Advies over het voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot oprichting van een Cohesiefonds CdR 16/94
Publicatieblad Nr. C 217 van 06/08/1994 blz. 0001
Advies over het voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot oprichting van een Cohesiefonds (1) (94/C 217/01) HET COMITÉ VAN DE REGIO'S, Overwegende dat de Gemeenschap krachtens artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van Europese Gemeenschappen onder meer tot taak heeft de economische en sociale samenhang en de solidariteit tussen de lid-staten te verbeteren, hetgeen van essentieel belang is voor de ontwikkeling en het welslagen van de Gemeenschap, en dat artikel 3 de versterking van de economische en sociale samenhang noemt als een van de maatregelen om de in artikel 2 genoemde doelstellingen te bereiken; Overwegende dat artikel 130 A van het Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap, teneinde de harmonische ontwikkeling van de Gemeenschap in haar geheel te bevorderen, haar op de versterking van de economische en sociale samenhang gericht optreden ontwikkelt en vervolgt, en zich daarbij in het bijzonder ten doel stelt, de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's, met inbegrip van de plattelandsgebieden, te verkleinen; Overwegende dat de lid-staten in een aan het Verdrag gehechte verklaring erkennen dat de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap (Franse Overzeese Departementen, de Azoren en Madeira en de Canarische Eilanden) een grote structurele achterstand hebben die wordt verergerd door verscheidene factoren welke door hun blijvende en cumulatieve karakter de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden; Overwegende dat artikel 130 D voorziet in de oprichting van een Cohesiefonds, dat een financiële bijdrage levert aan projecten op het gebied van milieu en transeuropese netwerken in de sfeer van de vervoersinfrastructuur; Overwegende dat de lid-staten overeen zijn gekomen dat het Cohesiefonds een financiële bijdrage van de Gemeenschap zal verlenen voor projecten in lid-staten met een BNP per hoofd van de bevolking van minder dan 90 % van het gemiddelde van de Gemeenschap die een programma hebben uitgewerkt dat leidt tot het voldoen aan de voorwaarden van de in artikel 104 C van het Verdrag omschreven economische convergentie; Overwegende dat het staatshoofd en de regeringsleiders, op 26 en 27 juni 1992 te Lissabon en op 11 en 12 december 1992 te Edinburgh bijeen, overeenstemming bereikt hebben over de beginselen en de wijze van toepassing van het Cohesiefonds, en dat de Raad in het kader van de financiële vooruitzichten voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen besloten heeft dat op de begroting 15 150 miljoen ecu voor het Cohesiefonds zal worden vastgelegd; Overwegende dat staatshoofd en regeringsleiders met het oog op mogelijke vertraging bij de bekrachtiging van het Verdrag betreffende de Europese Unie de Commissie en de Raad verzocht hebben, vóór 1 april 1993 op grond van artikel 235 van het Verdrag van Rome een voorstel tot invoering van een tijdelijk instrument voor te leggen respectievelijk aan te nemen, (2) PB nr. C 39 van 9. 2. 1994, blz. 6-12. waarmee op de door het Cohesiefonds bestreken gebieden financiële steun kan worden toegekend aan Ierland, Griekenland, Portugal en Spanje; Overwegende dat de Raad, ingaand op het verzoek van de Europese Raad en op voorstel van de Commissie, op 30 maart 1993 Verordening (EG) nr. 792/93 (1) tot instelling van een cohesie-financieringsinstrument heeft aangenomen; dat deze verordening op 1 april 1993 in erking is getreden en de geldigheidsduur ervan bij besluit van de Raad van 10 maart 1994 tot 31 december 1994 is verlengd, teneinde continuïteit tussen het financieringsinstrument en het Cohesiefonds te waarborgen; Overwegende dat de Commissie op 21 december 1993 bij de Raad een voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Cohesiefonds en een voorstel voor een verordening houdende bepalingen ter uitvoering daarvan (2) heeft ingediend; Overwegende