlijking van de interne markt. De overkoepelende organisaties hebben vervolgens toegezegd ernaar te zullen streven dat de richtsnoeren zo spoedig mogelijk door hun leden worden toegepast. Deze richtsnoeren waren gehecht aan een werkdocument van de Commissie getiteld "Vereenvoudiging van grensoverschrijdende betalingen : het wegnemen van de grenzen" (). In dit werkdocument verklaarde de Commissie toezicht te zullen houden op de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren. 1.2. Daartoe heeft de Commissie in februari 1993 een studie laten verrichten : - 287 bankagentschappen werden bezocht met een verzoek om schriftelijke informatie over grensoverschrijdende betalingen; - er werden ca. 1 000 betalingsopdrachten van elk 100 ecu aangeboden bij 34 banken verspreid over alle lid-staten. 1.3. De uitkomsten van deze studie zijn in september/oktober 1993 door twee werkgroepen van de Commissie besproken : - door de werkgroep Technische Ontwikkeling van Betalingssystemen/Payment Systems Technical Development Group (PSTDG), en - door de contactgroep Gebruikers van Betalingssystemen/Payment Systems Users Liaison Group (PSULG). Beide werkgroepen hadden zich eerder al uitgesproken over de tenuitvoerlegging van de Aanbeveling van de Commissie van 1990 inzake de doorzichtigheid van bankvoorwaarden die van toepassing zijn op grensoverschrijdende financiële transacties (90/109 EEG) (). In de PSULG-contactgroep werden tegen die achtergrond de in paragraaf 1.1 bedoelde richtsnoeren behandeld en aangenomen. 1.4. De uitkomsten van de studie alsmede de daarover uitgebrachte adviezen zijn vervolgens samengevat in een Mededeling aan de Commissie getiteld "Doorzichtigheid en kwaliteit van de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen" (). In deze Mededeling wordt door de bevoegde commissarissen, de heer Vanni d`Archirafi en mevrouw Scrivener, de volgende aanpak voorgesteld die door de Commissie op 14 december 1993 werd goedgekeurd : 1.4.1. Het bankwezen krijgt nog een termijn om via zelfregulering de gewenste mate van doorzichtigheid en doelmatigheid te realiseren. 1.4.2. De Commissie zal vóór augustus 1994 de stand van de vorderingen opmaken en daartoe in maart/april 1994 een studie in opdracht geven die eind juli 1994 moet worden voorgelegd. 1.4.3. Uit "voorzorg" heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de doorzichtigheid en de kwaliteit van de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen voorbereid; bij onvoldoende vooruitgang op het gebied van transparantie en efficiency van grensoverschrijdende betalingen zal de Commissie onverwijld wetsvoorschriften in de vorm van een richtlijn indienen; een eerste ontwerp hiervan is aan de Mededeling gehecht. Dit richtlijnvoorstel wordt sedert april 1994 al besproken door de door de Commissie ingestelde werkgroep van regeringsdeskundigen. 1.4.4. Tenslotte zal de Commissie in de PSULG-werkgroep (zie par. 1.3) ook een discussie beginnen over richtsnoeren die een zo uitvoerig mogelijke voorlichting bij "face-to-face"-betalingen garanderen (). Dit zijn grensoverschrijdende betalingen die cliënten van een bank in een lid-staat tijdens een verblijf in een andere lid-staat zelf verrichten door middel van een kaart of cheque. Het valt te bezien in hoeverre richtsnoeren voor een ex ante- en ex post-voorlichting van cliënten over "face-to-face"-betalingen de "Code of best practices" () die de drie Europese overkoepelende organisaties van het bankwezen op 14 november 1990 hebben aangenomen, kunnen aanvullen. 1.5. Het Economisch en Sociaal Comité spreekt zich in onderstaande algemene (hoofdstuk 2) en bijzondere (hoofdstuk 3) opmerkingen uit over - de Mededeling aan de Commissie en de daarin vermelde studies, alsook over de adviezen van de twee werkgroepen PSTDG en PSULG; - het aan de Mededeling gehechte eerste ontwerp voor een richtlijn van de Raad die volgens de codecisiesprocedure met het Europees Parlement en na advies van het Economisch en Sociaal Comité zou worden vastgesteld. 2. Algemene opmerkingen 2.1. Het Comité staat achter het streven van zowel de Commissie als het bankwezen om het grensoverschrijdende betalingsverkeer te verbeteren, met name ten aanzien van - de transparantie van de condities, - de snelheid, betrouwbaarheid en kosten van de afwikkeling van de betalingsopdracht. Het Comité betreurt het dat dit streven niet eerder van de grond is gekomen en dat de in paragraaf 1.3 genoemde aanbevelingen van de Commissie van 1990 pas zo laat ten uitvoer worden gelegd. Met de voltooiing van de interne markt sedert 1993 en de in het Verdrag van Maastricht voor uiterlijk 1999 voorziene overgang naar een Economische en Monetaire Unie wordt het grensoverschrijdende betalingsverkeer van steeds grotere betekenis, met name de "alledaagse" overschrijvingen van kleine bedragen. Het Comité acht het daarom dringend noodzakelijk dat het grensoverschrijdende betalingsverkeer doorzichtiger en doelmatiger wordt en dat de daartoe nog te nemen maatregelen op korte termijn hun beslag krijgen (zie par. 2.9). 2.1.1. Volgens gegevens van de Banking Federation van de EG (jaarverslag 1991 en 1992) werden per cheque, overmaking of door gebruik van een kaart in 1990 ca. 323 miljoen, en in 1991 ca. 398 miljoen internationale betalingen verricht. Dit betalingsverkeer was in 1990 goed voor ongeveer 1,2 %, en in 1991 1,3 % van het totale betalingsverkeer in de Gemeenschap (ca. 26 miljard, resp. ca. 31 miljard transacties). 