29.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 162/43


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:

http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html

Reglement nr. 128 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van lichtbronnen met lichtdioden (leds) die bestemd zijn voor gebruik in goedgekeurde lichtunits van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

Bevat de volledige geldige tekst tot en met:

Supplement 2 op de oorspronkelijke versie van het reglement — Datum van inwerkingtreding: 10 juni 2014

INHOUD

REGLEMENT

1.

Toepassingsgebied

2.

Administratieve bepalingen

3.

Technische voorschriften

4.

Conformiteit van de productie

5.

Sancties bij niet-conformiteit van de productie

6.

Definitieve stopzetting van de productie

7.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties

BIJLAGEN

1.

Databladen voor ledlichtbronnen

2.

Mededeling

3.

Voorbeeld van de opstelling van het goedkeuringsmerk

4.

Methode voor het meten van de elektrische en fotometrische eigenschappen

5.

Minimumvoorschriften voor de kwaliteitscontroleprocedures van de fabrikant

6.

Bemonsterings- en overeenstemmingsniveaus voor de testgegevens van de fabrikant

7.

Minimumvoorschriften voor steekproeven door de typegoedkeuringsinstantie

8.

Controle van de naleving van de voorschriften door middel van steekproeven

1.   TOEPASSINGSGEBIED

Dit reglement is van toepassing op de ledlichtbronnen die zijn opgenomen in bijlage 1 en bestemd zijn voor gebruik in goedgekeurde signaallichten op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.

2.   ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

2.1.   Definities

2.1.1.   Definitie van „categorie”

De term „ categorie ” wordt in dit reglement gebruikt om een verschillend basisontwerp van gestandaardiseerde ledlichtbronnen te beschrijven. Elke categorie heeft een specifieke aanduiding, zoals bijvoorbeeld: „LW1”, „LY2”, „LR2”.

2.1.2.   Definitie van „type”

Ledlichtbronnen van verschillende „ typen ” zijn ledlichtbronnen binnen dezelfde categorie die van elkaar verschillen op essentiële punten zoals:

2.1.2.1.

handelsnaam of merk:

ledlichtbronnen met dezelfde handelsnaam of hetzelfde merk, maar geproduceerd door verschillende fabrikanten, worden beschouwd als behorende tot verschillende typen; ledlichtbronnen die door dezelfde fabrikant zijn geproduceerd en alleen verschillen van handelsnaam of merk, mogen worden beschouwd als zijnde van hetzelfde type;

2.1.2.2.

ontwerp van de lichtbron, voor zover deze verschillen de optische resultaten beïnvloeden;

2.1.2.3.

nominale spanning.

2.2.   Goedkeuringsaanvraag

2.2.1.   De goedkeuringsaanvraag moet door de houder van de handelsnaam of het merk of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger worden ingediend.

2.2.2.   Elke goedkeuringsaanvraag moet vergezeld gaan van (zie ook punt 2.4.2):

2.2.2.1.

tekeningen in drievoud met voldoende details om het type te kunnen identificeren;

2.2.2.2.

een korte technische beschrijving;

2.2.2.3.

vijf monsters van elke kleur waarvoor een aanvraag is ingediend.

2.2.3.   Bij een type ledlichtbron waarvan alleen de handelsnaam of het merk verschilt van een reeds goedgekeurd type, kan worden volstaan met het verstrekken van:

2.2.3.1.

een verklaring van de fabrikant dat het verstrekte type:

a)

identiek is (behalve de handelsnaam of het merk) en

b)

is vervaardigd door dezelfde fabrikant als het reeds goedgekeurde type, met vermelding van de goedkeuringscode;

2.2.3.2.

twee monsters met de nieuwe handelsnaam of het nieuwe merk.

2.2.4.   Voordat typegoedkeuring wordt verleend, moet de bevoegde instantie verifiëren of er afdoende regelingen bestaan om een effectieve controle van de conformiteit van de productie te waarborgen.

2.3.   Opschriften

2.3.1.   De lampvoet van ledlichtbronnen die ter goedkeuring worden ingediend, moet voorzien zijn van:

2.3.1.1.

de handelsnaam of het merk van de aanvrager;

2.3.1.2.

de nominale spanning;

2.3.1.3.

de aanduiding van de desbetreffende categorie;

2.3.1.4.

voldoende plaats voor het aanbrengen van het goedkeuringsmerk.

2.3.2.   De in punt 2.3.1.4 bedoelde plaats moet worden aangegeven op de tekeningen die de goedkeuringsaanvraag vergezellen.

2.3.3.   Andere opschriften dan die van de punten 2.3.1 en 2.4.4 mogen worden aangebracht, op voorwaarde dat zij de lichteigenschappen niet ongunstig beïnvloeden.

2.4.   Goedkeuring

2.4.1.   Als alle overeenkomstig punt 2.2.2.3 of 2.2.3.2 ingediende monsters van een type ledlichtbron voldoen aan de voorschriften van dit reglement, wordt goedkeuring verleend.

2.4.2.   Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringscode toegekend. Het eerste teken ervan geeft de wijzigingenreeks op de datum van goedkeuring aan.

Daarna volgt een identificatiecode van maximaal drie tekens. Alleen de volgende Arabische cijfers en hoofdletters mogen worden gebruikt:

„0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 A B C D E F G H J K L M N P R S T U V W X Y Z”.

Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag dezelfde code niet aan een ander type ledlichtbron toekennen.

2.4.3.   Van de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type ledlichtbron krachtens dit reglement wordt aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2 en van een door de aanvrager verstrekte tekening in maximumformaat A4 (210 × 297 mm) en op een schaal van ten minste 2:1.

2.4.4.   Op elke ledlichtbron die conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, wordt op de in punt 2.3.1.4 bedoelde plaats behalve de in punt 2.3.1 voorgeschreven opschriften, een internationaal goedkeuringsmerk aangebracht, bestaande uit:

2.4.4.1.

een afgeknotte cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (1);

2.4.4.2.

de goedkeuringscode, dicht bij de afgeknotte cirkel.

2.4.5.   Indien de aanvrager voor diverse handelsnamen of merken dezelfde goedkeuringscode heeft gekregen, volstaat een ervan om aan de voorschriften van punt 2.3.1.1 te voldoen.

