10.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 177/40


Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op: http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html

Reglement nr. 6 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van richtingaanwijzers voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan

Bevat de volledige geldige tekst tot en met:

Supplement 18 op wijzigingenreeks 01 — Datum van inwerkingtreding: 24 oktober 2009

Corrigendum 1 op supplement 18 – Datum van inwerkingtreding: 11 november 2009

Supplement 19 op wijzigingenreeks 01 – Datum van inwerkingtreding: 19 augustus 2010

INHOUD

REGLEMENT

0.

Toepassingsgebied

1.

Definities

2.

Goedkeuringsaanvraag

3.

Opschriften

4.

Goedkeuring

5.

Algemene specificaties

6.

Sterkte van het uitgestraalde licht

7.

Testprocedure

8.

Kleur van het uitgestraalde licht

9.

Wijziging van een type richtingaanwijzer voor motorvoertuigen en aanhangers daarvan en uitbreiding van de goedkeuring

10.

Conformiteit van de productie

11.

Sancties bij non-conformiteit van de productie

12.

Definitieve stopzetting van de productie

13.

Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de administratieve instanties

14.

Overgangsbepalingen

BIJLAGEN

Bijlage 1 —

Categorieën richtingaanwijzers: voor de ruimtelijke lichtverdeling vereiste minimumhoeken van deze categorieën richtingaanwijzers

Bijlage 2 —

Mededeling betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type richtingaanwijzer krachtens Reglement nr. 6

Bijlage 3 —

Opstelling van het goedkeuringsmerk

Bijlage 4 —

Fotometrische metingen

Bijlage 5 —

Kleur van het ambergele licht: kleurcoördinaten

Bijlage 6 —

Minimumvoorschriften voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren

Bijlage 7 —

Minimumvoorschriften voor de monsterneming door een inspecteur

0.   TOEPASSINGSGEBIED

Dit reglement is van toepassing op richtingaanwijzers voor voertuigen van de categorieën L, M, N, O en T (1).

1.   DEFINITIES

Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:

1.1.    „richtingaanwijzer”: een op een motorvoertuig of aanhangwagen gemonteerde voorziening waarmee de bestuurder zijn voornemen kenbaar maakt om de richting waarin het voertuig beweegt te veranderen. Dit reglement is uitsluitend van toepassing op knipperlichtvoorzieningen met een vaste positie waarvan het knipperen wordt verkregen door de elektrische stroom naar het licht periodiek te onderbreken.

1.2.   De definities van Reglement nr. 48 en van de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, zijn van toepassing op dit reglement.

1.3.    „richtingaanwijzers van verschillende typen”: richtingaanwijzers die van elkaar verschillen op essentiële punten zoals:

a)

de handelsnaam of het merk;

b)

de kenmerken van het optisch systeem (lichtsterkteniveaus, lichtverdelingshoeken, categorie gloeilamp, lichtbronmodule enz.);

c)

categorie richtingaanwijzers;

d)

de eventuele variabele lichtsterkteregeling.

Door de kleur van de gloeilamp of van een filter te veranderen, wijzigt het type niet.

1.4.   De verwijzingen in dit reglement naar standaardgloeilampen (referentiegloeilampen) en naar Reglement nr. 37 zijn verwijzingen naar Reglement nr. 37 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is.

2.   GOEDKEURINGSAANVRAAG

2.1.   De aanvraag van de goedkeuring van een type richtingaanwijzer wordt ingediend door de houder van de handelsnaam of het merk of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger. In de aanvraag wordt vermeld tot welke van de categorieën 1, 1a, 1b, 2a, 2b, 5 of 6, als bedoeld in bijlage 1, de richtingaanwijzer behoort en, indien deze tot categorie 2 behoort, of deze een constante lichtsterkte (categorie 2a) of een variabele lichtsterkte (categorie 2b) heeft en of de richtingaanwijzer ook mag worden gebruikt in een samenstel van twee lichten van dezelfde categorie. Naar keuze van de aanvrager wordt daarin ook gespecificeerd dat de voorziening op het voertuig kan worden geïnstalleerd met verschillende hellingshoeken van de referentieas ten opzichte van de referentievlakken van het voertuig en de grond of dat zij om haar referentieas draait; deze verschillende installatievoorwaarden worden in het mededelingenformulier vermeld.

Voor elk type richtingaanwijzer dient de aanvraag vergezeld te gaan van:

2.2.1.   tekeningen, in drievoud, die voldoende gedetailleerd zijn om het type en de categorie te kunnen bepalen en waarop de geometrische positie(s) voor de installatie op het voertuig is (zijn) aangegeven; de waarnemingsas die bij de tests als referentieas moet worden genomen (horizontale hoek H = 0°, verticale hoek V = 0°), en het punt dat bij de proeven als referentiepunt dient. Op de tekeningen wordt de plaats van het goedkeuringsnummer en van de aanvullende symbolen ten opzichte van de cirkel van het goedkeuringsmerk aangegeven;

2.2.2.   een korte technische beschrijving waarin met name, behalve bij lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, het volgende wordt vermeld:

a)

de categorie(ën) van de voorgeschreven gloeilamp(en); deze gloeilampcategorie moet zijn opgenomen in Reglement nr. 37 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, en/of

b)

de voor de lichtbronmodule specifieke identificatiecode;

2.2.3.   bij een richtingaanwijzer van categorie 2b: een korte beschrijving van de variabele lichtsterkteregeling, een installatieschema en een specificatie van de kenmerken van het systeem dat de twee lichtsterkteniveaus mogelijk maakt;

2.2.4.   voor een richtingaanwijzer van categorie 1, 1a, 1b, 2a of 2b: gegevens over het signaal overeenkomstig punt 6.2.2;

2.2.5.   twee monsters; indien de goedkeuringsaanvraag betrekking heeft op twee voorzieningen die weliswaar niet identiek maar wel symmetrisch zijn en waarvan er een bestemd is voor montage aan de linkerzijde van het voertuig en een voor montage aan de rechterzijde, mogen beide ter beschikking gestelde monsters identiek zijn en geschikt om alleen aan de rechter- of linkerzijde van het voertuig te worden gemonteerd.

Voor een richtingaanwijzer van categorie 2b moet de aanvraag ook vergezeld gaan van de variabele lichtsterkteregeling of van een voorziening die hetzelfde signaal of dezelfde signalen produceert.

3.   OPSCHRIFTEN

Op ter goedkeuring ingediende voorzieningen moet:

3.1.   de handelsnaam of het merk van de aanvrager worden aangebracht. Dit opschrift moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn;

3.2.   behalve bij lichten met niet-vervangbare lichtbronnen, een goed leesbaar en onuitwisbaar opschrift zijn aangebracht met:

a)

de categorie(ën) van de voorgeschreven gloeilamp(en), en/of

b)

de voor de lichtbronmodule specifieke identificatiecode;

3.3.   er voldoende plaats zijn voor het goedkeuringsopschrift en de aanvullende symbolen zoals voorgeschreven in punt 4.2; deze ruimte moet op de in punt 2.2.1 bedoelde tekeningen zijn aangegeven;

3.4.   bij lichten met een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling en/of met niet-vervangbare lichtbronnen en/of lichtbronmodule(s), een opschrift met de nominale spanning(en) en het nominale vermogen worden aangebracht;

bij lichten met lichtbronmodule(s), op die module(s) het volgende zijn aangebracht:

3.5.1.   de handelsnaam of het merk van de aanvrager. Dit opschrift moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn;

3.5.2.   de specifieke identificatiecode van de module. Dit opschrift moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn. Deze specifieke identificatiecode moet beginnen met de letters „MD” voor MODULE, gevolgd door het goedkeuringsopschrift zonder de in punt 4.2.1.1 voorgeschreven cirkel en, als diverse niet-identieke lichtbronmodules worden gebruikt, gevolgd door aanvullende symbolen of tekens. Deze specifieke identificatiecode moet op de in punt 2.2.1 bedoelde tekeningen zijn aangegeven.