2.1.2. Grensoverschrijdende betalingen van minder dan 2 500 ecu hebben tot nog toe qua aantal en vooral qua omvang nauwelijks een rol van betekenis gespeeld. Daarom heeft het bankwezen zich in eerste instantie geaarzeld om te investeren in de standaardisering en automatisering van grensoverschrijdende overmaking van kleine bedragen. Om die reden bleef de behandeling van dergelijke betalingsopdrachten nog vrij arbeidsintensief en daarom ook duurder en langzamer dan het binnenlandse betalingsverkeer. 2.2. De Commissie acht het dan ook gewenst, ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende betalingen op de interne markt net zo snel, betrouwbaar en goedkoop worden afgewikkeld als tegenwoordig mogelijk is bij betalingen binnen een en dezelfde lid-staat. Bij grensoverschrijdende betalingen gelden echter andere voorwaarden dan in het binnenlandse betalingsverkeer. 2.2.1. Hiertoe moeten worden gerekend de (nu nog) uiteenlopende valuta`s, de verschillende talen en zelfs lettertypes, de in het betalingsverkeer met het buitenland vereiste bijzondere meldingen aan de centrale bank, maar in de allereerste plaats de uiteenlopende betalingswijzen die worden toegepast. In tegenstelling tot de situatie in het binnenlandse betalingsverkeer kunnen bij voorbeeld grensoverschrijdend aangeboden cheques slechts voor een gedeelte (of helemaal niet) machinaal worden gelezen. 2.2.2. Het grensoverschrijdende betalingsverkeer wordt vooral bemoeilijkt door de per land uiteenlopende structuur en dichtheid van het net van bankagentschappen van de diverse kredietinstellingen, alsook door de gegevensverwerking in de regionale en nationale clearingcentra binnen de afzonderlijke bankgroepen en tussen deze groepen. Volgens statistieken van de drie Europese overkoepelende organisaties van het bankwezen zijn er (stand medio 1993) : - 2 762 handelsbanken met 85 300 agentschappen, - 1 580 spaarbanken met 63 800 agentschappen, - 10 590 coöperatieve banken met 55 800 agentschappen. 2.2.3. Er moeten veelomvattende technische maatregelen worden genomen en dienovereenkomstige afspraken worden gemaakt om grensoverschrijdende betalingen tussen zoveel plaatselijke tot interregionale kredietinstellingen van uiteenlopende grootte en met een min of meer fijnmazig netwerk van bijkantoren te kunnen afwikkelen. Daarbij moet er vooral op worden gelet dat de kredietinstelling van de opdrachtgever en die van de begunstigde vaak niet met elkaar in vaste relatie staan en tot verschillende bankgroepen behoren. 2.2.4. Het Comité heeft in zijn advies van 20 maart 1991 () op deze bijzonderheden gewezen. Een - op zich wenselijke - volledige gelijktrekking van het grensoverschrijdende met het binnenlandse betalingsverkeer is dan ook niet zonder meer - zeker niet op korte termijn - mogelijk. Aanzienlijke verbeteringen in de afwikkeling van het internationale betalingsverkeer acht het Comité echter wel noodzakelijk en mogelijk. 2.2.5. De Europese overkoepelende organisaties van het bankwezen (zie voetnoot 1) hebben op 17 december 1992 te Brussel een gemeenschappelijke organisatie voor de standaardisering van grensoverschrijdende betalingen, het ECBS (), opgericht. Het ECBS werkt samen met de Commissie, het Europees Monetair Instituut, Europay International, Visa International, SWIFT (Society for Worldwide Interbank Telecommunication) en de normalisatie-instituten CEN en ISO. 2.3. Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie, gedurende het eerste halfjaar van 1994 samen met de in de PSULG-werkgroep vertegenwoordigde partijen (banken, consumenten, handel, MKB) richtsnoeren uit te werken inzake de voorlichting van cliënten bij grensoverschrijdende "face-to-face"-betalingen (zie par. 1.4.4). 2.4. Het Comité adviseert, de door de Commissie aangekondigde in paragraaf 1.4 genoemde tweede studie () over de vooruitgang op het gebied van grensoverschrijdende betalingen wat breder op te zetten dan de eerste in par. 1.2 genoemde studie van februari 1993. Een bredere opzet zou de studie representatiever en significanter maken dan de eerste. Een breder opgezette studie zou echter niet mogen worden tegengehouden op grond van de door de Commissie als argument aangevoerde meerkosten. De bevindingen van deze tweede studie zouden representatiever zijn dan die van de eerste indien de volgende suggesties van het Comité hierin zouden worden meegenomen. 2.4.1. De enquête zou moeten worden gehouden bij een groter aantal banken en niet opnieuw slechts bij 34 kredietinstellingen in alle twaalf lid-staten tezamen. Bij voorkeur zouden er ook banken in moeten worden opgenomen die frequent, en niet slechts incidenteel, voor talrijke cliënten grensoverschrijdende betalingen naar vele EU-landen verrichten. 2.4.2. Naast de grote banken zouden er meer instellingen van andere bankgroepen (regionale banken, spaarbanken, coöperatieve banken, particuliere postbanken) in de enquête moeten worden opgenomen. In plaats van een wat schematische benadering waarbij steeds vier banken in de grotere lid-staten en twee banken in de kleinere lid-staten worden gekozen, zou een zo representatief mogelijke selectie moeten worden gemaakt. Daarbij kan het best worden uitgegaan van betekenis en marktaandeel van de betrokken kredietinstellingen en de afzonderlijke lid-staten in het grensoverschrijdende betalingsverkeer. De berekende percentages zouden anders maar weinig significant zijn. 2.4.3. Tegelijkertijd zou ook aandacht moeten worden besteed aan initiatieven voor het grensoverschrijdende betalingsverkeer die door Europese bankgroepen als IBOS, Europartners of TIPA-Net, alsook door B EPSYS en het ACH-koppelnet (Automated Clearing Houses) zijn genomen of aangekondigd. Interessant zijn ook de ervaringen die b.v. de Banco Popular Español heeft opgedaan bij de overmaking van pensioenen in opdracht van de sociale-verzekeringsinstellingen van diverse landen (Zwitserland, Italië, Frankrijk, Duitsland, Nederland) ten behoeve van 1,8 miljoen Spaanse werknemers die voorheen in het buitenland werkzaam waren. 