30.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 24/30


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:

http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html

Reglement nr. 78 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen van de categorieën L1, L2, L3, L4 en L5 wat het remsysteem betreft [2015/145]

Bevat de volledige geldige tekst tot en met:

Corrigendum 2 op wijzigingenreeks 03 — Datum van inwerkingtreding: 23 juni 2010

INHOUD

REGLEMENT

1.

Toepassingsgebied

2.

Definities

3.

Goedkeuringsaanvraag

4.

Goedkeuring

5.

Specificaties

6.

Tests

7.

Wijzigingen van het voertuigtype of remsysteem, en uitbreiding van de goedkeuring

8.

Conformiteit van de productie

9.

Overgangsbepalingen

10.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

11.

Definitieve stopzetting van de productie

12.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de administratieve instanties

BIJLAGEN

Bijlage 1 —

Mededeling betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een voertuigtype van categorie L wat het remsysteem betreft, overeenkomstig Reglement nr. 78

Bijlage 2 —

Opstelling van goedkeuringsmerken

Bijlage 3 —

Testvoorwaarden, procedures en prestatievoorschriften

1.   TOEPASSINGSGEBIED

Dit reglement is van toepassing op voertuigen van de categorieën L1, L2, L3, L4 en L5  (1).

Deze categorieën omvatten geen:

a)

voertuigen met Vmax < 25 km/h;

b)

voertuigen die zijn uitgerust voor gehandicapte bestuurders.

2.   DEFINITIES

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

2.1.

    „antiblokkeerremsysteem (ABS)” een systeem dat het slippen van een wiel meet en de druk die de remkrachten op het (de) wiel(en) produceren automatisch moduleert om de mate van wielslip te beperken;

2.2.

    „goedkeuring van een voertuig” de goedkeuring van een voertuigtype wat het remsysteem betreft;

2.3.

    „referentietest” het een of meer keren remmen om de prestaties van de rem te bevestigen alvorens deze te onderwerpen aan een volgende test, zoals de opwarmprocedure of het remmen met natte rem(men);

2.4.

    „rem” de onderdelen van het remsysteem waar de krachten worden ontwikkeld die de beweging van het voertuig tegenwerken;

2.5.

    „remsysteem” het geheel van onderdelen dat bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de rem, maar met uitzondering van de motor, en dat tot taak heeft de snelheid van een bewegend voertuig geleidelijk te verminderen, het voertuig tot stilstand te brengen en het stilstaande voertuig op zijn plaats te houden;

2.6.

   „gecombineerd remsysteem (CBS)”

voor de voertuigcategorieën L1 en L3 : een bedrijfsremsysteem waarbij ten minste twee remmen op verschillende wielen worden bediend door de activering van een enkelvoudig bedieningsorgaan;

voor de voertuigcategorieën L2 en L5 : een bedrijfsremsysteem waarbij de remmen op alle wielen worden bediend door de activering van een enkelvoudig bedieningsorgaan;

voor voertuigcategorie L4 : een bedrijfsremsysteem waarbij de remmen op ten minste de voor- en achterwielen worden bediend door de activering van een enkelvoudig bedieningsorgaan (als het achterwiel en het wiel van de zijspanwagen door hetzelfde remsysteem worden geremd, wordt dit als de achterrem beschouwd);

2.7.

    „onderdeel van het remsysteem” een van de afzonderlijke delen die samen het remsysteem vormen;

2.8.

    „bedieningsorgaan” het onderdeel dat direct door de bestuurder wordt bediend om de energie die nodig is voor het remmen van het voertuig aan de overbrenging te leveren of te reguleren;

2.9.

   „verschillende typen remsysteem” voorzieningen die onderling verschillen op essentiële punten zoals:

a)

onderdelen met verschillende kenmerken;

b)

een onderdeel van materialen met andere eigenschappen of van een andere vorm of afmetingen;

c)

een andere samenstelling van de onderdelen;

2.10.

    „massa van de bestuurder” de nominale massa van de bestuurder, die op 75 kg wordt vastgesteld (verdeeld in 68 kg voor de persoon op de zitplaats en 7 kg voor de bagage);

2.11.

    „ontkoppelde motor” wanneer de motor niet langer is gekoppeld aan het (de) aangedreven wiel(en);

2.12.

    „brutomassa van het voertuig” of „maximummassa” de door de fabrikant opgegeven technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

2.13.

    „beginremtemperatuur” de temperatuur van de heetste rem vóór het bedienen van de remmen;

2.14.

    „beladen” beladen tot de in punt 2.12 gedefinieerde brutomassa van het voertuig;

2.15.

    „licht belast” de massa in rijklare toestand plus 15 kg voor de testapparatuur, of, indien dit minder is, de beladen toestand. In het geval van ABS-tests op een oppervlak met geringe wrijving (bijlage 3, punten 9.4 tot en met 9.7) wordt de massa voor de testapparatuur verhoogd tot 30 kg om rekening te houden met veiligheidsbalken;

2.16.

    „massa in rijklare toestand” de som van de massa van het voertuig in onbeladen toestand en de massa van de bestuurder;

2.17.

    „piekremcoëfficiënt (PBC)” de mate van wrijving tussen band en wegdek bij de maximumvertraging van een rollende band;

2.18.

    „remsysteem met rembekrachtiging” een remsysteem waarbij de benodigde energie om de remkracht te produceren wordt geleverd door de spierkracht van de bestuurder, bijgestaan door één of meer voorzieningen die energie leveren, bijvoorbeeld met behulp van een vacuüm (met vacuümbekrachtiger);

2.19.

    „hulpremsysteem” het tweede bedrijfsremsysteem van een met een gecombineerd remsysteem uitgerust voertuig;

2.20.

    „bedrijfsremsysteem” een remsysteem dat wordt gebruikt voor de vertraging van het voertuig wanneer dat in beweging is;

2.21.

    „enkelvoudig remsysteem” een remsysteem dat slechts op één as werkt;

2.22.

    „gescheiden bedrijfsremsysteem (SSBS)” een remsysteem waarmee de remmen op alle wielen worden bediend, en dat bestaat uit twee of meer subsystemen die in werking worden gesteld door een enkelvoudig bedieningsorgaan en zo is ontworpen dat één enkel defect in een subsysteem (zoals een lekkage in een hydraulisch subsysteem) niet ten koste gaan van de werking van andere subsystemen;

2.23.

    „remafstand” de door het voertuig afgelegde afstand van het punt waarop de bestuurder het bedieningsorgaan van de rem begint te activeren tot het punt waarop het voertuig volledig tot stilstand komt. Bij tests waarvoor de gelijktijdige activering van twee bedieningsorganen is voorgeschreven, wordt de afgelegde afstand berekend vanaf het punt waarop het eerste bedieningsorgaan wordt geactiveerd;

2.24.

    „testsnelheid” de voertuigsnelheid, gemeten op het moment waarop de bestuurder het bedieningsorgaan (de bedieningsorganen) van de rem begint te activeren. Bij tests waarvoor de gelijktijdige activering van twee bedieningsorganen is voorgeschreven, wordt de voertuigsnelheid vastgesteld op het punt waarop het eerste bedieningsorgaan wordt geactiveerd;

2.25.

    „overbrenging” het geheel van onderdelen dat de functionele verbinding tussen het bedieningsorgaan en de rem vormt;

2.26.

    „massa van het voertuig in onbeladen toestand” de nominale massa van het voertuig, zoals aangegeven door de fabrikant(en), inclusief alle apparatuur waarmee het voertuig in de fabriek voor normaal gebruik ervan is uitgerust (bv. brandblusser, gereedschap, reservewiel), plus de koelvloeistof, smeermiddelen, 90 % van de brandstof en 100 % van andere gassen of vloeistoffen, zoals gespecificeerd door de fabrikant;

2.27.

   „voertuigtype” een subcategorie voertuigen van categorie L die onderling niet verschillen op essentiële punten zoals:

a)

de voertuigcategorie, zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde Resolutie (R.E.3);

b)

de brutomassa van het voertuig, zoals gedefinieerd in punt 2.12;

c)

de verdeling van de massa over de assen;

d)

Vmax;

e)

een ander type reminrichting;

f)

het aantal en de plaats van de assen;

g)

het type motor;

h)

het aantal versnellingen en hun overbrengingsverhoudingen;

i)

de eindoverbrengingsverhoudingen;

j)

de bandenmaten;

2.28.