2.4.6.   De in de punten 2.3.1 en 2.4.3 gespecificeerde markeringen en opschriften moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn.

2.4.7.   In bijlage 3 wordt een voorbeeld gegeven van de opstelling van het goedkeuringsmerk.

3.   TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

3.1.   Definities

3.1.1.   Nominale spanning: de op de ledlichtbron aangegeven spanning (in volt);

3.1.2.   testspanning(en): de spanning(en) of het (de) spanningsbereik(en) bij het aansluitpunt van de ledlichtbronnen waarop de elektrische en fotometrische eigenschappen van de ledlichtbron zijn afgestemd en waarmee zij moeten worden getest;

3.1.3.   objectieve waarden: ontwerpwaarde van een elektrische of fotometrische eigenschap. Deze waarde moet binnen de aangegeven toleranties worden bereikt, wanneer de ledlichtbron met de desbetreffende testspanning van energie wordt voorzien;

3.1.4.   standaard-ledlichtbron (referentie-ledlichtbron): een speciale ledlichtbron die wordt gebruikt voor het testen van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen. Daarvoor gelden kleinere toleranties voor dimensionale, elektrische en fotometrische eigenschappen, zoals aangegeven op het desbetreffende datablad. Voor standaard-ledlichtbronnen wordt per categorie slechts één nominale spanning aangegeven;

3.1.5.   referentieas: een as die wordt bepaald ten opzichte van de lampvoet en waaraan bepaalde afmetingen van de ledlichtbron worden gerelateerd;

3.1.6.   referentievlak: een vlak dat wordt bepaald ten opzichte van de lampvoet, dat loodrecht op de referentieas staat en waaraan bepaalde afmetingen van de ledlichtbron worden gerelateerd;

3.1.7.   lichtmiddelpunt: een punt op de referentieas op een bepaalde afstand tot het referentievlak dat de nominale oorsprong van de zichtbare straling voorstelt;

3.1.8.   afstand van het lichtmiddelpunt: de afstand tussen het referentievlak en het lichtmiddelpunt;

3.1.9.   waarnemingsas naar de ledlichtbron toe: een as die onder een bepaalde pool- en azimuthoek door het lichtmiddelpunt loopt en die wordt gebruikt om de fotometrische eigenschappen van de ledlichtbron te omschrijven;

3.1.10.   schijnbaar lichtuitstralend oppervlak: oppervlak dat bij waarneming onder een bepaalde waarnemingsas het (schijnbare) element voor zichtbare straling bevat. Het schijnbaar lichtuitstralend oppervlak wordt bepaald in een vlak dat het lichtmiddelpunt bevat en dat loodrecht staat op de overeenkomstige waarnemingsas;

3.1.11.   genormaliseerde lichtsterkte: lichtsterkte gedeeld door de lichtstroom van de lichtbron om het stralingspatroon van de ledlichtbron binnen een hoek te bepalen;

3.1.12.   cumulatieve lichtstroom: lichtstroom die de lichtbron onder bedrijfsomstandigheden uitstraalt binnen een kegel die wordt gevormd door de gespecificeerde ruimtehoek en die gecentreerd is rond de referentieas (2);

3.1.13.   lichtbron met lichtdioden (leds): een lichtbron waarbij het element voor zichtbare straling bestaat uit een of meer halfgeleiderverbindingen die injectie-luminescentie en/of -fluorescentie produceren.

3.2.   Algemene specificaties

3.2.1.

Elk ingediend monster moet voldoen aan de relevante voorschriften van dit reglement.

3.2.2.

Ledlichtbronnen moeten zo zijn ontworpen dat zij bij normaal gebruik goed functioneren en blijven functioneren. Zij mogen bovendien geen ontwerp- of fabricagefouten vertonen.

3.2.3.

Ledlichtbronnen mogen op hun optische oppervlak geen krassen of vlekken vertonen die hun efficiëntie en optische prestaties nadelig kunnen beïnvloeden.

3.2.4.

Ledlichtbronnen worden voorzien van een standaardvoet die voldoet aan de databladen voor lampvoeten van IEC-publicatie 60061, zoals aangegeven op de databladen van bijlage 1.

3.2.5.

De lampvoet moet sterk zijn en stevig aan de rest van de ledlichtbron zijn bevestigd.

3.2.6.

Om na te gaan of ledlichtbronnen voldoen aan de voorschriften van de punten 3.2.3 tot en met 3.2.5 wordt een visuele controle verricht, worden de afmetingen gecontroleerd en worden de lichtbronnen zo nodig bij wijze van test gemonteerd in de in IEC-publicatie 60061 gespecificeerde fitting.

3.2.7.

Wanneer de ledlichtbron onder stroom staat, mogen alleen de halfgeleiderverbindingen licht produceren en uitstralen, hetzij rechtstreeks hetzij door omzetting op basis van fluorescentie.

3.3.   Tests

3.3.1.

Ledlichtbronnen moeten eerst minstens 48 uur lang met hun testspanning hebben gebrand. Bij multifunctionele ledlichtbronnen moet dit voor elke functie afzonderlijk gebeuren.

3.3.2.

Tenzij anders voorgeschreven worden elektrische en fotometrische metingen met de desbetreffende testspanning(en) verricht.

3.3.3.

De in bijlage 4 bedoelde elektrische metingen moeten worden verricht met instrumenten van ten minste klasse 0,2 (nauwkeurigheid 0,2 % van de volle schaalwaarde).

3.4.   Plaats en afmetingen van het schijnbaar lichtuitstralend oppervlak

3.4.1.

De plaats en afmetingen van het schijnbaar lichtuitstralend oppervlak moeten in overeenstemming zijn met de voorschriften op het desbetreffende datablad van bijlage 1.

3.4.2.

De meting wordt verricht nadat de ledlichtbron heeft gebrand zoals bepaald in punt 3.3.1.

3.5.   Lichtstroom

3.5.1.

Gemeten onder de in bijlage 4 gespecificeerde voorwaarden moet de lichtstroom zich binnen de op het desbetreffende datablad van bijlage 1 aangegeven grenswaarden bevinden.

3.5.2.

