Advies van het Comité van de Regio' s over de mededeling van de Commissie inzake het communautair initiatief voor stedelijke gebieden (URBAN), in samenhang met de communautaire initiatieven in het kader van de structuurfondsen CdR 40/94
Publicatieblad Nr. C 217 van 06/08/1994 blz. 0010
Advies over de mededeling van de Commissie inzake het communautair initiatief voor stedelijke gebieden (URBAN), in samenhang met de communautaire initiatieven in het kader van de structuurfondsen (94/C 217/03) De Europese Commissie heeft op 15 maart 1994 besloten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 198 C van het Verdrag betreffende de Europese Unie het Comité van de Regio's te raadplegen over de bovengenoemde mededeling. Het Comité van de Regio's heeft tijdens zijn derde zitting van 17 en 18 mei 1994 (vergadering van 17 mei 1994) het volgende, door de algemeen rapporteur, de heer Rutelli, voorbereide advies uitgebracht, dat met meerderheid van stemmen (2 onthoudingen) is goedgekeurd. HET COMITÉ VAN DE REGIO'S, Overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 24 februari 1994 over de toekomst van de communautaire initiatieven in het kader van de structuurfondsen [COM(94) 46] de basisbeginselen heeft neergelegd voor de communautaire initiatieven in de periode 1994-1999, die voornamelijk betrekking hebben op grensoverschrijdende en interregionale samenwerking en netwerken, de ontwikkeling van het platteland en de ultraperifere regio's, werkgelegenheid en ontwikkeling van het menselijk potentieel, en begeleiding bij veranderingen in de industrie; Overwegende dat de Commissie op 2 maart 1994 een mededeling heeft goedgekeurd [doc. COM(94) 61] tot vaststelling van de richtsnoeren voor operationele programma's die de lid-staten dienen op te stellen in het kader van een communautair initiatief voor stedelijke gebieden (URBAN), in de zin van artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 2082/93 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4253/88, en van artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2083/93 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4254/88; Overwegende dat het Europees Parlement bij de behandeling van de begroting voor 1994 besloten heeft, in het hoofdstuk "communautaire initiatieven" een begrotingslijn "stadsbeleid" op te nemen; Overwegende dat de regionale en plaatselijke overheden overeenkomstig artikel 198 A van het Verdrag betreffende de Europese Unie via het Comité van de Regio's aan de communautaire besluitvorming deelnemen; Overwegende dat de plaatselijke overheden overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel ook via de toekenning van voldoende financiële middelen meer armslag moeten krijgen ten einde de verdere Europese integratie te bevorderen; Overwegende dat de Commissie op grond van het participatiebeginsel en de noodzaak het democratisch "tekort" van de Europese Unie te verminderen, de plaatselijke overheden bij de tenuitvoerlegging van het structuurbeleid van de Gemeenschap moet betrekken; Overwegende dat het subsidiariteitsbeginsel, waarbij de besluiten op het dichtst mogelijk bij de burger liggende niveau moeten worden genomen, van toepassing moet zijn op de door de Commissie in het kader van de structuurfondsen genomen communautaire initiatieven, zodat de steden en de plaatselijke overheden ook ten aanzien van deze instrumenten actieve en democratische inspraak wordt verleend, waarbij tenvolle en in zo ruim mogelijke mate recht moet worden gedaan aan de interinstitutionele dialoog met het Comité van de Regio's; Overwegende dat het takenpakket van de plaatselijke bestuurlijke instanties - hoe verschillend dat van lid-staat tot lid-staat ook is geregeld - steeds zeer uitgebreid en belangrijk is, en dat de Europese integratie aanzienlijke gevolgen heeft voor de activiteiten en het beleid van deze instanties; Overwegende dat in Agenda 21, die tijdens de Conferentie van Rio is ondertekend, het belang wordt benadrukt van strategieën voor een duurzame ontwikkeling van stedelijke gebieden; Overwegende dat in het document "Europa 2000", het Groenboek voor het stadsmilieu en het vijfde actieprogramma uitdrukkelijk is gewezen op de noodzaak om alle beleidsvormen van de EU opnieuw aan dat beginsel van duurzame ontwikkeling te toetsen, en dat de Commissie dat beginsel voortaan bij al haar nieuwe initiatieven in acht neemt; Overwegende dat het beleid van de EU en de initiatieven van de Commissie het leven in de stad, maar ook de ruimtelijke ordening (energie, vervoer, toerisme, MKB, sociaal beleid) in veel (milieu-) opzichten beïnvloeden en dat bovendien in het vijfde kaderprogramma voor onderzoek wordt vastgesteld dat de voortschrijdende verslechtering van de woonomstandigheden in de stad en van de leefbaarheid van de openbare ruimten een sociaal-economisch onderzoek noodzakelijk maakt; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de ervaring die is opgedaan met de proefprojecten die nu al sinds 1989 krachtens artikel 10 