    „Vmax” ofwel de snelheid die kan worden behaald door met een licht belast voertuig vanuit een staande start maximaal te accelereren over een afstand van 1,6 km over een vlak oppervlak, ofwel de overeenkomstig ISO 7117:1995 gemeten snelheid;

2.29.

    „wielblokkering” de toestand die optreedt bij een slipverhouding van 1,00.

3.   GOEDKEURINGSAANVRAAG

3.1.   De goedkeuringsaanvraag voor een voertuigtype wat het remsysteem betreft, wordt ingediend door de voertuigfabrikant of zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger.

3.2.   De aanvraag gaat vergezeld van de hieronder genoemde documenten in drievoud en van de volgende nadere gegevens:

3.2.1.

een beschrijving van het voertuigtype met betrekking tot de in punt 2.27 vermelde onderdelen. De nummers en/of symbolen ter identificatie van het voertuig- en motortype moeten worden gespecificeerd;

3.2.2.

een lijst van de onderdelen die samen de reminrichting vormen, met duidelijke identificatie per onderdeel;

3.2.3.

een schema van het samengestelde remsysteem, met vermelding van de plaats van de onderdelen ervan in het voertuig;

3.2.4.

detailtekeningen waarmee elk onderdeel snel kan worden teruggevonden en geïdentificeerd.

3.3.   Een voertuig dat representatief is voor het goed te keuren voertuigtype moet ter beschikking worden gesteld van de technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de goedkeuringstests.

4.   GOEDKEURING

4.1.   Als het krachtens dit reglement goed te keuren voertuigtype aan de voorschriften van de punten 5 en 6 voldoet, wordt voor dat voertuigtype goedkeuring verleend.

4.2.   Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 03 voor wijzigingenreeks 03) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan hetzelfde voertuigtype met een ander type reminrichting of aan een ander voertuigtype toekennen.

4.3.   Van de goedkeuring, de weigering, uitbreiding of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een voertuigtype krachtens dit reglement moet aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling worden gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1.

4.4.   Op elk voertuig dat conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype, moet op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats die op het goedkeuringsformulier is vermeld, een internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit:

4.4.1.

een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (2);

4.4.2.

het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.4.1 voorgeschreven cirkel.

4.5.   Indien het voertuig beantwoordt aan een voertuigtype dat op basis van één of meer andere aan de overeenkomst gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat de goedkeuring krachtens dit reglement heeft verleend, behoeft het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool niet te worden herhaald; in dat geval moeten de reglement- en goedkeuringsnummers en de aanvullende symbolen van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring is verleend in het land dat krachtens dit reglement goedkeuring heeft verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.4.1 voorgeschreven symbool worden geplaatst.

4.6.   Het goedkeuringsmerk moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

4.7.   Het goedkeuringsmerk moet dicht bij of op het door de fabrikant aangebrachte gegevensplaatje van het voertuig worden aangebracht.

4.8.   In bijlage 2 worden voorbeelden van opstellingen van goedkeuringsmerken gegeven.

5.   SPECIFICATIES

5.1.   Voorschriften ten aanzien van remsystemen

5.1.1.   Elk voertuig moet de voor een voertuig van de desbetreffende categorie en voor de kenmerken van de remmen van het voertuig voorgeschreven tests doorstaan.

5.1.2.   Bediening van het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem

De voertuigen moeten zo zijn geconfigureerd dat een bestuurder het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem kan activeren terwijl hij in de normale rijhouding zit, met beide handen aan het stuur.

5.1.3.   Bediening van het bedieningsorgaan van het hulpremsysteem

De voertuigen moeten zo zijn geconfigureerd dat een bestuurder het bedieningsorgaan van het hulpremsysteem kan activeren terwijl hij in de normale rijhouding zit, met ten minste één hand aan het stuur.

5.1.4.   Parkeerremsysteem

Indien het voertuig is uitgerust met een parkeerrem, moet deze het voertuig op de in punt 8.2 van bijlage 3 voorgeschreven helling op zijn plaats kunnen houden.

Het parkeerremsysteem moet:

a)

een bedieningsorgaan hebben dat is gescheiden van de bedieningsorganen van het bedrijfsremsysteem, en

b)

uitsluitend met mechanische middelen in de vergrendelde stand worden gehouden.

De voertuigen moeten zo zijn geconfigureerd dat een bestuurder het bedieningsorgaan van het parkeerremsysteem kan activeren terwijl hij in de normale rijhouding zit.

5.1.5.   Tweewielige voertuigen van de categorieën L1 en L3 moeten ofwel met twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, ofwel met een gescheiden bedrijfsremsysteem zijn uitgerust, waarbij ten minste één rem het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remt.

5.1.6.   Driewielige voertuigen van voertuigcategorie L4 moeten aan de voorschriften voor het remsysteem van punt 5.1.5 voldoen. Op het wiel van de zijspanwagen is geen rem vereist wanneer het voertuig aan de prestatievoorschriften van bijlage 3 voldoet.

5.1.7.   Driewielige voertuigen van categorie L2 moeten zijn uitgerust met een parkeerremsysteem plus één van de volgende bedrijfsremsystemen:

a)

twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, met uitzondering van gecombineerde remsystemen, die, wanneer zij samen worden geactiveerd, de remmen op alle wielen in werking stellen, of

b)

een gescheiden bedrijfsremsysteem, of

c)

een gecombineerd remsysteem dat de remmen op alle wielen in werking stelt en een hulpremsysteem, dat eventueel het parkeerremsysteem kan zijn.

5.1.8.   Voertuigen van categorie L5 moeten zijn uitgerust met:

5.1.8.1.

een parkeerremsysteem, en

5.1.8.2.

een met de voet bediend bedrijfsremsysteem dat actief is op de remmen op alle wielen, door middel van ofwel

a)

een gescheiden bedrijfsremsysteem, ofwel

b)

een gecombineerd remsysteem dat de remmen op alle wielen in werking stelt en een hulpremsysteem, dat eventueel het parkeerremsysteem kan zijn.

5.1.9.   In gevallen waarin twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen zijn geïnstalleerd, kunnen de systemen een rem gemeenschappelijk hebben, mits een defect in het ene systeem de prestaties van het andere systeem niet beïnvloedt.

5.1.10.   Voor voertuigen waarin hydraulische vloeistoffen worden gebruikt voor de overbrenging van de remkracht, moet de hoofdremcilinder:

a)

voor elk remsysteem een verzegeld, afgedekt, afzonderlijk reservoir hebben;

b)

een reservoircapaciteit hebben die minstens overeenkomt met 1,5 keer de totale hoeveelheid verplaatste vloeistof die nodig is om bij de slechtst mogelijke omstandigheden voor de afstelling van de remmen aan de voorwaarden voor nieuwe tot volledig versleten voeringen te voldoen, en

c)

een reservoir hebben waarin het vloeistofniveau zichtbaar is voor controle zonder dat het deksel verwijderd hoeft te worden.

5.1.11.   Alle waarschuwingslampjes worden in het gezichtsveld van de bestuurder gemonteerd.

5.1.12.   Voertuigen die zijn uitgerust met een gescheiden bedrijfsremsysteem worden voorzien van een rood waarschuwingslampje, dat wordt geactiveerd:

a)

wanneer zich bij uitoefening van een kracht van ≤ 90 N op het bedieningsorgaan een hydraulische storing voordoet, of

b)

wanneer het remvloeistofpeil in het reservoir van de hoofdremcilinder, zonder dat het bedieningsorgaan van de rem wordt geactiveerd, daalt tot onder de grootste van de volgende waarden:

i)

het door de fabrikant gespecificeerde peil, en

ii)

een peil dat lager is dan of gelijk is aan de helft van de capaciteit van het vloeistofreservoir.

Om controle van de functie mogelijk te maken, gaat het waarschuwingslampje branden bij activering van de contactschakelaar en gaat het uit wanneer de controle is voltooid. Bij een defect blijft het waarschuwingslampje branden wanneer de contactschakelaar in de „on”-stand staat.

5.1.13.   Voertuigen die zijn uitgerust met ABS worden voorzien van een geel waarschuwingslampje. Het lampje wordt geactiveerd wanneer zich een storing voordoet die van invloed is op het genereren of de overdracht van signalen in het ABS-systeem van het voertuig.

Om controle van de functie mogelijk te maken, gaat het waarschuwingslampje branden bij activering van de contactschakelaar en gaat het uit wanneer de controle is voltooid.

Bij een defect blijft het waarschuwingslampje branden wanneer de contactschakelaar in de „on”-stand staat.