De meting wordt verricht nadat de ledlichtbron een aantal uren heeft gebrand overeenkomstig punt 3.3.1.

3.6.   Genormaliseerde lichtsterkteverdeling/cumulatieve lichtstroomverdeling

3.6.1.

Gemeten onder de in bijlage 4 gespecificeerde testvoorwaarden moeten de genormaliseerde lichtsterkteverdeling en/of cumulatieve lichtstroomverdeling zich binnen de op het desbetreffende datablad van bijlage 1 aangegeven grenswaarden bevinden.

3.6.2.

De meting wordt verricht nadat de ledlichtbron heeft gebrand zoals bepaald in punt 3.3.1.

3.7.   Kleur

3.7.1.

De kleur van het door de ledlichtbron uitgestraalde licht moet worden aangegeven op het desbetreffende datablad. De definities van de kleur van het uitgestraalde licht in Reglement nr. 48 en in de wijzigingenreeks ervan die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, zijn op dit reglement van toepassing.

3.7.2.

De kleur van het uitgestraalde licht moet worden gemeten volgens de methode van bijlage 4. Elke gemeten waarde moet binnen de voorgeschreven toleranties liggen.

3.7.3.

In het geval van ledlichtbronnen die wit licht uitstralen, moet het roodgehalte van het licht bovendien minimaal zodanig zijn dat:

Formula

waarin:

Ee(λ) (eenheid: W)

de spectrale distributie is van de irradiantie;

V(l) (eenheid: 1)

de spectrale lichtefficiëntie is;

λ (eenheid: nm)

de golflengte is.

Deze waarde wordt berekend met intervallen van één nanometer.

3.8.   Uv-straling

De uv-straling van de ledlichtbron moet zodanig zijn dat de ledlichtbron van het type met lage uv-straling is en voldoet aan:

Formula

waarin:

S(λ) (eenheid: 1)

de spectrale weegfunctie is;

km = 683 lm/W

de maximumwaarde van de lichtefficiëntie van de straling is.

(Voor definities van de andere symbolen: zie punt 3.7.3.)

Deze waarde wordt berekend met intervallen van één nanometer. De uv-straling wordt gewogen volgens de waarden die in onderstaande tabel zijn aangegeven.

λ

S(λ)

250

0,430

255

0,520

260

0,650

265

0,810

270

1,000

275

0,960

280

0,880

285

0,770

290

0,640

295

0,540

300

0,300

305

0,060

310

0,015

315

0,003

320

0,001

325

0,00050

330

0,00041

335

0,00034

340

0,00028

345

0,00024

350

0,00020

 

 

355

0,00016

360

0,00013

365

0,00011

370

0,00009

375

0,000077

380

0,000064

385

0,000530

390

0,000044

395

0,000036

400

0,000030

 

 

Opmerking: waarden overeenkomstig de „ IRPA/INIRC Guidelines on limits of exposure to ultraviolet radiation ”. De gekozen golflengten (in nanometers) zijn representatief; andere waarden moeten worden geïnterpoleerd.

3.9.   Standaard-ledlichtbronnen

Extra voorschriften voor standaard- of referentie-ledlichtbronnen worden gegeven op de desbetreffende databladen van bijlage 1.

4.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

4.1.

Krachtens dit reglement goedgekeurde ledlichtbronnen moeten zo worden vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type door te voldoen aan de technische en markeringsvoorschriften van punt 3 en van de bijlagen 1, 4 en 5.

4.2.

Om na te gaan of aan de voorschriften van punt 4.1 is voldaan, moeten passende controles van de productie worden uitgevoerd.

4.3.

De houder van de goedkeuring moet met name:

4.3.1.

zorgen voor procedures voor een doeltreffende controle van de kwaliteit van de producten,

4.3.2.

toegang hebben tot de vereiste apparatuur om de conformiteit met elk goedgekeurd type te controleren,

4.3.3.

ervoor zorgen dat de testresultaten worden geregistreerd en dat de desbetreffende documenten beschikbaar blijven gedurende een periode die in overleg met de typegoedkeuringsinstantie wordt vastgesteld,

4.3.4.

de resultaten van elk type test volgens de criteria van bijlage 6 analyseren om de stabiliteit van de producteigenschappen, rekening houdend met de bij industriële productie toegestane variaties, te verifiëren en te garanderen,

4.3.5.

erop toezien dat voor elk type ledlichtbron ten minste de in bijlage 5 voorgeschreven tests worden uitgevoerd,

4.3.6.

ervoor zorgen dat, als bij het desbetreffende type test monsters niet-conform blijken te zijn, er nieuwe monsters worden genomen en een nieuwe test wordt uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten worden genomen om de conformiteit van de desbetreffende productie te herstellen.

4.4.

De bevoegde instantie die typegoedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de conformiteit verifiëren.

4.4.1.

Bij elke inspectie moeten de tijdens de tests en productiecontroles geregistreerde gegevens aan de bezoekende inspecteur worden verstrekt.

4.4.2.

De inspecteur mag willekeurig monsters nemen die in het laboratorium van de fabrikant zullen worden getest. Het minimumaantal monsters kan worden bepaald op basis van de resultaten van de verificatie door de fabrikant zelf.

4.4.3.

Als het kwaliteitsniveau niet bevredigend lijkt of als het nodig blijkt de geldigheid van de overeenkomstig punt 4.4.2 uitgevoerde tests te controleren, selecteert de inspecteur monsters die worden toegezonden aan de technische dienst die de typegoedkeuringstests heeft uitgevoerd.

4.4.4.

De bevoegde instantie mag alle in dit reglement voorgeschreven tests uitvoeren. Wanneer de bevoegde instantie beslist steekproeven te nemen, zijn de criteria van de bijlagen 7 en 8 van toepassing.

4.4.5.

Normaliter vinden de door de bevoegde instantie toegestane inspecties om de twee jaar plaats. Indien bij een van deze inspecties negatieve resultaten aan het licht komen, moet de bevoegde instantie ervoor zorgen dat alle nodige maatregelen worden genomen om de conformiteit van de productie zo snel mogelijk te herstellen.

5.   SANCTIES BIJ NIET-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

5.1.

