Toelichtend verslag over het Protocol bij de Overeenkomst van 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (Tekst goedgekeurd door de Raad op 14 oktober 2002)
Publicatieblad Nr. C 257 van 24/10/2002 blz. 0001 - 0009
Toelichtend verslag over het Protocol bij de Overeenkomst van 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (Tekst goedgekeurd door de Raad op 14 oktober 2002) (2002/C 257/01) I. INLEIDING In juni 2000 heeft Frankrijk een ontwerpinstrument geïntroduceerd over de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie. Dit initiatief is genomen in het licht van de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, waarin werd vastgesteld dat ernstige economische delicten een van de sectoren van bijzonder belang zijn en dat het witwassen van geld nauw verweven is met de georganiseerde criminaliteit en dient te worden uitgeroeid, ongeacht waar het zich voordoet. In dit initiatief werd ook rekening gehouden met de resultaten van de wederzijdse evaluaties inzake de uitvoering van internationale verplichtingen op het gebied van wederzijdse rechtshulp in strafzaken die zijn uitgevoerd op basis van het gemeenschappelijk optreden van 1997(1). Het initiatief was aanvankelijk bedoeld als een nieuwe overeenkomst die een aanvulling moest vormen op in het bijzonder het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa van 1959 ("het Europees Rechtshulpverdrag") en op de overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, aangenomen op 29 mei 2000(2) ("de overeenkomst van 2000"). In de loop van de onderhandelingen werd het instrument veranderd in een protocol bij de overeenkomst van 2000 en aangevuld met een aantal bepalingen die er aanvankelijk niet in stonden (artikelen 3 en 9). Eén bepaling uit de oorspronkelijke ontwerptekst, over de afschaffing van de eis van de dubbele strafbaarheid, is niet in het protocol opgenomen. Het protocol is op 16 oktober 2001 door de Raad vastgesteld(3) en op dezelfde dag door alle lidstaten ondertekend. Noorwegen en IJsland lieten de Raad weten akkoord te gaan met de inhoud van de bepaling die op hen van toepassing is (artikel 8). Bij de aanneming van het instrument is een verklaring van de Raad over de eis van dubbele strafbaarheid en andere kwesties in verband met afwijzingen van verzoeken in de notulen van de Raad opgenomen(4). II. ALGEMENE OPMERKINGEN Zoals gesteld in de preambule van het protocol, zijn de bepalingen van het protocol als integraal onderdeel gehecht aan de overeenkomst van 2000. Dit houdt in dat de bepalingen van de overeenkomst van 2000 van toepassing zijn op die van het protocol, en omgekeerd, zoals het geval zou zijn geweest als ze allemaal in hetzelfde instrument hadden gestaan. De overeenkomst van 2000 vult op haar beurt het Europees Rechtshulpverdrag aan, het aanvullend protocol bij dat Verdrag van 1978, evenals de Schengenuitvoeringsovereenkomst en het Beneluxverdrag (zie artikel 1 van de overeenkomst van 2000). Dit houdt onder meer in dat artikel 24 van het Europees Rechtshulpverdrag over de definitie van "rechterlijke autoriteiten", artikel 3 van hetzelfde verdrag inzake de wijze waarop een verzoek zal worden behandeld, artikel 4 van de overeenkomst van 2000 inzake de formaliteiten en procedures bij de uitvoering van verzoeken en artikel 6 van de overeenkomst van 2000 waarin de mogelijkheid wordt geboden de verzoeken per fax of e-mail in te dienen op zodanige wijze dat de ontvangende lidstaat de echtheid ervan kan vaststellen en waarin staat dat verzoeken rechtstreeks tussen de rechterlijke autoriteiten worden gedaan, ook van toepassing zijn op de maatregelen waarin in het protocol wordt voorzien. Net als bij het Europees Rechtshulpverdrag en de overeenkomst van 2000, zijn de bepalingen van het protocol algemeen van toepassing met één belangrijke uitzondering: artikel 1 is alleen van toepassing op bepaalde strafbare feiten. De bepalingen van het protocol kunnen worden onderverdeeld in drie verschillende delen: hulp inzake bankrekeningen (artikelen 1 tot en met 4), aanvullende verzoeken (artikelen 5 en 6) en redenen voor afwijzing (artikelen 7 tot en met 10). De artikelen 11 tot en met 16 bevatten bepalingen over voorbehouden, inwerkingtreding, toetreding van nieuwe lidstaten, positie van en inwerkingtreding voor IJsland en Noorwegen en over de depositaris. III. COMMENTAAR BIJ DE AFZONDERLIJKE ARTIKELEN A. Hulp met betrekking tot bankrekeningen De artikelen 1 tot en met 4 van het protocol bevatten bepalingen die gericht zijn op het verbeteren van de wederzijdse rechtshulp ten aanzien van informatie waarover de banken beschikken. Artikel 1 kan worden gebruikt om informatie te verkrijgen over bankrekeningen in gevallen waarin de verzoekende lidstaat van mening is dat de informatie waarschijnlijk van grote waarde is voor een lopend onderzoek. Artikel 2 bevat bepalingen over hulp ter verkrijging van informatie over transacties die gedurende een bepaald tijdvak op een gespecificeerde bankrekening zijn uitgevoerd, terwijl artikel 3 bepalingen bevat over hulp bij toezicht op mogelijke toekomstige verrichtingen op een genoemde bankrekening. Artikel 4 bevat bepalingen die moeten waarborgen dat overeenkomstig de artikelen 1 tot en met 3 geboden hulp niet wordt bekendgemaakt aan de houder van de bankrekening of aan derden. Artikel 1: Verzoeken om informatie over bankrekeningen Dit artikel verplicht de lidstaten ertoe om, op verzoek in concrete gevallen, rekeningen bij een op hun grondgebied gevestigde bank op te sporen en verplicht de lidstaten aldus indirect ertoe een mechanisme op te zetten waarmee zij de gevraagde informatie kunnen verstrekken. De werkingssfeer van de verplichting wordt beperkt door de leden 2, 3 en 5. Met lid 4 wordt beoogd het verzoek waar mogelijk te beperken tot bepaalde banken en/of rekeningen en het gemakkelijk te maken aan het verzoek gevolg te geven. Wat de formaliteiten en procedures betreft, zijn artikel 3 van het Europees Rechtshulpverdrag en artikel 4 van de overeenkomst van 2000 van toepassing. Lid 1 De verplichting in lid 1 houdt in dat bankrekeningen