5.2.   Duurzaamheid

5.2.1.   Slijtage van de remmen moet kunnen worden gecompenseerd door middel van een automatisch of met de hand bedienbaar regelsysteem.

5.2.2.   De dikte van het frictiemateriaal moet zichtbaar zijn zonder demontage; indien het frictiemateriaal echter niet zichtbaar is, moet de slijtage worden beoordeeld door middel van een daartoe ontworpen voorziening.

5.2.3.   Tijdens alle tests van dit reglement en bij de voltooiing daarvan mag het frictiemateriaal niet losraken en mag er geen remvloeistof lekken.

5.3.   Meting van de dynamische prestaties

De gebruikte methode voor het meten van de prestaties is zoals gespecificeerd in de desbetreffende tests in bijlage 3. De prestaties van het bedrijfsremsysteem kunnen op drie manieren worden gemeten:

5.3.1.

Gemiddelde volle vertraging (MFDD):

Berekening van de gemiddelde volle vertraging:

Formula
in m/s2

waarin:

dm

=

gemiddelde volle vertraging

V1

=

voertuigsnelheid op het punt waarop de bestuurder het bedieningsorgaan activeert

Vb

=

voertuigsnelheid bij 0,8 V1 in km/h

Ve

=

voertuigsnelheid bij 0,1 V1 in km/h

Sb

=

tussen V1 en Vb afgelegde afstand in meter

Se

=

tussen V1 en Ve afgelegde afstand in meter

5.3.2.

Remafstand:

gebaseerd op de algemene bewegingsvergelijkingen:

S = 0,1 · V + (X) · V2

waarin:

S

=

remafstand in meter.

V

=

voertuigsnelheid in km/h

X

=

een variabele die is gebaseerd op de voorwaarden van de afzonderlijke tests

Voor de berekening van de gecorrigeerde remafstand met behulp van de werkelijke testsnelheid van het voertuig wordt de volgende formule gebruikt:

Ss = 0,1· Vs + (Sa – 0,1 · Va) · Vs 2/Va 2

waarin:

Ss

=

gecorrigeerde remafstand in meter.

Vs

=

gespecificeerde testsnelheid van het voertuig in km/h

Sa

=

werkelijke remafstand in meter

Va

=

werkelijke testsnelheid van het voertuig in km/h

Opmerking: Deze vergelijking geldt alleen wanneer de werkelijke testsnelheid (Va) binnen ± 5 km/h van de gespecificeerde testsnelheid (Vs) ligt.

5.3.3.

Voortdurende registratie van de vertraging:

Voor de polijstprocedure en tests zoals de test met natte rem(men) en de test van de remfading bij opwarming (opwarmprocedure) wordt de momentane vertraging van het voertuig voortdurend geregistreerd, vanaf het moment waarop kracht op het bedieningsorgaan van de rem wordt uitgeoefend tot het einde van het remmen.

5.4.   Materialen remvoering:

De remvoeringen mogen geen asbest bevatten.

6.   TESTS

De remtests (testvoorwaarden en -procedures) die de voor goedkeuring ter beschikking gestelde voertuigen moeten ondergaan, en de vereiste remprestaties, worden voorgeschreven in bijlage 3.

7.   WIJZIGINGEN VAN HET VOERTUIGTYPE OF REMSYSTEEM, EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING

7.1.   Elke wijziging van het voertuigtype of van het remsysteem wordt meegedeeld aan de administratieve instantie die het voertuigtype heeft goedgekeurd. Deze instantie kan dan:

7.1.1.

oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat het voertuig in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet, of

7.1.2.

de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken.

7.2.   De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden volgens de procedure van punt 4.3 in kennis gesteld van de goedkeuring of de weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen.

7.3.   De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent een volgnummer toe aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld.

8.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

8.1.   Elk krachtens dit reglement goedgekeurd voertuig (systeem) moet zodanig worden gebouwd dat het conform is met het goedgekeurde type; hiertoe moet het voldoen aan de voorschriften van punt 5.

8.2.   Om na te gaan of aan de voorschriften van punt 8.1 is voldaan, worden passende controles van de productie uitgevoerd.

8.3.   De houder van de goedkeuring moet met name:

8.3.1.

zorgen voor procedures voor een doeltreffende controle van de kwaliteit van de producten;

8.3.2.

toegang hebben tot de vereiste apparatuur om de conformiteit met elk goedgekeurd type te controleren;

8.3.3.

zorgen voor de registratie van de testresultaten en de beschikbaarheid van bijgevoegde documenten gedurende een in overleg met de administratieve instantie vast te stellen periode;

8.3.4.

de resultaten van elk type test analyseren om de bestendigheid van de productkenmerken te verifiëren en te waarborgen, rekening houdend met aan industriële productie inherente afwijkingen;

8.3.5.

erop toezien dat voor elk producttype ten minste de in bijlage 3 voorgeschreven tests worden uitgevoerd;

8.3.6.

ervoor zorgen dat, als bij het desbetreffende type test monsters of testobjecten niet conform blijken te zijn, opnieuw monsters worden genomen en een nieuwe test wordt uitgevoerd. Alle nodige stappen worden genomen om de conformiteit van de desbetreffende productie te herstellen.

8.4.   De bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, kan te allen tijde de in elke productie-eenheid toegepaste conformiteitscontrolemethoden verifiëren.

8.4.1.   Bij elke inspectie worden de tijdens de tests en productiecontroles geregistreerde gegevens aan de bezoekende inspecteur overgelegd.

8.4.2.   De inspecteur mag willekeurig monsters nemen die in het laboratorium van de fabrikant zullen worden getest. Het minimumaantal monsters mag worden bepaald op basis van de resultaten van de verificatie door de fabrikant zelf.

8.4.3.   Als de kwaliteit niet bevredigend blijkt of als het nodig lijkt de geldigheid van de overeenkomstig punt 8.4.2 uitgevoerde tests te verifiëren, verzamelt de inspecteur monsters die worden toegezonden aan de technische dienst die de typegoedkeuringstests heeft uitgevoerd.

8.4.4.   De bevoegde instantie mag elke in dit reglement voorgeschreven test uitvoeren.

8.4.5.   Normaliter vinden de in opdracht van de bevoegde instantie uit te voeren inspecties om de twee jaar plaats. Indien bij een van deze inspecties negatieve resultaten worden geboekt, zorgt de bevoegde instantie ervoor dat alle nodige maatregelen worden genomen om de conformiteit van de productie zo spoedig mogelijk te herstellen.

9.   OVERGANGSBEPALINGEN

9.1.   Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 03 van dit reglement mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03. Op verzoek van de fabrikant kunnen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, overeenkomen deze wijzigingen vóór de officiële datum van inwerkingtreding toe te passen.

9.2.   Vanaf 24 maanden na de in punt 9.1 vermelde officiële datum van inwerkingtreding mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen goedkeuringen verlenen als het type voertuig voldoet aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03.

9.3.   Goedkeuringen die vóór het einde van de periode van 24 maanden na de officiële datum van inwerkingtreding zijn verleend, komen 48 maanden na de in punt 9.1 vermelde datum van inwerkingtreding te vervallen, tenzij de overeenkomstsluitende partij die de goedkeuring heeft verleend, de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen ervan in kennis stelt dat het goedgekeurde voertuigtype voldoet aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 03.

9.4.   Onverminderd bovenstaande overgangsbepalingen zijn overeenkomstsluitende partijen waarbij de toepassing van dit reglement na de inwerkingtreding van de meest recente wijzigingenreeks van kracht wordt, niet verplicht goedkeuringen te accepteren die zijn verleend krachtens voorgaande wijzigingenreeksen bij dit reglement.

10.   SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

10.1.   De krachtens dit reglement verleende goedkeuring voor een voertuigtype kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 8.1 is voldaan of indien een voertuig van dit type de in punt 8.3 voorgeschreven controles niet heeft doorstaan.

10.2.   Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een kopie van het goedkeuringsformulier met aan het einde in hoofdletters de gedateerde en ondertekende vermelding „GOEDKEURING INGETROKKEN”.

11.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd voertuigtype definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van een kopie van het goedkeuringsformulier met aan het einde in hoofdletters de gedateerde en ondertekende vermelding „PRODUCTIE STOPGEZET”.

12.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE ADMINISTRATIEVE INSTANTIES

De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de administratieve instanties die goedkeuring verlenen en waaraan in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring en de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.