De krachtens dit reglement voor een ledlichtbron verleende goedkeuring kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften is voldaan of indien een ledlichtbron met het goedkeuringsmerk niet conform is met het goedgekeurde type.

5.2.

Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

6.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd type ledlichtbron definitief stopzet, stelt hij de typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

7.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES

De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring en de definitieve stopzetting van de productie moeten worden toegezonden.


(1)  Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde Resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2, punt 2.

(2)  Op basis van de CIE/IEC-woordenlijst, IEV 845-09-31.


BIJLAGE 1

DATABLADEN  (*1) VOOR LEDLICHTBRONNEN

Lijst van de categorieën ledlichtbronnen en de nummers van de desbetreffende databladen:

Categorie

 

Datablad nr.

LR1

 

LR1/1 t/m 5

LW2

 

LW2/1 t/m 5

Lijst van de databladen voor ledlichtbronnen en de volgorde ervan in deze bijlage:

Datablad nr.

LR1/1 t/m 5

LW2/1 t/m 5

Categorie LR1 — Datablad LR1/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de ledlichtbron.

Figuur 1

Hoofdtekening

Image 1

Tekst van het beeld

Figuur 2

Detail verbindingsstuk

Image 2

Tekst van het beeld

Categorie LR1 — Datablad LR1/2

Tabel 1

Essentiële elektrische en fotometrische kenmerken

Afmetingen in mm

Tolerantie

Ledlichtbronnen uit serieproductie

Standaard-ledlichtbron

e (1)

24,0

0,2

0,1

Lampvoet PGJ21 t-1 overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-165-1)

Elektrische en fotometrische eigenschappen (2)

Nominale waarden

 

Lage stand

Hoge stand

Lage stand

Hoge stand

Volt

12

12

Objectieve waarden (3)

Watt (bij 13,5 V (gelijkstroom))

max. 0,75

max. 3,5

min. 1,4

max. 0,75

max. 3,5

min. 1,4

Lichtstroom (in lm bij 13,5 V (gelijkstroom))

 

 

3,5 ± 10 %

47 ± 10 %

Lichtstroom (in lm bij 10-16 V (gelijkstroom))

3,5 ± 20 %

47 ± 20 %

 

 

Gedrag in geval van storing

Bij een storing van de ledlichtbron (er wordt geen licht uitgestraald) moet de maximale stroomopname — bij werking binnen het ingangsspanningsbereik van de hoge stand — onder de 20 mA blijven (open stroomkring).

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met de volgende test kunnen de voorschriften voor het schijnbaar lichtuitstralend oppervlak van de ledlichtbron worden vastgelegd en kan worden bepaald of het lichtuitstralend oppervlak zich op de juiste plaats bevindt ten opzichte van de referentieas en het referentievlak om na te gaan of aan de voorschriften wordt voldaan.

De plaats van het lichtuitstralend oppervlak wordt gecontroleerd aan de hand van het in figuur 3 beschreven boxsysteem, dat de projecties weergeeft bij kijkrichting γ = 90° in de vlakken C90 en C180 (C, γ als gedefinieerd in figuur 4). Ten minste 95 % van de in de kijkrichting uitgestraalde lichtstroom moet komen uit het trapeziumvormig gebied dat wordt bepaald door d1, d2 en c. De lichtstroom die wordt uitgestraald vanuit het rechthoekige gebied dat wordt bepaald door d3 en c moet minder dan 70 % van de (totale) lichtstroom uitmaken.

Categorie LR1 — Datablad LR1/3

Figuur 3

Boxdefiniëring van het lichtuitstralend oppervlak

Image 3

Tabel 2

Afmetingen van het boxsysteem in figuur 3

Afmetingen in mm

f

c

d1

d2

d3

Ledlichtbronnen uit serieproductie

E + 0,2

3,6

21,0

15,0

7,0

Standaard-ledlichtbronnen (referentie-ledlichtbronnen)

E + 0,1

3,4

21,0

15,0

7,0

Genormaliseerde lichtsterkteverdeling

Met de volgende test kan de genormaliseerde lichtsterkteverdeling van de lichtbron in een willekeurig vlak dat de referentieas bevat, worden bepaald. Het assenstelsel vertrekt vanuit het snijpunt van de referentieas met de bovenrand van de box.

De lichtbron wordt bevestigd op een vlakke plaat met de overeenkomstige aansluitpunten. De plaat wordt op zodanige wijze met een ondersteuning aan de goniometertafel vastgemaakt dat de referentieas van de lichtbron in het verlengde ligt van één van de draaiende assen van de goniometer. De overeenkomstige meetopstelling is beschreven in figuur 4.

Categorie LR1 — Datablad LR1/4

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de essentiële meetopstelling van de ledlichtbron.

Figuur 4

Opstelling voor het meten van de lichtsterkteverdeling

Image 4

De gegevens inzake de lichtsterkte worden geregistreerd voor de hoge stand met een standaard-fotogoniometer. De meetafstand moet zo worden gekozen dat de detector zich in het verre veld van de lichtverdeling bevindt.

De metingen worden uitgevoerd in drie C-vlakken waarin de referentieas van de lichtbron ligt. Om schaduw van het verbindingsstuk te vermijden, moeten de drie C-vlakken tussen C30 en C330 liggen; de vlakken moeten bovendien ten minste 30° van elkaar liggen. In tabel 3 worden voor elk vlak de testpunten voor verschillende poolhoeken γ gespecificeerd.

Na de meting moeten de gegevens overeenkomstig punt 3.1.11 worden genormaliseerd op 1 000 lm, waarbij de lichtstroom van de specifieke aan de test onderworpen lichtbron wordt gebruikt. De gegevens moeten binnen de in tabel 3 bepaalde tolerantiemarge vallen.

C-vlakken: zie CIE-publicatie 70-1987, „ The measurement of absolute intensity distributions ”.