Het goedkeuringsopschrift hoeft niet hetzelfde te zijn als dat op het licht waarin de module wordt gebruikt, maar beide opschriften moeten van dezelfde aanvrager zijn;

3.5.3.   de aanduiding van de nominale spanning(en) en het nominale vermogen.

3.6.   Als een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling deel uitmaakt van het licht, maar niet in het lichthuis zit, moeten daarop de naam van de fabrikant en het identificatienummer worden aangebracht.

4.   GOEDKEURING

4.1.   Algemeen

4.1.1.   Indien beide ingevolge punt 2.2.4 ter goedkeuring ingediende voorzieningen aan de voorschriften van dit reglement voldoen, wordt goedkeuring verleend.

4.1.2.   Wanneer gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten aan de voorschriften van meerdere, aan de Overeenkomst van 1958 gehechte reglementen blijken te voldoen, mag een enkel internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, op voorwaarde dat die lichten niet zijn gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd met een of meer lichten die niet aan een van die reglementen voldoen.

4.1.3.   Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers (momenteel 01 voor wijzigingenreeks 01 die op 27 juni 1987 in werking is getreden) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander onder dit reglement vallend type voorziening toekennen. Richtingaanwijzers van verschillende categorieën mogen een enkel goedkeuringsnummer krijgen indien zij een samenstel vormen.

4.1.4.   Van de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van een goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type voorziening in het kader van dit reglement moet door de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen mededeling worden gedaan door middel van een formulier dat overeenkomt met het model in bijlage 2 bij dit reglement.

4.1.5.   Op elke voorziening die in overeenstemming is met een type dat krachtens dit reglement is goedgekeurd, wordt op de in punt 3.3 bedoelde plaats benevens de in punt 3.1 en punt 3.2 c.q. 3.4 voorgeschreven opschriften het in de punten 4.2 en 4.3 beschreven goedkeuringsmerk aangebracht.

4.2.   Samenstelling van het goedkeuringsmerk

Het goedkeuringsmerk bestaat uit:

een internationaal goedkeuringsopschrift, bestaande uit:

4.2.1.1.   een cirkel met daarin de letter „E”, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend; (2)

4.2.1.2.   het in punt 4.1.3 bedoelde goedkeuringsnummer;

het (de) volgende aanvullende symbool (symbolen):

4.2.2.1.   een of meer van de getallen: 1, 1a, 1b, 2a, 2b, 5 of 6, afhankelijk van de categorie of categorieën waartoe de voorziening behoort waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd overeenkomstig punt 2.1;

4.2.2.2.   op voorzieningen die niet willekeurig aan beide zijden van het voertuig kunnen worden gemonteerd, een horizontale pijl die de stand aangeeft waarin de voorziening moet worden gemonteerd (de pijl moet van het voertuig af zijn gericht bij voorzieningen van de categorieën 1, 1a, 1b, 2a en 2b en naar de voorzijde van het voertuig wijzen bij voorzieningen van de categorieën 3, 4, 5 en 6). Bovendien moet bij voorzieningen van categorie 6 de letter „R” of „L” op de voorziening zijn aangebracht ter aanduiding van de linker- of rechterzijde van het voertuig;

4.2.2.3.   op voorzieningen die als onderdeel van een samenstel van twee lichten kunnen worden gebruikt, de aanvullende letter „D” rechts van het in punt 4.2.2.1 bedoelde symbool;

4.2.2.4.   op voorzieningen met beperkte lichtverdeling overeenkomstig punt 2.1.3 van bijlage 4, een verticale pijl die vertrekt van een horizontaal segment en naar beneden is gericht.

4.2.2.5.   De twee cijfers van het goedkeuringsnummer die de op de datum van goedkeuring van kracht zijnde wijzigingenreeks aangeven en de eventueel voorgeschreven pijl mogen dicht bij het bovenstaande aanvullende symbolen worden geplaatst.

4.2.2.6.   De in de punten 4.2.1 en 4.2.2 bedoelde merken en symbolen moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn, ook wanneer de voorziening op het voertuig is gemonteerd.

4.3.   Opstelling van het goedkeuringsmerk

4.3.1.   Afzonderlijke lichten

Bijlage 3, figuur 1, geeft een voorbeeld van de opstelling van het goedkeuringsmerk in combinatie met de bovengenoemde aanvullende symbolen.

Als verschillende typen lichten die aan de voorschriften van meerdere reglementen voldoen, dezelfde buitenlens van dezelfde of een andere kleur gebruiken, mag een enkel internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit een cirkel met daarin de letter „E”, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, en een goedkeuringsnummer. Dit goedkeuringsmerk mag op een willekeurige plaats op het licht worden aangebracht, op voorwaarde dat:

4.3.1.1.   het na de montage zichtbaar is;

4.3.1.2.   het identificatiesymbool dat voor elk licht aangeeft krachtens welk reglement goedkeuring is verleend, de bijbehorende wijzigingenreeks met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring en eventueel de voorgeschreven pijl worden aangebracht;

4.3.1.3.   de afmetingen van de elementen van een enkel goedkeuringsmerk niet kleiner zijn dan de minimumafmetingen waaraan het kleinste afzonderlijke opschrift moet voldoen volgens het reglement op grond waarvan goedkeuring is verleend;

4.3.1.4.   de behuizing van het licht de in punt 3.3 beschreven plaats biedt en voorzien is van het goedkeuringsmerk voor de te vervullen functie(s).

4.3.1.5.   Bijlage 3, figuur 4, geeft voorbeelden van een goedkeuringsmerk met bovengenoemde aanvullende symbolen.

4.3.2.   Gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten

Wanneer gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten aan de voorschriften van meerdere reglementen voldoen, mag een enkel internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht bestaande uit een cirkel met daarin de letter „E”, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend en een goedkeuringsnummer. Dit goedkeuringsmerk mag op een willekeurige plaats op de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten worden aangebracht, op voorwaarde dat:

4.3.2.1.1.   het na de montage van de lichten zichtbaar is;

4.3.2.1.2.   geen enkel lichtdoorlatend deel van de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten kan worden verwijderd zonder tegelijkertijd ook het goedkeuringsmerk te verwijderen.

Een identificatiesymbool dat voor elk licht aangeeft krachtens welk reglement goedkeuring is verleend, de bijbehorende wijzigingenreeks met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring en eventueel de voorgeschreven pijl worden aangebracht:

4.3.2.2.1.   ofwel op het desbetreffende lichtdoorlatende oppervlak,

4.3.2.2.2.   ofwel zodanig gegroepeerd dat elk van de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten duidelijk kan worden geïdentificeerd.

4.3.2.3.   De afmetingen van de elementen van een enkel goedkeuringsmerk mogen niet kleiner zijn dan de minimumafmetingen waaraan het kleinste afzonderlijke opschrift moet voldoen volgens het reglement op grond waarvan goedkeuring is verleend.

4.3.2.4.   Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander onder dit reglement vallend type gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten toekennen.

4.3.2.5.   Bijlage 3, figuur 2, geeft voorbeelden van de opstelling van de goedkeuringsmerken voor gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten met alle bovengenoemde aanvullende symbolen.