(1)  Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde Resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2, punt 2.

(2)  De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Geconsolideerde Resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2/Amend.1.


BIJLAGE 1 (*)

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld

AANHANGSEL

LIJST VAN DE TE VERSTREKKEN VOERTUIGGEGEVENS VOOR GOEDKEURINGEN KRACHTENS REGLEMENT Nr. 90

1.

Beschrijving van het voertuigtype:

1.1.

Eventuele handelsnaam of merk van het voertuig:

1.2.

Voertuigcategorie:

1.3.

Voertuigtype volgens de goedkeuring krachtens Reglement nr. 78:

1.4.

Eventuele modellen of handelsnamen van de voertuigen die onder het voertuigtype vallen:

1.5.

Naam en adres van de fabrikant:

2.

Merk en type van de remvoeringen:

3.

Minimummassa van het voertuig:

3.1.

Verdeling van de massa over elke as (maximumwaarde):

4.

Brutomassa van het voertuig:

4.1.

Verdeling van de massa over elke as (maximumwaarde):

5.

Vmax km/h

6.

Band- en wielmaten:

7.

Configuratie van de onafhankelijke remsystemen:

8.

Specificaties van eventuele remventielen:

8.1.

Afstelgegevens van het lastafhankelijke ventiel:

8.2.

Instelling van de drukklep:

9.

Remspecificaties:

9.1.

Schijfremtype (bv. aantal zuigers en diameter ervan, geventileerde of volle schijf):

9.2.

Trommelremtype (bv. simplex, met zuigermaat en trommelafmetingen):

10.

Type en afmetingen van eventuele hoofdremcilinder:

BIJLAGE 2

OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN

MODEL A

(zie punt 4.4 van dit reglement)

Image 3

Als bovenstaand goedkeuringsmerk is aangebracht op een voertuig, geeft dit aan dat het voertuigtype in kwestie, wat het remsysteem betreft, in het Verenigd Koninkrijk (E11) is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 78 onder goedkeuringsnummer 032439. De eerste twee cijfers van het goedkeuringsnummer geven aan dat op de datum van goedkeuring in Reglement nr. 78 wijzigingenreeks 03 al was opgenomen.

MODEL B

(zie punt 4.5 van dit reglement)

Image 4

Als bovenstaand goedkeuringsmerk is aangebracht op een voertuig, geeft dit aan dat het voertuigtype in kwestie in het Verenigd Koninkrijk (E11) is goedgekeurd krachtens de Reglementen nrs. 78 en 40 (*1). De eerste twee cijfers van de goedkeuringsnummers geven aan dat, op de respectieve datum van goedkeuring, Reglement nr. 78 wijzigingenreeks 03 bevatte, maar Reglement nr. 40 nog ongewijzigd was.


(*1)  Het laatste nummer dient alleen ter illustratie.


BIJLAGE 3

TESTVOORWAARDEN, PROCEDURES EN PRESTATIEVOORSCHRIFTEN

1.   ALGEMEEN

1.1.   Testoppervlakken

1.1.1.   Oppervlak met sterke wrijving:

a)

van toepassing op alle dynamische remtests, met uitzondering van de ABS-tests waarvoor een oppervlak met geringe wrijving is gespecificeerd;

b)

het testgebied is een schoon en vlak oppervlak, met een helling van ≤ 1 %;

c)

het oppervlak heeft een nominale piekremcoëfficiënt (PBC) van 0,9, tenzij anders aangegeven.

1.1.2.   Oppervlak met geringe wrijving:

a)

van toepassing op alle dynamische remtests waarvoor een oppervlak met geringe wrijving is gespecificeerd;

b)

het testgebied is een schoon, droog en vlak oppervlak, met een helling van ≤ 1 %;

c)

het oppervlak heeft een PBC van ≤ 0,45.

1.1.3.   Meting van de PBC

De PBC wordt gemeten op een door de goedkeuringsinstantie bepaalde manier, waarbij gebruik wordt gemaakt van ofwel

a)

de standaardreferentietestband E1136-93 (opnieuw goedgekeurd in 2003) van de American Society for Testing and Materials (ASTM), overeenkomstig ASTM-methode E1337-90 (opnieuw goedgekeurd in 2002), bij een snelheid van 40 mph, ofwel

b)

de in het aanhangsel van deze bijlage gespecificeerde methode.

1.1.4.   Tests van het parkeerremsysteem

De gespecificeerde testhelling heeft een schoon en droog oppervlak dat niet vervormd onder invloed van de massa van het voertuig.

1.1.5.   Breedte van de testrijstrook

Voor tweewielige voertuigen (de voertuigcategorieën L1 en L3) bedraagt de breedte van de testrijstrook 2,5 m.

Voor driewielige voertuigen (de voertuigcategorieën L2, L5 en L4) bedraagt de breedte van de testrijstrook 2,5 m plus de breedte van het voertuig.

1.2.   Omgevingstemperatuur

De omgevingstemperatuur ligt tussen 4 en 45 °C.

1.3.   Windsnelheid

De windsnelheid bedraagt niet meer dan 5 m/s.

1.4.   Tolerantie voor de testsnelheid

De tolerantie voor de testsnelheid is ± 5 km/h.

Indien de werkelijke testsnelheid afwijkt van de gespecificeerde testsnelheid, wordt de werkelijke remafstand gecorrigeerd met behulp van de formule van punt 5.3.2 van dit reglement.

1.5.   Automatische transmissie

Voertuigen met automatische transmissie moeten alle tests doorlopen — zowel die voor „gekoppelde motor” als die voor „ontkoppelde motor”.

Indien een automatische transmissie over een vrijstand beschikt, wordt de vrijstand geselecteerd voor tests waarvoor „ontkoppelde motor” is gespecificeerd.

1.6.   Positie van het voertuig en wielblokkering:

a)

het voertuig wordt voorafgaand aan elke keer remmen in het midden van de testrijstrook opgesteld;

b)

het voertuig wordt geremd zonder dat de wielen buiten de desbetreffende testrijstrook komen en zonder dat wielblokkering optreedt.

1.7.   Testsequentie

Testvolgorde

Punt

1.

Droog remmen — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd

3

2.

Droog remmen — alle bedieningsorganen van de bedrijfsrem geactiveerd

4

3.

Hoog toerental

5

4.

Nat remmen

6

5.

Remfading bij opwarming (1)

7

6.

Indien gemonteerd:

 

6.1.

Parkeerremsysteem

8

6.2.

ABS

9

6.3.

Gedeeltelijk defect, voor gescheiden bedrijfsremsystemen

10

6.4.

Defect van een remsysteem met rembekrachtiging

11

2.   VOORBEREIDING

2.1.   Stationair toerental van de motor

Het stationair toerental van de motor wordt afgesteld op de door de fabrikant opgegeven waarde.

2.2.   Bandenspanning

De banden worden opgepompt tot de door de fabrikant opgegeven spanning voor de voor de test voorgeschreven beladingstoestand van het voertuig.

2.3.   Punten waarop en richting waarin de bedieningskracht wordt uitgeoefend

Bij een hefboom voor handbediening wordt de kracht (F) uitgeoefend op het voorvlak van het bedieningsorgaan, loodrecht op de as door het draaipunt van de hefboom en het uiteinde daarvan op het vlak waarin de bedieningshefboom draait (zie de figuur hieronder).

De kracht wordt uitgeoefend op een punt dat 50 mm van het uiteinde van de bedieningshefboom ligt, gemeten langs de as door de centrale as van het draaipunt van de hefboom en het uiteinde daarvan.

Image 5

draaipunt van de hefboom

50 mm

Bij een pedaal voor voetbediening wordt de kracht in het midden van en loodrecht op het bedieningspedaal uitgeoefend.

2.4.   Meting van de remtemperatuur

Zoals bepaald door de goedkeuringsinstantie wordt de temperatuur bij benadering op het middelpunt van het remoppervlak van de remschijf of -trommel gemeten met behulp van:

a)

een thermokoppel waar het oppervlak van de trommel of schijf langs strijkt, of

b)

een in het frictiemateriaal ingebed thermokoppel.