Categorie LR1 — Datablad LR1/5

Tabel 3

Testpuntwaarden voor genormaliseerde sterkte voor de hoge stand van lichtbronnen uit serieproductie respectievelijk standaardlichtbronnen

 

Ledlichtbron uit serieproductie

Standaard-ledlichtbron

γ

Minimumlichtsterkte in cd/1 000 lm

Maximumlichtsterkte in cd/1 000 lm

Minimumlichtsterkte in cd/1 000 lm

Maximumlichtsterkte in cd/1 000 lm

0

30

0

20

15°

0

30

0

20

30°

0

70

0

40

45°

20

100

20

60

60°

35

120

35

80

75°

50

140

50

100

90°

70

160

70

120

105°

90

180

90

140

120°

110

200

110

160

135°

110

200

110

160

150°

90

180

90

140

De lichtsterkteverdeling zoals beschreven in tabel 3 moet zo uniform mogelijk zijn, d.w.z. dat de vereiste overeenkomstige lichtsterkte tussen twee dicht bij elkaar gelegen rasterpunten wordt berekend door lineaire interpolatie vanuit die twee punten.

Categorie LW2 — Datablad LW2/1

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de belangrijkste afmetingen (in mm) van de ledlichtbron.

Figuur 1

Hoofdtekening — voor- en zijaanzicht

Image 5

Tekst van het beeld

Figuur 2

Detail connector

Image 6

Tekst van het beeld

Tabel 1

Essentiële elektrische en fotometrische kenmerken

Afmetingen in mm

Toleranties

Ledlichtbronnen uit serieproductie

Standaard-ledlichtbronnen

e

26,4

0,2

0,1

[Lampvoet PGJY50] overeenkomstig IEC-publicatie 60061 (datablad 7004-[…]-1)

Elektrische en fotometrische eigenschappen (4)

Nominale waarden

 

Lage stand

Hoge stand

Lage stand

Hoge stand

Volt

12

12

Objectieve waarden (5)  (6)

Watt (bij 13,5 V (gelijkstroom))

max. 1

max. 12

min. 4

max. 1

max. 12

min. 4

Lichtstroom (in lm bij 13,5 V (gelijkstroom))

 

 

50 ± 10 %

725 ± 10 %

Lichtstroom (in lm bij 10-16 V (gelijkstroom))

50 ± 15 %

725 ± 15 %

 

 

Overeenkomstige basistemperatuur Tb in °C

30 ± 2

55 ± 2

30 ± 0,5

55 ± 0,5

Categorie LW2 — Datablad LW2/2

Voorschriften voor de projectie op het scherm

Met deze test kan worden vastgesteld of het lichtuitstralend oppervlak van de ledlichtbron zich op de juiste plaats bevindt ten opzichte van de referentieas en het referentievlak.

Naleving van de in tabel 2 bepaalde plaats en afmetingen wordt gecontroleerd door het in figuur 3 getoonde boxsysteem. De linkse tekening toont de projectie bij kijkrichting langs de referentieas met een openingshoek van ± 40°; de rechtse tekening definieert de plaats van het referentievlak en de referentieas.

De afmetingen moeten met daarvoor geschikte middelen worden vastgesteld.

Figuur 3

Boxdefiniëring van het lichtuitstralend oppervlak

Image 7

Tekst van het beeld

Tabel 2

Afmetingen van het lichtuitstralend oppervlak in figuur 3

Afmetingen in mm

e

a

b

c

Ledlichtbronnen uit serieproductie

26,4 ± 0,2

14,5 + 0/– 2,5

10,1 + 0/– 1,5

Ø 50,00 + 0,10/– 0

Standaard-ledlichtbronnen (referentie-ledlichtbronnen)

26,4 ± 0,1

14,5 + 0/– 2,5

10,1 + 0/– 1,5

Ø 50,05 + 0,05/– 0

Categorie LW2 — Datablad LW2/3

Cumulatieve lichtstroomverdeling

Meetopstelling

Met deze test kan de cumulatieve lichtstroom binnen bepaalde ruimtehoeken van de lichtsterkteverdeling worden vastgesteld.

Er kan gebruik worden gemaakt van een goniofotometers van het type I of II volgens CIE-publicatie nr. 70-1987 met de mogelijkheid om de lichtbron rond twee assen loodrecht op de as van de lichtuitstraling te wentelen. Het assenstelsel vertrekt vanuit het snijpunt van de referentieas met het vlak evenwijdig aan het referentievlak op een afstand e.

Figuur 4

Opstelling voor het meten van de lichtsterkteverdeling met een fotogoniometer van type I

Image 8

De lichtbron wordt bevestigd op een vlakke plaat met de overeenkomstige kenmerken voor montage. De plaat wordt op zodanige wijze met een ondersteuning aan de goniometertafel vastgemaakt dat de referentieas van de lichtbron in het verlengde ligt van de meetas van de goniometer. De overeenkomstige meetopstelling is beschreven in figuur 4.

Categorie LW2 — Datablad LW2/4

Cumulatieve lichtstroomverdeling

Meet- en berekeningsprocedure

Gegevens moeten worden geregistreerd voor de in tabel 1 gespecificeerde basistemperatuur Tb op de in figuur 5 getoonde plaats.

Gegevens inzake de lichtsterkteverdeling moeten worden geregistreerd binnen een ruimtehoek van – 40° < α < + 40° en – 40° < β < + 40°. De meetafstand moet zo worden gekozen dat de detector zich in het verre veld van de lichtverdeling bevindt. Er moet worden gemeten met hoekstappen van 1° of minder.

Na de meting wordt de cumulatieve lichtstroomverdeling berekend aan de hand van de geregistreerde gegevens voor verschillende ruimtehoeken als aangegeven in tabel 3, overeenkomstig CIE-publicatie 84-1989, punt 4.3. Vervolgens wordt de verdeling genormaliseerd op de totale lichtstroom die is bepaald voor – 40° < α < + 40° en – 40° < β < + 40°. De gegevens moeten binnen de in tabel 3 bepaalde tolerantiemarge vallen.

Om een symmetrische verdeling binnen elke in tabel 3 vermelde ruimtehoek te garanderen, moet de lichtstroom voor alle vier de kwadranten onafhankelijk worden bepaald en mogen de waarden niet meer dan 15 % van elkaar verschillen.