4.3.3.   Met andere lichten samengebouwde lichten waarvan de lens ook voor andere typen koplichten mag worden gebruikt

De bepalingen van punt 4.3.2 zijn van toepassing.

4.3.3.1.   Wanneer dezelfde lens wordt gebruikt, mogen daarop bovendien de verschillende goedkeuringsmerken voor de verschillende types koplichten of lichtunits zijn aangebracht, op voorwaarde dat de behuizing van het koplicht, ook al kan zij niet van de lens kan worden gescheiden, tevens de in punt 3.3 beschreven ruimte biedt en voorzien is van de goedkeuringsmerken voor de te vervullen functies.

Indien verschillende typen koplichten dezelfde behuizing hebben, mogen de verschillende goedkeuringsmerken daarop zijn aangebracht.

4.3.3.2.   Bijlage 3, figuur 3, geeft voorbeelden van goedkeuringsmerken voor met een koplicht samengebouwde lichten.

4.4.   Het goedkeuringsopschrift moet goed leesbaar en onuitwisbaar zijn. Het mag worden aangebracht op een binnen- of buitendeel (al dan niet transparant) van de voorziening dat niet kan worden gescheiden van het transparante lichtdoorlatende gedeelte van de voorziening. Het opschrift moet in ieder geval zichtbaar zijn wanneer de voorziening op het voertuig is gemonteerd of wanneer een beweegbaar onderdeel zoals de motorkap, het kofferdeksel of een deur geopend is.

5.   ALGEMENE SPECIFICATIES

5.1.   Alle ter beschikking gestelde voorzieningen moeten voldoen aan de in de punten 6 en 8 vermelde specificaties.

5.2.   De voorzieningen zijn zo ontworpen en geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks de trillingen die zij onder dergelijke omstandigheden kunnen ondergaan, naar behoren blijven functioneren en de door dit reglement voorgeschreven kenmerken behouden.

Bij lichtbronmodules wordt geverifieerd dat:

5.3.1.   het ontwerp van de lichtbronmodule(s) zodanig is dat:

a)

elke lichtbronmodule uitsluitend in de aangegeven en enige correcte stand kan worden gemonteerd en alleen met gereedschap kan worden verwijderd;

b)

als in de behuizing voor een voorziening meer dan een lichtbronmodule wordt gebruikt, lichtbronmodules met verschillende kenmerken binnen dezelfde lichtbehuizing niet kunnen worden verwisseld.

5.3.2.   de lichtbronmodule(s) manipulatieveilig zijn.

5.4.   Als een richtingaanwijzer van categorie 2b bij uitval van de variabele lichtsterkteregeling een grotere lichtsterkte produceert dan de maximumwaarde voor categorie 2a, moet automatisch worden voldaan aan de voorschriften inzake constante lichtsterkte van categorie 2a.

Bij vervangbare gloeilampen:

5.5.1.   mogen alle krachtens Reglement nr. 37 goedgekeurde categorieën gloeilampen worden gebruikt, op voorwaarde dat er geen gebruiksbeperkingen zijn gesteld in Reglement nr. 37 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is;

5.5.2.   is de voorziening zo ontworpen dat de gloeilamp enkel en alleen in de correcte stand kan worden gemonteerd;

5.5.3.   is de gloeilamphouder conform met de in IEC-publicatie 60061 gespecificeerde kenmerken. Voor de lamphouder geldt het voor de gebruikte categorie gloeilampen relevante datablad.

6.   STERKTE VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

De sterkte van het door elk van beide ter beschikking gestelde voorzieningen uitgestraalde licht mag in het geval van richtingaanwijzers van categorie 1, 1a, 1b, 2a of 2b in de richting van de referentieas en in het geval van richtingaanwijzers van categorie 5 of 6 in richting A als bedoeld in bijlage 1 niet minder bedragen dan de minimumwaarde en niet meer dan de maximumwaarde zoals hieronder gespecificeerd:

Categorie richting-aanwijzer

Minimum-lichtsterkte in cd

Maximumlichtsterkte in cd bij gebruik als

Enkel licht

Enkel licht voorzien van opschrift „D” (zie punt 4.2.2.3)

1

175

1 000

500

1a

250

1 200

600

1b

400

1 200

600

2a (constant)

50

500

250

2b (variabel)

50

1 000

500

5

0,6

280

140

6

50

280

140

6.1.1.   Voor een samenstel van twee of meer richtingaanwijzers bedraagt de totale lichtsterkte niet meer dan de maximumwaarde.

6.1.2.   Indien een samenstel van twee of meer lichten met dezelfde functie als een enkel licht wordt beschouwd moet het voldoen aan de voorschriften voor:

a)

maximumlichtsterkte als alle lampen tegelijk branden (de laatste kolom van de tabel);

b)

minimumlichtsterkte bij uitval van één licht.

Bij uitval van een enkel licht van categorie 1, 1a, 1b, 2a of 2b met meer dan een lichtbron gelden de volgende bepalingen:

6.2.1.   een groep lichtbronnen die zo is bedraad dat, als een ervan uitvalt, geen enkele lichtbron nog licht uitstraalt, wordt als één lichtbron beschouwd;

6.2.2.   er wordt een signaal afgegeven voor activering van het in punt 6.5.8 van Reglement nr. 48 voorgeschreven verklikkersignaal indien:

a)

een van de lichtbronnen uitvalt, of

b)

bij een licht dat slechts twee gloeilampen als lichtbron gebruikt, de lichtsterkte op de referentieas minder dan 50 % van de minimumwaarde bedraagt, of

c)

ten gevolge van het uitvallen van een of meer lichtbronnen, de lichtsterkte in een van de volgende richtingen, zoals aangegeven in bijlage 4, minder dan de vereiste minimumwaarde bedraagt:

i)

H = 0°, V = 0°

ii)

H = 20° in de richting van de buitenzijde van het voertuig, V = + 5°

iii)

H = 10° in de richting van de binnenzijde van het voertuig, V = 0°.

6.3.   Wanneer alle lichtbronnen branden, mag de voor een enkel licht gespecificeerde maximumlichtsterkte worden overschreden, op voorwaarde dat dat enkele licht niet van het opschrift „D” is voorzien en het voor een samenstel van twee of meer lichten gespecificeerde maximum niet wordt overschreden.

De sterkte van het door elk van beide ter beschikking gestelde voorzieningen buiten de referentieas en binnen de hoekvelden die zijn gespecificeerd in de schema's van bijlage 1 uitgestraalde licht:

mag in elke richting die overeenkomt met de punten in de desbetreffende, in bijlage 4 opgenomen lichtsterkteverdelingstabel, niet minder bedragen dan de in punt 6.1 gespecificeerde minimumwaarde, vermenigvuldigd met het in die tabel voor de betrokken richting aangegeven percentage.

6.4.1.1.   In afwijking van de punten 6.4 en 6.4.1 moeten naar achteren gerichte richtingaanwijzers van categorie 5 overal binnen de in bijlage 1 gespecificeerde velden een minimumwaarde van 0,6 cd hebben;

6.4.2.   mag in geen enkele richting binnen het gebied van waaruit de richtingaanwijzer zichtbaar is, de in punt 6.1 gespecificeerde maximumwaarde overschrijden.

Bovendien:

6.4.3.1.   mag de sterkte van het uitgestraalde licht overal binnen de in de schema's van bijlage 1 gedefinieerde velden niet minder bedragen dan 0,7 cd voor voorzieningen van categorie 1b, 0,3 cd voor voorzieningen van categorie 1, 1a, 2a, 2b en van categorie 2b overdag, en 0,07 cd voor voorzieningen van categorie 2b bij nacht;

6.4.3.2.   worden de voorschriften van punt 2.2 van bijlage 4 inzake plaatselijke variaties van de lichtsterkte in acht genomen.