2.5.   Polijstprocedure

De remmen worden gepolijst voordat de prestaties ervan worden beoordeeld. Deze procedure kan door de fabrikant worden uitgevoerd:

a)

licht belast voertuig;

b)

ontkoppelde motor;

    beginsnelheid: 50 km/h of, indien dat lager is, 0,8 Vmax;

    eindsnelheid = 5 tot 10 km/h;

c)

testsnelheid:

i)

ii)

d)

bediening van de rem:

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

e)

vertraging van het voertuig:

i)

alleen enkelvoudig voorremsysteem:

 

3,0-3,5 m/s2 voor de voertuigcategorieën L3 en L4;

 

1,5-2,0 m/s2 voor de voertuigcategorieën L1 en L2;

ii)

alleen enkelvoudig achterremsysteem: 1,5-2,0 m/s2;

iii)

gecombineerd remsysteem of gescheiden bedrijfsremsysteem: 3,5-4,0 m/s2;

f)

aantal vertragingen: 100 per remsysteem;

g)

begintemperatuur van de remmen vóór elke keer remmen ≤ 100 °C;

h)

rem het voertuig de eerste keer door te accelereren tot de beginsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren overeenkomstig de gespecificeerde voorwaarden, totdat de eindsnelheid is bereikt. Vervolgens opnieuw accelereren tot de beginsnelheid en deze snelheid aanhouden tot de remtemperatuur is gedaald tot de gespecificeerde beginwaarde. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, de rem opnieuw bedienen zoals gespecificeerd. Deze procedure herhalen voor het gespecificeerde aantal vertragingen. Na het polijsten de remmen afstellen volgens de aanbevelingen van de fabrikant.

3.   DROOGREMTEST — ÉÉN BEDIENINGSORGAAN VAN DE REM GEACTIVEERD

3.1.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op alle voertuigcategorieën;

b)

beladen:

voor met gecombineerde remsystemen en gescheiden bedrijfsremsystemen uitgeruste voertuigen: het voertuig wordt behalve in de beladen toestand ook in de licht belaste toestand getest;

c)

ontkoppelde motor.

3.2.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid:

i)

voertuigcategorieën L1 en L2: 40 km/h of, indien dat lager is, 0,9 Vmax;

ii)

voertuigcategorieën L3, L5 en L4: 60 km/h of, indien dat lager is, 0,9 Vmax;

c)

bediening van de rem:

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

d)

rembedieningskracht:

i)

handbediening

:

≤ 200 N;

ii)

voetbediening

:

≤ 350 N voor de voertuigcategorieën L1, L2, L3 en L4;

≤ 500 N voor voertuigcategorie L5;

e)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal zes keer;

f)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden.

3.3.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest volgens de testprocedure van punt 3.2 moet de remafstand zijn zoals gespecificeerd in kolom 2 of moet de MFDD zijn zoals gespecificeerd in kolom 3 van de onderstaande tabel:

Kolom 1

Kolom 2

 

Kolom 3

Voertuigcategorie

REMAFSTAND (S)

(waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h en S de benodigde remafstand in meter is)

 

MFDD

Enkelvoudig remsysteem, alleen voorwiel(en) geremd:

L1

S ≤ 0,1 V + 0,0111 V2

 

≥ 3,4 m/s2

L2

S ≤ 0,1 V + 0,0143 V2

≥ 2,7 m/s2

L3

S ≤ 0,1 V + 0,0087 V2

≥ 4,4 m/s2

L5

N.v.t.

N.v.t.

L4

S ≤ 0,1 V + 0,0105 V2

 

≥ 3,6 m/s2

Enkelvoudig remsysteem, alleen achterwiel(en) geremd:

L1

S ≤ 0,1 V + 0,0143 V2

 

≥ 2,7 m/s2

L2

S ≤ 0,1 V + 0,0143 V2

≥ 2,7 m/s2

L3

S ≤ 0,1 V + 0,0133 V2

≥ 2,9 m/s2

L5

N.v.t.

N.v.t.

L4

S ≤ 0,1 V + 0,0105 V2

 

≥ 3,6 m/s2

Voertuigen met gecombineerde remsystemen of gescheiden bedrijfsremsystemen: voor de beladen en de licht belaste toestand:

L1 en L2

S ≤ 0,1 V + 0,0087 V2

 

≥ 4,4 m/s2

L3

S ≤ 0,1 V + 0,0076 V2

≥ 5,1 m/s2

L5

S ≤ 0,1 V + 0,0077 V2

≥ 5,0 m/s2

L4

S ≤ 0,1 V + 0,0071 V2

 

≥ 5,4 m/s2

Voertuigen met gecombineerde remsystemen — hulpremsystemen:

ALLE

S ≤ 0,1 V + 0,0154 V2

 

≥ 2,5 m/s2

4.   DROOGREMTEST — ALLE BEDIENINGSORGANEN VAN DE BEDRIJFSREM GEACTIVEERD

4.1.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op de voertuigcategorieën L3, L5 en L4;

b)

licht belast;

c)

ontkoppelde motor.

4.2.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid: 100 km/h of, indien dat lager is, 0,9 Vmax;

c)

bediening van de rem:

gelijktijdig activeren van beide bedieningsorganen van het bedrijfsremsysteem, indien het voertuig daarmee is uitgerust, of van het enkelvoudige bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem in het geval van een bedrijfsremsysteem dat op alle wielen werkt;

d)

rembedieningskracht:

handbediening

:

≤ 250 N;

voetbediening

:

≤ 400 N voor de voertuigcategorieën L3 en L4;

≤ 500 N voor voertuigcategorie L5;

e)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal zes keer;

f)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens de bedieningsorganen van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden.

4.3.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest volgens de testprocedure van punt 4.2 moet de remafstand (S) S ≤ 0,0060 V2 zijn (waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h en S de benodigde remafstand in meter is).

5.   TEST BIJ HOOG TOERENTAL

5.1.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op de voertuigcategorieën L3, L5 en L4;

b)

de test is niet vereist voor voertuigen met Vmax ≤ 125 km/h;

c)

licht belast;

d)

gekoppelde motor met de transmissie in de hoogste versnelling.

5.2.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid

:

0,8 Vmax voor voertuigen met Vmax > 125 km/h en < 200 km/h;

160 km/h voor voertuigen met Vmax ≥ 200 km/h;

c)

bediening van de rem:

gelijktijdig activeren van beide bedieningsorganen van het bedrijfsremsysteem, indien het voertuig daarmee is uitgerust, of van het enkelvoudige bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem in het geval van een bedrijfsremsysteem dat op alle wielen werkt;

d)

rembedieningskracht:

handbediening

:

≤ 200 N;

voetbediening

:

≤ 350 N voor de voertuigcategorieën L3 en L4;

≤ 500 N voor voertuigcategorie L5;

e)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal zes keer;

f)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan (de bedieningsorganen) van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden.

5.3.   Prestatievoorschriften:

wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedure van punt 5.2:

a)

moet de remafstand (S) ≤ 0,1 V + 0,0067 V2 zijn

(waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h en S de benodigde remafstand in meter is); of

b)

moet de MFDD ≥ 5,8 m/s2 zijn.

6.   TEST MET NATTE REM(MEN)

6.1.   Algemeen:

a)

de test bestaat uit twee delen, die achtereenvolgens voor elk remsysteem worden uitgevoerd:

i)

een referentietest op basis van de droogremtest — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd (punt 3 van deze bijlage);

ii)

één keer remmen met natte rem(men) aan de hand van dezelfde testparameters als bij i), maar waarbij de rem(men) tijdens de uitvoering van de test voortdurend worden bespoten met water om de prestaties van de remmen in natte omstandigheden te meten;

b)

de test is niet van toepassing op een parkeerremsysteem, tenzij dat de hulprem vormt;

c)

trommelremmen of volledig omsloten schijfremmen zijn vrijgesteld van deze test, tenzij zij over ventilatie- of open inspectieopeningen beschikken;

d)

voor deze test moet het voertuig worden uitgerust met instrumenten die de rembedieningskracht en de vertraging van het voertuig continu registreren. De metingen van de MFDD en de remafstand zijn in dit geval niet geschikt.