op het hele grondgebied van de aangezochte lidstaat moeten kunnen worden opgespoord. Lid 1 verplicht de lidstaten niet tot het opzetten van een gecentraliseerd register van bankrekeningen, maar laat elke lidstaat vrij zelf te bepalen hoe hij de bepaling efficiënt kan naleven. Slaagt de aangezochte lidstaat erin bankrekeningen op zijn grondgebied op te sporen, dan is hij verplicht de verzoekende staat in kennis te stellen van de bankrekeningnummers en alle nadere gegevens daarover. De verzoekende staat kan op basis van die informatie wensen een verzoek op grond van artikel 2 of artikel 3 te doen met gebruikmaking van de vereenvoudigde procedure van artikel 6. De verplichting is beperkt tot rekeningen die een natuurlijke of rechtspersoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, bezit of controleert. Ook rekeningen waarvan een dergelijke persoon gevolmachtigde is, worden hieronder begrepen, onder bepaalde voorwaarden (tweede alinea). Tijdens de onderhandelingen is afgesproken dat rekeningen die een persoon tegen wie een onderzoek is ingesteld, bezit, ook rekeningen omvatten waarvan die persoon de uiteindelijke gerechtigde is en dat dit van toepassing is ongeacht of de houder van die rekeningen een natuurlijke persoon is, een rechtspersoon dan wel een lichaam dat optreedt als of voor rekening van een trustfonds of van enig ander instrument voor speciaal vermogensbeheer waarvan de identiteit van de oprichters of de begunstigden onbekend is. Het begrip "gerechtigde" moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 3, lid 7, van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld(5), gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001(6) ("de witwasrichtlijn"). Rekeningen waarvan de persoon tegen wie een procedure is ingesteld gevolmachtigde is, vallen als zodanig onder het begrip "rekeningen van [...] bezit", maar ten aanzien van dergelijke rekeningen geldt een speciale bepaling (tweede alinea). Zij vallen niet automatisch onder de regeling. Er wordt voorondersteld dat dergelijke informatie specifiek door de verzoekende staat is opgevraagd. Voorts wordt voorondersteld dat de gegevens binnen een redelijke termijn kunnen worden verstrekt. Dit houdt voor de aangezochte lidstaat de verplichting in, niet om alle middelen in te zetten, ongeacht de kosten en de tijd die het vergaren van de gegevens met zich kan meebrengen, maar wel om middelen in te zetten die evenredig zijn aan het belang en de urgentie van de zaak. De aangezochte staat zal een dergelijke beoordeling kunnen maken op basis van de gegevens die de verzoekende staat krachtens lid 4 moet verstrekken. Eén van de redenen voor deze beperking is dat het vaak ingewikkelder is om toegang te krijgen tot gegevens inzake volmachten, zelfs als deze gegevens "in het bezit zijn van de bank". Het is bijvoorbeeld mogelijk dat dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn via het computersysteem van het hoofdkantoor van de bank, maar in de plaatselijke vestigingen van de bank moeten worden gezocht. In sommige gevallen kunnen de verlangde gegevens alleen beschikbaar zijn in andere bestanden dan computerbestanden. Lid 2 In dit lid staat dat de verplichting om gegevens te verstrekken alleen van toepassing is voorzover de gegevens beschikbaar zijn voor de bank die de rekening onder zich heeft. Dienovereenkomstig legt het protocol de lidstaten of de banken geen nieuwe verplichtingen op om gegevens over bankrekeningen te bewaren. Bepalingen over het bewaren van dergelijke gegevens, die niet moeten worden behandeld in een derdepijlerinstrument, staan met name in artikel vier van de witwasrichtlijn. Lid 3 In lid 3 staat dat de verplichtingen van artikel 1 alleen gelden voor bepaalde vormen van strafbare feiten. Dit is een uitzondering op de normale regel voor wederzijdse rechtshulp in strafzaken; het Europees Rechtshulpverdrag en bijbehorende protocollen en de overeenkomst van 2000 hebben een algemeen toepassingsgebied. De bepalingen in dit lid komen voort uit een compromis tussen de lidstaten die vóór een algemeen toepassingsgebied waren, de lidstaten die de voorkeur gaven aan (verschillende) strafdrempels en weer andere lidstaten die de voorkeur gaven aan een lijst van strafbare feiten. Over de eindtekst is overeenstemming bereikt in het licht van de hoeveelheid werk die de uitvoering van verzoeken om gegevens over bankrekeningen met zich mee kan brengen en het feit dat de maatregel een nieuwe maatregel is die nooit eerder is opgenomen in instrumenten over wederzijdse rechtshulp in strafzaken en die tot dusverre in bepaalde lidstaten niet bestond. De bepaling in lid 6, waarin eraan wordt herinnerd dat de Raad in de toekomst kan besluiten het toepassingsgebied uit te breiden tot andere vormen van strafbare feiten, vormt een onderdeel van dit compromis. De gekozen oplossing bestaat erin dat het strafbare feit in kwestie onder ten minste één van de drie alternatieven moet vallen. Het eerste alternatief is een combinatie van strafdrempels in beide staten, vier jaar in de verzoekende en twee jaar in de aangezochte lidstaat (eerste streepje). Het tweede en derde alternatief zijn lijsten van misdrijven, namelijk de lijst van strafbare feiten in de Europol-overeenkomst (tweede streepje) of de strafbare feiten die vallen onder de instrumenten voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, voorzover ze niet al onder de Europol-lijst vallen (derde streepje). De verwijzing naar de strafbare feiten, bedoeld in de Europol-overeenkomst, zoals gewijzigd, houdt in dat alle vormen van strafbare feiten die opgesomd zijn in artikel 2 en in de bijlage, worden bestreken(7). Opgemerkt dient te worden dat de verwijzing naar de Europol-overeenkomst geen verwijzing inhoudt naar de kwalificaties in artikel 2 inzake concrete aanwijzingen dat er sprake is van een criminele structuur of organisatie of dat een gemeenschappelijke aanpak vereist is. De strafbare feiten, bedoeld in artikel 2 van de Europol-overeenkomst op de datum van bekendmaking van dit verslag, zijn de volgende: - terrorisme, - illegale handel in