6.5.   In het algemeen wordt de lichtsterkte gemeten met continu brandende lichtbronnen.

Afhankelijk van de constructie van de voorziening, bijvoorbeeld indien lichtemitterende dioden (leds) worden gebruikt of voorzorgsmaatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van oververhitting, kan echter worden toegestaan te meten met de lichten in knipperstand.

De lichten moeten dan knipperen met een frequentie van f = 1,5 ±0,5 Hz en een pulsbreedte van meer dan 0,3 s, gemeten bij 95 % van de pieklichtsterkte.

Bij gebruik van vervangbare gloeilampen produceren deze gedurende de tijd dat zij zijn ingeschakeld de referentielichtstroom. In alle andere gevallen wordt de in punt 7.1.1 voorgeschreven spanning gebruikt, met een stijg- en daaltijd van minder dan 0,01 s; er mag geen overshoot optreden.

Voor metingen die in de knipperstand worden verricht, komt de geregistreerde lichtsterkte overeen met de maximumlichtsterkte.

6.6.   Bij voorzieningen van categorie 2b wordt voor de uiterste lichtsterkteniveaus van de richtingaanwijzer de tijd gemeten die verstrijkt tussen het moment waarop de lichtbronnen worden ingeschakeld en het moment waarop het uitgestraalde licht op de referentieas 90 % van de volgens punt 6.3 gemeten waarde bereikt. De voor het bereiken van de laagste lichtsterkte gemeten tijd mag niet langer zijn dan de voor het bereiken van de hoogste lichtsterkte gemeten tijd.

De variabele lichtsterkteregeling genereert geen signalen die lichtsterkten produceren:

6.7.1.   die buiten het in punt 6.1 gespecificeerde bereik liggen en

6.7.2.   die het in punt 6.1 gespecificeerde maximum voor categorie 2a overschrijden:

a)

voor systemen die alleen afhankelijk zijn van dag- en nachtcondities: onder nachtcondities

b)

voor andere systemen: onder de door de fabrikant aangegeven referentiecondities (3).

6.8.   Bijlage 4, waarnaar in punt 6.2.1 is verwezen, bevat nadere bijzonderheden omtrent de te gebruiken meetmethoden.

7.   TESTPROCEDURE

Alle fotometrische en colorimetrische metingen worden uitgevoerd:

7.1.1.   bij een licht met vervangbare lichtbron, dat niet van een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling is voorzien, met een kleurloze of gekleurde standaardgloeilamp van de voor de voorziening voorgeschreven categorie, bij de vereiste voedingsspanning om de voor die gloeilampcategorie voorgeschreven referentielichtstroom te produceren;

7.1.2.   bij een licht dat van niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) is voorzien, bij een voedingsspanning van respectievelijk 6,75, 13,5 of 28,0 V;

7.1.3.   bij een systeem dat gebruikmaakt van een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling dat of die deel uitmaakt van het licht (4), door op de aansluitpunten van de lamp de door de fabrikant aangegeven spanning of, indien deze niet is aangegeven, een spanning van respectievelijk 6,75, 13,5 of 28,0 V toe te passen;

7.1.4.   bij een systeem dat gebruikmaakt van een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling dat of die geen deel uitmaakt van het licht, door op de aansluitpunten van het licht de door de fabrikant aangegeven spanning toe te passen.

7.2.   Bij een richtingaanwijzer van categorie 2b met variabele lichtsterkteregeling worden de fotometrische metingen echter volgens de beschrijving van de aanvrager uitgevoerd.

7.3.   Het testlaboratorium verlangt van de fabrikant dat hij het elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of de variabele lichtsterkteregeling voor de lichtbron en de toepasbare functies ter beschikking stelt.

7.4.   De op het licht toe te passen spanning wordt genoteerd in het mededelingenformulier in bijlage 2.

7.5.   De grenzen van het zichtbare vlak in de richting van de referentieas van een richtingaanwijzer worden bepaald. Bij richtingaanwijzers van de categorieën 5 en 6 worden echter de grenzen van het lichtdoorlatende oppervlak bepaald.

8.   KLEUR VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

De kleur van het uitgestraalde licht binnen het veld van het in punt 2 van bijlage 4 gedefinieerde lichtverdelingsrooster is ambergeel. Voor de tests: zie bijlage 5. Buiten dit veld mag geen scherpe kleurverandering worden waargenomen. Deze voorschriften gelden ook voor alle variabele lichtsterkten die door richtingaanwijzers van categorie 2b worden geproduceerd.

9.   WIJZIGING VAN EEN TYPE RICHTINGAANWIJZER VOOR MOTORVOERTUIGEN EN AANHANGERS DAARVAN EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING

Elke wijziging van een type richtingaanwijzer wordt doorgegeven aan de administratieve instantie die de typegoedkeuring heeft verleend. Die instantie kan dan:

9.1.1.   oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardig nadelig effect zullen hebben en dat de voorziening in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet; of

9.1.2.   de voor de uitvoering van de tests verantwoordelijke technische dienst om een aanvullend testrapport verzoeken.

9.2.   De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen worden volgens de procedure van punt 4.1.4 in kennis gesteld van de bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen.

9.3.   De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent aan die uitbreiding een volgnummer toe en stelt de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen hiervan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

10.   CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 2 van de overeenkomst (E/ECE/324-E/ECE/TRANS/505/Rev.2), met inachtneming van de volgende voorschriften:

10.1.   krachtens dit reglement goedgekeurde richtingaanwijzers worden zo vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type door te voldoen aan de voorschriften van de punten 6 en 8;

10.2.   de minimumvoorschriften in bijlage 6 voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren, worden nageleefd;

10.3.   de minimumvoorschriften in bijlage 7 voor de monsterneming door een inspecteur worden nageleefd;

10.4.   de instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de conformiteit verifiëren. Deze verificaties vinden gewoonlijk om de twee jaar plaats.

11.   SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE

11.1.   De krachtens dit reglement verleende goedkeuring voor een voorziening kan worden ingetrokken indien niet aan bovenstaande voorschriften is voldaan.

11.2.   Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

12.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurde voorziening volledig stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2.

13.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE ADMINISTRATIEVE INSTANTIES

De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de administratieve instanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.

14.   OVERGANGSBEPALINGEN

14.1.   Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren ECE-goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 8 op wijzigingenreeks 01.

14.2.   Vanaf 24 maanden na de datum van inwerkingtreding verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen ECE-goedkeuringen als het goed te keuren type richtingaanwijzer voldoet aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 8 op wijzigingenreeks 01.

14.3.   De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen geen uitbreiding weigeren van een goedkeuring die krachtens de vorige wijzigingenreeksen van dit reglement is verleend.

14.4.   Gedurende 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 blijven de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, goedkeuring verlenen voor typen richtingaanwijzers die voldoen aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij de vorige wijzigingenreeksen.

14.5.   ECE-goedkeuringen die krachtens dit reglement minder dan 12 maanden na de datum van inwerkingtreding ervan zijn verleend, en alle uitbreidingen van dergelijke goedkeuringen, inclusief die welke later krachtens een vorige wijzigingenreeks zijn verleend, blijven onbeperkt geldig. Wanneer het type richtingaanwijzer dat krachtens de vorige wijzigingenreeksen is goedgekeurd, voldoet aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 8 op wijzigingenreeks 01, stelt de overeenkomstsluitende partij die de goedkeuring heeft verleend, de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan in kennis.