2.4.4. In het kader van haar studie zou de Commissie voorts aandacht moeten besteden aan de mogelijkheden waarover bankgroepen met een fijnmazig net van (doorgaans kleine) banken met bijkantoren in alle of vrijwel alle lid-staten beschikken. Deze groepen beschikken - zoals in het geval van "Euro-Giro" voor de particuliere postbanken of "Eufiserv" voor de spaarbanken - over eigen betalingscircuits, netwerkexploitanten, clearing-centra en "gateways". Binnen deze netten en dank zij hun gemeenschappelijke instanties kunnen zonder inschakeling van extra correspondentbanken rechtstreeks betalingsopdrachten van de rekening van een lid-bank in het ene land worden overgeschreven op de rekening van een lid-bank in een ander land. 2.4.5. Er moet niet uitsluitend en schematisch onderzoek worden gedaan naar de snelst mogelijke afwikkeling van 1 000 overmakingen van steeds 100 ecu. Ook moet worden onderzocht hoe het met de afwikkeling van betalingsopdrachten gesteld is waarbij de factor snelheid voor de opdrachtgever minder belangrijk is als de kostenfactor. Tot slot dient niet alleen de afwikkeling van betalingsopdrachten van 100 ecu te worden onderzocht, maar ook bij betalingsopdrachten van 1 000 tot 3 000 ecu, zowel van particuliere huishoudens als van kleine en middelgrote ondernemingen. 2.5. Het Comité is ingenomen met het voornemen van de Commissie, nuttige, op verbetering van de stelsels voor grensoverschrijdende betalingen gerichte vormen van samenwerking tussen banken te bevorderen. Het dringt er bij de Commissie op aan, tevoren te onderzoeken in welke gevallen de mededingingsvoorschriften van artikel 85 e.v. van het EG-Verdrag op een dergelijke samenwerking toepasselijk zijn, waarbij de uitzonderingsregeling die ten aanzien van de Eurochequeovereenkomst werd toegestaan, model zou kunnen staan. 2.6. Stelsels voor het grensoverschrijdende betalingsverkeer kunnen alleen op basis van overeenkomsten tussen alle deelnemende partijen worden verwezenlijkt. In bijlage C bij haar werkdocument van maart 1992 () bevestigt de Commissie zelf dat grensoverschrijdende betalingsdiensten zonder behoorlijke afspraken niet op zinvolle wijze kunnen worden verleend. 2.6.1. Zonder overeenkomsten is het niet mogelijk om tegen tevoren bekende raamvoorwaarden op grote schaal via diverse kredietinstellingen - zowel in het land van de opdrachtgever als in dat van de begunstigde - betalingen te doen verrichten, aangezien niet alle aan het proces deelnemende banken een vaste relatie met elkaar hebben. In deze overeenkomsten moeten de banktechnische specificaties en normen worden vastgelegd. Ook moeten hierin de bij dergelijke betalingen te volgen procedures en de verrekening van de in rekening gebrachte kosten en provisies worden geregeld. Alleen met gemeenschappelijke overeenkomsten is het mogelijk om, onafhankelijk van de afstand tussen land en woonplaats van de opdrachtgever en land en woonplaats van de begunstigde een forfaitair bedrag aan kosten vast te leggen. 2.6.2. Ook de gewenste doorzichtigheid van de condities, waarover de cliënt moet worden geïnformeerd, kan alleen op basis van overeenkomsten worden gerealiseerd. Indien bovendien de diverse stelsels voor grensoverschrijdende betalingen onder elkaar - dus ook steeds voor cliënten van andere bankgroepen - open moeten zijn, dan moeten er ook overeenkomsten komen tussen deze stelsels en met de grote internationale credit-card-maatschappijen. 2.6.3. De Commissie hanteert sinds haar Beschikking van 10 december 1984 inzake "Uniforme eurocheques" () de volgende beginselen : 2.6.3.1. Overeenkomsten tussen kredietinstellingen over aan de cliënten in rekening te brengen kosten zijn verenigbaar met artikel 85 van het EG-Verdrag. 2.6.3.2. Voor interbancaire overeenkomsten over tussen de instellingen te berekenen kosten kunnen overeenkomstig art. 85, lid 3, van het Verdrag uitzonderingen worden gemaakt. Dergelijke uitzonderingen mogen volgens de Commissie worden toegestaan () wanneer de overeenkomsten een verbetering voor de klantenkring met zich meebrengen en wanneer t.a.v. de kosten slechts maximumtarieven worden overeengekomen die de kredietinstellingen in hun onderlinge concurrentie niet overschrijden. In geen geval mogen deze maximumtarieven algemeen en stelselmatig worden toegepast en zonder meer op de cliënten worden afgewenteld. 2.6.4. Uitzonderingen op grond van Verordening nr. 17 zijn reeds toegestaan voor interbancaire tarieven in het geval van de Eurocheque-overeenkomst. Dergelijke uitzonderingen op artikel 85 zijn pas echt op hun plaats bij grootschalige afwikkeling van grensoverschrijdende betalingen waaraan door vele duizenden, overwegend kleinere banken wordt deelgenomen, die niet altijd een vaste relatie met elkaar hebben. Een overeenkomst betreffende tussen de instellingen maximaal te hanteren afwikkelingskosten zou de netwerkexploitant een calculatiegrondslag geven om tot een zekere compensatie van kosten te komen die gemaakt moeten worden binnen een betalingsverkeerssysteem waarbij een groot aantal landen, bankkantoren, categorieën betalingsopdrachten, gateways en clearingcentra betrokken zijn. Het Comité verzoekt de Commissie, te onderzoeken of deze argumentatie niet ook van toepassing is op stelsels voor grensoverschrijdende betalingen die qua dienstverlening aan hun cliënten met elkaar concurreren. De Commissie heeft deze kwestie reeds in haar werkdocument van maart 1992 (), bijlage C, punt 3C aangesneden. 