verdovende middelen(8), - handel in nucleaire en radioactieve stoffen, - illegale immigratie, - mensenhandel, - handel in gestolen voertuigen, - strafbare feiten die zijn gepleegd of wellicht zullen worden gepleegd in het kader van terroristische activiteiten die gericht zijn tegen het leven, de lichamelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid, alsmede tegen goederen, - het witwassen van geld in verband met deze vormen van criminaliteit of specifieke aspecten ervan, en - de daarmee verband houdende strafbare feiten(9). De strafbare feiten, bedoeld in de bijlage bij de Europol-overeenkomst(10), zijn de volgende: - moord en doodslag, zware mishandeling, - illegale handel in menselijke organen en weefsels, - ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling, - racisme en vreemdelingenhaat, - georganiseerde diefstal, - illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen, - oplichting en fraude, - racketeering en afpersing, - namaak van producten en productpiraterij, - vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten, - valsemunterij, vervalsing van betaalmiddelen, - computercriminaliteit, - omkoping, - illegale handel in wapens, munitie en explosieven, - illegale handel in bedreigde diersoorten, - illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten, - milieucriminaliteit, - illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars. De overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 1995 en bijbehorende protocollen omvatten strafbare feiten die al goeddeels, zo niet allemaal, op de Europol-lijst staan. Daartoe behoren: - fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad, - het opzettelijk opstellen of verstrekken van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten met hetzelfde gevolg (wanneer die handelingen niet reeds strafbaar zijn, hetzij als zelfstandig strafbaar feit, hetzij op grond van medeplichtigheid aan, uitlokking van of poging tot fraude)(11), - passieve corruptie die de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen schaadt of dreigt te schaden, - actieve corruptie die de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen schaadt of dreigt te schaden, en - witwassen van geld met betrekking tot de opbrengsten van fraude, zoals bedoeld, ten minste in ernstige gevallen, en van actieve en passieve corruptie, zoals bedoeld. Lid 4 De tekst in lid 4 is toegevoegd gezien de grote werklast die de uitvoering van verzoeken met zich mee kan brengen. De tekst legt de verzoekende lidstaat bepaalde verplichtingen op. Met lid 4 wordt beoogd het verzoek waar mogelijk te beperken tot bepaalde banken en/of rekeningen en het gemakkelijk te maken aan het verzoek gevolg te geven. De tekst verplicht de verzoekende lidstaat om zorgvuldig te overwegen of de gevraagde informatie "waarschijnlijk van grote waarde is voor het onderzoek naar het strafbare feit" en dit uitdrukkelijk in zijn verzoek te vermelden (eerste streepje), en ook zorgvuldig te overwegen aan welke lidstaat of lidstaten hij het verzoek moet sturen (tweede streepje). Lid 4 houdt in dat de verzoekende lidstaat deze maatregel niet mag gebruiken als een middel om bij een aantal, of bij alle, lidstaten naar informatie "te hengelen", maar dat hij het verzoek moet richten tot een lidstaat die de gevraagde informatie waarschijnlijk zal kunnen verstrekken. De bepaling laat de aangezochte lidstaat echter niet toe te onderzoeken of de verzochte informatie waarschijnlijk van grote waarde is voor het betrokken onderzoek conform het eerste streepje van het lid. Het verzoek dient ook informatie te bevatten over de bank waarvan wordt vermoed dat zij relevante rekeningen onder zich heeft, indien dergelijke informatie voorhanden is (tweede streepje). Hieruit volgt dat de verzoekende lidstaat moet trachten zijn verzoek te beperken tot bepaalde soorten bankrekeningen en/of rekeningen bij bepaalde banken. Zo kan de aangezochte lidstaat de uitvoering van het verzoek dienovereenkomstig beperken. Volgens het derde streepje moet de verzoekende lidstaat de aangezochte lidstaat elke andere informatie verschaffen die de uitvoering van het verzoek kan vergemakkelijken. Ook deze bepaling is toegevoegd gelet op de grote werklast die de uitvoering met zich mee kan brengen. Lid 5 In lid 5 is bepaald dat de lidstaten verzoeken op grond van artikel 1 gelijk kunnen stellen met verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming en dat zij derhalve dezelfde voorwaarden kunnen toepassen als in verband met verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming. Hierdoor kunnen de lidstaten dezelfde eisen ten aanzien van dubbele strafbaarheid en verenigbaarheid met hun wetgeving stellen als in verband met verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming. In artikel 10 staat een follow-upmechanisme voor het bijhouden van weigeringen op grond van het niet voldoen aan deze voorwaarden. De eis van dubbele strafbaarheid is doorgaans vervuld voor strafbare feiten die onder lid 3 vallen. Indien evenwel het strafbare feit waarnaar in de verzoekende staat een onderzoek loopt in de aangezochte lidstaat geen strafbaar feit is, kan het vereiste van dubbele strafbaarheid een weigeringsgrond opleveren. Het recht van een lidstaat om aan de uitvoering van het verzoek de voorwaarde te verbinden dat het verzoek verenigbaar is met zijn nationale wetgeving moet worden uitgelegd in het licht van de verplichtingen die in het artikel zijn opgenomen; de aangezochte lidstaat mag geen afbreuk doen aan de praktische werking van de leden 1 tot en met 4 van het artikel door deze voorwaarde toe te passen. De mogelijkheden van een lidstaat om hulp te weigeren omdat het verzoek onverenigbaar is met zijn nationale wetgeving, zijn derhalve beperkt. Dit houdt bijvoorbeeld in dat een lidstaat een verzoek op grond van artikel 1 niet louter kan weigeren omdat zijn nationale wetgeving niet voorziet in de verstrekking van gegevens omtrent het bestaan van bankrekeningen in strafrechtelijke onderzoeken of omdat in zijn nationale regelgeving inzake huiszoeking en inbeslagneming