14.6.   De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen een type richtingaanwijzer dat is goedgekeurd krachtens supplement 8 op wijzigingenreeks 01 van dit reglement, niet weigeren.

14.7.   Tot 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 van dit reglement mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen een type richtingaanwijzer dat krachtens de vorige wijzigingenreeksen van dit reglement is goedgekeurd, niet weigeren.

14.8.   Vanaf 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 van dit reglement mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, de verkoop verbieden van een type richtingaanwijzer dat niet voldoet aan de voorschriften van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 van dit reglement, tenzij de richtingaanwijzer bedoeld is om als vervangingsonderdeel op in gebruik zijnde voertuigen te worden gemonteerd.

14.9.   De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, blijven goedkeuring verlenen voor richtingaanwijzers op basis van alle vroegere wijzigingenreeksen, op voorwaarde dat die richtingaanwijzers bedoeld zijn om als vervangingsonderdeel op in gebruik zijnde voertuigen te worden gemonteerd.

14.10.   Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, niet verbieden dat op een voertuig een richtingaanwijzer wordt gemonteerd die is goedgekeurd krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 8 op wijzigingenreeks 01.

14.11.   Tot 48 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 blijven de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, toestaan dat een richtingaanwijzer waarvoor krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij de vorige wijzigingenreeksen, goedkeuring is verleend, op een voertuig wordt gemonteerd.

14.12.   Vanaf 48 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 kunnen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, verbieden dat een richtingaanwijzer die niet voldoet aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 8 op wijzigingenreeks 01, wordt gemonteerd op een nieuw voertuig waarvoor meer dan 24 maanden na de inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 van dit reglement nationale typegoedkeuring of individuele goedkeuring is verleend.

14.13.   Vanaf 60 maanden na de datum van inwerkingtreding kunnen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, verbieden dat een richtingaanwijzer die niet voldoet aan de voorschriften van dit reglement, zoals gewijzigd bij supplement 8 op wijzigingenreeks 01, wordt gemonteerd op een nieuw voertuig dat meer dan 60 maanden na de datum van inwerkingtreding van supplement 8 op wijzigingenreeks 01 van dit reglement voor het eerst wordt geregistreerd.

14.14.   Bestaande goedkeuringen voor richtingaanwijzers van de categorieën 3 en 4 die krachtens dit reglement zijn goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van supplement 16 op wijzigingenreeks 01, blijven onbeperkt geldig.


(1)  Zoals gedefinieerd in bijlage 7 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3) (document TRANS/WP.29/78/Rev.1/Amend.2, laatstelijk gewijzigd bij Amend.4).

(2)  1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor Tsjechië, 9 voor Spanje, 10 voor Servië, 11 voor het Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 (niet gebruikt), 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Russische Federatie, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, 25 voor Kroatië, 26 voor Slovenië, 27 voor Slowakije, 28 voor Wit-Rusland, 29 voor Estland, 30 (niet gebruikt), 31 voor Bosnië en Herzegovina, 32 voor Letland, 33 (niet gebruikt), 34 voor Bulgarije, 35 (niet gebruikt), 36 voor Litouwen, 37 voor Turkije, 38 (niet gebruikt), 39 voor Azerbeidzjan, 40 voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, 41 (niet gebruikt), 42 voor de Europese Gemeenschap (goedkeuring wordt verleend door de lidstaten door middel van hun respectieve ECE-symbool), 43 voor Japan, 44 (niet gebruikt), 45 voor Australië, 46 voor Oekraïne, 47 voor Zuid-Afrika, 48 voor Nieuw-Zeeland, 49 voor Cyprus, 50 voor Malta, 51 voor de Republiek Korea, 52 voor Maleisië, 53 voor Thailand, 54 and 55 (niet gebruikt), 56 voor Montenegro, 57 (niet gebruikt) en 58 voor Tunesië. De daaropvolgende nummers zullen worden toegekend aan andere landen in de chronologische volgorde waarin zij de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen ratificeren of tot deze overeenkomst toetreden. De aldus toegekende nummers zullen door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de overeenkomstsluitende partijen worden meegedeeld.

(3)  Goed zicht (meteorologisch zicht MOR > 2 000 m volgens de definitie van de WMO, Guide to Meteorological Instruments and Methods of Observation, zesde editie, ISBN: 92-63-16008-2, punten 1.9.1 t/m 1.9.11, Genève 1996) en een schone lens.

(4)  In dit reglement betekent „dat of die deel uitmaakt van het licht” dat het fysisch ingesloten is in het lichthuis of zich erbuiten bevindt, al of niet ervan gescheiden, maar door de fabrikant als deel van het lichtsysteem wordt geleverd.


BIJLAGE 1

Categorieën richtingaanwijzers: voor de ruimtelijke lichtverdeling vereiste minimumhoeken van deze categorieën richtingaanwijzers (1)

De verticale minimumhoeken voor de ruimtelijke lichtverdeling van richtingaanwijzers zijn in alle gevallen 15° boven en 15° onder de horizontaal, behalve bij:

a)

richtingaanwijzers met een montagehoogte van maximaal 750 mm boven de grond, waarvoor zij 15° boven en 5° onder de horizontaal zijn;

b)

richtingaanwijzers van categorie 6, waarvoor zij 30° boven en 5° onder de horizontaal zijn.

Minimale horizontale zichtbaarheidshoeken

Richtingaanwijzers voor montage aan de voorzijde van het voertuig

Categorie 1

:

voor gebruik op een afstand van niet minder dan 40 mm van het koplicht;

Categorie 1a

:

voor gebruik op een afstand van meer dan 20 maar minder dan 40 mm van het koplicht;

Categorie 1b

:

voor gebruik op een afstand van minder dan 20 mm van het koplicht.

Op en boven het H-vlak voor alle lichten. Onder het H-vlak voor lichten die bedoeld zijn voor voertuigen van categorie M2, M3, N2 of N3

Image 1

Referentieas

Rijrichting

Voertuig

Onder het H-vlak voor voertuigen van categorie M1 en N1

Image 2

Referentieas

Rijrichting

Voertuig

H-vlak: „horizontaal vlak dat door het referentiepunt van het licht loopt”

Categorieën 2a en 2b

:

richtingaanwijzers voor montage aan de achterzijde van het voertuig

Categorie 2a

:

achterrichtingaanwijzers met constante lichtsterkte

Categorie 2b

:

achterrichtingaanwijzers met variabele lichtsterkte

Image 3

Voertuig

Rijrichting

Referentieas

Categorieën 5 en 6

:

aanvullende richtingaanwijzers voor montage aan de zijkant, bestemd voor voertuigen die ook over richtingaanwijzers van categorie 1, 1a of 1b en van categorie 2a of 2b beschikken

Image 4

Referentieas

Rijrichting

Voertuig

Richting A


(1)  De hoeken in deze schema's hebben betrekking op voorzieningen die aan de rechterzijde van het voertuig moeten worden gemonteerd. De pijlen in deze schema's wijzen naar de voorzijde van het voertuig.


BIJLAGE 2

MEDEDELING

(Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))

Image 5

 (1)

afgegeven door:

Naam van de instantie:

betreffende de (2):

GOEDKEURING

UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING

WEIGERING VAN DE GOEDKEURING

INTREKKING VAN DE GOEDKEURING

DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

van een type richtingaanwijzer krachtens Reglement nr. 6

Goedkeuring nr.: … Uitbreiding nr.: …

1.

Handelsnaam of merk van de voorziening:..

2.

Typeaanduiding van de fabrikant: …

3.