2.7. Onder voorbehoud van de in paragraaf 2.4 aanbevolen uitbreiding van het onderzoeksterrein stemt het Comité in met de volgende criteria om de vooruitgang bij de afwikkeling van grensoverschrijdende betalingen te meten : 2.7.1. De eis wordt gesteld dat in tenminste twee derde van de bijkantoren van de door de enquête bestreken kredietinstellingen volledige schriftelijke informatie ten behoeve van de cliënten aanwezig moet zijn (conform de in paragraaf 1.1 genoemde richtsnoeren). Er moet hier evenwel rekening worden gehouden met het feit dat er in de twaalf lid-staten ongeveer 200 000 bijkantoren van kredietinstellingen zijn. Bij een zo groot net van bijkantoren zou het voorschrift dat er steeds schriftelijke informatie ten behoeve van de cliënten aanwezig moeten zijn, zo moeten worden uitgelegd dat deze informatie op verzoek van de cliënt moet worden verschaft. Voorts moet er bij dit deel van de enquête ook rekening mee worden gehouden dat de cliënt mondeling door de medewerkers van de bank kan worden geïnformeerd en geadviseerd. 2.7.2. Dubbele aanrekening van kosten - dus zowel bij de opdrachtgever als bij de begunstigde - is onaanvaardbaar en ontoelaatbaar. Volgens de criteria zou de Commissie het pas als vooruitgang bij de afwikkeling van internationale betalingen beschouwen indien dubbele aanrekening van kosten in minder dan 10 % van de gevallen voorkomt. Het zou van realiteitszin getuigen om dit criterium bij de evaluatie van de studie in eerste instantie nog tot 25 % te verhogen. De in een eventuele opheldering van deze gevallen geïnteresseerde banken moet de gelegenheid worden gegeven, de oorzaak van deze dubbele aanrekening na te trekken om herhaling te voorkomen. Dubbele aanrekening van kosten zou dan ook als volgt moeten worden gedefinieerd : bij de afwikkeling van een grensoverschrijdende betaling zijn zowel de opdrachtgever als de begunstigde kosten aangerekend, terwijl de opdrachtgever juist opdracht had gegeven om hem alle overmakingskosten in rekening te brengen, mits deze laatste opdracht door zijn bank is geaccepteerd. 2.7.3. Aan het criterium "binnen de gestelde termijn" wordt bij een grensoverschrijdende betaling geacht te zijn voldaan wanneer de met de cliënt overeengekomen termijn niet wordt overschreden. Aan de voorgeschreven uitvoering van een betalingsopdracht ten laatste op de werkdag volgend op de ontvangst van de opdracht, zou de voorwaarde verbonden moeten kunnen worden dat op de rekening van de opdrachtgever voldoende middelen staan. 2.8. Het Comité sluit zich aan bij de eis van het Europees Bureau van Unies van Verbruikers (BEUC) dat een regeling wordt getroffen voor de aansprakelijkheid voor niet behoorlijk uitgevoerde courante grensoverschrijdende betalingen. Het Comité ziet in waarom de Commissie in februari 1990 de aanbeveling heeft gedaan om klachtenbureaus in te stellen. Het Comité heeft in zijn advies van 20 maart 1991 () (CES 412/91) al gewezen op de goede ervaringen die hiermee in België zijn opgedaan. De in de diverse lid-staten opgerichte klachteninstanties zouden in Europees verband op informele wijze kunnen samenwerken (zie par. 3.7.3). De cliënten kunnen zich dan wenden tot een klachtenbureau in hun eigen land dat zich vervolgens in verbinding zou stellen met de klachteninstanties van het land van de begunstigde van de betaling. 2.9. Het Comité prefereert een gedragscode boven een richtlijn. De in paragraaf 1.1 genoemde richtsnoeren van de Europese overkoepelende organisaties van het bankwezen gaan al heel ver in de richting van een gedragscode. De in de PSULG-werkgroep van de Commissie vertegenwoordigde gebruikers van grensoverschrijdende betalingen (consumenten, handel, MKB) zijn ook over deze richtsnoeren geraadpleegd. De richtsnoeren zouden verder kunnen worden ontwikkeld tot een gedragscode of een handvest waarin de aanbieders van diensten op dit gebied bepaalde verplichtingen op zich zouden nemen. De in artikel 4 van het richtlijnvoorstel (par. 3.3.4) neergelegde verplichtingen zouden b.v. beter in een gedragscode of een handvest kunnen worden geregeld. De idee van een handvest wordt met name onderschreven door EG-commissaris Scrivener, die belast is met consumentenbescherming (). Volgens mevrouw Scrivener zou een dergelijk handvest het fiat krijgen van zowel de organisaties van het bankwezen en de verbruikers als van de Commissie. Daarmee zou dit handvest een bindend karakter krijgen en bij het publiek de nodige bekendheid krijgen. 2.9.1. Onderdeel van deze zelfregulering in de vorm van een gedragscode is met name de taak van de afzonderlijke banken om hun cliënten te adviseren over de voor- en nadelen van de diverse betalingsmodaliteiten (overmaking, cheque, kaart), alsook over de proefondervindelijke termijnen en de gemiddelde kosten. Voor de cliënten moeten de condities transparant zijn en moet een vergelijking tussen het aanbod van concurrerende banken mogelijk zijn. Aangezien een steeds groter aantal cliënten tegelijkertijd bij diverse banken rekeningen aanhouden, kan bij transparante condities op het concurrentiemechanisme worden vertrouwd. 2.9.2. Wordt toch een richtlijnvoorstel ingediend, dan dient dit zich te beperken tot zeer algemene raamvoorwaarden. Een Europese richtlijn waarin bindende voorschriften staan waaraan de kredietinstellingen zich in het internationale betalingsverkeer moeten houden, zou voor de consument wel eens meer nadelen dan voordelen met zich mee kunnen brengen. Dan moet namelijk gevreesd worden dat vele, vooral kleinere kredietinstellingen opdrachten voor internationale betalingen zullen weigeren omdat zij de in de richtlijn voorgeschreven gedetailleerde bepalingen sowieso niet kunnen (of willen) nakomen. 