Tabel 3

Testpuntwaarden voor genormaliseerde cumulatieve lichtstroom met betrekking tot zowel lichtbronnen uit serieproductie als standaardlichtbronnen

Hoek α, β

Min. genormaliseerde stroom in %

Max. genormaliseerde stroom in %

– 5° < α, β < + 5°

8

14

– 10° < α, β < + 10°

31

37

– 15° < α, β < + 15°

54

59

– 20° < α, β < + 20°

75

81

– 25° < α, β < + 25°

91

95

– 30° < α, β < + 30°

97

100

– 35° < α, β < + 35°

98

100

– 40° < α, β < + 40°

100 (per definitie)

De cumulatieve lichtstroomverdeling bij lage stand mag worden gecontroleerd door de verhouding tussen de hoge en de lage stand onder een vaste hoek te meten en die factor te vermenigvuldigen met de lichtstroom van de hoge stand.

Bij twijfel over afwijkende waarden van de cumulatieve lichtstroomverdeling bij hoge en lage stand moet de hierboven beschreven procedure voor de hoge stand worden herhaald voor de lage stand.

Geometrie van de thermische interface

De thermische interface van categorie LW2 bevindt zich in het referentievlak (gearceerde oppervlakte in figuur 5) en wordt gedetailleerd beschreven in IEC-publicatie 60061 zoals vermeld in tabel 1 van datablad LW2/1. De interface moet worden bevestigd aan een geschikt koellichaam of systeem voor thermisch beheer.

De in tabel 1 vermelde lichtstroom moet worden bereikt op het moment dat de basistemperatuur Tb, gemeten op de in figuur 5 getoonde plaats, is gestabiliseerd.

Categorie LW2 — Datablad LW2/5

Figuur 5

Achteraanzicht: thermisch-contactgebied en plaats van punt Tb op de verticale symmetrieas, op afstand f van het middelpunt

Image 9

Afmetingen in mm

c

50,0

d

34,5

f

13,0

g

10,0

Gedrag in geval van storing

Bij een storing van de ledlichtbron (er wordt geen licht uitgestraald) moet de maximale stroomopname — bij werking binnen het ingangsspanningsbereik van de hoge stand — onder de 20 mA blijven (open stroomkring).


(*1)  Tabellen, elektrische en fotometrische eigenschappen:

 

de spanning wordt uitgedrukt in V;

 

het vermogen wordt uitgedrukt in W;

 

de lichtstroom wordt uitgedrukt in lm;

 

de genormaliseerde lichtsterkte wordt uitgedrukt in cd/1 000 lm;

 

de genormaliseerde cumulatieve lichtstroom wordt uitgedrukt in %.

(1)  Lichtuitstralend oppervlak: te controleren door middel van het boxsysteem in figuur 3.

(2)  Het uitgestraalde licht moet rood zijn.

(3)  Continu aan gedurende 30 minuten bij 23 ± 2,5 °C.

(4)  Het uitgestraalde licht moet wit zijn.

(5)  Continue werking gedurende 30 minuten bij een als hoger omschreven gestabiliseerde basistemperatuur Tb.

(6)  Lichtstroom van het lichtuitstralend oppervlak moet worden bepaald binnen een ruimtehoek van – 40° < α < + 40° en – 40° < β < +40° waarbij gebruik wordt gemaakt van een integraalmethode of van de in databladen LW2/3 en LW2/4 beschreven procedure.


BIJLAGE 2

MEDEDELING

(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 10

Tekst van het beeld

BIJLAGE 3

VOORBEELD VAN DE OPSTELLING VAN HET GOEDKEURINGSMERK

(zie punt 2.4.4)

Image 11

a = min. 2,5 mm.

Bovenstaand goedkeuringsmerk op een ledlichtbron geeft aan dat de lichtbron in het Verenigd Koninkrijk (E11) is goedgekeurd onder goedkeuringscode 0A01. Het eerste teken van de goedkeuringscode geeft aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. 128 (*1) in zijn oorspronkelijke vorm.


(*1)  Vereist geen wijziging van het goedkeuringsnummer.


BIJLAGE 4

MEETMETHODE VOOR ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE EIGENSCHAPPEN

Lichtbronnen van alle categorieën met een geïntegreerd koellichaam moeten worden gemeten bij een omgevingstemperatuur van (23 ± 2) °C, in windstille omstandigheden. Voor deze metingen moet de minimale vrije ruimte als gedefinieerd in de databladen worden gehandhaafd.

Lichtbronnen van alle categorieën waarvoor een temperatuur Tb is gedefinieerd, moeten worden gemeten door het Tb-punt te stabiliseren op de specifieke op het datablad van de categorie bepaalde temperatuur.

1.   Lichtstroom

1.1.

De lichtstroom wordt gemeten aan de hand van een integraalmethode

a)

in de gevallen met een geïntegreerd koellichaam: na te hebben gebrand gedurende 1 minuut en gedurende 30 minuten

of

b)

na stabilisatie van de temperatuur op het Tb-punt.

1.2.

De waarden voor de lichtstroom, gemeten na

a)

30 minuten, of

b)

stabilisatie van temperatuur Tb

moeten aan de minimum- en maximumeisen voldoen.

In het onder a) bedoelde geval moet die waarde tussen 100 en 80 % van de na 1 minuut gemeten waarde liggen.

1.3.

De metingen moeten worden verricht met de toepasselijke testspanning en bij de minimale en maximale waarden van het desbetreffende spanningsbereik. Tenzij de databladen strengere bepalingen bevatten, mag de lichtstroom bij de grenzen van de tolerantie-intervallen niet verder afwijken dan hierna wordt aangegeven.

Nominale spanning

Minimale spanning

Maximale spanning

6

6,0

7,0

12

12,0

14,0

24

24,0

28,0

Overeenkomstige tolerantie voor lichtstroom (*1)

± 30 %

± 15 %

2.   Genormaliseerde lichtsterkte/cumulatieve lichtstroom

2.1.

De lichtsterkte wordt gemeten na

a)

30 minuten stabilisatietijd of

b)

stabilisatie van temperatuur Tb op de op het desbetreffende datablad vermelde waarde.

2.2.

De metingen moeten worden verricht met de desbetreffende testspanning.

2.3.

De genormaliseerde lichtsterkte van een monster wordt berekend door de overeenkomstig punt 2.1 gemeten lichtsterkteverdeling te delen door de overeenkomstig punt 1.2 na 30 minuten vastgestelde lichtstroom.