6.2.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op alle voertuigcategorieën;

b)

beladen:

voor met gecombineerde remsystemen en gescheiden bedrijfsremsystemen uitgeruste voertuigen: het voertuig wordt behalve in de beladen toestand ook in de licht belaste toestand getest;

c)

ontkoppelde motor;

d)

elke rem wordt voorzien van waterspuitapparatuur:

i)

schijfremmen: schets van de waterspuitapparatuur:

Image 6
Tekst van het beeld

Afmetingen in millimeters

De waterspuitapparatuur voor schijfremmen wordt als volgt geïnstalleerd:

a)

elke rem wordt met water bespoten, met een waterstroom van 15 l/h. Het water wordt gelijkelijk verdeeld aan weerszijden van de schijf;

b)

indien het oppervlak van de schijf is afgeschermd, wordt het water onder een hoek van 45° vóór de afscherming gespoten;

c)

als het niet mogelijk is op de in de schets aangegeven plaats te spuiten, of als het water een ventilatieopening of iets dergelijks zou raken, kan de spuitopening nog eens maximaal 90° ten opzichte van de rand van het remblok naar voren worden geplaatst, waarbij dezelfde radius wordt gebruikt;

ii)

trommelremmen met ventilatie- en open inspectieopeningen:

de waterspuitapparatuur wordt als volgt geïnstalleerd:

a)

het water wordt gelijkelijk aan weerszijden van de trommelreminrichting gespoten (op de remankerplaat en de draaiende trommel), met een waterstroom van 15 l/h;

b)

de spuitopeningen bevinden zich op twee derde van de afstand tussen de buitenomtrek van de draaiende trommel en het middelpunt van de wielnaaf;

c)

de spuitopeningen bevinden zich > 15° van de rand van eventuele openingen in de remankerplaat.

6.3.   Referentietest

6.3.1.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

de test van punt 3 van deze bijlage (droogremtest — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd) wordt uitgevoerd voor elk remsysteem, maar met een rembedieningskracht die leidt tot een vertraging van het voertuig van 2,5-3,0 m/s2, waarbij de volgende waarden worden bepaald:

i)

de gemiddeld gemeten rembedieningskracht wanneer het voertuig rijdt bij een snelheid die tussen 80 en 10 % van de gespecificeerde snelheid ligt;

ii)

de gemiddelde vertraging van het voertuig in de periode van 0,5 tot 1,0 s na de activering van het bedieningsorgaan;

iii)

de maximale vertraging van het voertuig tijdens de hele duur van het remmen, maar met uitzondering van de laatste 0,5 s;

b)

voor de referentietest wordt het voertuig drie keer geremd en wordt het gemiddelde genomen van de bij i), ii) en iii) verkregen waarden.

6.4.   Remmen met natte rem(men)

6.4.1.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

het voertuig rijdt met de testsnelheid die wordt gebruikt voor de in punt 6.3 beschreven referentietest, waarbij de waterspuitapparatuur op de te testen rem(men) werkt en het remsysteem niet in werking wordt gesteld;

b)

na een afstand van ≥ 500 m de tijdens de referentietest voor het geteste remsysteem bepaalde gemiddelde rembedieningskracht uitoefenen;

c)

de gemiddelde vertraging van het voertuig in de periode van 0,5 tot 1,0 s na de activering van het bedieningsorgaan meten;

d)

de maximale vertraging van het voertuig tijdens de hele duur van het remmen, maar met uitzondering van de laatste 0,5 s, meten.

6.5.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedure van punt 6.4.1 moeten de vertragingsprestaties met natte remmen als volgt zijn:

a)

de bij punt 6.4.1, onder c), gemeten waarde ≥ 60 % van de bij de referentietest van punt 6.3.1, onder a), ii), geregistreerde gemiddelde vertragingswaarden, dat wil zeggen in de periode van 0,5 tot 1,0 s na het punt waarop het bedieningsorgaan van de rem wordt geactiveerd, en

b)

de bij punt 6.4.1, onder d), gemeten waarde ≤ 120 % van de bij de referentietest van punt 6.3.1, onder a), iii), geregistreerde gemiddelde vertragingswaarden, dat wil zeggen tijdens de hele duur van het remmen, maar met uitzondering van de laatste 0,5 s.

7.   TEST VAN DE REMFADING BIJ OPWARMING

7.1.   Algemeen:

a)

de test bestaat uit drie delen, die achtereenvolgens voor elk remsysteem worden uitgevoerd:

i)

een referentietest met behulp van de droogremtest — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd (punt 3 van deze bijlage);

ii)

een opwarmprocedure die bestaat uit een aantal keren herhaald remmen om de rem(men) op te warmen;

iii)

remmen van het voertuig met warme rem(men), met behulp van de droogremtest — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd (punt 3 van deze bijlage) om de prestaties van de rem na het doorlopen van de opwarmprocedure te meten;

b)

de test is van toepassing op de voertuigcategorieën L3, L5 en L4;

c)

de test is niet van toepassing op parkeerrem- en hulpremsystemen;

d)

de voertuigen worden telkens in de beladen toestand geremd;

e)

voor de opwarmprocedure moet het voertuig worden uitgerust met instrumenten die de rembedieningskracht en de vertraging van het voertuig continu registreren. De metingen van de MFDD en de remafstand zijn niet geschikt voor de opwarmprocedure. Voor de referentietest en het remmen van het voertuig met warme rem(men) moet ofwel de MFDD, ofwel de remafstand worden gemeten.

7.2.   Referentietest

7.2.1.   Toestand van het voertuig:

ontkoppelde motor.

7.2.2.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid: 60 km/h of, indien dat lager is, 0,9 Vmax;

c)

bediening van de rem:

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

d)

rembedieningskracht:

handbediening

:

≤ 200 N;

voetbediening

:

≤ 350 N voor de voertuigcategorieën L3 en L4;

≤ 500 N voor voertuigcategorie L5;

e)

het voertuig tot de testsnelheid accelereren, het bedieningsorgaan van de remmen activeren overeenkomstig de gespecificeerde voorwaarden en de bedieningskracht registreren die nodig is om de in de tabel in punt 3.3 van deze bijlage gespecificeerde remprestaties te verkrijgen.

7.3.   Opwarmprocedure

7.3.1.   Toestand van het voertuig:

motortransmissie:

i)

van de gespecificeerde testsnelheid tot 50 % van de gespecificeerde snelheid: gekoppeld, in de hoogste toepasselijke versnelling zodat het motortoerental boven het door de fabrikant gespecificeerde stationaire toerental blijft;

ii)

van 50 % van de gespecificeerde snelheid tot stilstand: ontkoppeld.

7.3.2.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen, alleen vóór het voertuig voor het eerst wordt geremd: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid:

 

enkelvoudig remsysteem, alleen voorwiel(en) geremd: 100 km/h of, indien dat lager is, 0,7 Vmax;

 

enkelvoudig remsysteem, alleen achterwiel(en) geremd: 80 km/h of, indien dat lager is, 0,7 Vmax;

 

gecombineerd remsysteem of gescheiden bedrijfsremsysteem: 100 km/h of, indien dat lager is, 0,7 Vmax;

c)

bediening van de rem:

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

d)

rembedieningskracht:

i)

voor de eerste keer dat het voertuig wordt geremd:

 

de constante bedieningskracht waarmee wordt bereikt dat het voertuig met een vertragingsfactor van 3,0-3,5 m/s2 wordt afgeremd, terwijl het voertuig vertraagt tussen 80 en 10 % van de gespecificeerde snelheid;

 

wanneer het voertuig de gespecificeerde vertragingsfactor niet kan bereiken, wordt de eerste keer geremd om te voldoen aan de vertragingsvoorschriften van de tabel in punt 3.3 van deze bijlage;

ii)

voor de overige keren dat het voertuig wordt geremd:

a)

dezelfde constante rembedieningskracht als bij de eerste keer dat het voertuig werd geremd;

b)

aantal keren remmen: 10;

c)

interval waarmee wordt geremd: 1 000 m;

e)

het voertuig overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden remmen, vervolgens meteen maximaal accelereren tot de gespecificeerde snelheid is bereikt, en deze snelheid aanhouden tot de volgende keer dat wordt geremd.

7.4.   Remmen met warme rem(men)

7.4.1.   Testvoorwaarden en -procedure

Eén keer remmen overeenkomstig de voorwaarden van de referentietest (punt 7.2) voor het tijdens de procedure van punt 7.3 opgewarmde remsysteem. Er wordt geremd binnen één minuut na voltooiing van de in punt 7.3 beschreven procedure, met een rembedieningskracht kleiner dan of gelijk aan de bij de in punt 7.2 beschreven test gebruikte kracht.

7.5.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedure van punt 7.4.1 moeten de volgende waarden worden behaald:

a)

voor de remafstand: S2 ≤ 1,67 S1 – 0,67 × 0,1 V

waarin:

S1

=

de bij de in punt 7.2 beschreven referentietest verkregen gecorrigeerde remafstand in meter

S2

=

de bij het in punt 7.4.1 beschreven remmen met warme rem(men) verkregen gecorrigeerde remafstand in meter

V

=

gespecificeerde testsnelheid in km/h, of

b)

voor de MFDD: ≥ 60 % van de bij de in punt 7.2 beschreven test geregistreerde MFDD.