2.9.2.1. Met name in het geval van overmakingen naar begunstigden in gebieden die ver weg liggen van de financiële centra en op rekeningen bij kleine lokale banken, zou een en ander tot gevolg kunnen hebben dat deze betalingsopdrachten principieel geweigerd worden. Daardoor zouden aanzienlijke lacunes kunnen ontstaan in een geheel Europa dekkend betalingscircuit. 2.9.2.2. Volgens gegevens uit de studie van de Commissie van februari 1993 zijn circa 7 800 van de in totaal ongeveer 10 000 kredietinstellingen in de 12 lid-staten actief in het grensoverschrijdende betalingsverkeer, in feite dus minder dan 80 %. Dit cijfer zou nog een stuk kunnen dalen indien er een gedetailleerde regelgeving voor het grensoverschrijdende betalingsverkeer zou komen. Dit zou echter indruisen tegen de verlangens van de Commissie, tegen de wens van de cliënten en tegen het streven van het bankwezen. 2.9.3. De lacunes die na vaststelling van een richtlijn zouden ontstaan in het geheel Europa omvattende betalingsnetwerk, zouden mogelijkerwijs kunnen worden opgevangen door de openbare postdiensten. Alleen de openbare postdiensten als onderdeel van de openbare dienstverlening kunnen en moeten zelfs opdrachten voor grensoverschrijdende betalingen bij alle postkantoren aannemen, met inachtneming van alle gedetailleerde verplichtingen die ten aanzien van de afwikkeling in een Europese richtlijn zouden worden neergelegd. Daarbij kan de post, door inschakeling van postbodes voor geldzendingen, ook betalingen uitvoeren ten behoeve van begunstigden in afgelegen gebieden, zelfs wanneer dezen niet over een rekening beschikken. 2.10. In onderstaande bijzondere opmerkingen gaat het Comité in op het "uit voorzorg" door de Commissie in haar mededeling van december 1993 opgenomen richtlijnvoorstel. 3. Bijzondere opmerkingen 3.1. Indien de Commissie ertoe zou besluiten, de Raad een richtlijn inzake transparantie en kwaliteit van de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen, dan wil zij daar alleen maar mee bereiken dat bepaalde minimumeisen op EG-niveau worden vastgelegd. Het stemt het Comité tot voldoening dat het de lid-staten conform art. 1, lid 3, vrij staat, aanvullende eisen te stellen, zodat kan worden ingespeeld op de structuur van het bankwezen en het specifieke karakter van het betalingsverkeer in de afzonderlijke lid-staten. De Commissie geeft als motief voor de initiatieven die zij sedert 1990 heeft genomen, dat alledaagse overmakingen van kleine bedragen bevorderd moeten worden. In het voorstel voor een richtlijn wordt dit doel niet expliciet genoemd. Evenmin beperkt het toepassingsgebied van de richtlijn zich tot alledaagse internationale overmakingen van kleine bedragen (zie par. 3.2). 3.2. Toepassingsgebied (artikel 2) Er zou duidelijk gesteld moeten worden dat het richtlijnvoorstel bedoeld is voor alledaagse grensoverschrijdende betalingen van kleine bedragen, en niet voor grotere bedragen in het traditionele internationale betalingsverkeer, die nu al via SWIFT (Society for Worldwide Interbank Financial Telecommunication) worden afgewikkeld. In de vierde Overweging wordt weliswaar gewezen op de noodzaak onderscheid te maken tussen betalingen van kleine en van grote bedragen, maar daarbij wordt echter uitsluitend verwezen naar de drempel van 10 000 ecu waarboven grensoverschrijdende betalingen voor statistische doeleinden moeten worden aangemeld. Voorts worden in lid 2 van artikel 7 betalingen van meer dan 10 000 ecu uitgezonderd van de terugbetalingsplicht. Indien het de bedoeling is - al was het maar op impliciete wijze - om met deze bovengrens het dagelijkse betalingsverkeer van kleine bedragen te definiëren, dan moet duidelijk worden gepreciseerd dat de richtlijn van toepassing is op het betalingsverkeer van particuliere huishoudingen en kleine en middelgrote ondernemingen (MKB) en niet op grote betalingen in het kader van de traditionele activiteiten buitenland. 3.2.1. Tevens zou moeten worden gepreciseerd dat de richtlijn niet van toepassing is op het grensoverschrijdende betalingsverkeer met derde landen. 3.2.2. De richtlijn zou niet alleen moeten worden toegepast op kredietinstellingen in de zin van artikel 1 van Richtlijn 77/780/EEG (), maar ook op andere instellingen die beroepsmatig grensoverschrijdende betalingen verrichten, zoals maatschappijen die kredietkaarten uitgeven. Het toepassingsgebied zou zich voorts moeten uitstrekken tot alle betalingsmodaliteiten, zoals overmakingen of cheques, en alle procedures als automatische afschrijvingen of POS (Point of Sales)-afboekingen. Daarom zou in artikel 2 d) ook verwezen moeten worden naar Eurochequekaarten en kredietkaarten. Van deze betalingswijze wordt grensoverschrijdend bij "Tele-Shopping" en bestellingen bij postorderbedrijven, vooral in grensgebieden, in toenemende mate gebruikt gemaakt. 3.2.3. Banken die grensoverschrijdende betalingen niet kunnen (of in verband met de voorschriften van deze richtlijn niet willen) verrichten, zouden van het toepassingsgebied ervan, met name van artikel 3, moeten worden uitgesloten. 3.3. Transparantie (artikel 3, 4) 3.3.1. De schriftelijke informatie die de cliënten vóór het verrichten van een grensoverschrijdende betaling moet worden gegeven, stemt in vergaande mate overeen met de verplichtingen die de lidbanken van de drie grote Europese organisaties van het bankwezen in hun richtsnoeren van maart 1992 op vrijwillige basis zijn aangegaan (de openbare postbanken en de Britse "building societies" zijn niet aangesloten bij deze drie overkoepelende organisaties). 