dat de Raad op 3 maart 1994 overeenkomstig de artikelen 130 D en 198 C van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen besloten heeft het Comité van de Regio's (CvdR) te raadplegen over het voorstel voor een verordening tot oprichting van een Cohesiefonds en voor het uitbrengen van het advies een termijn gesteld heeft van 1 maand te rekenen vanaf het tijdstip waarop het verzoek is ontvangen; HEEFT tijdens zijn tweede zitting van 5 en 6 april 1994 (vergadering van 5 april 1994) het volgende door de heer J. B. Mota Amaral, algemeen rapporteur, opgestelde advies met algemene stemmen goedgekeurd. 21. Algemene opmerkingen 1.1. Algemeen gunstig advies Het CvdR erkent dat het onderhavige voorstel voor een verordening van de Raad en het daarbij op te richten Cohesiefonds in grote trekken beantwoorden aan de doelstellingen die vermeld zijn in de in de Overwegingen geciteerde basisteksten, en als concrete blijk van Europese solidariteit een zeer positieve bijdrage leveren tot de regionale economische ontwikkeling in de meest perifere en achtergebleven lid-staten van de Unie. Over het geheel genomen stemt het CvdR dan ook in met het onderhavige document, brengt het daarover een gunstig advies uit en dringt het aan op de spoedige goedkeuring, inwerkingtreding en tenuitvoerlegging ervan. 1.2. De verordening houdende de uitvoeringsbepalingen In overeenstemming met artikel 198 C van het Verdrag acht het CvdR het, gezien het belang van het Cohesiefonds voor de beoogde economische en sociale samenhang, nuttig om in dit advies ook opmerkingen op te nemen over het door de Commissie op 21 december 1993 bij de Raad ingediende voorstel voor een verordening houdende de uitvoeringsbepalingen voor het Cohesiefonds [doc. COM(93) 699 def.]. 1.3. Subsidiariteit en partnerschap Met het oog op het in het Unieverdrag omschreven subsidiariteitsbeginsel, en gezien het feit dat de Europese Raad van Edinburgh heeft aanbevolen in de uitvoeringsbepalingen voor het Cohesiefonds uit te gaan van de ervaring die met de structuurfondsen is opgedaan, en aangezien het partnerschap, als omschreven in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993 (3), een van de grondbeginselen is van de hervorming van de structuurfondsen, is het CvdR van mening dat de bevoegde regionale en lokale overheden nauw betrokken moeten worden bij het beheer van het Cohesiefonds (bepaling van prioriteiten, evaluatie van en toezicht op projecten en vertegenwoordiging in de nieuwe toezichtcomités); de Commissie wordt daarbij aanbevolen, bij de goedkeuring van de projecten rekening te houden met de adviezen van de rechtstreeks betrokken regionale en lokale overheden. 1.4. Cooerdinatie van ontwikkelingsinstrumenten Bevordering van de economische en sociale samenhang vereist een gecooerdineerde inzet van de verschillende communautaire financieringsinstrumenten, met name de structuurfondsen, het Cohesiefonds en de Europese Investeringsbank. Het CvdR is dan ook van mening dat de Commissie bij de selectie van de projecten voor het Cohesiefonds moet nagaan of deze in overeenstemming zijn met de maatregelen die zijn opgenomen in de operationele programma's welke in het kader van het communautaire bestek voor elke regio zijn goedgekeurd, zodat er een grotere synergie tot stand komt tussen de verschillende ontwikkelingsinstrumenten (met name kan zulks gebeuren door de indicatieve financiële bedragen van het Cohesiefonds op te nemen in het financieringsplan voor de communautaire bestekken). 1.5. Concentratie Het CvdR neemt nota van de bepaling dat tot eind 1999 alleen de vier lid-staten die thans aan het in de conclusies van de Europese Raad van Edinburgh genoemde BNP-criterium voldoen, voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen. Daarbij wordt namelijk het bij de hervorming van de structuurfondsen ingevoerde beginsel gehuldigd dat de toekenning van communautaire middelen met structurele strekking geografisch geconcentreerd moet worden. Het CvdR merkt op dat een aantal communautaire regio's van doelstelling 1 geen steun uit het Cohesiefonds zullen ontvangen, hoewel de situatie er soms erbarmelijk is. Het CvdR wil ervoor zorgen dat de levensstandaard in die regio's niet verder onder het communautair gemiddelde zakt en dat de economische en sociale toestand er niet nog verder verslechtert. 