Naam en adres van de fabrikant: …

4.

Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant: …

5.

Ter goedkeuring ingediend op: …

6.

Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van goedkeuringstests: …

7.

Datum van het door die dienst afgegeven testrapport: …

8.

Nummer van het door die dienst afgegeven testrapport: …

9.

Korte beschrijving:

Categorie: 1, 1a, 1b, 2a, 2b, 5, 6 (2)  (3)

Aantal, categorie en soort lichtbron(nen): …

Spanning en vermogen: …

Voor de lichtbronmodule specifieke identificatiecode: …

Alleen bedoeld voor montage op voertuigen van categorie M1 en/of N1: ja/ neen (2)

Alleen voor een montagehoogte van maximaal 750 mm boven de grond: ja/neen (2)

Geometrische installatievoorwaarden en eventuele varianten: …

Toepassing van een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling:

a)

die deel uitmaakt van het licht: ja/neen (2)

b)

die geen deel uitmaakt van het licht: ja/neen (2)

Voedingsspanning(en) geleverd door een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme of een variabele lichtsterkteregeling:

Fabrikant en identificatienummer van het elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme en/of de variabele lichtsterkteregeling (als het lichtbronbedieningsmechanisme deel uitmaakt van het licht, maar niet in het lichthuis zit): …

Variabele lichtsterkte: ja/neen (2)

10.

Plaats van het goedkeuringsmerk: …

11.

Reden(en) voor de uitbreiding (indien van toepassing): …

12.

Goedkeuring verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (2):

13.

Plaats: …

14.

Datum: …

15.

Handtekening: …

16.

De lijst van documenten die zijn ingediend bij de administratieve instantie die de goedkeuring heeft verleend, is als bijlage bij deze mededeling gevoegd en is op verzoek verkrijgbaar.


(1)  Nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken (zie de desbetreffende voorschriften van dit reglement).

(2)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(3)  Voor richtingaanwijzers van categorie 1, 1a, 1b, 2a of 2b: gegevens over het signaal overeenkomstig punt 6.2.2.


BIJLAGE 3

OPSTELLING VAN HET GOEDKEURINGSMERK

Image 6

De voorziening met bovenstaand goedkeuringsopschrift is een voorziening van categorie 4 (voorrichtingaanwijzer) waarvoor in Italië (E3) goedkeuring is verleend onder nr. 216, die ook mag worden gebruikt in een samenstel van twee lichten. De horizontale pijl geeft aan in welke positie deze voorziening, die niet willekeurig aan beide zijden van het voertuig kan worden aangebracht, moet worden gemonteerd. De pijl wijst naar de voorzijde van het voertuig. De verticale pijl die vertrekt van een horizontaal segment en naar beneden is gericht, geeft aan dat deze voorziening maximaal 750 mm boven de grond mag worden gemonteerd.

Het nummer in de nabijheid van het symbool „4D” geeft aan dat de goedkeuring is verleend op basis van de voorschriften van Reglement nr. 6, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01.

Richting van de pijlen op het goedkeuringsmerk, naar gelang van de categorie van de voorziening:

Image 7

categorieën 5 en 6

categorieën

1, 1a

en 1b

categorieën

2a en 2b

Opmerking: Het goedkeuringsnummer en de aanvullende symbolen worden dicht bij de cirkel en ofwel boven of onder de letter „E” geplaatst, ofwel rechts of links van die letter. De cijfers van het goedkeuringsnummer bevinden zich aan dezelfde zijde van de letter „E” en wijzen in dezelfde richting. Het gebruik van Romeinse cijfers als goedkeuringsnummers moet worden vermeden om verwarring met andere symbolen te voorkomen.

Figuur 2

Vereenvoudigde opschriften voor gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten wanneer het een samenstel van twee of meer lichten betreft

De verticale en horizontale lijnen vormen een schematische voorstelling van de vorm van de lichtsignaalvoorziening. Zij maken geen deel uit van het goedkeuringsmerk.

MODEL A

Image 8

MODEL B

Image 9

MODEL C

Image 10

Opmerking: De drie hierboven getoonde voorbeelden van goedkeuringsmerken (modellen A, B en C) zijn drie mogelijke varianten van het opschrift van een verlichtingsvoorziening die uit een samenstel van twee of meer gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten bestaat.

Deze opschriften geven aan dat de voorziening in Nederland (E4) is goedgekeurd onder nummer 3333 en bestaat uit:

een achterrichtingaanwijzer met variabele lichtsterkte (categorie 2b), goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 6;

een rood achterlicht met variabele lichtsterkte (R2), goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 7;

een mistachterlicht met variabele lichtsterkte (F2), goedgekeurd krachtens Reglement nr. 38 in zijn oorspronkelijke versie;

een achteruitrijlicht (AR), goedgekeurd krachtens Reglement nr. 23 in zijn oorspronkelijke versie;

een stoplicht met variabele lichtsterkte (S2), goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 7.

Image 11

Opmerking: De drie bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op een verlichtingsvoorziening met een goedkeuringsmerk voor:

een breedtelicht, goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 7;

een koplicht met een voor rechts en links verkeer ontworpen dimlicht en een groot licht met een maximale lichtsterkte tussen 86 250 en 101 250 candela, goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 02 van Reglement nr. 20;

een mistvoorlicht, goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 02 van Reglement nr. 19;

een voorrichtingaanwijzer van categorie 1a, goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 6.

Figuur 3

Met een koplicht samengebouwd licht

Image 12

Dit is een voorbeeld van het opschrift van een lens die in verschillende typen koplichten kan worden gebruikt, namelijk:

ofwel

:

een koplicht met een voor rechts en links verkeer ontworpen dimlicht en een groot licht met een maximale lichtsterkte tussen 86 250 en 101 250 candela, goedgekeurd in Duitsland (E1) krachtens de voorschriften van Reglement nr. 8, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 04, en samengebouwd met een voorrichtingaanwijzer, goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 6;

ofwel

:

een koplicht met een voor recht en links rijdend verkeer ontworpen dimlicht en een groot licht, goedgekeurd in Duitsland (E1) krachtens de voorschriften van Reglement nr. 1, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, en samengebouwd met dezelfde voorrichtingaanwijzer als hierboven;

of zelfs

:

een van de bovengenoemde koplichten die als een enkel licht is goedgekeurd.

Op de behuizing van het koplicht wordt het enige geldige goedkeuringsnummer aangebracht, bijvoorbeeld:

Image 13

Figuur 4

Opschrift van afzonderlijke lichten

Image 14

Dit is een voorbeeld van het opschrift van een lens die in verschillende lichttypen kan worden gebruikt. Dit goedkeuringsmerk geeft aan dat de voorziening in Spanje (E9) is goedgekeurd onder nummer 1432 en bestaat uit:

een mistachterlicht (F), goedgekeurd krachtens Reglement nr. 38 in zijn oorspronkelijke versie;

een achterrichtingaanwijzer van categorie 2a, goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 01 van Reglement nr. 6;

een achteruitrijlicht (AR), goedgekeurd krachtens Reglement nr. 23 in zijn oorspronkelijke versie;

een rood achterlicht (R), goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 02 van Reglement nr. 7;

een stoplicht met één lichtsterkteniveau (S1), goedgekeurd krachtens wijzigingenreeks 02 van Reglement nr. 7.

Lichtbronmodules

Image 15

De lichtbronmodule met bovenstaande identificatiecode is goedgekeurd samen met een licht dat in Italië (E3) is goedgekeurd onder nummer 17325.