3.3.2. Een belangrijke aanvulling op deze schriftelijke informatie is de bij de meeste kredietinstellingen gebruikelijke mondelinge advisering van de cliënten omtrent de in hun geval gunstigste betalingswijze. Op grond hiervan kunnen cliënten b.v. besluiten om bij geringe bedragen een Eurocheque op naam van de begunstigde uit te schrijven of bij niet dringende overmakingen tevoren al een langere termijn te accepteren, ten einde op deze wijze eventueel de hogere kosten van een "premium speed service" te vermijden. 3.3.3. Er zijn echter ook bepaalde informaties over de afwikkeling van een internationale betaling, met name in afgelegen regio`s, die de cliënt vooraf niet met zekerheid kunnen worden gegeven. Dergelijke gegevens, met name over de exacte termijnen, kunnen niet dwingend via een Europese richtlijn worden voorgeschreven. 3.3.3.1. In veel gevallen kan de kredietinstelling de cliënt bij het aanvaarden dan diens betalingsopdracht slechts de bij ervaring vastgestelde gemiddelde termijn voor de afwikkeling ervan mededelen. In het grensoverschrijdende betalingsverkeer is het namelijk zo dat dikwijls diverse banken na elkaar worden ingeschakeld, banken waarmee de bank van de opdrachtgever geen vaste relatie heeft (zie par. 2.2.1.2). Met name bij zogenaamde netwerkoverschrijdende overmakingen (nl. op een rekening bij het bijkantoor van een kredietinstelling van een andere bankgroep) kan het voorkomen dat de bank van de opdrachtgever geen ervaringen heeft met een snelle doorgifte van de betalingsopdracht naar het buitenland en met het gebruik van buitenlandse clearingssystemen. Daarom kan de bank de cliënt de exacte termijn voor de afwikkeling van de betalingsopdracht tot en met het moment waarop het bedrag op de rekening van de begunstigde wordt bijgeschreven, niet garanderen. Om die reden dient de tekst achter het tweede gedachtenstreepje als volgt te worden gelezen : "de tijd die ongeveer nodig is om ...". 3.3.3.2. Vooraf kan de opdrachtgever alleen de valutadatum worden medegedeeld waarop zijn rekening zal worden gedebiteerd, maar niet de valutadatum voor de creditering van de rekening van de begunstigde. 3.3.3.3. Het lijkt een normale zaak dat de cliënt vooraf geïnformeerd wordt over de wisselkoers die voor zijn betalingsopdracht zal worden toegepast. Bij diverse valuta`s is het echter zo dat de wisselkoers aanzienlijke schommelingen te zien geeft. Dat is met name gebleken in het najaar van 1992 en opnieuw in 1993. Binnen het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel mogen de pariteiten sedert 2 augustus 1993 tot 15 % boven en 15 % beneden de spilkoers schommelen. Daarom zou het doelmatig zijn om de cliënt, wanneer deze zijn betalingsopdracht aanbiedt, op de hoogte te stellen van de wisselkoers op dat moment en hem te wijzen op de in het bankagentschap uitgehangen wisselkoersen. In gedrukte brochures en in ander informatief materiaal ten behoeve van de cliënten kunnen dus omrekeningskoersen, die immers snel veranderen, niet precies worden aangegeven. Hierop moet de cliënten eventueel worden gewezen, omdat velen verwachten dat de schriftelijke informatie ook de juiste wisselkoers bevat. 3.3.3.4. De begunstigde zou geïnformeerd moeten worden over de toegepaste wisselkoers in het geval dat de omrekening pas in zijn land plaatsvindt. Informatie van de begunstigde is overbodig wanneer overeengekomen is dat een bepaald bedrag in de valuta van zijn land zal worden overgemaakt, wat in de regel gebeurt. De begunstigde behoeft dan niet op de hoogte te zijn van de door de opdrachtgever in diens valuta betaalde bedragen, temeer daar deze wellicht bijzondere condities bij de wisselkoerstransactie heeft gekregen die onder het bankgeheim vallen. Daarentegen heeft de betalingsontvanger daar wel recht op te verwachten dat hij op de hoogte wordt gesteld van de opdrachtgever van de betaling en het doel ervan. 3.3.4. Wat de voorlichting van de opdrachtgever na de afwikkeling van de internationale betaling betreft, houden de meeste banken zich aan de in maart 1992 door hun overkoepelende organisaties vastgestelde richtsnoeren. Dat houdt in dat de opdrachtgever in het bezit wordt gesteld van de in artikel 4 genoemde documenten over de hem aangerekende afwikkelingskosten, met specificatie van kosten, provisies en belastingen, alsook met vermelding van de omrekeningskoers. Uit de in februari 1993 uitgevoerde studie blijkt zelfs dat dit in meer dan 80 % van de gevallen gebeurt. 3.3.5. Wanneer de opdrachtgever ook de afwikkelingskosten in het land van de begunstigde draagt, moet dit de begunstigde bij de creditering worden medegedeeld. Zoals blijkt uit de studie van februari 1993, gebeurt dat echter niet altijd. De banken zouden er daarom voor moeten zorgen dat bij het doorgeven van de grensoverschrijdende betaling via de diverse hierbij betrokken banken ook de vermelding wordt doorgegeven dat de opdrachtgever de kosten die de kredietinstelling de begunstigde aanrekent, voor zijn rekening neemt. 3.4. Verplichting om de overboeking binnen een redelijke termijn uit te voeren (artikel 5) 3.4.1. Het Comité stemt in met de wens dat grensoverschrijdende betalingen zo snel mogelijk worden afgewikkeld, tenzij een afwijkende regeling wordt getroffen met de opdrachtgever. Dit lijkt overigens in het bankwezen zonder meer al usance te zijn. 3.4.2. Er moet bezwaar worden gemaakt tegen de in artikel 5 genoemde uiterste termijn van zes werkdagen. Een deel van het grensoverschrijdende betalingsverkeer wordt namelijk niet onmiddellijk en rechtstreeks tussen slechts twee correspondenten in financiële centra afgewikkeld, wat het ideale geval zou zijn. De aandacht moet ook uitgaan naar gevallen waarin de opdrachtgever en/of de begunstigde in ver van de financiële centra gelegen gebieden woonachtig zijn en een rekening voeren bij bijkantoren van kleine plaatselijke of regionale banken. In die gevallen moeten vaak diverse kredietinstellingen van dezelfde - of zelfs een andere - bankengroep worden ingeschakeld, en deze banken hebben niet alle een vaste relatie met elkaar. Dit houdt het volgende in : 3.4.2.1. De afwikkeling kan veel langer duren wanneer de weg op diverse plaatsen onderbroken is (b.v. van het bijkantoor van een plaatselijke bank in het land van de opdrachtgever naar een regionale of nationale bank die een correspondent heeft in het land van de begunstigde en aldaar via een nationale of regionale bank naar een plaatselijke bank en het desbetreffende bijkantoor). 