van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) worden uitgevoerd (uitwisseling van ervaring en samenwerking tussen Europese regio's en steden) en vooral met het RECITE-programma ("Regions and Cities for Europe") waarmee wordt gestreefd naar de bevordering van de economische bedrijvigheid in achtergebleven gebieden, steunverlening aan plaatselijke economische partners en de vergroting van de schaalvoordelen dank zij kostenverdelende regelingen op terreinen waarvoor de plaatselijke autoriteiten bevoegd zijn; Overwegende dat maatschappelijke uitsluiting met al haar gevolgen een netelig probleem vormt en een zware financiële belasting met zich mee brengt voor de plaatselijke autoriteiten die moeten ingrijpen op het gebied van de sociale bijstand, huisvesting, urbanisme, de renovatie van verpauperde wijken of clandestiene woningen en de reïntegratie in de maatschappij door middel van opleiding en onderwijs; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de resultaten van programma's waarmee wordt gestreefd naar oplossingen voor het probleem van de maatschappelijke uitsluiting en voor de problemen die het gevolg zijn van de trek naar de grote stadsagglomeraties, waarbij met name moet worden gedacht aan het programma "Armoede III"; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de resultaten van programma's ten behoeve van de zwakkeren in de maatschappij en met name met MIGRANTS (voor de huisvesting van allochtone werknemers), ERGO (voor de bestrijding van langdurige werkloosheid) en HELIOS (voor de sociaal-economische reïntegratie van gehandicapten); heeft tijdens zijn derde zitting van 17 en 18 mei 1994 met meerderheid van stemmen (twee onthoudingen) het hierna volgend advies opgesteld. De heer Rutelli was algemeen rapporteur. 1. Algemene beschouwingen HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Is zeer ingenomen met het voorstel van de Commissie om een ad hoc-initiatief op te zetten waarin de specifieke kenmerken van de problematiek van de stedelijke gebieden worden aangepakt en effectieve beleidsinstrumenten ter beschikking worden gesteld van de Europese steden, waar 80 % van de bevolking van de Europese Unie woonachtig is. Het heeft met name lof voor het innoverende en meer institutionele karakter dat dit initiatief heeft in vergelijking met de tot dusver in het kader van de structuurfondsen uitgevoerde proefprojecten (1988-1993). Het stemt in met de hoofdlijnen van dit door de Commissie voorgestelde initiatief, dat vooruitloopt op een geïntegreerde strategie voor de lange termijn waarin economische groei, energie, vervoer, ruimtelijke ordening en alle andere vraagstukken betreffende het leven in de stad zijn vervat. Het verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is een specifiek communautair initiatief te nemen ten behoeve van kleine stadsagglomeraties met minder dan 100 000 inwoners. Het meent dat een dergelijke strategie alleen tot stand kan worden gebracht met de medewerking van de plaatselijke instellingen en verenigingen en van het plaatselijke bedrijfsleven, met optimale gebruikmaking van alle bestaande partnerschapsregelingen door grensoverschrijdende uitwisseling van ervaring en informatie via netwerken tussen steden van verschillende landen, óók buiten de Unie, en door middel van de versterking van alle bestaande vormen van partnerschap. Het hoopt dat de resultaten van dit communautair initiatief bij de herziening van het Verdrag betreffende de Europese Unie in 1996 de grondslag zullen vormen voor een nieuw beleid voor stedelijke gebieden. 2. Financiële bijdrage van de Gemeenschap Het Comité vindt 60 miljoen ecu voor slechts ongeveer vijftig stedelijke gebieden met een bevolking van meer dan 100 000 inwoners voor een periode van vier jaar, onvoldoende gelet op de omvang van de behoeften. Deze bijdrage zou aanzienlijk moeten worden verhoogd; het geld zou vooral gebruikt moeten worden voor een beperkt aantal projecten die een betekenisvol referentiekader vormen voor een coherente steunverlening ten behoeve van de verbetering van de leef- en woonomstandigheden in stedelijke gebieden. De voor de goedgekeurde projekten uitgetrokken middelen moeten onder rechtstreeks beheer van de betrokken stadsbesturen, en dus niet van nationale-overheidsinstanties, komen te staan. 3. Subsidiariteit en partnerschap Met inachtneming van het in het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgelegde subsidiariteitsbeginsel en van het partnerschapsbeginsel dat de hoeksteen van de hervorming van de structuurfondsen vormt, zouden de plaatselijke autoriteiten een rol van cruciale betekenis moeten spelen bij de uitvoering van de communautair initiatief, aangezien deze de democratisch gekozen overheden zijn die het dichtst bij de stadsgemeenschappen staan. Dit initiatief vormt een belangrijke gelegenheid om het beginsel van het partnerschap in praktijk te brengen. Volgens dat beginsel moet de Commissie de plaatselijke autoriteiten betrekken bij de uitwerking en uitvoering van alle mogelijke onderdelen van het structuurbeleid van de Gemeenschap (het uitwerken van criteria voor het stellen van prioriteiten, de evaluatie van projecten, de benoeming van onafhankelijke deskundigen die deel zouden kunnen uitmaken van deskundigengroepen die de Commissie in samenwerking met de lid-staten wil gaan opzetten, enz.). 