2.4.

De cumulatieve lichtstroom van een monster wordt berekend overeenkomstig CIE-publicatie 84-1989, punt 4.3, door de lichtsterkte te integreren binnen een kegel die wordt gevormd door een ruimtehoek.

3.   Kleur

De kleur van het uitgestraalde licht, gemeten onder dezelfde voorwaarden als beschreven in punt 1.1, moet in beide gevallen binnen de vereiste kleurgrenzen liggen.

4.   Stroomverbruik

4.1.

Het stroomverbruik moet worden gemeten onder dezelfde voorwaarden als beschreven in punt 1.1 volgens de voorschriften van punt 3.3.3 van dit reglement.

4.2.

De metingen van het stroomverbruik moeten worden verricht met de desbetreffende testspanning.

4.3.

De verkregen waarden moeten voldoen aan de minimum- en maximumeisen van het desbetreffende datablad.

(*1)  De maximale afwijking van de lichtstroom bij de uiterste toleranties wordt berekend door de gemeten stroom met de testspanning als referentie te gebruiken. Tussen de testspanning en de uitersten van het spanningsbereik moet de lichtstroom zich vrijwel uniform gedragen.


BIJLAGE 5

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE KWALITEITSCONTROLEPROCEDURES VAN DE FABRIKANT

1.   Algemeen

Aan de voorschriften inzake conformiteit wordt geacht uit fotometrisch, geometrisch, visueel en elektrisch oogpunt te zijn voldaan, als de toleranties die voor ledlichtbronnen uit serieproductie op het desbetreffende datablad van bijlage 1 en op het desbetreffende datablad voor de lampvoet zijn gespecificeerd, in acht zijn genomen.

2.   Minimumvoorschriften voor de controle van de conformiteit door de fabrikant

Voor elk type ledlichtbron voert de fabrikant of de houder van het goedkeuringsmerk geregeld tests uit overeenkomstig de bepalingen van dit reglement.

2.1.   Aard van de tests

De tests van de conformiteit met deze specificaties hebben betrekking op de fotometrische, geometrische en optische eigenschappen.

2.2.   Toegepaste testmethoden

2.2.1.

De tests worden over het algemeen volgens de in dit reglement beschreven methoden uitgevoerd.

2.2.2.

De toepassing van punt 2.2.1 vereist regelmatige kalibratie van de testapparatuur en vergelijking van de meetresultaten met die van een bevoegde instantie.

2.3.   Aard van de monsterneming

Monsters van ledlichtbronnen worden willekeurig genomen uit de productie van een uniforme partij. Onder uniforme partij wordt een reeks ledlichtbronnen van hetzelfde type verstaan, gedefinieerd volgens de productiemethoden van de fabrikant.

2.4.   Geïnspecteerde en geregistreerde eigenschappen

De ledlichtbronnen worden geïnspecteerd en de testresultaten geregistreerd volgens de combinatie van eigenschappen in tabel 1 van bijlage 6.

2.5.   Aanvaardbaarheidscriteria

De fabrikant of de houder van de goedkeuring verricht statistisch onderzoek van de testresultaten om te voldoen aan de specificaties die voor de controle van de conformiteit van de productie in punt 4.1 zijn vastgelegd.

De overeenstemming is gewaarborgd als het in tabel 1 van bijlage 6 aangegeven niveau van aanvaardbare niet-overeenstemming per groep eigenschappen niet wordt overschreden, d.w.z. als het aantal ledlichtbronnen dat niet voldoet aan het voorschrift voor een combinatie van eigenschappen van een type ledlichtbron, de kwalificatiegrenzen in de desbetreffende tabel 2, 3 of 4 van bijlage 6 niet overschrijdt.

Opmerking: elk afzonderlijk voorschrift voor een ledlichtbron wordt als een eigenschap beschouwd.


BIJLAGE 6

BEMONSTERINGS- EN OVEREENSTEMMINGSNIVEAUS VOOR DE TESTGEGEVENS VAN DE FABRIKANT

Tabel 1

Eigenschappen

Combinatie van eigenschappen

Combinatie (*1) van testgegevens naar lamptype

Minimumomvang van de 12-maandelijkse steekproef per combinatie (*1)

Aanvaardbaar niveau van niet-overeenstemming per combinatie van eigenschappen

(%)

Markering, leesbaarheid en bestendigheid

Alle typen met dezelfde buitenafmetingen

315

1

Buitenafmetingen van de lamp (excl. lampvoet/onderste gedeelte)

Alle typen van dezelfde categorie

200

1

Afmetingen lampvoet en onderste gedeelte

Alle typen van dezelfde categorie

200

6,5

Afmetingen m.b.t. lichtuitstralend oppervlak en interne elementen (*2)

Alle lampen van hetzelfde type

200

6,5

Aanvankelijke meetwaarden, stroomverbruik, kleur en lichtstroom (*2)

Alle lampen van hetzelfde type

200

1

Genormaliseerde lichtsterkteverdeling of cumulatieve lichtstroomverdeling

Alle lampen van hetzelfde type

20

6,5

De kwalificatiegrenzen voor aanvaarding op basis van verschillende aantallen testresultaten voor elke combinatie van eigenschappen zijn aangegeven in tabel 2 als maximumaantal gevallen van niet-overeenstemming. De grenswaarden zijn gebaseerd op een aanvaardbaar niveau van 1 % niet-overeenstemming, waarbij wordt aangenomen dat de aanvaardingskans ten minste 0,95 is.

Tabel 2

Aantal testresultaten voor elke eigenschap

Kwalificatiegrenzen voor aanvaarding

20

0

21 - 50

1

51 - 80

2

81 - 125

3

126 - 200

5

201 - 260

6

261 - 315

7

316 - 370

8

371 - 435

9

436 - 500

10

501 - 570

11

571 - 645

12

646 - 720

13

721 - 800

14

801 - 860

15

861 - 920

16

921 - 990

17

991 – 1 060

18

1 061 – 1 125

19

1 126 – 1 190

20

1 191 – 1 249

21

De kwalificatiegrenzen voor aanvaarding op basis van verschillende aantallen testresultaten voor elke combinatie van eigenschappen zijn aangegeven in tabel 3 als maximumaantal gevallen van niet-overeenstemming. De grenswaarden zijn gebaseerd op een aanvaardbaar niveau van 6,5 % niet-overeenstemming, waarbij wordt aangenomen dat de aanvaardingskans ten minste 0,95 is.