3.4.2.2. Dikwijls worden in het land van de begunstigde kredietinstellingen van andere bankengroepen ingeschakeld waarmee de kredietinstelling van de opdrachtgever geen vaste relatie heeft. Laatstgenoemde heeft dan geen invloed meer op de afwikkeling van de betaling in het andere land, noch op daar eventueel optredende onregelmatigheden. 3.4.2.3. Nog een gevolg is dat een bij de afwikkeling ingeschakelde bank niet kan worden gedwongen om een betaling uiterlijk op de werkdag volgend op de ontvangst van de betalingsopdracht uit te voeren wanneer deze bank het geld voor die transactie nog niet heeft ontvangen. Het moet dan ook aan deze bank worden overgelaten om te bepalen of zij de benodigde middelen voorschiet en daarmee bereid is tot het nemen van een risico, en de betalingsopdracht uitvoert voordat van de vreemde bank de nodige dekking is ontvangen. 3.4.3. Uit de studie van februari 1993 blijkt dat een grensoverschrijdende betaling gemiddeld 3,2 dagen in beslag neemt wanneer wordt uitgegaan van de valutadatum van de debitering van de rekening van de opdrachtgever en de valutadatum van de creditering van de rekening van de ontvanger, en 4,6 dagen vanaf het moment dat de betalingsopdracht bij de bank binnenkomt tot het moment waarop het bedrag op de rekening van de begunstigde is bijgeschreven. Dit resultaat kan reeds als bevredigend worden aangemerkt, ook al is dit hoofdzakelijk te danken aan het grote aantal rechtstreekse overmakingen tussen correspondentbanken in financiële centra. Voor de berekening van de termijn van de overmaking opteren de kredietinstellingen voor de "valuta"-definitie, die bij grotere bedragen i.v.m. renteverliezen resp. -winsten van betekenis is. De Commissie acht het daarentegen zinvoller te rekenen vanaf het moment waarop de betalingsopdracht wordt aangeboden. Het Comité heeft begrip voor deze berekeningswijze die ook is vastgelegd in de UNCITRAL-modelvoorschriften. 3.4.4. Bindende voorschriften over de termijnen voor de uitvoering van grensoverschrijdende betalingen lijken, gelet op de in paragraaf 3.4.2 naar voren gebrachte motieven, ondoelmatig. Ook de door de Commissie ingestelde werkgroep voor juridische kadervoorwaarden betwijfelt of dergelijke voorschriften noodzakelijk zijn (zie par. 19 van het rapport van de "Legal Framework Group" en XV 154/93 van 3 december 1993). 3.4.5. Bindende voorschriften over de termijnen zouden ertoe kunnen leiden dat tal van - vooral kleinere - banken betalingsopdrachten zullen weigeren, omdat zij zelf geen greep hebben op de afwikkeling ervan door vreemde banken in een ander land. 3.5. Verplichting om de overboeking overeenkomstig de betalingsopdracht uit te voeren (artikel 6) 3.5.1. In het grensoverschrijdende betalingsverkeer was het tot nog toe regel (in 94 % van de gevallen) dat iedere deelnemer de aan zijn kant ontstane kosten zelf draagt (de zgn. SHARE-regeling inzake kostenverdeling). In de ontwerp-richtlijn wordt echter als algemene norm voor de toekomst gehanteerd dat de opdrachtgever alle kosten voor zijn rekening neemt, zodat het volledige bedrag, zonder aftrek, op de rekening van de begunstigde wordt bijgeschreven. Deze zogenaamde OUR-regeling (volledige kostenovername door de opdrachtgever) wint vooral bij overmaking van kleinere bedragen aan betekenis. Nieuwe betalingsverkeersnetten (b.v. TIPA-net of het ACH-koppelnet van de "Automated Clearing Houses") zijn gebaseerd op deze OUR-regeling of beogen deze regeling toe te passen. 3.5.2. In de studie van februari 1993 werden alleen grensoverschrijdende betalingen volgens de "OUR-regeling" onderzocht. Daarbij is gebleken dat in 43 % van de betalingen de begunstigde eveneens kosten in rekening zijn gebracht, hoewel de opdrachtgever met zijn bank uitdrukkelijk was overeengekomen, alle kosten zelf te dragen en de begunstigde in het genot te stellen van het volledige bedrag, zonder aftrek (zie par. 2.7.2). Bij een dergelijke dubbele aanrekening van kosten ("double charging") zou de bank van de opdrachtgever overeenkomstig art. 6, lid 2, de kosten moeten terugbetalen die ten onrechte in rekening zijn gebracht. Bovendien verliest de bank ook het recht op kosten op de oorspronkelijke betalingsopdracht, zelfs in gevallen waarin de schuld alleen bij de bank van de begunstigde ligt. Gezien vanuit het standpunt van de opdrachtgever, die alleen zijn eigen bank kan aanspreken, lijkt een dergelijke regeling wel begrijpelijk. Voor de kredietinstelling van de opdrachtgever is een zo vergaande aansprakelijkheid, gelet op de in paragraaf 2.2, 2.2.3 en 3.4.2 genoemde voorwaarden, niet aanvaardbaar, vooral in het geval dat de bank van de begunstigde inmiddels insolvent zou zijn geworden. 3.5.3. In verband met het vertrouwelijke karakter van de gegevens is de Europese overkoepelende organisaties van het bankwezen geen inzage gegeven in de stukken van de in februari 1993 verrichte studie. Daarom zijn de organisaties tot op de dag van heden niet op de hoogte van de oorzaken van de geconstateerde gevallen van dubbele aanrekening van kosten. 