BIJLAGE 4

FOTOMETRISCHE METINGEN

1.   Meetmethoden

1.1.   Bij de fotometrische metingen worden storende weerkaatsingen vermeden door een passende afscherming.

Indien de meetresultaten betwist worden, worden de metingen zo uitgevoerd dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

1.2.1.   de meetafstand is zodanig dat de meetwaarden omgekeerd evenredig zijn met het kwadraat van de afstand;

1.2.2.   de meetapparatuur is zodanig dat de hoekopening van de lichtgevoelige apparatuur, gezien vanuit het referentiepunt van het licht, tussen 10' en 1° ligt;

1.2.3.   aan de eis betreffende de lichtsterkte voor een bepaalde waarnemingsrichting wordt voldaan wanneer de voorgeschreven lichtsterkte wordt bereikt in een richting die niet meer dan 15' van de waarnemingsrichting afwijkt.

1.3.   Als de voorziening in meer dan een of in een reeks verschillende posities op het voertuig kan worden gemonteerd, worden de fotometrische metingen voor elke positie of voor de door de fabrikant gespecificeerde uitersten van de reeks posities van de referentieas herhaald.

2.   Tabel van de genormaliseerde ruimtelijke lichtverdeling voor richtingaanwijzers van de categorieën 1, 1a, 1b, 2a en 2b

Image 16

Voor richtingaanwijzers van categorie 6

Image 17

(buitenzijde van het voertuig)

De richting H = 0° en V = 0° komt overeen met de referentieas. (Op het voertuig loopt deze horizontaal, evenwijdig met het middenlangsvlak van het voertuig, in de richting van het voorgeschreven zicht). Zij loopt door het referentiepunt. De in de tabel aangegeven waarden geven voor de verschillende meetrichtingen de minimumlichtsterkte in procenten van het door de tabel in punt 6.1 voorgeschreven minimum:

2.1.1.   in de richting H = 0° en V = 0° voor de categorieën 1, 1a, 1b, 2a, 2b en in het geval van categorie 5 in het hoekbereik in de richting A zoals voorgeschreven in bijlage 1;

2.1.2.   in de richting H = 5° en V = 0° voor categorie 6.

2.1.3.   Als een voorziening bedoeld is om maximaal 750 mm boven de grond te worden gemonteerd, wordt de lichtsterkte echter alleen geverifieerd tot een hoek van 5° naar beneden.

2.2.   Binnen het veld van de lichtverdeling van punt 2, schematisch weergegeven in een rooster, moet het lichtpatroon praktisch geheel uniform zijn, dat wil zeggen dat de lichtsterkte in elke richting binnen een door de roosterlijnen begrensd deel van het veld ten minste gelijk moet zijn aan de laagste minimumwaarde die op de roosterlijnen rondom de gevraagde richting als percentage is aangegeven.

3.   Fotometrische meting van lichten

De fotometrische prestatie wordt gecontroleerd:

3.1.   bij niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere):

met de lichtbronnen in het licht, overeenkomstig de desbetreffende alinea van punt 7.1 van dit reglement;

3.2.   bij vervangbare gloeilampen:

als zij voorzien zijn van gloeilampen bij 6,75, 13,5 of 28 V, worden de geproduceerde lichtsterktewaarden gecorrigeerd. De correctiefactor is de verhouding tussen de referentielichtstroom en de gemiddelde waarde van de lichtstroom bij de toegepaste spanning (6,75, 13,5 of 28 V). De effectieve lichtstromen van elke gebruikte gloeilamp mogen niet meer dan ±5 % afwijken van de gemiddelde waarde. Als alternatief mag in elk van de verschillende standen ook een standaardgloeilamp worden gebruikt die bij de referentielichtstroom werkt, waarna de afzonderlijke meetwaarden in elk van die standen worden opgeteld.

3.3.   Voor alle richtingaanwijzers, behalve die met gloeilampen, moeten de na één minuut en na 30 minuten gemeten lichtsterkten in de knipperstand (f = 1,5 Hz, pulsverhouding 50 %) voldoen aan de minimum- en maximumvoorschriften. De lichtsterkteverdeling na één minuut kan worden berekend door op elk testpunt de verhouding tussen de bij HV gemeten lichtsterkten na één minuut en na 30 minuten in de hierboven beschreven knipperstand toe te passen.


BIJLAGE 5

KLEUR VAN HET AMBERGELE LICHT: KLEURCOÖRDINATEN

Voor het controleren van de colorimetrische eigenschappen wordt de in punt 7 van dit reglement beschreven testprocedure toegepast.

Voor lichten met niet-vervangbare lichtbronnen (gloeilampen en andere) worden de colorimetrische kenmerken echter geverifieerd met de lichtbronnen in het licht overeenkomstig de desbetreffende alinea van punt 7.1 van dit reglement.


BIJLAGE 6

Minimumvoorschriften voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren

1.   ALGEMEEN

1.1.   Uit mechanisch en geometrisch oogpunt wordt aangenomen dat aan de conformiteitsvoorschriften is voldaan, wanneer de verschillen niet groter zijn dan onvermijdelijke fabricageafwijkingen binnen de door dit reglement gestelde grenzen.

Met betrekking tot de fotometrische prestaties geldt dat de conformiteit van in massa geproduceerde lichten niet wordt betwist, wanneer bij de tests krachtens punt 7 van dit reglement van de fotometrische prestaties van een willekeurig licht:

1.2.1.   geen gemeten waarde in ongunstige zin meer dan 20 % van de in dit reglement voorgeschreven waarden afwijkt.

1.2.2.   Indien bovenbedoelde testresultaten in het geval van een richtingaanwijzer met vervangbare lichtbron niet aan de voorschriften voldoen, worden de op de richtingaanwijzers uitgevoerde tests herhaald met gebruik van een andere standaard gloeilamp.

1.3.   Bij de tests volgens punt 7 van dit reglement worden de kleurcoördinaten in acht genomen.

2.   MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE VERIFICATIE VAN DE CONFORMITEIT DOOR DE FABRIKANT

Voor elk type richtingaanwijzer voert de houder van het goedkeuringsmerk geregeld ten minste de volgende tests uit. Deze tests worden volgens de voorschriften van dit reglement uitgevoerd.

Indien een of meer monsters bij het desbetreffende type test niet conform blijken te zijn, worden extra monsters genomen en getest. De fabrikant neemt maatregelen om de conformiteit van de desbetreffende productie te waarborgen.

2.1.   Aard van de tests

De in dit reglement bedoelde conformiteitstests moeten betrekking hebben op de fotometrische en colorimetrische kenmerken.

2.2.   Toegepaste testmethoden

2.2.1.   De tests worden in het algemeen volgens de in dit reglement beschreven methoden uitgevoerd.

2.2.2.   Bij elke door de fabrikant uitgevoerde conformiteitstest kunnen met instemming van de voor de goedkeuringstests verantwoordelijke bevoegde instantie gelijkwaardige methoden worden toegepast. Het is de taak van de fabrikant om aan te tonen dat de toegepaste methoden gelijkwaardig zijn met de in dit reglement vastgelegde methoden.

2.2.3.   De toepassing van de punten 2.2.1 en 2.2.2 vereist regelmatige kalibratie van de testapparatuur en vergelijking van de meetresultaten met die van een bevoegde instantie.

2.2.4.   In alle gevallen gelden de in dit reglement vastgestelde methoden als referentiemethoden, met name ten behoeve van de administratieve verificatie en de monsterneming.

2.3.   Aard van de monsterneming

Monsters van richtingaanwijzers worden willekeurig genomen uit de productie van een uniforme partij. Onder uniforme partij wordt een reeks richtingaanwijzers van hetzelfde type verstaan, gedefinieerd volgens de productiemethoden van de fabrikant.