1.6. Evenwicht tussen milieu en vervoer Het CvdR acht het zeer belangrijk dat in elke regio een passend evenwicht tussen milieu- en verkeersinfrastructuurprojecten wordt bereikt; daarbij moet voor ogen worden gehouden dat bedragen niet steeds een juist beeld geven van het belang van een project en het effect ervan op de regionale economische ontwikkeling. Projecten mogen slechts voor financiering door het Cohesiefonds in aanmerking komen indien te voren een milieu-effectrapportering heeft plaatsgevonden. 2. Bijzondere opmerkingen 2.1. Richtsnoeren voor vervoerprojecten Het Comité van de Regio's wijst op het belang van het bepaalde in artikel 3, lid 1, namelijk dat bijstand kan worden verleend voor vervoersinfrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang die bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen van artikel 129 B van het Verdrag, ook als de Raad de desbetreffende richtsnoeren nog niet heeft vastgesteld. De lid-staten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, mogen namelijk geen nadeel ondervinden van mogelijke vertraging bij de goedkeuring van die richtsnoeren. In dit verband zij eraan herinnerd dat de Europese Raad van Brussel van 10 en 11 december 1993 het Parlement en de Raad verzocht heeft spoed te zetten achter de werkzaamheden, zodat de nog ontbrekende structuurschema's voor 1 juli 1994 kunnen worden aangenomen. 2.2. Indexering van de financiële middelen Het CvdR attendeert de Commissie erop dat de in artikel 4 van het verordeningsvoorstel vermelde financiële middelen volgens het compromis van Edinburgh reële bedragen (prijzen 1992) zijn, die dus geïndexeerd moeten worden. 2.3. Macro-economische voorwaarden Het CvdR herinnert eraan dat volgens artikel 6, lid 1, van het verordeningsvoorstel, de financiering uit het Cohesiefonds wordt geschorst wanneer de Raad overeenkomstig artikel 104 C van het Verdrag besluit dat een lid-staat een buitensporig overheidstekort heeft. Om uit te maken wat een buitensporig overheidstekort is, zou de Raad niet alleen rekening moeten houden met de uitzonderingen van artikel 104 C, lid 2, van het Verdrag, maar ook met de doelstellingen die zijn opgenomen in de convergentieprogramma's die hij goedgekeurd heeft. 2.4. Minimaal vereiste financiële omvang van de projecten Artikel 10, lid 3, van het verordeningsvoorstel bepaalt dat de totale kosten van een project of groep projecten in beginsel niet minder dan 10 miljoen ecu mogen bedragen. Aangezien de achterliggende bedoeling is dat projecten goedgekeurd worden die relevant zijn voor de regionale en interregionale ontwikkeling, hetgeen (met name in het geval van milieuprojecten) niet noodzakelijk blijkt uit de kostprijs, vindt het CvdR dat deze bepaling aanzienlijk moet worden versoepeld. 2.5. Deelneming van regionale en lokale overheden Aangezien economische en sociale samenhang in de Unie de voornaamste doelstelling van het Cohesiefonds is, vindt het CvdR dat de regionale en lokale overheden tenvolle betrokken moeten worden bij de selectie en de goedkeuring van projecten. Daarom zou in artikel 10, lid 4, bepaald moeten worden dat de aanvragen voor bijstand vergezeld dienen te gaan van adviezen van de desbetreffende regionale en lokale overheden over het regionale en interregionale effect van de projecten. Voorts zou lid 5 van dat artikel moeten voorschrijven dat de begunstigde lid-staten hun prioriteiten met voldoende inspraak van de rechtstreeks betrokken regionale en plaatselijke overheden moeten vaststellen, niet alleen in de gevallen waarin deze overheden ten volle bevoegd zijn om die projecten binnen hun regio vast te stellen of te verwezenlijken, maar in alle gevallen. 