doorgaans een hogere drempel is vastgesteld dan in lid 3. Anderzijds maakt de bepaling een rechterlijke toetsing in de aangezochte staat mogelijk. Aangezien terzake geen gemeenschappelijke regels bestaan, kan deze toetsing van lidstaat tot lidstaat verschillen. In het algemeen betekent dit dat de aangezochte staat het verzoek aan een rechterlijke autoriteit kan voorleggen om het te beoordelen in het licht van de nationale voorwaarden die niet door artikel 1 worden bestreken, met inbegrip van grondwettelijke verplichtingen. Deze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op vertrouwelijke informatie. Lid 6 Lid 6 bevat een bepaling waarin staat dat de Raad kan besluiten het toepassingsgebied van artikel 1 uit te breiden. De uitbreiding van het toepassingsgebied kan door de Raad worden aangenomen in de vorm van een besluit in de zin van artikel 34, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Krachtens deze bepaling neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op initiatief van elke lidstaat of van de Commissie een besluit na raadpleging van het Europees Parlement, overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Er is dus geen wijzigingsovereenkomst nodig om het protocol in dit opzicht te wijzigen. Artikel 2: Verzoeken om gegevens over banktransacties Artikel 2 bevat bepalingen over hulp inzake de bijzonderheden betreffende gespecificeerde, reeds geïdentificeerde bankrekeningen en betreffende banktransacties die daarop in een bepaald tijdvak zijn uitgevoerd. In dit artikel wordt geen nieuwe maatregel ingevoerd, maar wordt uitsluitend een maatregel toegelicht en uitgewerkt die reeds wordt toegepast op grond van het Europees Rechtshulpverdrag. Er is een verband tussen artikel 1 en artikel 2, in die zin dat de verzoekende lidstaat de details van de rekening verkregen kan hebben middels de maatregel in artikel 1 en vervolgens, met gebruikmaking van het systeem voor aanvullende maatregelen in artikel 6, informatie kan opvragen over banktransacties die op deze rekening zijn uitgevoerd. De maatregel staat echter op zich en kan ook worden gevraagd met betrekking tot een bankrekening waarvan de onderzoekende autoriteiten van de verzoekende lidstaat via andere middelen of kanalen kennis hebben gekregen. Lid 1 In lid 1 wordt niet, zoals in artikel 1, verwezen naar rekeningen die gebonden zijn aan een persoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. Er hoeft niet te worden verwezen naar strafrechtelijke onderzoeken daar het instrument voortbouwt op het Europees Rechtshulpverdrag en de overeenkomst van 2000. Het artikel is derhalve van toepassing op dezelfde procedures als die welke zijn bedoeld in artikel 1 van het Europees Rechtshulpverdrag en in artikel 3 van de overeenkomst van 2000. Het ontbreken van een verwijzing naar een persoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, maakt duidelijk dat de lidstaten ook verplicht zijn te helpen bij rekeningen van derden, personen tegen wie geen strafrechtelijk onderzoek is ingesteld maar wier rekeningen op de een of andere manier verband houden met een strafrechtelijk onderzoek. Zo'n verband moet door de verzoekende lidstaat in het verzoek worden aangegeven (zie lid 3). Een praktijkvoorbeeld dat tijdens de onderhandelingen werd gegeven, betreft de situatie waarin de bankrekening van een onschuldige en zich van geen kwaad bewuste persoon wordt gebruikt als "vervoermiddel" tussen twee rekeningen van de verdachte met als doel de transactie te verdoezelen en te verbergen. Volgens artikel 2 kan de verzoekende lidstaat informatie krijgen over elke transactie van en naar zo'n rekening. Lid 1 bevat bepalingen over hulp, niet alleen inzake de bijzonderheden van een gespecificeerde bankrekening en de transacties die daarop in een bepaald tijdvak zijn uitgevoerd, maar stelt ook dat de aangezochte lidstaat hulp zal bieden inzake "de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming". Doel hiervan is duidelijk te maken dat het niet voldoende is dat de aangezochte staat, in zijn reactie op een verzoek, meedeelt dat een bepaald bedrag op een bepaalde datum van/naar de rekening of van/naar een andere rekening is gestuurd, maar dat hij de verzoekende lidstaat ook gegevens moet verstrekken over de rekening van herkomst/bestemming, d.w.z. het bankrekeningnummer en andere gegevens die nodig zijn om de verzoekende lidstaat in staat te stellen een verzoek om hulp in te dienen over die rekening (middels de vereenvoudigde procedure van artikel 6 indien het gaat om een rekening in dezelfde staat, of middels een nieuw verzoek aan een andere staat, afhankelijk van het geval). Zo kan de verzoekende staat de geldstromen van de ene rekening naar de andere volgen. Bij het verstrekken van bijzonderheden over de in dit lid genoemde rekeningen van herkomst of bestemming houdt de aangezochte staat, waar nodig, rekening met zijn verplichtingen op grond van het Europees Verdrag van 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens. Lid 2 Deze bepaling komt overeen met artikel 1, lid 2. Zie de opmerkingen daarover. Lid 3 Deze bepaling komt overeen met artikel 1, lid 4, eerste streepje, maar de formulering ervan is minder dwingend, omdat verzoeken uit hoofde van artikel 2 een duidelijk afgebakend gebied van wederzijdse rechtshulp vertegenwoordigen en vanwege hun aard specifieker zijn dan de verzoeken uit hoofde van artikel 1. Lid 4 Deze bepaling komt overeen met artikel 1, lid 5. Zie de opmerkingen daarover. Artikel 3: Verzoeken om toezicht op bankverrichtingen Dit artikel voorziet in een nieuwe maatregel, die nog nooit eerder in instrumenten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken is opgenomen. Het artikel is daarom anders geformuleerd dan de artikelen 1 en 2, met dien verstande dat artikel 3 de lidstaten alleen verplicht het mechanisme op te zetten - de lidstaat moet de hulp op verzoek kunnen bieden -, maar het aan iedere lidstaat overlaat te besluiten of en onder welke voorwaarden de hulp in een specifiek geval kan worden geboden. Het resultaat is dat het artikel zeer weinig details