3.5.4. De Commissie zou ervoor moeten zorgen dat in het kader van de in par. 1.4 genoemde tweede studie in 1994 nauwkeurige gegevens worden verzameld over eventuele gevallen van dubbele aanrekening van kosten. Het bankwezen zou dan niet met de bancaire usances overeenkomende gevallen van dubbele aanrekening van kosten kunnen natrekken; daarbij zij opgemerkt dat deze gevallen eventueel ook het gevolg kunnen zijn van onvolledige of zelfs foutieve gegevens van de kant van de opdrachtgever. Daarom zou in lid 2 van artikel 6 een uitzondering moeten worden voorzien in geval van eventuele "medeschuldigheid" van de opdrachtgever. 3.6. Verplichting tot terugbetaling bij niet-behoorlijk uitgevoerde betalingsopdrachten (artikel 7) 3.6.1. Indien de rekening van de begunstigde niet wordt gecrediteerd met het bedrag van de overmaking, heeft de opdrachtgever (lid 1, art. 7) er recht op dat zijn rekening wordt gecrediteerd met het volledige bedrag van de overboeking, vermeerderd met het bedrag van de kosten. Daarmee ontstaat voor de kredietinstelling van de opdrachtgever een vorm van aansprakelijkheid zonder schuld. Aan de andere kant heeft de bank van de opdrachtgever recht op terugbetaling door de bij de betalingsafwikkeling na elkaar ingeschakelde banken die de opdracht niet behoorlijk hebben uitgevoerd. Deze terugbetaling is echter niet zo zeker dat daarmee de nadelen van bovengenoemde aansprakelijkheid zonder schuld geheel worden gecompenseerd. 3.6.2. Volgens lid 2 van artikel 7 kan terugbetaling ten vroegste 20 werkdagen na de datum waarop de overboeking had moeten worden uitgevoerd, worden geëist. Zelfs bij een dergelijke termijn is het denkbaar dat de opdrachtgever zijn geld terug krijgt, terwijl de begunstigde intussen toch nog gecrediteerd is en ook over zijn saldo heeft gedisponeerd. 3.6.3. Onduidelijk is in hoeverre op deze terugbetalingsplicht in geval van overmacht kan worden afgedongen. In lid 2 van artikel 7 wordt gewezen op de definities van overmacht in Richtlijn 90/314/EEG (). Gepreciseerd moet worden of deze terugbetalingsplicht ook gehandhaafd blijft wanneer voor de kredietinstelling van de begunstigde een procedure van surséance van betaling of faillissement dreigt of wordt geopend vóórdat deze kredietinstelling de rekening van de begunstigde kon crediteren. Kennelijk worden deze gevallen niet aangemerkt als overmacht, althans niet bij bedragen van minder dan 10 000 ecu. 3.7. Klachten en beroepsprocedures (artikel 8) 3.7.1. Door cliënten ingediende klachten waarvoor de kredietinstelling in kwestie geen oplossing heeft gevonden, dienen overeenkomstig lid 3 van artikel 8 aan onafhankelijke en algemeen bevoegde klachteninstanties te worden voorgelegd. Overeenkomstig het ook in nationaal verband geldende subsidiariteitsbeginsel moeten deze klachtenbureaus naar keuze door de kredietinstellingen zelf dan wel door de centrale banken of de autoriteiten van de lid-staten kunnen worden opgezet. 3.7.2. Aangezien deze klachteninstanties geen rechterlijke uitspraken kunnen doen, lijkt het overdreven om bij wege van een communautaire richtlijn van de lid-staten te verlangen dat zij (lid 5) erop toezien dat de beslissingen van deze instanties geregeld worden bekendgemaakt. 3.7.3. Grensoverschrijdende samenwerking tussen deze klachteninstanties kan zinvol worden. De cliënt kan zich dan tot een klachtenbureau in zijn eigen land wenden, die zich voor de opheldering van de zaak in verbinding kan stellen met een klachtenbureau in het land van de begunstigde. Voor een dergelijke vorm van samenwerking tussen klachtenbureaus noch voor de aanstelling van een Europese ombudsman zijn evenwel bindende voorschriften van de EU noodzakelijk. Brussel, 6 juli 1994. De voorzitter van het Economisch en Sociaal Comité Susanne TIEMANN () Banking Federation of the EC, Europese Spaarbankenvereniging en Europese Vereniging van Coöperatieve Banken. () SEC(92) 621 van 17. 3. 1992. () SEC(93) 1968, zie IP 18(94) 455 van 30. 5. 1994. () Zie Doc. XV/106/04 van de Commissie. () Gedragscode van de in de eerste voetnoot genoemde organisaties van het Europese bankwezen over betalingssystemen met kaarten (Doc. 135/90). () Advies van het ESC over het discussiestuk "Het verrichten van betalingen op de interne markt" (PB nr. C 120 van 6. 5. 1991). () European Committee for Banking Standards/Europäischer Ausschuss für Bankstandards/Comité Européen de Normalisation Bancaire, Secretariaat : place Jamblinne de Meux 34/35, B 1040 Brussel. () Oproeping tot inschr+ving 94/C/5/09, PB C 5/15 van 7. 1. 1994; deze studie moet niet worden verward met de door de Dienst consumentenbeleid van de Commissie b+ de heer B. Dupont in opdracht gegeven studie over de door grote banken aangeboden diensten in het grensoverschr+dende betalingsverkeer. () Doc. SEC(92) 621; zie ook het verslag van de Commissie over de mededingingspolitiek (COM(94) 161 def. van 5. 5. 1994) punt III 119 en 120. () Zie C.D. Ehlermann in "Revue trimestrielle de droit européen", 3/1993, blz. 457 e.v. en "La doctrine Vanni d`Archirafi" in Institutions Européennes et Finance, nr. 1a (maart 1994), blz. 2. () Doc. SEC(92) 621. () Advies van het ESC over het discussiestuk "Het verrichten van betalingen op de interne markt" (PB nr. C 120 van 6. 5. 1991). () Zie referaat van Chr. Scrivener t+dens het colloquium inzake grensoverschr+dende betalingen op 1 maart 1994 in Par+s. () PB nr. L 67 van 15. 3. 1993, blz. 39. () PB nr. L 35 van 7. 2. 1985, blz. 43. () PB nr. L 158 van 23. 6. 1990, blz. 59. () PB nr. L 322 van 17. 12. 1977.