Tabel 3

Aantal geteste lampen

Kwalificatie grens

20

3

21 – 32

5

33 – 50

7

51 – 80

10

81 – 125

14

126 – 200

21

201 - 213

22

214 - 227

23

228 - 240

24

241 - 254

25

255 - 268

26

269 - 281

27

282 - 295

28

296 - 308

29

309 - 322

30

323 - 336

31

337 - 349

32

350 - 363

33

364 - 376

34

377 - 390

35

391 - 404

36

405 - 417

37

418 - 431

38

432 - 444

39

445 - 458

40

459 - 472

41

473 - 485

42

486 - 499

43

500 - 512

44

513 - 526

45

527 - 540

46

541 - 553

47

554 - 567

48

568 - 580

49

581 - 594

50

595 - 608

51

609 - 621

52

622 - 635

53

636 - 648

54

649 - 662

55

663 - 676

56

677 - 689

57

690 - 703

58

704 - 716

59

717 - 730

60

731 - 744

61

745 - 757

62

758 - 771

63

772 - 784

64

785 - 798

65

799 - 812

66

813 - 825

67

826 - 839

68

840 - 852

69

853 - 866

70

867 - 880

71

881 - 893

72

894 - 907

73

908 - 920

74

921 - 934

75

935 - 948

76

949 - 961

77

962 - 975

78

976 - 988

79

989 - 1 002

80

1 003 – 1 016

81

1 017 - 1 029

82

1 030 - 1 043

83

1 044 - 1 056

84

1 057 - 1 070

85

1 071 - 1 084

86

1 085 - 1 097

87

1 098 - 1 111

88

1 112 - 1 124

89

1 125 - 1 138

90

1 139 - 1 152

91

1 153 - 1 165

92

1 166 - 1 179

93

1 180 - 1 192

94

1 193 - 1 206

95

1 207 - 1 220

96

1 221 - 1 233

97

1 234 - 1 249

98

 

 

De kwalificatiegrenzen voor aanvaarding op basis van verschillende aantallen testresultaten voor elke combinatie van eigenschappen zijn aangegeven in tabel 4 als percentage van de resultaten, waarbij wordt aangenomen dat de aanvaardingskans ten minste 0,95 is.

Tabel 4

Aantal testresultaten voor elke eigenschap

Kwalificatiegrens als percentage van de resultaten

Aanvaardbaar niveau van 1 % niet-overeenstemming

Kwalificatiegrens als percentage van de resultaten

Aanvaardbaar niveau van 6,5 % niet-overeenstemming

1 250

1,68

7,91

2 000

1,52

7,61

4 000

1,37

7,29

6 000

1,30

7,15

8 000

1,26

7,06

10 000

1,23

7,00

20 000

1,16

6,85

40 000

1,12

6,75

80 000

1,09

6,68

100 000

1,08

6,65

1 000 000

1,02

6,55


(*1)  De beoordeling heeft in het algemeen betrekking op ledlichtbronnen uit de serieproductie van afzonderlijke fabrieken. Een fabrikant mag echter gegevens over hetzelfde type afkomstig van verschillende fabrieken samenvoegen, op voorwaarde dat deze fabrieken hetzelfde kwaliteitssysteem en -beheer toepassen.

(*2)  Als een ledlichtbron meer dan één lichtfunctie heeft, geldt de combinatie van eigenschappen (afmetingen, stroomverbruik, kleur en lichtstroom) voor elk element afzonderlijk.


BIJLAGE 7

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR STEEKPROEVEN DOOR DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIE

1.   Algemeen

Aan de voorschriften inzake conformiteit wordt geacht uit fotometrisch, geometrisch, visueel en elektrisch oogpunt te zijn voldaan, als de toleranties die voor ledlichtbronnen uit serieproductie op het desbetreffende datablad van bijlage 1 en op het desbetreffende datablad voor de lampvoet zijn gespecificeerd, in acht zijn genomen.

2.   De conformiteit van in massa geproduceerde ledlichtbronnen wordt niet betwist als de resultaten voldoen aan bijlage 8.

3.   De conformiteit wordt betwist en de fabrikant wordt verzocht zijn productie aan te passen aan de voorschriften, als de resultaten niet voldoen aan bijlage 8.

4.   Als punt 3 van toepassing is, wordt binnen twee maanden een nieuwe steekproef genomen van 250 ledlichtbronnen die willekeurig uit een recente productie zijn gekozen.


BIJLAGE 8

CONTROLE VAN DE NALEVING VAN DE VOORSCHRIFTEN DOOR MIDDEL VAN STEEKPROEVEN

Het besluit dat de voorschriften al dan niet zijn nageleefd, wordt genomen op basis van de cijfers in tabel 1. Voor elke combinatie van eigenschappen worden ledlichtbronnen geaccepteerd of verworpen volgens de cijfers in tabel 1 (*).

Tabel 1

 

1  %  (*1)

6,5  % (*1)

Accepteren

Verwerpen

Accepteren

Verwerpen

Omvang van de eerste steekproef: 125

2

5

11

16

Als het aantal niet-conforme exemplaren groter is dan 2 (11) en kleiner dan 5 (16), neem dan een tweede steekproef van 125 en beoordeel de 250

6

7

26

27

(*)

Het voorgestelde schema is bedoeld om te beoordelen of ledlichtbronnen voldoen aan de voorschriften bij een aanvaardbaar niveau van 1, respectievelijk 6,5 % niet-overeenstemming en is gebaseerd op het Double Sampling Plan for Normal Inspection (schema van dubbele bemonstering voor normale inspectie) in IEC-publicatie 60410: Sampling Plans and Procedures for Inspection by Attributes (bemonsteringsschema’s en -procedures voor inspectie op basis van eigenschappen).


(*1)  De ledlichtbronnen worden geïnspecteerd en de testresultaten geregistreerd volgens de combinatie van eigenschappen in tabel 1 van bijlage 6.