De beoordeling heeft in het algemeen betrekking op de serieproductie van individuele fabrieken. Een fabrikant mag echter gegevens over hetzelfde type uit verscheidene fabrieken samenvoegen, op voorwaarde dat deze volgens hetzelfde kwaliteitssysteem en onder hetzelfde kwaliteitsbeheer werken.

2.4.   Gemeten en geregistreerde fotometrische kenmerken

Het als monster genomen licht wordt aan de fotometrische metingen onderworpen wat de minimumwaarden op de in bijlage 4 aangegeven punten en de voorgeschreven kleurcoördinaten betreft.

2.5.   Aanvaardbaarheidscriteria

De fabrikant voert een statistische analyse van de testresultaten uit en stelt in overleg met de bevoegde instantie criteria vast voor de aanvaardbaarheid van zijn producten, om te voldoen aan de specificaties die voor de verificatie van de conformiteit van de productie in punt 10.1 van dit reglement zijn vastgelegd.

De aanvaardbaarheidscriteria zijn zodanig dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, de kans dat een steekproef overeenkomstig bijlage 7 (eerste monsterneming) met goed gevolg wordt doorstaan, minimaal 0,95 is.


BIJLAGE 7

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE MONSTERNEMING DOOR EEN INSPECTEUR

1.   ALGEMEEN

1.1.   Uit mechanisch en geometrisch oogpunt wordt aangenomen dat overeenkomstig dit reglement aan de desbetreffende conformiteitsvoorschriften is voldaan, wanneer de verschillen niet groter zijn dan onvermijdelijke fabricageafwijkingen.

Met betrekking tot de fotometrische prestaties geldt dat de conformiteit van in massa geproduceerde lichten niet wordt betwist, wanneer bij de tests krachtens punt 7 van dit reglement van de fotometrische prestaties van een willekeurig licht:

1.2.1.   geen gemeten waarde in ongunstige zin meer dan 20 % van de in dit reglement voorgeschreven waarden afwijkt.

1.2.2.   Indien bovenbedoelde testresultaten in het geval van een richtingaanwijzer met vervangbare lichtbron niet aan de voorschriften voldoen, worden de op de richtingaanwijzers uitgevoerde tests herhaald met gebruik van een andere standaard gloeilamp.

1.2.3.   Richtingaanwijzers met zichtbare defecten worden buiten beschouwing gelaten.

1.3.   Bij de tests volgens punt 7 van dit reglement worden de kleurcoördinaten in acht genomen.

2.   EERSTE MONSTERNEMING

Bij de eerste monsterneming worden vier richtingaanwijzers willekeurig gekozen. Het eerste monster van twee wordt met A aangeduid, het tweede monster van twee met B.

2.1.   Geen betwisting van de conformiteit

Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde richtingaanwijzers niet betwist, indien de afwijking van de gemeten waarden voor de richtingaanwijzers in ongunstige zin als volgt is:

2.1.1.1.   monster A

A1:

één richtingaanwijzer

0 %

 

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

A2:

beide richtingaanwijzers meer dan

0 %

 

maar niet meer dan

20 %

 

ga naar monster B

 

2.1.1.2.   monster B

B1:

beide richtingaanwijzers

0 %

2.1.2.   of indien monster A aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet.

2.2.   Betwisting van de conformiteit

Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde richtingaanwijzers betwist en wordt de fabrikant verzocht zijn productie aan te passen om aan de voorschriften te voldoen (aanpassing), indien de afwijkingen van de gemeten waarden voor de richtingaanwijzers als volgt zijn:

2.2.1.1.   monster A

A3:

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

20 %

 

maar niet meer dan

30 %

2.2.1.2.   monster B

B2:

in geval A2

 

 

één richtingaanwijzer meer dan

0 %

 

maar niet meer dan

20 %

 

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

B3:

in geval A2

 

 

één richtingaanwijzer

0 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

20 %

 

maar niet meer dan

30 %

2.2.2.   of indien monster A niet aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet.

2.3.   Intrekking van de goedkeuring

De conformiteit wordt betwist en punt 11 van dit reglement wordt toegepast, indien volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage de afwijkingen van de gemeten waarden voor de richtingaanwijzers als volgt zijn:

2.3.1.   monster A

A4:

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

30 %

A5:

beide richtingaanwijzers meer dan

20 %

2.3.2.   monster B

B4:

in geval A2

 

 

één richtingaanwijzer meer dan

0 %

 

maar niet meer dan

20 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

20 %

B5:

in geval A2

 

 

beide richtingaanwijzers meer dan

20 %

B6:

in geval A2

 

 

één richtingaanwijzer

0 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

30 %

2.3.3.   of indien de monsters A en B niet aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoen.

3.   HERHALING VAN DE MONSTERNEMING

In de gevallen A3, B2 en B3 vindt binnen twee maanden na de kennisgeving een herhaling van de monsterneming plaats, waarbij een derde monster C van twee richtingaanwijzers en een vierde monster D van twee richtingaanwijzers uit de na de aanpassing geproduceerde voorraad van de fabrikant worden genomen.

3.1.   Geen betwisting van de conformiteit

Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde richtingaanwijzers niet betwist, indien de afwijkingen van de gemeten waarden voor de richtingaanwijzers als volgt zijn:

3.1.1.1.   monster C

C1:

één richtingaanwijzer

0 %

 

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

C2:

beide richtingaanwijzers meer dan

0 %

 

maar niet meer dan

20 %

 

ga naar monster D

 

3.1.1.2.   monster D

D1:

in geval C2

 

 

beide richtingaanwijzers

0 %

3.1.2.   of indien monster C aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet.

3.2.   Betwisting van de conformiteit

Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde richtingaanwijzers betwist en wordt de fabrikant verzocht zijn productie aan te passen om aan de voorschriften te voldoen (aanpassing), indien de afwijkingen van de gemeten waarden voor de richtingaanwijzers als volgt zijn:

3.2.1.1.   monster D

D2:

in geval C2

 

 

één richtingaanwijzer meer dan

0 %

 

maar niet meer dan

20 %

 

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

3.2.1.2.   of indien monster C aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet.

3.3.   Intrekking van de goedkeuring

De conformiteit wordt betwist en punt 11 van dit reglement wordt toegepast, indien volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage de afwijkingen van de gemeten waarden voor de richtingaanwijzers als volgt zijn:

3.3.1.   monster C

C3:

één richtingaanwijzer niet meer dan

20 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

20 %

C4:

beide richtingaanwijzers meer dan

20 %

3.3.2.   monster D

D3:

in geval C2

 

 

één richtingaanwijzer 0 of meer dan

0 %

 

één richtingaanwijzer meer dan

20 %

3.3.3.   of indien monsters C en D niet aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoen.

Figuur 1

Image 18

2 voorzieningen

Eerste monsterneming

4 willekeurig gekozen voorzieningen, verdeeld over de monsters A&B

2 voorzieningen

STOP

ga naar monster B

STOP

Aanpassing

De fabrikant wordt verplicht deproducten in overeenstemming te brengen met de voorschriften

2 voorzieningen

Herhaling van de monsterneming

4 willekeurig gekozen voorzieningen, verdeeldover de monsters C&D

2 voorzieningen

Mogelijke resultaten met monster A

Mogelijke resultaten met monster C

STOP

ga naar monster D

STOP

ga naar aanpassing

Mogelijke resultaten met monster D

Mogelijke resultaten met monster B

Goedkeuringingetrokken

Maximumafwijking (%) in de ongunstige richtingvan de grenswaarden