bevat. Het artikel volgt het voorbeeld van de bepaling over gecontroleerde aflevering in artikel 12 van de overeenkomst van 2000. Lid 1 Dit lid verplicht de lidstaten ertoe een mechanisme op te zetten waarmee zij op verzoek bankverrichtingen, die in de toekomst zullen worden uitgevoerd op een gespecificeerde bankrekening, voor een bepaalde periode onder toezicht kunnen plaatsen. Lid 2 Deze bepaling komt overeen met artikel 2, lid 3. Lid 3 Deze bepaling is dezelfde als die in artikel 12, lid 2, van de overeenkomst van 2000. Dit houdt onder meer in dat de aangezochte lidstaat voorwaarden kan opleggen die in een soortgelijke nationale zaak in acht moeten worden genomen, daaronder begrepen strafdrempels en dubbele strafbaarheid. Lid 4 In lid 4 staat dat de praktische details van het toezicht tussen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende en de aangezochte staat worden overeengekomen. Dit geeft de aangezochte staat de volledige controle over de voorwaarden waaronder het toezicht zal plaatsvinden en biedt de verzoekende en de aangezochte lidstaat de mogelijkheid om bijvoorbeeld te besluiten tot dagelijks toezicht of te besluiten dat wekelijks toezicht voldoende is gezien de omstandigheden van de zaak. Het wordt aan de aangezochte staat overgelaten om te besluiten of al dan niet toezicht in reële tijd kan worden uitgeoefend. Artikel 4: Vertrouwelijkheid Dit artikel moet de garantie bieden dat de rekeninghouder, of een derde, niet op de hoogte wordt gesteld van het feit dat een van de maatregelen van de artikelen 1 tot en met 3 wordt genomen of is genomen. De gebruikte formulering lijkt sterk op die van het artikel 8 van de witwasrichtlijn. Iedere lidstaat moet zelf beslissen hoe hij uitvoering geeft aan artikel 4. De bepaling kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd door in een specifiek verbod van openbaarmaking te voorzien, maar kan ook worden uitgevoerd door maatregelen van een meer algemene strekking die gedragingen strafbaar stellen die een lopend onderzoek kunnen schaden. B. Aanvullende maatregelen en verzoeken Met de artikelen 5 en 6 wordt beoogd de procedures te bespoedigen en te vereenvoudigen wanneer, in de loop van de uitvoering van een rechtshulpverzoek, blijkt dat wellicht een aanvullende maatregel noodzakelijk is. Uiteraard zullen de artikelen zeer nuttig zijn bij het verlenen van hulp inzake bankrekeningen - waar snelheid vaak van het allergrootste belang is -, maar de toepassing ervan blijft niet beperkt tot dergelijke hulp. De bepalingen zijn van toepassing op ieder rechtshulpverzoek. Artikel 5: Informatieplicht Artikel 5 legt de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat de verplichting op om de verzoekende autoriteit onmiddellijk in kennis te stellen indien zij het tijdens de uitvoering van een verzoek passend acht aanvullende maatregelen te nemen die de verzoekende autoriteit in haar oorspronkelijke verzoek niet kon voorzien of specificeren. Dit kan inhouden dat informatie wordt verstrekt voordat het verzoek formeel kan worden beantwoord. De bepalingen in dit artikel zijn bijvoorbeeld van toepassing indien de aangezochte staat tijdens de uitvoering van een verzoek uit hoofde van artikel 1 een rekening identificeert en van mening is dat de verzoekende staat geïnteresseerd zou kunnen zijn om zo spoedig mogelijk informatie te krijgen over wat er in het nabije verleden met de rekening is gebeurd of in de nabije toekomst mee zal gebeuren. De informatieplicht geldt echter niet alleen voor verzoeken op grond van dit protocol, maar is algemeen van toepassing en geldt bijvoorbeeld wanneer bij de uitvoering van een verzoek om huiszoeking blijkt dat er aanvullende maatregelen nodig zijn. In dat geval kan de verzoekende staat, na hierop attent te zijn gemaakt, een aanvullend verzoek doen via de vereenvoudigde procedure van artikel 6. Artikel 5 (maar niet artikel 6) is ook van toepassing als de aanvullende maatregel door een andere lidstaat moet worden genomen, bijvoorbeeld wanneer tijdens de uitvoering van een verzoek uit hoofde van artikel 2 wordt ontdekt dat er geld is gestort op een bankrekening bij een bank in een andere lidstaat of in een derde land. Artikel 6: Aanvullende rechtshulpverzoeken Dit artikel bevat twee leden, bedoeld om de procedure te vergemakkelijken en te bespoedigen wanneer aanvullende maatregelen nodig zijn. Lid 1 Deze bepaling bevat een procedure die van groot praktisch belang is, namelijk dat de verzoekende lidstaat geen volledig nieuw verzoek hoeft in te dienen wanneer voor hetzelfde onderzoek of dezelfde procedure een aanvullende maatregel nodig is. Wanneer die lidstaat om de aanvullende maatregel verzoekt, hoeft hij alleen maar te verwijzen naar het oorspronkelijke verzoek en de noodzakelijke aanvullende informatie te verstrekken. Lid 2 De ratio van de bepaling in lid 2 is dat de ervaring heeft uitgewezen dat niet alle autoriteiten van de lidstaten bereid zijn te aanvaarden dat een aanvullend verzoek rechtstreeks wordt gedaan door bijvoorbeeld een buitenlandse aanklager of onderzoeksrechter die zich tijdens de uitvoering van het verzoek in de aangezochte staat bevindt. Dankzij de bepaling in lid 2 kan een dergelijk aanvullend verzoek ter plaatse worden ingediend en hoeft het aanvullende verzoek niet vanaf het grondgebied van de verzoekende staat te worden verzonden. De toepassing van de bepaling in concrete gevallen vooronderstelt dat de persoon die zich in de aangezochte staat bevindt, uit hoofde van artikel 24 van het Europees Rechtshulpverdrag of artikel 24 van de overeenkomst van 2000 bevoegd is voor het indienen van een rechtshulpverzoek. Artikel 6, lid 3, van de overeenkomst van 2000, waarnaar in deze bepaling wordt verwezen, bevat speciale bepalingen over rechtstreekse communicatie die van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk en Ierland; aangezien deze staten een voorlopig voorbehoud kunnen maken tot handhaving van de communicatie met hun respectieve centrale autoriteiten, moet ieder aanvullend verzoek tot deze autoriteiten worden gericht zolang het voorbehoud van kracht is. C. Redenen voor afwijzing De artikelen 7 tot en met 10 bevatten bepalingen die bedoeld zijn om de toepassing van redenen voor afwijzing te beperken of erop toe te zien. Deze bepalingen gelden voor rechtshulpverzoeken in strafzaken in het algemeen, en niet alleen voor zaken die vallen onder de artikelen 1 tot en met 4 van het protocol. Artikel 7: Bankgeheim De bepalingen van dit artikel, die de lidstaten verbieden zich op het bankgeheim te beroepen als reden voor afwijzing, zijn geformuleerd naar het voorbeeld van de eerste zin van artikel 18, lid 7, van het verdrag van 1990 inzake het witwassen. Tijdens de onderhandelingen is overeengekomen dat het begrip "bankgeheim" in ruime zin moet worden opgevat, rekening houdend met het Gemeenschapsrecht en het nationale recht dat op de financiële sector van toepassing is. Aangezien artikel 3 van het Europees Rechtshulpverdrag van toepassing is, mogen de lidstaten de vormvoorschriften en procedures van hun nationale wetgeving toepassen(12). Artikel 8: Fiscale delicten Artikel 8, leden 1 en 2, geeft de inhoud weer van de artikelen 1 en 2 van het aanvullend protocol van 1978 bij het Europees Rechtshulpverdrag. In tegenstelling tot dat instrument laat dit protocol niet toe dat er voorbehouden worden gemaakt bij deze bepaling (artikel 11). Artikel 8, leden 1 en 2, vervangt artikel 50 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst en bouwt erop voort. Laatstgenoemde bepaling wordt derhalve bij artikel 8, lid 3, van het protocol ingetrokken. Artikel 9: Politieke delicten Dit artikel is in zijn geheel geënt op artikel 5 van de overeenkomst betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 1996. De bepalingen kwamen in de oorspronkelijke versie niet voor, maar zijn opgenomen zodat alle redenen voor afwijzing van artikel 2, onder a), van het Europees Rechtshulpverdrag worden bestreken. Artikel 2, onder b), van dat verdrag wordt bestreken door artikel 10 (zie hierna). Lid 1 bevat het beginsel dat voor de wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten geen strafbaar feit mag worden beschouwd als een politiek delict. Lid 2 biedt de lidstaten de mogelijkheid van dit beginsel af te wijken middels een verklaring. Een afwijking is echter niet toegestaan ten aanzien van de in dit lid gedefinieerde strafbare feiten van terroristische aard, te weten: a) de strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977. Hieronder vallen de ernstigste strafbare feiten, zoals gijzeling, het gebruik van vuurwapens en explosieven, gewelddaden, gericht tegen het leven of de vrijheid van personen of feiten die een collectief gevaar opleveren voor personen; b) strafbare feiten van samenspanning of medeplichtigheid, overeenkomend met de beschrijving van het gedrag bedoeld in artikel 3, lid 4, van de overeenkomst van 27 september 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie(13), met het oogmerk een of meer strafbare feiten te plegen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het verdrag van 1977. Dit gaat verder dan artikel 1, onder f), van het verdrag van 1977, dat beperkt blijft tot poging tot het plegen van een van de strafbare feiten van artikel 1 van het verdrag van 1977 of deelname als medeplichtige van een persoon die een dergelijk feit pleegt of poogt te plegen. In artikel 3, lid 4, van de overeenkomst van 1996 wordt het gedrag in kwestie als volgt omschreven: "Het gedrag van een persoon die deelneemt aan het plegen door een groep van personen met een gemeenschappelijk oogmerk van een of meer strafbare feiten op het terrein van terrorisme, als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het Europees terrorismeverdrag, op het terrein van handel in verdovende middelen en andere vormen van georganiseerde misdaad of van andere daden van geweld gericht tegen het leven, de fysieke integriteit of vrijheid van een persoon of wanneer daarbij gemeen gevaar voor personen is ontstaan, welke zijn strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden, ook indien de persoon niet deelneemt aan de feitelijke uitvoering van het betrokken feit of de betrokken feiten. De bijdrage van de persoon dient opzettelijk te gebeuren met kennis ofwel van het oogmerk en van de algemene misdadige activiteiten van de groep of van het voornemen van de groep om het betrokken feit of de betrokken feiten te plegen.". Tot slot staat in lid 3 van artikel 9 dat voorbehouden uit hoofde van artikel 13 van het verdrag van 1977 niet van toepassing zijn op wederzijdse rechtshulp tussen lidstaten. Dit geldt zowel voor lidstaten die het beginsel in artikel 9, lid 1, onverkort toepassen als voor lidstaten die een verklaring afleggen uit hoofde van artikel 9, lid 2. Artikel 10: Kennisgeving van afwijzing aan de Raad en betrokkenheid van Eurojust(14) Lid 1 Lid 1 verplicht een lidstaat die een verzoek om wederzijdse rechtshulp afwijst in bepaalde gevallen de met redenen omklede afwijzingsbeslissing ter kennisgeving aan de Raad toe te zenden, zodat zij eventueel in overweging kan worden genomen en naderhand kan worden geëvalueerd. De verplichting geldt alleen wanneer de aangezochte lidstaat een formeel besluit heeft genomen om het verzoek af te wijzen en geldt niet, in tegenstelling tot de bepalingen in lid 2, in lopende zaken. Derhalve druist de procedure niet in tegen de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Voorts geldt de verplichting alleen indien de verzoekende lidstaat zijn verzoek handhaaft en er geen oplossing kan worden gevonden. Lid 1 beoogt de Raad de mogelijkheid te bieden de werking van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten te evalueren en te volgen. De informatie aan de Raad moet uiteraard beperkt blijven tot feiten die relevant zijn voor het evalueren van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten. Dienovereenkomstig slaat de verplichting om de Raad te informeren niet op vertrouwelijke of anderszins gevoelige informatie die in het dossier zou kunnen worden aangetroffen. De procedure doet geen afbreuk aan artikel 35, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Krachtens die bepaling is het Hof van Justitie onder meer bevoegd om uitspraak te doen in bepaalde geschillen tussen de lidstaten wanneer de Raad er niet in slaagt het geschil te regelen binnen zes maanden te rekenen vanaf het tijdstip waarop een van zijn leden het hem heeft voorgelegd. De procedures waarin artikel 35, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 10, lid 1, van het protocol voorzien, staan los van elkaar. Het eerste streepje verwijst naar afwijzingen die te maken hebben met de soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen. Het tweede streepje verwijst naar afwijzingen die te maken hebben met het niet voldoen aan de eis van dubbele strafbaarheid en van verenigbaarheid met de nationale wetgeving. Het derde en laatste streepje van lid 1 is, hoewel het onder het tweede streepje valt, er in de eerste plaats op gericht de noodzaak aan te geven om de follow-up van de toepassing van artikel 1, lid 5, mogelijk te maken, meer bepaald de toepassing van de voorwaarde inzake de verenigbaarheid met de nationale wetgeving. Deze bepaling is opgenomen omdat verscheidene lidstaten vrezen dat anders de mogelijkheid om de nationale wetgeving toe te passen de verplichting van lid 1 zou kunnen afzwakken. Lid 2 Artikel 10, lid 2, herinnert eraan dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, zodra Eurojust is opgericht, een beroep kunnen doen op deze eenheid om alle problemen op te lossen met betrekking tot de uitvoering van een verzoek in verband met de in lid 1 genoemde bepalingen. De Raad heeft op 28 februari 2002 Besluit 2002/187/JBZ van de Raad(15) aangenomen betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken. Artikel 10, lid 2, verleent geen bevoegdheden aan Eurojust - deze zijn in bovengenoemd Raadsbesluit neergelegd. Artikel 10, lid 2, kan gehanteerd worden indien de aangezochte staat geen rechtshulp kan verlenen overeenkomstig de wensen van de verzoekende staat. Eurojust mag uiteraard alleen een aan Eurojust gemelde zaak behandelen voorzover deze onder de bevoegdheden van Eurojust valt. De twee nationale leden van Eurojust - het lid van de verzoekende staat en het lid van de aangezochte staat - kunnen aldus worden geïnformeerd van het bestaan van het probleem en kunnen helpen een oplossing te vinden die voor beide staten aanvaardbaar is. De bijstand van Eurojust is, in tegenstelling tot de bepalingen in lid 1, ook voor lopende zaken beschikbaar. D. Slotbepalingen Artikel 11: Voorbehouden Dit artikel verbiedt de lidstaten andere voorbehouden bij het protocol te maken dan die waarin artikel 9, lid 2, uitdrukkelijk voorziet. Artikel 12: Territoriale toepassing In artikel 26 van de overeenkomst van 2000 staat dat de overeenkomst van toepassing wordt op Gibraltar na de uitbreiding van het Europees Rechtshulpverdrag tot Gibraltar. Hierop aansluitend staat in artikel 12 van het protocol dat dit protocol van toepassing wordt op Gibraltar wanneer de overeenkomst van 2000 van toepassing wordt op Gibraltar, overeenkomstig artikel 26 van de overeenkomst van 2000. Artikel 13: Inwerkingtreding In dit artikel wordt de inwerkingtreding van het protocol in beginsel op dezelfde wijze geregeld als in artikel 27 van de overeenkomst van 2000, met dien verstande dat het protocol niet in werking treedt of niet wordt toegepast voordat de overeenkomst van 2000 in werking is getreden of wordt toegepast. Het protocol treedt in werking 90 dagen na de voltooiing van de vereiste procedures voor de aanneming van het protocol door de achtste staat die lidstaat van de Europese Unie was ten tijde van de aanneming door de Raad van de akte tot vaststelling van dit protocol op 16 oktober 2001. Als de overeenkomst van 2000 op die datum evenwel niet in werking is getreden, treedt het protocol in werking wanneer de overeenkomst van 2000 in werking treedt. Het protocol zal eerst van kracht zijn tussen de acht betrokken lidstaten of, indien van toepassing, de acht of meer lidstaten die het protocol hebben aangenomen op het tijdstip waarop de overeenkomst van 2000 in werking treedt. Het protocol zal in de andere lidstaten 90 dagen na de voltooiing van hun procedures in werking treden. Met de inwerkingtreding van het protocol wordt artikel 35 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen toepasselijk. Lid 5 biedt elke lidstaat de mogelijkheid op het tijdstip van aanneming van het protocol of op enig ander later tijdstip te verklaren dat hij het protocol voorlopig zal toepassen in zijn betrekkingen met andere lidstaten die een zelfde verklaring hebben afgelegd. Daardoor kan het protocol zo spoedig mogelijk tussen de betrokken lidstaten worden uitgevoerd. Een verklaring uit hoofde van dit lid wordt van toepassing 90 dagen nadat ze is neergelegd. Als de overeenkomst van 2000 krachtens artikel 27, lid 5, van die overeenkomst tussen de betrokken lidstaten evenwel met ingang van een latere datum wordt toegepast, wordt het protocol tussen die lidstaten ook met ingang van die latere datum toegepast. Lid 7 regelt het aanvangstijdstip van de toepassing van het protocol en beperkt deze toepassing tot verzoeken om wederzijdse rechtshulp die zijn ingediend na de datum waarop het protocol tussen de betrokken lidstaten in werking is getreden of wordt toegepast. Artikel 14: Toetreding van nieuwe lidstaten De bepalingen over toetredende lidstaten volgen het voorbeeld van de overeenkomstige bepalingen van artikel 28 van de overeenkomst van 2000. In dit artikel is bepaald dat elke staat die lid wordt van de Europese Unie tot dit protocol kan toetreden en zijn de regelingen voor deze toetreding neergelegd. Indien het protocol reeds in werking is getreden wanneer een nieuwe lidstaat toetreedt, zal het protocol overeenkomstig lid 4 ten aanzien van deze lidstaat in werking treden 90 dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd. Indien het protocol 90 dagen na de toetreding van de nieuwe lidstaat nog niet in werking is getreden, zal het ten aanzien van die staat in werking treden op het tijdstip van inwerkingtreding bedoeld in artikel 13. Een toetredende staat