2.6. Projecten in ultraperifere gebieden De Commissie dient de projecten overeenkomstig artikel 10 van het verordeningsvoorstel goed te keuren. Het CvdR verzoekt de Commissie, voor projecten in ultraperifere regio's bijzondere aandacht te schenken aan de specifieke kenmerken van die gebieden, met name in verband met het feit dat deze (in het geval van archipels) klein, afgelegen en territoriaal versnipperd zijn. 2.7. Financiële controle Luidens artikel 12, lid 5, van het verordeningsvoorstel stelt de Commissie de uitvoeringsbepalingen inzake de financiële controle vast en deelt zij deze aan het Europees Parlement ter informatie mee. Gezien het belang van deze kwestie wil het CvdR in deze bepaling op gelijke voet met het Europees Parlement worden vermeld. 2.8. Informatie en publiciteit Volgens artikel 14, lid 1, van het voorstel legt de Commissie jaarlijks een verslag over de activiteiten van het fonds voor onderzoek voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Het CvdR wil zich evenals het Europees Parlement kunnen uitspreken over dat verslag en verlangt dat de Commissie naar behoren rekening houdt met de opmerkingen die het Comité zal formuleren. In lid 2 van dat artikel worden de maatregelen opgesomd waarmee de lid-staten het optreden van het Fonds onder de aandacht van het publiek moeten brengen. Het CvdR wijst op het belang van deze bepaling en stelt met name voor dat de nodige audio-visuele middelen worden ingeschakeld met het oog op een optimale bewustmaking van de publieke opinie en van potentiële begunstigden. 2.9. Betalingsverplichtingen en betalingen Het CvdR heeft bijzondere aandacht besteed aan de bepalingen in het voorstel voor de uitvoeringsverordening die betrekking hebben op de vastlegging en de uitbetaling van financiële bijstand, daar deze van belang zijn voor het begrotingsbeheer van de regionale en lokale overheden die bijdragen in de financiering van de uit het Cohesiefonds gesteunde projecten. In dit verband stelt het de volgende wijzigingen voor: - artikel 4, lid 2, punt b), bepaalt dat tussentijdse betalingen pas verricht mogen worden "indien de uitvoering van het project naar genoegen vordert en de uitgaven waarop de vorige betaling betrekking had, voor ten minste twee derde zijn gedaan". Aangezien de conclusies van de Europese Raad van Edinburgh de aanbeveling bevatten dat voor de financiële bepalingen van het Cohesiefonds moet worden uitgegaan van de ervaring die is opgedaan met de structuurfondsen, waarvoor als maximum 50 % en niet twee derde is vastgesteld, stelt het CvdR voor, de 50 %-regel ook hier toe te passen; - artikel 4, lid 2, punt c), bepaalt dat de Commissie in de regel als saldo 20 % van de totale kostprijs van het project reserveert en dat dit percentage in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is, gereduceerd kan worden tot 10 %. Op dit punt kan de procedure niet gelijklopen met die van de structuurfondsen: deze werken nl. met programma's, en niet met projecten, zoals het Cohesiefonds; in het geval van de structuurfondsen wordt het saldo niet berekend op de totale kostprijs van het project, maar wel op basis van het laatste jaargedeelte van het programma. Het CvdR is dan ook van oordeel dat voor alle uit het Cohesiefonds gefinancierde projecten een saldo van 10 % moet gelden, om te vermijden dat sommige projecten helemaal niet afgerond kunnen worden. 2.10. Toezichtcomités Artikel 6 van het voorstel voor de uitvoeringsverordening voorziet in de oprichting van toezichtcomités; het CvdR acht het zonder meer noodzakelijk dat de rechtstreeks betrokken regionale en lokale overheden daarin vertegenwoordigd zijn. 2.11. Jaarverslag Aan de informatie die blijkens de bijlage bij het voorstel voor de uitvoeringsverordening in het jaarverslag moet worden opgenomen, zou een punt moeten worden toegevoegd met betrekking tot het plaatselijke, regionale en interregionale effect van de projecten. Gedaan te Brussel, 5 april 1994. De voorzitter van het Comité van de Regio's Jacques BLANC (1) PB nr. L 79 van 1. 4. 1993, blz. 74. (2) PB nr. C 39 van 9. 2. 1994, blz. 9. (3) PB nr. L 193 van 31. 7. 1993, blz. 1.