4. Nationale operationele programma's Het Comité plaatst vraagtekens bij het nut van de operationele programma's die door de lid-staten moeten worden opgesteld en heeft bovendien zijn twijfels over de voor de indiening van deze programma's gekozen termijn (binnen vier maanden na de datum van bekendmaking van de mededeling van de Commissie over dit initiatief). Het zou willen dat de lid-staten slechts de verantwoordelijkheid krijgen voor een eerste selectie van de projecten, waarbij in samenwerking met de plaatselijke autoriteiten de projecten worden uitgesloten die zeker niet in aanmerking komen, en dat de Commissie opnieuw in samenwerking met de plaatselijke autoriteiten de eindverantwoordelijkheid voor de definitieve beoordeling van de projecten behoudt. 5. Voor het initiatief in aanmerking komende stadswijken en -delen Het Comité stelt vast dat een groot deel van de voor dit initiatief uitgetrokken middelen bestemd is voor steden in achtergebleven gebieden (doelstelling 1). Het is immers zaak, naast de communautaire hulpprogramma's die voor iedere betrokken regio worden goedgekeurd, het optreden van de Unie doeltreffender te maken. Zo kan de door deze gebieden opgelopen ontwikkelingsachterstand sneller worden opgeheven. Wel zou bij de toebedeling van de overige middelen (die dus bestemd zijn voor steden buiten de achtergebleven gebieden van doelstelling 1) met een zekere flexibiliteit te werk moeten worden gegaan. Dan wordt het mogelijk ook iets te doen voor al die stadswijken of -delen die een wel hoge mate van verpaupering kennen, maar tot dusverre slechts in aanmerking zijn gekomen voor karig bedeelde - buiten de structuurfondsen vallende - communautaire programma's omdat ze zich in gebieden bevinden die niet onder doelstelling 1 vallen. Een ander argument om flexibiliteit te betrachten, is dat sinds de hervorming van de structuurfondsen steden in "zwaar door de achteruitgang van de industrie getroffen" gebieden (doelstelling 2) nu ook voor steun in aanmerking komen, maar dat een dergelijke crisistoestand heel goed alleen in bepaalde stadswijken of -delen kan voorkomen. Daar doen zich dan de door de noodzakelijke omschakeling van de industrie veroorzaakte problemen voor, ook al zijn de criteria van doelstelling 2 niet op de stad in haar geheel van toepassing. Tenslotte kan worden aangevoerd dat flexibiliteit nodig is in verband met het belang van doelstellingen 3 en 4 voor àlle steden. Dat blijkt wel uit de twee nieuwe doelstellingen die bij de herziening van het sociaal fonds voor stedelijke gebieden zijn ingevoerd: integratie van werknemers die uit het arbeidsproces dreigen te worden gestoten en aanpassing van werknemers aan de veranderingen waaraan de industrie onderhevig is. Wel acht het Comité het gewenst dat bij de keuze van steden buiten de gebieden van doelstelling 1 wordt uitgegaan van de aanwezigheid van (proef)projecten in het kader van netwerken en informatie-uitwisseling met steden binnen de gebieden van doelstelling 1. Het is evenwel van mening dat het aantal in aanmerking komende projecten die buiten de gebieden van doelstelling 1 vallen (16 of 17 van de 50, oftewel één derde van het totaal) onvoldoende is. Van de indicatoren die de Commissie voorstelt om te kunnen uitmaken welke stadswijken of -delen "probleembuurten" zijn, vindt het Comité vooral de kwaliteit van de huisvesting, de sociaal-etnische samenstelling van de bevolking, het werkloosheidspercentage en het percentage bijstandstrekkers van groot belang. Het adviseert om daaraan de indicator "toegang tot de basisvoorzieningen" toe te voegen (zoals energie- en/of watervoorziening, riolering of bestrating). 6. In aanmerking komende maatregelen Het Comité kan instemmen met het soort maatregelen dat volgens de Commissie voor opname in de geïntegreerde programma's in aanmerking kan komen. De Commissie is daarbij uitgegaan van de met de proefprojecten opgedane ervaring. 7. Raadpleging en partnerschap Het Comité is van oordeel dat de burgers voor wie een in het kader van het onderhavige initiatief gefinancierd programma bestemd is, daarover moeten worden geraadpleegd. Dit kan rechtstreeks of via gekozen plaatselijke vertegenwoordigers. Zo kan worden voorkomen dat bij de planning fouten worden gemaakt of dat maatregelen worden getroffen die niet leiden tot bepaalde vormen van partnerschap. 8. Verspreiding van de resultaten Het Comité betreurt dat aan de resultaten van de proefprojecten nauwelijks bekendheid is gegeven. Het pleit er dan ook voor dat over de verwachte en bereikte resultaten van het onderhavige communautaire initiatief seminars en conferenties worden gehouden. Gedaan te Brussel, 17 mei 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC