18.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 266/31


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP 29/343 op: http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html.

Reglement nr. 80 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van de stoelen van grote passagiersvoertuigen en van deze voertuigen wat de sterkte van de stoelen en de verankeringen ervan betreft 2019/1724

Bevat de volledige geldige tekst tot en met:

Supplement 3 op wijzigingenreeks 03 — Datum van inwerkingtreding: 10 februari 2018

INHOUD

REGLEMENT

1.

Toepassingsgebied

2.

Definities

3.

Goedkeuringsaanvraag

4.

Goedkeuring

5.

Voorschriften voor stoelen

6.

Voorschriften voor de stoelverankeringen van een voertuigtype

7.

Voorschriften voor de installatie van stoelen in een voertuigtype

8.

Conformiteit van de productie

9.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

10.

Wijziging en uitbreiding van de goedkeuring van het stoel- en/of voertuigtype

11.

Definitieve stopzetting van de productie

12.

Overgangsbepalingen

13.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

AANHANGSELS

1.

Testprocedures voor stoelen overeenkomstig punt 5 en/of voor verankeringen overeenkomstig punt 6.1.2 en/of voor de installatie van zijwaarts gerichte stoelen overeenkomstig punt 3 van aanhangsel 7

2.

Testprocedure voor de verankeringen van een voertuig overeenkomstig punt 6.1.1

3.

Te verrichten metingen

4.

Vaststelling van de aanvaardbaarheidscriteria

5.

Voorschriften en procedure voor statische tests

6.

Energieabsorptiekenmerken van de achterkant van rugleuningen

7.

Voorschriften voor de beveiliging van passagiers op zijwaarts gerichte stoelen overeenkomstig punt 7.4.4

BIJLAGEN

1.

Mededeling betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een of meer stoeltypen wat hun sterkte betreft, krachtens Reglement nr. 80

2.

Mededeling betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een voertuigtype wat de sterkte van de stoelverankeringen betreft, krachtens Reglement nr. 80

3.

Opstelling van goedkeuringsmerken

4.

Procedure voor het bepalen van het H-punt en de werkelijke romphoek voor zitplaatsen in motorvoertuigen

1.   TOEPASSINGSGEBIED

1.1.   Dit reglement is van toepassing op:

a)

passagiersstoelen voor voorwaarts gerichte installatie in voertuigen van de categorieën M2 en M3, klassen II, III en B (1);

b)

voertuigen van de categorieën M2 en M3, klassen II, III en B (1), wat de verankeringen en de installatie van de passagiersstoelen betreft;

c)

het is niet van toepassing op achterwaarts gerichte stoelen, noch op daarop gemonteerde hoofdsteunen.

1.2.   Op verzoek van de fabrikant worden voertuigen van categorie M2  (1) die krachtens Reglement nr. 17 zijn goedgekeurd, geacht aan de voorschriften van dit reglement te voldoen.

1.3.   Voertuigen waarvan sommige stoelen onder de in punt 7.4 van Reglement nr. 14 voorziene afwijking vallen, moeten krachtens dit reglement worden goedgekeurd.

1.4.   De installatie van zijwaarts gerichte stoelen is verboden in voertuigen van categorie M2 (klassen II, III en B) en categorie M3 (klassen II, III en B), met uitzondering van voertuigen van categorie M3 (klassen II, III en B) met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 10 ton, mits aan de voorschriften van punt 7.4 is voldaan.

1.5.   Punt 1.4 is niet van toepassing op ambulances of voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer en de ordediensten.

2.   DEFINITIES

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

2.1.    “goedkeuring van een stoel”: goedkeuring van een stoeltype als onderdeel met betrekking tot de bescherming van de inzittenden van voorwaarts gerichte stoelen wat de sterkte en het ontwerp van de rugleuningen betreft;

2.2.    “goedkeuring van een voertuig”: goedkeuring van een voertuigtype wat de sterkte van de delen van de voertuigstructuur betreft waarop de stoelen moeten worden bevestigd, en wat de installatie van de stoelen betreft;

2.3.    “stoeltype”: stoelen die niet wezenlijk van elkaar verschillen wat de volgende kenmerken betreft die de sterkte en agressiviteit ervan kunnen beïnvloeden:

2.3.1.   structuur, vorm, afmetingen en materialen van de dragende delen;

2.3.2.   type en afmetingen van het verstel- en vergrendelingssysteem van de rugleuning;

2.3.3.   afmetingen, structuur en materiaal van de bevestigingen en steunen (bv. poten);

2.4.    “voertuigtype”: voertuigen die geen essentiële verschillen vertonen wat betreft:

2.4.1.   de voor dit reglement relevante constructiekenmerken, en

2.4.2.   het type of de typen van de in het voertuig gemonteerde stoel(en) waarvoor typegoedkeuring is verleend, indien van toepassing;

2.5.    “stoel”: op de voertuigstructuur verankerbare structuur, inclusief bekleding en bevestigingsmiddelen, die bedoeld is om in een voertuig zitplaats te bieden aan een of meer volwassenen. Naargelang de oriëntatie ervan wordt een stoel als volgt gedefinieerd:

2.5.1.    “voorwaarts gerichte stoel”: stoel die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die op zodanige wijze naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het verticale symmetrievlak van de stoel een hoek van minder dan + 10 ° of – 10 ° vormt met het verticale symmetrievlak van het voertuig;

2.5.2.    “achterwaarts gerichte stoel”: stoel die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die op zodanige wijze naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het verticale symmetrievlak van de stoel een hoek van minder dan + 10 ° of – 10 ° vormt met het verticale symmetrievlak van het voertuig;

2.5.3.    “zijwaarts gerichte stoel”: stoel die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die op zodanige wijze naar de zijkant van het voertuig is gericht dat het verticale symmetrievlak van de stoel een hoek van 90 ° (± 10 °) vormt met het verticale symmetrievlak van het voertuig;

2.6.    “afzonderlijke stoel”: stoel die is ontworpen en gebouwd om plaats te bieden aan één zittende passagier;

2.7.    “dubbele stoel”: stoel die is ontworpen en gebouwd om plaats te bieden aan twee naast elkaar zittende passagiers. Twee naast elkaar geplaatste stoelen die niet met elkaar verbonden zijn, worden als twee afzonderlijke stoelen beschouwd;

2.8.    “stoelenrij”: stoel die is ontworpen en gebouwd om plaats te bieden aan drie of meer naast elkaar zittende passagiers. Meerdere naast elkaar geplaatste afzonderlijke of dubbele stoelen worden niet als stoelenrij beschouwd;

2.9.    “zitting”: bijna horizontaal geplaatst deel van de stoel dat is ontworpen om een zittende passagier te dragen;

2.10.    “rugleuning”: bijna verticaal deel van de stoel dat is ontworpen om de rug, de schouders en eventueel het hoofd van de passagier te steunen;

2.11.    “verstelsysteem”: voorziening waarmee de stoel of delen ervan in de juiste stand voor de inzittende kunnen worden geplaatst;

2.12.    “verplaatsingssysteem”: voorziening waarmee de stoel of een van de delen ervan zijwaarts of in de lengterichting zonder vaste tussenstand van de stoel of een van de delen ervan kan worden verplaatst om de toegang voor passagiers te vergemakkelijken;

2.13.    “vergrendelingssysteem”: voorziening waarmee de stoel en de delen ervan in de gebruiksstand worden gehouden;

2.14.    “verankering”: deel van de vloer of carrosserie van een voertuig waarop een stoel mag worden bevestigd;

2.15.    “bevestigingsmiddelen”: bouten of andere onderdelen waarmee de stoel aan het voertuig wordt bevestigd;

2.16.    “trolley”: testapparatuur die is gemaakt en wordt gebruikt voor dynamische simulatie van verkeersongevallen met frontale botsing;

2.17.    “extra stoel”: stoel voor de dummy die op de trolley achter de te testen stoel is gemonteerd. Deze stoel moet de stoel voorstellen die zich in het voertuig achter de te testen stoel bevindt;

2.18.    “referentievlak”: het vlak dat door de contactpunten van de hielen van de dummy loopt en dat dient om het H-punt en de werkelijke romphoek voor de zitplaats in motorvoertuigen te bepalen volgens de voorschriften van bijlage 4;

2.19.    “referentiehoogte”: de hoogte van de bovenkant van de stoel boven het referentievlak;

2.20.    “dummy”: een dummy die beantwoordt aan de specificaties voor Hybrid II of III (2) bij voorwaarts gerichte stoelen, of een dummy die beantwoordt aan de specificaties voor de zijdelingse-botsdummy overeenkomstig bijlage 6 bij Reglement nr. 95 bij zijwaarts gerichte stoelen;

2.21.    “referentiezone”: de ruimte tussen twee verticale langsvlakken op 400 mm afstand van elkaar en symmetrisch gelegen ten opzichte van het H-punt, die wordt gedefinieerd door de draaiing van het in bijlage 1 bij Reglement nr. 21 beschreven dummyhoofdapparaat van de verticale in de horizontale stand. Het apparaat moet worden geplaatst zoals beschreven in die bijlage en moet voor de resterende begrenzing van die ruimte op zijn maximumlengte van 840 mm en minimumlengte van 736 mm worden ingesteld;

2.22.    “driepuntsgordel”: voor de toepassing van dit reglement ook gordels met meer dan drie verankeringspunten;

2.23.    “ruimte tussen de stoelen”: bij in dezelfde richting geplaatste stoelen, de afstand tussen de voorkant van de zitting van een stoel en de achterkant van de zitting van de daarvóór geplaatste stoel, horizontaal gemeten op een hoogte van 620 mm boven de vloer.

3.   GOEDKEURINGSAANVRAAG

3.1.   De aanvraag voor goedkeuring van een stoel moet door de stoelfabrikant of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger worden ingediend.

3.2.   De aanvraag voor goedkeuring van het voertuig moet door de voertuigfabrikant of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger worden ingediend.

3.3.   De aanvraag voor goedkeuring van een stoel of voertuig moet vergezeld gaan van de volgende documenten in drievoud en van de volgende gegevens:

3.3.1.   voor goedkeuring van een stoel:

3.3.1.1.   een gedetailleerde beschrijving van de stoel en van de bevestigingsmiddelen en verstel-, verplaatsings- en vergrendelingssystemen ervan;

3.3.1.2.   tekeningen van de stoel en van de bevestigingsmiddelen en verstel-, verplaatsings- en vergrendelingssystemen ervan, op een passende schaal en met voldoende details;

3.3.2.   voor goedkeuring van een voertuig:

3.3.2.1.   een gedetailleerde beschrijving van de als verankering gebruikte delen van de voertuigstructuur;

3.3.2.2.   tekeningen van de als verankering gebruikte delen van het voertuig, op een passende schaal en met voldoende details.

3.4.   Aan de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst moet het volgende ter beschikking worden gesteld:

3.4.1.   twee voor het goed te keuren type representatieve stoelen, bij goedkeuring van een stoel;

3.4.2.   een deel van de voertuigstructuur, bij goedkeuring van een voertuig.

4.   GOEDKEURING

4.1.   Als de stoel die voor goedkeuring krachtens dit reglement ter beschikking is gesteld, voldoet aan de desbetreffende voorschriften van punt 5, wordt voor dat stoeltype goedkeuring verleend.

4.2.   Als het voertuig dat voor goedkeuring krachtens dit reglement ter beschikking is gesteld, voldoet aan de voorschriften van de punten 6 en 7, wordt voor dat voertuigtype goedkeuring verleend.

4.3.   Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 03 voor wijzigingenreeks 03) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander stoel- of voertuigtype toekennen.

4.4.   Van de goedkeuring of de uitbreiding of weigering van de goedkeuring van een stoel- of voertuigtype krachtens dit reglement moet aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling worden gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1 en/of bijlage 2.

4.5.   Op elke stoel die conform een krachtens dit reglement goedgekeurd stoeltype is en op elk voertuig dat conform een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype is, moet op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is gespecificeerd, een internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, dat bestaat uit:

4.5.1.   een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (3);

4.5.2.   het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.5.1 voorgeschreven cirkel.

4.6.   Het goedkeuringsmerk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7.   Al naargelang het geval moet het goedkeuringsmerk op de stoel of stoelen, dan wel op of dicht bij het door de fabrikant bevestigde gegevensplaatje van het voertuig worden aangebracht.

4.8.   In bijlage 3 worden voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken gegeven.

5.   VOORSCHRIFTEN VOOR STOELEN

5.1.   Elk type voorwaarts gerichte stoel moet op verzoek van de fabrikant aan de testvoorschriften van aanhangsel 1 (dynamische test) of van de aanhangsels 5 en 6 (statische test) worden onderworpen.

5.2.   De tests die het stoeltype heeft doorstaan, moeten worden genoteerd op het mededelingenformulier betreffende de goedkeuring van een stoeltype volgens het model in bijlage 1.

5.3.   Elk verstel- en verplaatsingssysteem moet met een automatisch vergrendelingssysteem zijn uitgerust.

5.4.   De verstel- en vergrendelingssystemen hoeven na de test niet meer volledig te functioneren.

5.5.   In elk voertuig van categorie M2 met een maximummassa van 3 500 kg moet op elke buitenste voorstoel een hoofdsteun worden gemonteerd. Deze hoofdsteun moet voldoen aan de voorschriften van VN-Reglement nr. 25 zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 04.

6.   VOORSCHRIFTEN VOOR DE STOELVERANKERINGEN VAN EEN VOERTUIGTYPE

6.1.   De verankeringen voor de stoelen van het voertuig moeten bestand zijn tegen:

6.1.1.   de in aanhangsel 2 beschreven test,

6.1.2.   of, als een stoel gemonteerd is op het deel van de voertuigstructuur dat wordt getest, de in aanhangsel 1 beschreven tests. De stoel hoeft geen goedgekeurde stoel te zijn als hij aan de voorschriften van punt 3.2.1 van dat aanhangsel voldoet.

6.2.   Permanente vervorming (ook breuk) van een verankering of de omringende zone is toelaatbaar als de voorgeschreven belasting gedurende de voorgeschreven periode werd gehandhaafd.

6.3.   Indien er op een voertuig meer dan een type verankering is, moet elke variant worden getest om een goedkeuring voor het voertuig te verkrijgen.

6.4.   Voor de gelijktijdige goedkeuring van een stoel en een voertuig mag één test worden gebruikt.

6.5.   Bij voertuigen van categorie M3 worden de stoelverankeringen geacht aan de voorschriften van de punten 6.1 en 6.2 te voldoen als de veiligheidsgordelverankeringen van de desbetreffende zitplaatsen direct op de te installeren stoelen worden gemonteerd en deze gordelverankeringen voldoen aan de voorschriften van Reglement nr. 14, zo nodig met de in punt 7.4 toegestane afwijking.

7.   VOORSCHRIFTEN VOOR DE INSTALLATIE VAN STOELEN IN EEN VOERTUIGTYPE

7.1.   Alle geïnstalleerde voorwaarts gerichte stoelen moeten volgens de voorschriften van punt 5 en onder de volgende voorwaarden worden goedgekeurd:

7.1.1.   de stoel moet een referentiehoogte van ten minste 1 m hebben, en

7.1.2.   het H-punt van de zich onmiddellijk daarachter bevindende stoel moet minder dan 72 mm hoger zijn dan het H-punt van de stoel in kwestie of, als het H-punt van de stoel daarachter meer dan 72 mm hoger is, moet de stoel in kwestie voor installatie in die stand worden getest en goedgekeurd.

7.2.   Bij goedkeuring krachtens aanhangsel 1 moeten de tests 1 en 2 worden verricht, behalve in de volgende gevallen:

7.2.1.   test 1 hoeft niet te worden uitgevoerd als de achterkant van de stoel niet kan worden geraakt door een passagier die niet wordt tegengehouden (d.w.z. als er zich geen voorwaarts of zijwaarts gerichte stoel direct achter de te testen stoel bevindt);

7.2.2.   test 2 hoeft niet te worden uitgevoerd:

7.2.2.1.   als de achterkant van de stoel niet kan worden geraakt door een passagier die niet wordt tegengehouden, of

7.2.2.2.   als de stoel erachter een voorwaarts gerichte stoel is, voorzien van een driepuntsgordel met verankeringen die volledig voldoen aan Reglement nr. 14 (zonder afwijking), of

7.2.2.3.   als de stoel voldoet aan de voorschriften van aanhangsel 6.

7.3.   Bij goedkeuring krachtens de aanhangsels 5 en 6 moeten alle tests worden uitgevoerd, behalve in de volgende gevallen:

7.3.1.   de test van aanhangsel 5 hoeft niet te worden uitgevoerd als de achterkant van de stoel niet kan worden geraakt door een passagier die niet wordt tegengehouden (d.w.z. als er zich geen voorwaarts of zijwaarts gerichte stoel direct achter de te testen stoel bevindt);

7.3.2.   de test van aanhangsel 6 hoeft niet te worden uitgevoerd:

7.3.2.1.   als de achterkant van de stoel niet kan worden geraakt door een passagier die niet wordt tegengehouden, of

7.3.2.2.   als de stoel erachter een voorwaarts gerichte stoel is, voorzien van een driepuntsgordel met verankeringen die volledig voldoen aan Reglement nr. 14 (zonder afwijking).

7.4.   Voor de installatie van zijwaarts gerichte stoelen gelden de volgende voorwaarden:

7.4.1.   de stoel moet een referentiehoogte van ten minste 1 m hebben;

7.4.2.   het vlak door de H-punten van zich naast elkaar bevindende zijwaarts gerichte stoelen moet evenwijdig zijn aan het referentievlak;

7.4.3.   de horizontale afstand tussen de H-puntlijnen van twee zich naast elkaar bevindende zijwaarts gerichte stoelen mag niet meer dan 725 mm en niet minder dan 450 mm bedragen, horizontaal gemeten tussen de verticale langsvlakken die door het middelpunt van die zitplaatsen lopen (zie aanhangsel 7, figuur 1), en

7.4.4.   de passagiers op zijwaarts gerichte stoelen moeten door een voertuigdeel (bv. een scheiding, een wand of de rugleuning van een voorwaarts gerichte stoel) worden beveiligd. Dat voertuigdeel moet voldoen aan de voorschriften van aanhangsel 7. Tijdens de tests moet het zijn beveiligingsfunctie behouden.

8.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 2 van de overeenkomst (E/ECE/324-E/ECE/TRANS/505/Rev.2), met inachtneming van de volgende voorschriften.

8.1.   Krachtens dit reglement goedgekeurde stoelen en/of voertuigen moeten zo zijn gefabriceerd dat zij conform het goedgekeurde type zijn door te voldoen aan de voorschriften van de punten 5, 6 en 7.

8.2.   Om na te gaan of aan de voorschriften van punt 8.1 is voldaan, moeten passende controles van de productie worden uitgevoerd. Onder passende controles wordt in dit geval verstaan dat de afmetingen van het product worden gecontroleerd en dat wordt nagegaan of er procedures bestaan om de kwaliteit van de producten effectief te controleren.

8.3.   De bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, mag op gelijk welk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste conformiteitscontrolemethoden verifiëren en monsters aan elk van de voor de goedkeuring uitgevoerde tests onderwerpen die zij noodzakelijk acht. Deze verificaties vinden gewoonlijk eenmaal per jaar plaats.

9.   SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

9.1.   De krachtens dit reglement voor een stoel- en/of voertuigtype verleende goedkeuring kan worden ingetrokken als niet aan bovenstaande voorschriften is voldaan.

9.2.   Als een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1 en/of bijlage 2.

10.   WIJZIGING EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING VAN HET STOEL- EN/OF VOERTUIGTYPE

10.1.   Elke wijziging van het stoel- en/of voertuigtype moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het stoel- en/of voertuigtype heeft goedgekeurd. Deze instantie kan dan:

10.1.1.   oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat de stoel en/of het voertuig in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, of

10.1.2.   de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken.

10.2.   De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, moet volgens de procedure van punt 4.4 worden meegedeeld aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen.

10.3.   De typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring uitbreidt, kent aan die uitbreiding een volgnummer toe en stelt de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1 en/of bijlage 2.

11.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype volledig stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1 en/of bijlage 2.

12.   OVERGANGSBEPALINGEN

12.1.   Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 02 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 02.

12.2.   Met ingang van 1 november 2012 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, alleen goedkeuringen verlenen als is voldaan aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 02.

12.3.   Met ingang van 1 november 2014 zijn krachtens dit reglement verleende goedkeuringen niet langer geldig, tenzij zij zijn verleend krachtens de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 02.

12.4.   Met ingang van 1 november 2014 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, de eerste nationale of regionale registratie (het in het verkeer brengen) van een voertuig weigeren als dat voertuig niet voldoet aan de voorschriften van wijzigingenreeks 02 van dit reglement.

12.5.   Ook na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 02 blijven goedkeuringen van onderdelen krachtens wijzigingenreeks 01 van dit reglement geldig, moeten de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, deze blijven accepteren en mogen zij niet weigeren uitbreidingen toe te staan van goedkeuringen die krachtens wijzigingenreeks 01 van dit reglement zijn verleend.

12.6.   Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 03 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03.

12.7.   Vanaf 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 03 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen alleen goedkeuring voor nieuwe voertuigtypen als is voldaan aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03.

12.8.   Vanaf 60 maanden na de inwerkingtreding van wijzigingenreeks 03 van dit reglement mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, de nationale of regionale typegoedkeuring en de eerste nationale of regionale registratie (het in het verkeer brengen) weigeren van een voertuig dat niet voldoet aan de voorschriften van wijzigingenreeks 03 van dit reglement.

12.9.   Ook na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 03 blijven goedkeuringen van onderdelen krachtens wijzigingenreeks 01 of 02 van dit reglement geldig, moeten de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, deze blijven accepteren en mogen zij niet weigeren uitbreidingen toe te staan van goedkeuringen die krachtens wijzigingenreeks 01 of 02 van dit reglement zijn verleend.

13.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES

De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.


(1)  Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.6, punt 2 — http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html

(2)  De technische specificaties en gedetailleerde tekeningen van Hybrid II en III, die overeenkomen met de voornaamste afmetingen van een man van het 50e percentiel uit de Verenigde Staten van Amerika, en de specificaties voor de instelling ervan voor deze test zijn ingediend bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en kunnen op verzoek worden geraadpleegd op het secretariaat van de Economische Commissie voor Europa, Palais des Nations, Genève, Zwitserland.

(3)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev. 6, bijlage 3 — http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html


AANHANGSEL 1

Testprocedures voor stoelen overeenkomstig punt 5 en/of voor verankeringen overeenkomstig punt 6.1.2 en/of voor de installatie van zijwaarts gerichte stoelen overeenkomstig punt 3 van aanhangsel 7

1.   VOORSCHRIFTEN

1.1.   Aan de hand van de tests moet worden vastgesteld:

1.1.1.   of de inzittende(n) door de zich voor hem (hen) bevindende stoel(en) en/of door het gebruik van een veiligheidsgordel naar behoren wordt (worden) tegengehouden.

1.1.1.1.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien geen enkel zich voorwaarts bewegend deel van de romp en het hoofd van de dummy het verticale dwarsvlak overschrijdt dat zich op 1,6 m afstand van het R-punt van de extra stoel bevindt;

1.1.2.   of de inzittende(n) niet ernstig gewond raakt (raken).

1.1.2.1.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien de van meetapparatuur voorziene dummy voldoet aan de volgende biomechanische aanvaardbaarheidscriteria die worden vastgesteld overeenkomstig aanhangsel 4, namelijk:

1.1.2.2.   bij een dummy op een voorwaarts gerichte extra stoel moet aan de volgende biomechanische aanvaardbaarheidscriteria worden voldaan:

1.1.2.2.1.   het hoofdletselcriterium (HIC) bedraagt minder dan 500;

1.1.2.2.2.   het thorax-aanvaardbaarheidscriterium (ThAC) bedraagt minder dan 30 g, behalve gedurende perioden van minder dan 3 ms (g = 9,81 m/s2);

1.1.2.2.3.   het femur-aanvaardbaarheidscriterium (FAC) bedraagt minder dan 10 kN en de waarde 8 kN wordt niet overschreden gedurende perioden van meer dan 20 ms;

1.1.2.3.   bij een dummy op een zijwaarts gerichte extra stoel moet aan de volgende biomechanische aanvaardbaarheidscriteria worden voldaan:

1.1.2.3.1.   het hoofdletselcriterium (HIC) bedraagt minder dan 500;

1.1.2.3.2.   de thorax-aanvaardbaarheidscriteria:

a)

ribindrukkingscriterium (RDC) kleiner dan of gelijk aan 42 mm;

b)

zachtweefselcriterium (VC) kleiner dan of gelijk aan 1,0 m/s;

1.1.2.3.3.   het bekkenprestatiecriterium:

piekkracht op de symphysis pubica (PSPF) kleiner dan of gelijk aan 6 kN;

1.1.2.3.4.   het abdomenprestatiecriterium:

abdominale piekkracht (APF) kleiner dan of gelijk aan 2,5 kN inwendige kracht (wat overeenkomt met een uitwendige kracht van 4,5 kN);

1.1.3.   of de stoel en de stoelbevestigingen sterk genoeg zijn.

1.1.3.1.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien:

1.1.3.1.1.   geen enkel deel van de stoel, de stoelbevestigingen of het toebehoren tijdens de test volledig losraakt;

1.1.3.1.2.   de stoel stevig vast blijft zitten, ook al raken één of meer verankeringen gedeeltelijk los, en alle vergrendelingssystemen gedurende de volledige test vergrendeld blijven;

1.1.3.1.3.   na de test geen structurele delen van de stoel of toebehoren breuken dan wel scherpe of puntige randen of hoeken vertonen die lichamelijk letsel kunnen veroorzaken.

1.2.   Alle uitrustingsstukken die deel uitmaken van de rugleuning van de stoel of toebehoren ervan moeten zo zijn dat zij een passagier tijdens een botsing naar alle waarschijnlijkheid geen lichamelijk letsel toebrengen. Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien elk deel dat door een bol met een diameter van 165 mm kan worden geraakt, een kromtestraal van ten minste 5 mm heeft.

1.2.1.   Indien enig deel van de hierboven genoemde uitrustingsstukken en toebehoren is gemaakt van een materiaal met een hardheid van minder dan 50 Shore A op een harde onderlaag, gelden de voorschriften van punt 1.2 alleen voor die harde onderlaag.

1.2.2.   De voorschriften van punt 1.2 gelden niet voor delen van de rugleuning van de stoel, zoals verstelinrichtingen voor de stoel en toebehoren, indien deze zich in ruststand onder een horizontaal vlak 400 mm boven het referentievlak bevinden, zelfs als de inzittende daarmee in contact kan komen.

2.   VOORBEREIDING VAN DE TE TESTEN STOEL

2.1.   De te testen stoel moet worden gemonteerd:

2.1.1.   op een testplatform dat de carrosserie van een voertuig voorstelt,

2.1.2.   of op een stijf testplatform.

2.2.   De op het testplatform voor de testzitplaats(en) voorziene bevestiging is gelijk aan of heeft dezelfde kenmerken als de bevestiging in het voertuig (de voertuigen) waarin de zitplaats moet komen te staan.

2.3.   De te testen stoel moet volledig zijn bekleed en van alle toebehoren zijn voorzien. Indien aan de stoel een tafeltje is bevestigd, moet het zijn weggeklapt.

2.4.   Indien de stoel in de breedte verstelbaar is, moet hij op maximumbreedte worden gezet.

2.5.   Indien de rugleuning verstelbaar is, moet zij zo worden ingesteld dat de daaruit resulterende helling van de romp van de dummy die voor het bepalen van het H-punt en de werkelijke romphoek voor zitplaatsen in motorvoertuigen wordt gebruikt, de door de fabrikant voor normaal gebruik aanbevolen hellingshoek zo dicht mogelijk benadert of, indien een dergelijke aanbeveling van de fabrikant ontbreekt, een hoek van 25 ° achterwaarts ten opzichte van de verticaal zo dicht mogelijk benadert.

2.6.   Indien de rugleuning met een in de hoogte verstelbare hoofdsteun is uitgerust, moet deze in de laagste stand worden gezet.

2.7.   Veiligheidsgordels van een goedgekeurd type die voldoen aan Reglement nr. 16 en gemonteerd zijn op verankeringen die krachtens Reglement nr. 14 zijn geïnstalleerd (waar van toepassing met inbegrip van de in punt 7.4 voorziene afwijking) moeten op zowel de extra stoel als de te testen stoel worden bevestigd.

3.   DYNAMISCHE TESTS

3.1.   Test 1

Het testplatform moet op een trolley worden gemonteerd.

3.2.   Extra stoel

De extra stoel mag van hetzelfde type zijn als de te testen stoel en moet evenwijdig aan en direct achter de te testen stoel worden geplaatst. Beide stoelen moeten zich op dezelfde hoogte, in dezelfde verstelstand en op 750 mm afstand van elkaar bevinden.

3.2.1.   Indien een extra stoel van een ander type wordt gebruikt, moet dit worden vermeld op het mededelingenformulier betreffende de goedkeuring van een stoeltype volgens het model in bijlage 1.

3.3.   Dummy

3.3.1.   Zonder te worden tegengehouden, moet de dummy op zodanige wijze op de extra stoel worden geplaatst dat zijn symmetrievlak overeenkomt met dat van de zitplaats in kwestie.

3.3.2.   Ongeacht de zithouding van de dummy moet de hoek tussen de bovenarm en de romp-armreferentielijn aan weerskanten 40 ± 5 ° bedragen. De romp-armreferentielijn wordt gedefinieerd als de snijlijn van het raakvlak aan de voorkant van de ribben en het verticale langsvlak van de dummy met de arm. De benen moeten zo ver mogelijk worden gestrekt en zo mogelijk evenwijdig zijn; de hielen moeten de vloer raken.

3.3.3.   Elke vereiste dummy moet op een stoel worden geplaatst volgens de volgende procedure:

3.3.3.1.   de dummy moet op de stoel worden gezet in een stand die de gewenste stand zo dicht mogelijk benadert;

3.3.3.2.   een vlak en stijf oppervlak van 76 mm × 76 mm moet zo laag mogelijk tegen de voorkant van de romp van de dummy worden geplaatst;

3.3.3.3.   het vlakke oppervlak moet met een kracht van 25 tot 35 daN horizontaal tegen de romp van de dummy worden aangedrukt;

3.3.3.3.1.   de romp moet bij de schouders tot de verticale stand naar voren worden getrokken en daarna weer tegen de rugleuning worden gelegd. Deze handeling moet tweemaal worden verricht;

3.3.3.3.2.   zonder de romp te bewegen, moet het hoofd in een zodanige stand worden geplaatst dat het platform waarop de meetapparatuur in het hoofd rust, horizontaal is en het sagittale middenvlak van het hoofd evenwijdig is aan dat van het voertuig (bij zijwaarts gerichte stoelen moet het sagittale middenvlak van het hoofd evenwijdig zijn aan het verticale middenvlak van de stoel);

3.3.3.4.   het vlakke oppervlak moet voorzichtig worden verwijderd;

3.3.3.5.   de dummy moet op de stoel naar voren worden geschoven en de hierboven beschreven plaatsingsprocedure moet worden herhaald;

3.3.3.6.   zo nodig moet de stand van de onderste ledematen worden gecorrigeerd;

3.3.3.7.   de geïnstalleerde meetapparatuur mag op geen enkele wijze de beweging van de dummy tijdens de botsing beïnvloeden;

3.3.3.8.   de temperatuur van de meetinstrumenten moet vóór de test worden gestabiliseerd en zo veel mogelijk tussen 19 en 26 °C worden gehouden.

3.4.   Simulatie van de botsing

3.4.1.   De totale snelheidsverandering van de trolley waarmee de botsing wordt gesimuleerd, moet tussen 30 en 32 km/h liggen.

3.4.2.   De vertraging of, naar keuze van de aanvrager, de versnelling van de trolley tijdens de botssimulatie moet in overeenstemming zijn met de bepalingen in de figuur. Behalve tijdens intervallen van minder dan 3 ms moet de vertragings- of versnellingscurve van de trolley als functie van de tijd binnen de in de figuur aangegeven grenscurven blijven.

3.4.3.   Voorts moet de gemiddelde vertraging of versnelling tussen 6,5 en 8,5 g liggen.

3.5.   Test 2

3.5.1.   Test 1 moet worden herhaald met een dummy op de extra stoel; de dummy moet worden tegengehouden door een veiligheidsgordel die volgens de instructies van de fabrikant is bevestigd en afgesteld. Het aantal gordelverankeringspunten ten behoeve van test 2 moet worden genoteerd op het mededelingenformulier betreffende de goedkeuring van een stoeltype volgens het model in bijlage 1.

3.5.2.   De extra stoel moet van hetzelfde type zijn als de te testen stoel of van een ander type waarvan de gegevens moeten worden genoteerd op het mededelingenformulier betreffende de goedkeuring van een stoeltype volgens het model in bijlage 1.

3.5.3.   Test 2 mag ook worden toegepast op andere voertuigdelen dan een stoel, zoals vermeld in punt 8.1.7 van Reglement nr. 16 en in punt 5.3.5 van Reglement nr. 14.

3.5.4.   Indien test 2 met een door een driepuntsgordel vastgehouden dummy wordt uitgevoerd en de letselcriteria niet worden overschreden, wordt de extra stoel geacht te voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de statische testbelastingen en de beweging van de bovenste verankering tijdens de in Reglement nr. 14 gespecificeerde test met betrekking tot deze installatie.

3.5.5.   Test 2 mag ook op zijwaarts gerichte stoelen worden toegepast. In dat geval moet de in punt 3.2 bedoelde extra stoel zijwaarts gericht zijn en worden aangebracht zoals aangegeven in aanhangsel 7.

Image 1

AANHANGSEL 2

testprocedure voor de verankeringen van een voertuig overeenkomstig punt 6.1.1

1.   TESTAPPARATUUR

1.1.   Een stijve structuur die voldoende representatief is voor de voor gebruik in het voertuig bestemde stoel, wordt bevestigd met bevestigingsmiddelen (bouten, schroeven enz.) die door de fabrikant zijn geleverd bij de voor de tests ter beschikking gestelde delen van de structuur.

1.2.   Indien verscheidene stoeltypen die van elkaar verschillen wat de afstand tussen de voor- en achteruiteinden van de stoelpoten betreft, op dezelfde verankering kunnen worden gemonteerd, moet de test met de kortste poten worden uitgevoerd. Deze poten moeten in het typegoedkeuringscertificaat worden beschreven.

2.   TESTPROCEDURE

2.1.   Er moet een kracht F worden uitgeoefend:

2.1.1.   op een hoogte van 750 mm boven het referentievlak en op de verticale lijn met het geometrische middelpunt van het oppervlak dat wordt begrensd door de veelhoek die de verschillende verankeringspunten of, in voorkomend geval, de uiterste verankeringen van de stoel als hoeken heeft, via de stijve structuur zoals gedefinieerd in punt 1.1;

2.1.2.   in horizontale richting en gericht naar de voorkant van het voertuig;

2.1.3.   binnen zo kort mogelijke tijd en gedurende ten minste 0,2 s.

2.2.   De kracht F moet worden bepaald

2.2.1.   met behulp van de formule: F = (5 000 ± 50) × i, waarin:

F wordt uitgedrukt in N en i staat voor het aantal zitplaatsen op de stoel waarvoor de te testen verankeringen moeten worden goedgekeurd; of, als de fabrikant daarom verzoekt,

2.2.2.   overeenkomstig de representatieve belastingen die tijdens de in aanhangsel 1 beschreven dynamische tests zijn gemeten.


AANHANGSEL 3

TE VERRICHTEN METINGEN

1.   Alle noodzakelijke metingen moeten worden uitgevoerd met meetsystemen die voldoen aan de specificaties van de internationale norm ISO 6487:1987, getiteld “Meettechnieken bij botstests: instrumentatie”.

2.   Dynamische test

2.1.   Op de trolley te verrichten metingen

De kenmerken van de vertraging of versnelling van de trolley moeten aan de hand van de op het stijve frame van de trolley gemeten vertragingen of versnellingen worden gemeten met meetsystemen met een CFC van 60.

2.2.   Op dummy’s te verrichten metingen

De door de meetinstrumenten gemeten waarden moeten worden geregistreerd via onafhankelijke gegevenskanalen met de volgende CFC.

2.2.1.   Metingen in het hoofd van de dummy

De resulterende triaxiale versnelling met betrekking tot het zwaartepunt (γ r(1) moet worden gemeten met een CFC van 600.

2.2.2.   Metingen in de thorax van de dummy

De resulterende versnelling in het zwaartepunt moet worden gemeten met een CFC van 180. De indrukking van de ribben en het viskeuze criterium (VC) moeten worden gemeten met een CFC van 180.

2.2.3.   Metingen in de femur van de dummy

De axiale compressiekracht moet worden gemeten met een CFC van 600.

2.2.4.   Metingen in het abdomen van de dummy

De abdominale krachten moeten worden gemeten met een CFC van 600.

2.2.5.   Metingen in het bekken van de dummy

De kracht op de pubis moet worden gemeten met een CFC van 600.


(1)  Uitgedrukt in g (= 9,81 m/s2), waarvan de scalaire waarde wordt berekend met de volgende formule:

γr 2 = γl 2 + γν 2 + γt 2

waarin:

γl

=

de waarde van de momentane longitudinale versnelling;

γν

=

de waarde van de momentane verticale versnelling;

γt

=

de waarde van de momentane transversale versnelling.


AANHANGSEL 4

VASTSTELLING VAN DE AANVAARDBAARHEIDSCRITERIA

1.   Frontale botsing (voorwaarts gerichte stoel)

1.1.   Hoofdletselcriterium (HIC)

1.1.1.   Dit letselcriterium (HIC) wordt op basis van de overeenkomstig punt 2.2.1 van aanhangsel 3 gemeten resulterende triaxiale versnelling berekend met de volgende formule:

Formula

waarbij t1 en t2 tijdstippen zijn gedurende de test, terwijl HIC de maximumwaarde is voor een interval t1, t2. De waarde van t1 en t2 wordt uitgedrukt in seconden.

1.2.   Thorax-aanvaardbaarheidscriterium (ThAC)

1.2.1.   Dit criterium wordt bepaald door de absolute waarde van de resulterende versnelling, uitgedrukt in g en gemeten overeenkomstig punt 2.2.2 van aanhangsel 3, en de versnellingsperiode, uitgedrukt in ms.

1.3.   Femur-aanvaardbaarheidscriterium (FAC)

Dit criterium wordt bepaald door de compressiekracht, uitgedrukt in kN, die axiaal op elk femur van de dummy wordt overgebracht en overeenkomstig punt 2.2.3 van aanhangsel 3 wordt gemeten, en door de duur van de compressiekracht, uitgedrukt in ms.

2.   Zijdelingse botsing (zijwaarts gerichte stoel)

2.1.   Hoofdletselcriterium (HIC): zie punt 1.1.

2.2.   Thorax-aanvaardbaarheidscriterium

2.2.1.   Indrukking van de borst: de indrukking van de borst is de maximumwaarde van de indrukking van een willekeurige rib die wordt vastgesteld door de thoraxverplaatsingsopnemers.

2.2.2.   Viskeus criterium (VC):

de maximale viskeuze respons is de maximumwaarde van VC bij een willekeurige rib, die wordt berekend uit het momentane product van de relatieve thoraxcompressie ten opzichte van de halve thorax en de snelheid van de compressie afgeleid door differentiatie van de compressie. Voor deze berekening is de standaardbreedte van de ribbenkast voor de halve thorax 140 mm.

Formula

waarin D de ribindrukking is in meters.

Het voor de berekening toe te passen algoritme is aangegeven in Reglement nr. 95, bijlage 4, aanhangsel 2.

2.3.   Abdomen-aanvaardbaarheidscriterium

De abdominale piekkracht is de maximumwaarde van de som van de drie krachten gemeten door de opnemers die 39 mm onder het oppervlak aan de kant van de botsing zijn gemonteerd.

2.4.   Bekken-aanvaardbaarheidscriterium

De piekkracht op de symphysis pubica (PSPF) is de maximumkracht gemeten door een meetcel bij de symphysis pubica van het bekken.


AANHANGSEL 5

VOORSCHRIFTEN EN PROCEDURE VOOR STATISCHE TESTS

1.   VOORSCHRIFTEN

1.1.   Doel van de voorschriften voor het testen van stoelen overeenkomstig dit aanhangsel is om vast te stellen:

1.1.1.   of de inzittenden naar behoren worden tegengehouden door de stoelen vóór hen;

1.1.2.   of de inzittenden niet ernstig gewond raken, en

1.1.3.   of de stoel en de stoelbevestigingen sterk genoeg zijn.

1.2.   Aan de voorschriften van 1.1.1 wordt geacht te zijn voldaan indien de grootste verplaatsing van het centrale aangrijpingspunt van elke in punt 2.2.1 voorgeschreven kracht, gemeten in het horizontale vlak en het middenlangsvlak van de desbetreffende zitplaats, niet meer dan 400 mm bedraagt.

1.3.   Aan de voorschriften van punt 1.1.2 wordt geacht te zijn voldaan indien de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1.3.1.   de grootste verplaatsing van het centrale aangrijpingspunt van elk van de in punt 2.2.1 voorgeschreven krachten, gemeten op de in punt 1.2 beschreven wijze, bedraagt niet minder dan 100 mm;

1.3.2.   de grootste verplaatsing van het centrale aangrijpingspunt van elk van de in punt 2.2.2 voorgeschreven krachten, gemeten op de in punt 1.2 beschreven wijze, bedraagt niet minder dan 50 mm;

1.3.3.   alle uitrustingsstukken die deel uitmaken van de rugleuning van de stoel of toebehoren ervan moeten zo zijn dat zij een passagier tijdens een botsing naar alle waarschijnlijkheid geen lichamelijk letsel toebrengen. Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien elk deel dat door een bol met een diameter van 165 mm kan worden geraakt, een kromtestraal van ten minste 5 mm heeft;

1.3.4.   indien enig deel van de hierboven genoemde uitrustingsstukken en toebehoren is gemaakt van een materiaal met een hardheid van minder dan 50 Shore A op een harde onderlaag, gelden de voorschriften van punt 1.3.3 alleen voor die harde onderlaag;

1.3.5.   De voorschriften van punt 1.3.3 gelden niet voor delen van de rugleuning van de stoel, zoals verstelinrichtingen voor de stoel en toebehoren, indien deze zich in ruststand onder een horizontaal vlak 400 mm boven het referentievlak bevinden, zelfs als de inzittende daarmee in contact kan komen.

1.4.   Aan de voorschriften van punt 1.1.3 wordt geacht te zijn voldaan indien:

1.4.1.   geen enkel deel van de stoel, de stoelbevestigingen of het toebehoren tijdens de test volledig losraakt;

1.4.2.   de stoel stevig vast blijft zitten, ook al raken één of meer verankeringen gedeeltelijk los, en alle vergrendelingssystemen gedurende de volledige test vergrendeld blijven;

1.4.3.   na de test geen structurele delen van de stoel of toebehoren breuken dan wel scherpe of puntige randen of hoeken vertonen die lichamelijk letsel kunnen veroorzaken.

2.   STATISCHE TESTS

2.1.   Testapparatuur

2.1.1.   Deze bestaat uit cilindervormige oppervlakken met een kromtestraal van 82 ± 3 mm en een breedte die:

2.1.1.1.   ten minste gelijk is aan de breedte van de rugleuning van elke zitplaats op de te testen stoel wat de bovenste vorm betreft;

2.1.1.2.   gelijk is aan 320 – 0/+ 10 mm wat de onderste vorm in figuur 1 betreft.

2.1.2.   Het tegen de delen van de stoel aanliggende oppervlak bestaat uit een materiaal waarvan de hardheid niet minder dan 80 Shore A bedraagt.

2.1.3.   Elk cilindervormig oppervlak moet van ten minste één krachtopnemer worden voorzien waarmee de krachten kunnen worden gemeten die in de in punt 2.2.1.1 gedefinieerde richting worden uitgeoefend.

2.2.   Testprocedure

2.2.1.   Een kracht van

Formula
± 50 N moet met een voorziening overeenkomstig punt 2.1 worden uitgeoefend op elk deel van de achterkant van de stoel dat met een zitplaats overeenkomt.

2.2.1.1.   De lijn waarlangs de kracht wordt uitgeoefend, moet zich in het verticale middenvlak van de desbetreffende zitplaats bevinden; zij moet horizontaal en van de achterkant naar de voorkant van de stoel lopen.

2.2.1.2.   Deze lijn moet zich op de hoogte H1 die 0,70 m tot 0,80 m bedraagt, en boven het referentievlak bevinden. De exacte hoogte moet door de fabrikant worden vastgesteld.

2.2.2.   Met een voorziening overeenkomstig punt 2.1 moet een kracht van

Formula
± 100 N tegelijkertijd worden uitgeoefend op elk deel van de achterkant van de stoel dat overeenkomt met een zitplaats in hetzelfde verticale vlak en in dezelfde richting op de hoogte H2 die 0,45 tot 0,55 m bedraagt boven het referentievlak. De exacte hoogte moet door de fabrikant worden vastgesteld.

2.2.3.   De testvorm moet tijdens het uitoefenen van de in de punten 2.2.1 en 2.2.2 gespecificeerde krachten zo veel mogelijk tegen de achterkant van de stoel worden gehouden. De testvorm moet in een horizontaal vlak kunnen draaien.

2.2.4.   Indien een stoel meer dan een zitplaats omvat, moeten de op die zitplaatsen gerichte krachten tegelijkertijd worden uitgeoefend en moeten er evenveel boven- en benedenvormen als zitplaatsen zijn.

2.2.5.   De beginstand van elke zitpositie van elk van de vormen moet worden bepaald door de testvoorzieningen met een kracht van ten minste 20 N in contact te brengen met de stoel.

2.2.6.   De in de punten 2.2.1 en 2.2.2 aangegeven krachten moeten zo snel mogelijk worden uitgeoefend en moeten samen, ongeacht de vervorming, ten minste 0,2 seconden op de gespecificeerde waarde worden gehandhaafd.

2.2.7.   Indien de test is uitgevoerd met een of meer krachten, maar niet met alle krachten groter dan de in de punten 2.2.1 en 2.2.2 gespecificeerde krachten, en indien de stoel voldoet aan de voorschriften, wordt de test geacht te zijn geslaagd.

Apparaat voor de statische test

Image 2

AANHANGSEL 6

ENERGIEABSORPTIEKENMERKEN VAN DE ACHTERKANT VAN RUGLEUNINGEN

1.   De zich in de referentiezone bevindende elementen van de achterkant van rugleuningen zoals gedefinieerd in punt 2.21 van dit reglement, moeten op verzoek van de fabrikant volgens de voorschriften inzake energieabsorptie van bijlage 4 bij Reglement nr. 21 worden geverifieerd. Hierbij wordt toebehoren in alle gebruiksstanden getest, behalve tafeltjes, die geacht worden te zijn opgeklapt.

2.   Deze test moet worden vermeld op het mededelingenformulier betreffende de goedkeuring van een stoeltype volgens het model in bijlage 1 bij dit reglement. Een tekening waarop de met de energiedissipatietest geverifieerde zone aan de achterkant van de rugleuning is aangegeven, moet worden bijgevoegd.

3.   Deze test mag ook op andere voertuigdelen dan een stoel worden uitgevoerd (punt 3.5.3 van aanhangsel 1 en punt 2.3 van aanhangsel 7).


Aanhangsel 7

Voorschriften voor de beveiliging van passagiers op zijwaarts gerichte stoelen overeenkomstig punt 7.4.4

1.   De afstand tussen de voorste zijwaarts gerichte stoel en het voertuigdeel vóór die stoel mag niet meer dan 450 mm bedragen. Alle metingen moeten 1 000 mm boven het referentievlak van de voorste zijwaarts gerichte stoel worden verricht (zie figuur 1).

Figuur 1

Plaatsingsvoorschriften bij zijwaarts gerichte stoelen

Image 3

2.   Om de passagier op de voorste zijwaarts gerichte stoel te beveiligen, moet het voertuigdeel (bv. een scheiding, een wand of de rugleuning van een voorwaarts gerichte stoel) vóór die stoel voldoen aan de volgende voorschriften (zie figuur 2):

2.1.   de hoogte van het voertuigdeel boven het referentievlak van de voorste zijwaarts gerichte stoel mag niet minder dan 1 020 mm bedragen, en

2.2.   het effectieve botsoppervlak van het voertuigdeel moet 200 mm breed en 580 mm hoog zijn. Dit oppervlak moet zo worden geplaatst dat de verticale middellijn zich 50 mm achter het H-punt van de voorste zijwaarts gerichte stoel bevindt, en

2.3.   het overeenkomstige oppervlak van het gemonteerde voertuigdeel, geprojecteerd op een verticaal vlak door dit H-punt, moet ten minste 95 % van het effectieve botsoppervlak beslaan. Dit voertuigdeel moet voldoen aan de energieabsorptievoorschriften van aanhangsel 6.

2.3.1.   Als er in het overeenkomstige oppervlak een opening is (meestal twee voorwaarts gerichte stoelen met tussenin een opening), moet voor elke opening een afstand worden bepaald door middel van een bol met een diameter van 165 mm. De bol moet, zonder kracht uit te oefenen, met de opening in aanraking worden gebracht op het punt waar de bol het verst in de opening kan binnendringen. De afstand tussen de twee raakpunten van de bol moet ten minste 60 mm bedragen.

3.   Als de fabrikant dat wenst, mag een test overeenkomstig aanhangsel 1 met de voor zijwaarts gerichte stoelen passende dummy worden uitgevoerd.

Figuur 2

Plaatsingsvoorschriften voor het voertuigdeel vóór de voorste zijwaartse gerichte stoel

Image 4

BIJLAGE 1

MEDEDELING

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 5

(1)

Afgegeven door:

Naam van de instantie

betreffende de (2):

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van één of meer stoeltypen wat de sterkte ervan betreft, krachtens Reglement nr. 80

Goedkeuring nr. … Uitbreiding nr. …

1. Handelsnaam of merk van de stoel: …

2. Stoeltype: …

3. Naam en adres van de fabrikant: …

4. Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant: …

5. Aanvullende informatie:

5.1. Korte beschrijving van het stoeltype en van de bevestigingsmiddelen en verstel-, verplaatsings- en vergrendelingssystemen ervan, met inbegrip van de minimumafstand tussen de bevestigingspunten: …

5.2. Plaats en opstelling van de stoelen: …

5.3. Eventueel aanwezige stoelen met ingebouwd gordelverankeringspunt: …

5.4. Energieabsorptietest aan de achterkant van de rugleuning: ja/neen (2)

5.5. Tekeningen waarop de op energiedissipatie gecontroleerde zone aan de achterkant van de rugleuning is aangegeven: …

5.6. Stoel goedgekeurd overeenkomstig punt 5.1 van dit reglement (dynamische test): ja/neen (2)

5.6.1. Test 1 overeenkomstig aanhangsel 1: ja/neen (2)

5.6.2. Test 2 overeenkomstig aanhangsel 1: ja/neen (2)

5.6.3. Beschrijving van de voor test 2 gebruikte veiligheidsgordels en gordelverankeringen: …

5.6.4. Voor test 2 gebruikt type extra stoel (indien verschillend van het goedgekeurde stoeltype): …

5.7. Stoel goedgekeurd overeenkomstig punt 5.1 van dit reglement (statische test): ja/neen (2)

5.8. Test overeenkomstig aanhangsel 5: ja/neen (2)

5.9. Test overeenkomstig aanhangsel 6: ja/neen (2)

6. Stoel voor goedkeuring ter beschikking gesteld op: …

7. Type voorziening: vertraging/versnelling (2)

8. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de goedkeuringstest: …

9. Datum van het door die dienst afgegeven rapport: …

10. Nummer van het door die dienst afgegeven rapport: …

11. Goedkeuring verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (2)

Image 6

12. Plaats van het goedkeuringsmerk op de stoel: …

13. Plaats: …

14. Datum: …

15. Handtekening: …

16. De volgende documenten met bovenstaand goedkeuringsnummer zijn op verzoek verkrijgbaar: …

(1) Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).

(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE 2

MEDEDELING

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 7

(1)

Afgegeven door:

Naam van de instantie

betreffende de (2):

goedkeuring

uitbreiding van de goedkeuring

weigering van de goedkeuring

intrekking van de goedkeuring

definitieve stopzetting van de productie

van een voertuigtype wat de sterkte van de stoelverankeringen betreft, krachtens Reglement nr. 80

Goedkeuring nr. … Uitbreiding nr. …

1. Handelsnaam of -merk van het voertuig: …

2. Voertuigtype: …

3. Naam en adres van de fabrikant: …

4. Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant: …

5. Aanvullende informatie:

5.1. Korte beschrijving van het voertuigtype met betrekking tot de verankeringen en de minimumafstand tussen de verankeringen: …

5.2. Merk en type van de stoelen waarvoor typegoedkeuring is verleend (indien aanwezig): …

5.3. Voor elke stoelenrij: afzonderlijke stoel/bank, vast/verstelbaar, vaste rugleuning/verstelbare rugleuning, neerklapbare rugleuning/rugleuning met verstelbare hoek (2)

5.4. Plaats en opstelling van de stoelen (stoelen waarvoor typegoedkeuring is verleend en andere stoelen): …

5.5. Eventueel aanwezige stoelen met ingebouwde veiligheidsgordelverankeringen: …

6. Voertuig voor goedkeuring ter beschikking gesteld op: …

7. Technische dienst die verantwoordelijk is voor de goedkeuringstest: …

8. Datum van het door die dienst afgegeven rapport: …

9. Nummer van het door die dienst afgegeven rapport: …

10. Goedkeuring verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (2)

11. Plaats van het goedkeuringsmerk op het voertuig: …

12. Plaats: …

13. Datum: …

14. Handtekening: …

15. De volgende documenten met bovenstaand goedkeuringsnummer zijn op verzoek verkrijgbaar: …

(1) Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken (zie de goedkeuringsbepalingen van het reglement).

(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE 3

OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN

1.   Opstelling van het goedkeuringsmerk voor een stoel

Image 8

a = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een stoel, geeft aan dat het stoeltype in kwestie wat de overeenkomstig punt 2 van bijlage 4 geteste sterkte ervan betreft, in Nederland (E4) is goedgekeurd onder nummer 032439. Het goedkeuringsnummer geeft aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. 80 zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03.

2.   Opstelling van het goedkeuringsmerk voor een voertuigtype

Image 9

a = min. 8 mm

Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een voertuig, geeft aan dat dit voertuigtype wat de sterkte van de verankeringen in het voertuig betreft, in Nederland (E4) is goedgekeurd onder nummer 032439. Het goedkeuringsnummer geeft aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. 80 zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03.


BIJLAGE 4

Procedure voor het bepalen van het H-punt en de werkelijke romphoek voor zitplaatsen in motorvoertuigen (1)

Aanhangsel 1

Beschrijving van de driedimensionale H-puntmachine (3-D H-machine) (1) (2)

Aanhangsel 2

Driedimensionaal referentiesysteem (1)

Aanhangsel 3

Referentiegegevens voor de zitplaatsen (1)


(1)  Deze procedure wordt beschreven in bijlage 1 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3) (document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2). www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html

(2)  Voor nadere gegevens over de bouw van de 3D H-machine wordt verwezen naar de Society of Automotive Engineers (SAE), 400 Commonwealth Drive, Warrendale, Pennsylvania 15096, Verenigde Staten van Amerika. De machine komt overeen met de machine die wordt beschreven in ISO-norm 6549-1980.