8.   TEST VAN HET PARKEERREMSYSTEEM — VOOR VOERTUIGEN MET PARKEERREMMEN

8.1.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op de voertuigcategorieën L2, L5 en L4;

b)

beladen;

c)

ontkoppelde motor.

8.2.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≤ 100 °C;

b)

helling van het testoppervlak = 18 %;

c)

rembedieningskracht:

handbediening

:

≤ 400 N;

Voetbediening

:

≤ 500 N;

d)

voor het eerste deel van de test het voertuig in opwaartse richting op de helling van het testoppervlak parkeren, door het parkeerremsysteem te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden. Als het voertuig op zijn plaats blijft, begint de meting van de testperiode;

e)

na voltooiing van de test met het voertuig in opwaartse richting op de helling geparkeerd, dezelfde test herhalen met het voertuig in neerwaartse richting op de helling geparkeerd.

8.3.   Prestatievoorschriften

Wanneer wordt getest overeenkomstig de testprocedure van punt 8.2, moet het parkeerremsysteem het voertuig gedurende vijf minuten op zijn plaats houden, zowel wanneer het in opwaartse als wanneer het in neerwaartse richting op de helling is geparkeerd.

9.   TESTS VAN HET ABS

9.1.   Algemeen:

a)

de tests zijn alleen van toepassing op ABS-systemen die in voertuigen van de categorieën L1 en L3 zijn gemonteerd;

b)

de tests dienen ter bevestiging van de prestaties van met ABS uitgeruste remsystemen en hun prestaties in geval van elektrische defecten in het ABS;

c)

onder „uitvoering volledige cycli” wordt verstaan: de herhaalde dosering (modulatie) van de remkracht door het antiblokkeersysteem om blokkering van de wielen met directe regeling te voorkomen;

d)

wielblokkering is toegestaan, op voorwaarde dat de stabiliteit van het voertuig niet dusdanig in het gedrang komt dat de bestuurder het bedieningsorgaan moet loslaten of een wiel van het voertuig wiel buiten de testrijstrook komt.

De testreeks bestaat uit de volgende afzonderlijke tests, die in willekeurige volgorde kunnen worden uitgevoerd:

TESTS VAN HET ABS

Punt

a)

Remmen op een oppervlak met sterke wrijving — zoals gespecificeerd in punt 1.1.1.

9.3

b)

Remmen op een oppervlak met geringe wrijving — zoals gespecificeerd in punt 1.1.2.

9.4

c)

Controles van de wielblokkering op oppervlakken met sterke en geringe wrijving.

9.5

d)

Controle van de wielblokkering — overgang van oppervlak met sterke naar oppervlak met geringe wrijving.

9.6

e)

Controle van de wielblokkering — overgang van oppervlak met geringe naar oppervlak met sterke wrijving.

9.7

f)

Remmen bij een elektrisch defect in het ABS.

9.8

9.2.   Toestand van het voertuig:

a)

licht belast;

b)

ontkoppelde motor.

9.3.   Remmen op een oppervlak met sterke wrijving

9.3.1.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid: 60 km/h of, indien dat lager is, 0,9 Vmax;

c)

bediening van de rem:

gelijktijdig activeren van beide bedieningsorganen van het bedrijfsremsysteem, indien het voertuig daarmee is uitgerust, of van het enkelvoudige bedieningsorgaan van de bedrijfsrem in het geval van een bedrijfsremsysteem dat op alle wielen werkt;

d)

rembedieningskracht:

de uitgeoefende kracht komt overeen met de kracht die nodig is om ervoor te zorgen dat het ABS-systeem bij elke keer remmen de cyclus volledig uitvoert, totdat een snelheid van 10 km/h is bereikt;

e)

als één wiel niet met ABS is uitgerust, wordt het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem op dat wiel geactiveerd met een kracht die lager is dan de kracht die leidt tot blokkering van het wiel;

f)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal zes keer;

g)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden.

9.3.2.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de in punt 9.3.1 bedoelde testprocedures:

a)

moet de remafstand (S) ≤ 0,0063 V2 zijn (waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h en S de benodigde remafstand in meter is) of moet de MFDD ≥ 6,17 m/s2 zijn, en

b)

treedt er geen wielblokkering op en blijven de wielen van het voertuig binnen de testrijstrook.

9.4.   Remmen op een oppervlak met geringe wrijving

9.4.1.   Testvoorwaarden en -procedure

Zoals beschreven in punt 9.3.1, maar met het oppervlak met geringe wrijving in plaats van het oppervlak met sterke wrijving.

9.4.2.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedures van punt 9.4.1:

a)

moet de remafstand (S) ≤ 0,0056 V2/P zijn (waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h, P de piekremcoëfficiënt en S de benodigde remafstand in meter is) of moet de MFDD ≥ 6,87 × P zijn, in m/s2, en

b)

treedt er geen wielblokkering op en blijven de wielen van het voertuig binnen de testrijstrook.

9.5.   Controles van de wielblokkering op oppervlakken met sterke en geringe wrijving

9.5.1.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

testoppervlakken:

i)

met sterke wrijving, en

ii)

met geringe wrijving;

b)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

c)

testsnelheid:

i)

op het oppervlak met sterke wrijving: 80 km/h of, indien dat lager is, 0,8 Vmax;

ii)

op het oppervlak met geringe wrijving: 60 km/h of, indien dat lager is, 0,8 Vmax;

d)

bediening van de rem:

i)

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

ii)

als beide remsystemen met ABS zijn uitgerust, worden in aanvulling op i) beide bedieningsorganen van de remmen tegelijkertijd geactiveerd;

e)

rembedieningskracht:

de uitgeoefende kracht komt overeen met de kracht die nodig is om ervoor te zorgen dat het ABS-systeem bij elke keer remmen de cyclus volledig uitvoert, totdat een snelheid van 10 km/h is bereikt;

f)

rembedieningssnelheid:

de rembedieningskracht wordt uitgeoefend gedurende 0,2-0,5 s;

g)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal drie keer;

h)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden.

9.5.2.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedures van punt 9.5.1 treedt er geen wielblokkering op en blijven de wielen van het voertuig binnen de testrijstrook.

9.6.   Controle van de wielblokkering — overgang van oppervlak met sterke naar oppervlak met geringe wrijving

9.6.1.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

testoppervlakken:

een oppervlak met sterke wrijving, onmiddellijk gevolgd door een oppervlak met geringe wrijving;

b)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

c)

testsnelheid:

de snelheid die resulteert in 50 km/h of, indien dit lager is, 0,5 Vmax, op het punt waarop het voertuig van het oppervlak met sterke naar het oppervlak met geringe wrijving overgaat;

d)

bediening van de rem:

i)

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

ii)

als beide remsystemen met ABS zijn uitgerust, worden in aanvulling op i) beide bedieningsorganen van de remmen tegelijkertijd geactiveerd;

e)

rembedieningskracht:

de uitgeoefende kracht komt overeen met de kracht die nodig is om ervoor te zorgen dat het ABS-systeem bij elke keer remmen de cyclus volledig uitvoert, totdat een snelheid van 10 km/h is bereikt;

f)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal drie keer;

g)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren voordat het voertuig de overgang van het ene oppervlak naar het andere bereikt.

9.6.2.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedures van punt 9.6.1 treedt er geen wielblokkering op en blijven de wielen van het voertuig binnen de testrijstrook.

9.7.   Controle van de wielblokkering — overgang van oppervlak met geringe naar oppervlak met sterke wrijving:

9.7.1.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

testoppervlakken:

een oppervlak met geringe wrijving, onmiddellijk gevolgd door een oppervlak met sterke wrijving met een PBC ≥ 0,8;

b)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

c)

testsnelheid:

de snelheid die resulteert in 50 km/h of, indien dit lager is, 0,5 Vmax, op het punt waarop het voertuig van het oppervlak met geringe naar het oppervlak met sterke wrijving overgaat;

d)

bediening van de rem:

i)

elk bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem wordt afzonderlijk geactiveerd;

ii)

als beide remsystemen met ABS zijn uitgerust, worden in aanvulling op i) beide bedieningsorganen van de remmen tegelijkertijd geactiveerd;

e)

rembedieningskracht:

de uitgeoefende kracht komt overeen met de kracht die nodig is om ervoor te zorgen dat het ABS-systeem bij elke keer remmen de cyclus volledig uitvoert, totdat een snelheid van 10 km/h is bereikt;

f)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal drie keer;

g)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren voordat het voertuig de overgang van het ene oppervlak naar het andere bereikt;

h)

de vertraging van het voertuig wordt continu geregistreerd.