zal eveneens een verklaring inzake voorlopige toepassing overeenkomstig artikel 13, lid 5, kunnen afleggen. Volgens het beginsel van artikel 13, lid 6, wordt in artikel 14, lid 6, bepaald dat het protocol niet in werking kan treden of worden toegepast ten aanzien van een toetredende staat voordat de overeenkomst van 2000 ten aanzien van die staat in werking is getreden of wordt toegepast. Artikel 15: Positie van IJsland en Noorwegen Deze bepaling komt overeen met artikel 2 van de overeenkomst van 2000. Zij specificeert dat artikel 8 over fiscale delicten moet worden aangemerkt als een maatregel tot wijziging of uitbreiding van de bepalingen als bedoeld in bijlage A bij de overeenkomst van 18 mei 1999 tussen de Raad, Ijsland en Noorwegen inzake de wijze waarop Ijsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis ("de associatieovereenkomst"). In artikel 2, lid 3, van de associatieovereenkomst is bepaald dat de besluiten en maatregelen die de Europese Unie in dit verband aanneemt door IJsland en Noorwegen worden aanvaard, uitgevoerd en toegepast. Artikel 16: Inwerkingtreding voor IJsland en Noorwegen Dit artikel komt overeen met artikel 29 van de overeenkomst van 2000. Het bevat de bepalingen over de inwerkingtreding ten aanzien van IJsland en Noorwegen van artikel 8 van het protocol. Deze bepalingen worden beheerst door de associatieovereenkomst (zie de toelichting bij artikel 15). In artikel 16, lid 1, wordt in wezen bepaald dat de bepalingen van artikel 8 van het protocol voor Ijsland en Noorwegen in werking treden 90 dagen nadat deze staten meedelen aan hun grondwettelijke verplichtingen te hebben voldaan. Na die mededeling zullen de bepalingen van toepassing zijn in hun betrekkingen inzake wederzijdse rechtshulp met elke lidstaat waarvoor het protocol reeds in werking is getreden. Opgemerkt zij evenwel dat voor IJsland en Noorwegen niet is voorzien in een vervroegde toepassing. Lid 2 heeft betrekking op de situatie waarin het protocol in werking treedt voor een lidstaat terwijl de bepalingen van artikel 8 van het protocol reeds van kracht zijn voor Ijsland en/of Noorwegen. Lid 3 bepaalt dat artikel 8 voor Ijsland en Noorwegen niet bindend is vóór de inwerkingtreding ten aanzien van die landen van de in artikel 2, lid 1, van de overeenkomst van 2000 bedoelde bepalingen. Lid 4 waarborgt dat de bepalingen van artikel 8 voor Ijsland en/of Noorwegen in werking treden uiterlijk op de dag van de inwerkingtreding ervan voor de 15 staten die lid waren van de Unie ten tijde van de aanneming van het protocol. Artikel 17: Depositaris Dit artikel bepaalt dat de secretaris-generaal van de Raad depositaris is van het protocol. De secretaris-generaal zal de lidstaten in kennis stellen van de kennisgevingen van de lidstaten met betrekking tot dit protocol. Deze kennisgevingen, alsmede informatie over de stand van de aannemingen en toetredingen, en de verklaringen en voorbehouden moeten in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt. (1) Gemeenschappelijk Optreden 97/827/JBZ tot instelling van een mechanisme voor evaluatie van de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit (PB L 344 van 15.12.1997, blz. 7). (2) PB C 197 van 12.7.2000, blz. 1. Zie ook het toelichtend rapport bij de overeenkomst in PB C 379 van 29.12.2000, blz. 7. (3) PB C 326 van 21.11.2001, blz. 1. (4) De verklaring van de Raad luidt als volgt: "De Raad neemt er nota van dat het debat over de afschaffing van de eis van dubbele strafbaarheid de vaststelling van een definitief standpunt van de lidstaten op dit gebied niet mogelijk heeft gemaakt. De Raad komt overeen dat de kwestie van de afwijzing van verzoeken om wederzijdse rechtshulp, daaronder begrepen de afwijzing op grond van de eis van dubbele strafbaarheid, twee jaar na de inwerkingtreding van het protocol, nader door de Raad zal worden bestudeerd in het licht van overeenkomstig artikel 10 van het protocol aan de Raad en Eurojust toegezonden informatie". (5) PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77. (6) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76. (7) De verwijzing naar de Europol-overeenkomst slaat ook op het besluit van de Raad van 3 december 1998 inzake de aanvulling van de definitie van "mensenhandel" als vorm van criminaliteit in de bijlage van de Europol-overeenkomst (PB C 26 van 30.1.1999, blz. 21), en het protocol van 30 november 2000 tot wijziging van artikel 2 en de bijlage bij de Europol-overeenkomst (PB C 358 van 13.12.2000, blz. 1). (8) Onder illegale handel in verdovende middelen als bedoeld in artikel 2 van de Europol-overeenkomst wordt verstaan de in artikel 3, lid 1, van het Verdrag van de Verenigde Naties van 20 december 1988 tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en de bepalingen ter wijziging of aanvulling van dit verdrag, genoemde strafbare feiten. (9) Strafbare feiten die zijn gepleegd om zich de middelen te verschaffen om daden te plegen, te vergemakkelijken of uit te voeren en om ervoor te zorgen dat de opgesomde strafbare feiten ongestraft blijven (zie artikel 2, lid 3, tweede alinea, van de Europol-overeenkomst). (10) In de bijlage staat dat de bevoegdheid zich, overeenkomstig artikel 2, lid 2, uitstrekt tot het daarmee verband houdende witwassen van geld en daarmee samenhangende strafbare feiten. (11) Zie artikel 1, lid 3, van de overeenkomst van 1995. (12) Zie artikel 18, lid 7, tweede zin, van het Verdrag van 1990 inzake het witwassen, dat als volgt luidt: "Wanneer haar nationale wetgeving zulks vereist, kan een partij verlangen dat voor een verzoek om samenwerking dat opheffing van het bankgeheim inhoudt, machtiging wordt verleend door een rechter of een andere rechterlijke autoriteit, met inbegrip van het openbaar ministerie, met dien verstande dat deze autoriteiten handelen in het kader van strafzaken". (13) PB C 313 van 23.10.1996, blz. 11. (14) Zie de verklaring van de Raad over dubbele strafbaarheid en andere kwesties in verband met afwijzingen van verzoeken in de voetnoot bij hoofdstuk I. (15) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.