9.7.2.   Prestatievoorschriften:

a)

wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedures van punt 9.7.1 treedt er geen wielblokkering op en blijven de wielen van het voertuig binnen de testrijstrook;

b)

binnen één seconde nadat het achterwiel het overgangspunt tussen het oppervlak met geringe en het oppervlak met sterke wrijving is gepasseerd, moet de vertraging van het voertuig toenemen.

9.8.   Remmen bij een elektrisch defect in het ABS

9.8.1.   Testvoorwaarden en -procedure

Terwijl het elektrische systeem van het ABS is uitgeschakeld, de test van punt 3 van deze bijlage (droogremtest — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd) uitvoeren onder toepassing van de relevante voorwaarden voor het geteste remsysteem en voertuig.

9.8.2.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedure van punt 9.8.1:

a)

moet het systeem voldoen aan de voorschriften inzake waarschuwingssignalen voor defecten van punt 5.1.13 van dit reglement, en

b)

moeten de minimumvereisten voor de remafstand of de MFDD overeenstemmen met de specificaties in respectievelijk kolom 2 of 3, in de rubriek „Enkelvoudig remsysteem, alleen achterwiel(en) geremd” in de tabel in punt 3.3 van deze bijlage.

10.   TEST BIJ GEDEELTELIJK DEFECT — VOOR GESCHEIDEN BEDRIJFSREMSYSTEMEN

10.1.   Algemene informatie:

a)

de test is alleen van toepassing op voertuigen die met gescheiden bedrijfsremsystemen zijn uitgerust;

b)

de test is bedoeld om de werking van het resterende subsysteem te bevestigen in het geval dat een lekkage optreedt in een hydraulisch systeem.

10.2.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op de voertuigcategorieën L3, L5 en L4;

b)

licht belast;

c)

ontkoppelde motor.

10.3.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheden: 50 km/h en 100 km/h of, indien dat lager is, 0,8 Vmax;

c)

rembedieningskracht:

handbediening

:

≤ 250 N;

Voetbediening

:

≤ 400 N;

d)

aantal keren remmen: totdat het voertuig voldoet aan de prestatievoorschriften, maar maximaal zes keer voor elk van de testsnelheden;

e)

wijzig het bedrijfsremsysteem om een volledig verlies van het remvermogen in een van de subsystemen op te wekken. Rem het voertuig vervolgens telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden;

f)

herhaal de test voor elk subsysteem.

10.4.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest overeenkomstig de testprocedure van punt 10.3:

a)

moet het systeem voldoen aan de voorschriften inzake waarschuwingssignalen voor defecten van punt 5.1.11 van dit reglement, en

b)

moet de remafstand (S) ≤ 0,1 V + 0,0117 V2 zijn (waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h en S de benodigde remafstand in meter is) of moet de MFDD ≥ 3,3 m/s2 zijn;

11.   TEST BIJ DEFECT VAN EEN REMSYSTEEM MET REMBEKRACHTIGING

11.1.   Algemene informatie:

a)

de test wordt niet uitgevoerd als het voertuig is uitgerust met een ander afzonderlijk bedrijfsremsysteem;

b)

de test is bedoeld om de werking van het bedrijfsremsysteem te bevestigen in het geval dat de rembekrachtiging defect is.

11.2.   Testvoorwaarden en -procedure

Voer de test van punt 3 van deze bijlage (droogremtest — één bedieningsorgaan van de rem geactiveerd) uit voor elke bedrijfsremsysteem, met de rembekrachtiging uitgeschakeld.

11.3.   Prestatievoorschriften

Wanneer de remmen worden getest volgens de testprocedure van punt 11.2 moet de remafstand zijn zoals gespecificeerd in kolom 2 of moet de MFDD zijn zoals gespecificeerd in kolom 3 van de onderstaande tabel:

Kolom 1

Kolom 2

 

Kolom 3

Voertuigcategorie

REMAFSTAND (S)

(waarin V de gespecificeerde testsnelheid in km/h en S de benodigde remafstand in meter is)

 

MFDD

Enkelvoudig remsysteem

L1

S ≤ 0,1 V + 0,0143 V2

 

≥ 2,7 m/s2

L2

S ≤ 0,1 V + 0,0143 V2

≥ 2,7 m/s2

L3

S ≤ 0,1 V + 0,0133 V2

≥ 2,9 m/s2

L4

S ≤ 0,1 V + 0,0105 V2

 

≥ 3,6 m/s2

Voertuigen met gecombineerde remsystemen of gescheiden bedrijfsremsystemen

ALLE

S ≤ 0,1 V + 0,0154 V2

 

≥ 2,5 m/s2

Opmerking: als de rembekrachtiging door meer dan één bedieningsorgaan kan worden geactiveerd, moeten de bovenstaande remprestaties worden bereikt bij afzonderlijke activering van elk bedieningsorgaan.


(1)  De remfading bij opwarming wordt altijd als laatste getest.

AANHANGSEL

ALTERNATIEVE METHODE VOOR HET BEPALEN VAN DE PIEKREMCOËFFICIËNT (PBC)

(zie punt 1.1.3 van deze bijlage)

1.1.   Algemeen:

a)

de test heeft tot doel een piekremcoëfficiënt vast te stellen voor het voertuigtype wanneer daarmee wordt geremd op de in bijlage 3, punten 1.1.1 en 1.1.2, beschreven testoppervlakken;

b)

tijdens de test wordt het voertuig een aantal keren geremd, waarbij de rembedieningskracht varieert. Beide wielen worden gelijktijdig geremd tot het punt waarop de wielen nog net niet blokkeren, zodat de maximale voertuigvertragingsfactor op het desbetreffende testoppervlak wordt bereikt;

c)

de maximale voertuigvertragingsfactor is de hoogste waarde die gedurende alle keren remmen wordt geregistreerd;

d)

de piekremcoëfficiënt (PBC) wordt als volgt berekend op grond van de keer remmen waarbij de maximale voertuigvertragingsfactor wordt bereikt:

Formula

waarin:

t

=

tijd, in s, die nodig is om de snelheid van het voertuig terug te brengen van 40 tot 20 km/h.

Opmerking: Voor voertuigen die geen testsnelheid van 50 km/h kunnen bereiken, wordt de PBC als volgt gemeten:

Formula

waarin:

t

=

tijd, in s, die nodig is om de snelheid van het voertuig terug te brengen van 0,8 Vmax tot (0,8 Vmax – 20), waarbij Vmax wordt gemeten in km/h;

e)

de waarde van de PBC wordt afgerond op drie cijfers achter de komma.

1.2.   Toestand van het voertuig:

a)

de test is van toepassing op de voertuigcategorieën L1 en L3;

b)

het antiblokkeersysteem moet tussen 40 en 20 km/h ofwel uitgeschakeld, ofwel niet werkzaam zijn;

c)

licht belast;

d)

ontkoppelde motor.

1.3.   Testvoorwaarden en -procedure:

a)

begintemperatuur van de remmen: ≥ 55 °C en ≤ 100 °C;

b)

testsnelheid: 60 km/h of, indien dat lager is, 0,9 Vmax;

c)

bediening van de rem:

 

gelijktijdig activeren van beide bedieningsorganen van het bedrijfsremsysteem, indien het voertuig daarmee is uitgerust, of van het enkelvoudige bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem in het geval van een bedrijfsremsysteem dat op alle wielen werkt.

 

Voor voertuigen die zijn uitgerust met een enkelvoudig bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem, kan het nodig zijn het remsysteem te wijzigen indien een van de wielen de maximale vertraging niet bij benadering bereikt;

d)

rembedieningskracht:

 

de bedieningskracht waarmee de maximale voertuigvertragingsfactor, zoals gedefinieerd in punt 1.1, onder c), wordt bereikt.

 

De uitoefening van de bedieningskracht tijdens het remmen moet constant zijn;

e)

aantal keren remmen: totdat het voertuig de maximale vertragingsfactor bereikt;

f)

rem het voertuig telkens door te accelereren tot de testsnelheid en vervolgens het bedieningsorgaan (de bedieningsorganen) van de remmen te activeren overeenkomstig de in dit punt gespecificeerde voorwaarden.