Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 22 april 1999 over een gedragscode ter verbetering van de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van uitkerings- en premiefraude in de sociale zekerheid en zwartwerk, en met betrekking tot de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers
Publicatieblad Nr. C 125 van 06/05/1999 blz. 0001 - 0003
RESOLUTIE VAN DE RAAD EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN, van 22 april 1999 over een gedragscode ter verbetering van de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van uitkerings- en premiefraude in de sociale zekerheid en zwartwerk, en met betrekking tot de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers (1999/C 125/01) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE EN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN VAN DE LIDSTATEN, IN HET KADER VAN DE RAAD BIJEEN, 1. OVERWEGENDE dat de samenwerking tussen de lidstaten betreffende vraagstukken in verband met grensoverschrijdende arbeid verbeterd moet worden om negatieve gevolgen voor de bescherming van werknemers en voor de werking van de arbeidsmarkt te voorkomen; 2. ERKENNEND dat betere samenwerking en uitwisseling van informatie positieve gevolgen zal hebben voor de werkgelegenheidssituatie en de bescherming van werknemers, in het bijzonder op de volgende gebieden: - de bestrijding van grensoverschrijdende uitkerings- en premiefraude in de sociale zekerheid (hierna "socialezekerheidsfraude" te noemen); - de bestrijding van zwartwerk; en - de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers. 3. ERAAN HERINNEREND dat de Commissie in haar mededeling betreffende zwartwerk op het niveau van de Europese Unie gecoördineerde acties ter bestrijding van zwartwerk heeft voorgesteld; 4. ERKENNEND dat het wenselijk is dat in een eerste fase de nadruk wordt gelegd op de verbetering van de samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van socialezekerheidsfraude en zwartwerk en op het gebied van de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers; 5. ERAAN HERINNEREND dat er bepalingen betreffende de samenwerking tussen autoriteiten inzake uitkeringen en premies in het kader van de sociale zekerheid opgenomen zijn in Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen(1), die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, waaronder de relevante besluiten en aanbevelingen van de Administratieve Commissie voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers, en wat de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werkenemers betreft, in Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten(2); 6. OVERWEGENDE dat de bestaande structuren en procedures mogelijkheden bieden voor grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder in het kader van artikel 4 van Richtlijn 96/71/EG; 7. OVERWEGENDE dat het op terreinen die niet onder die bepalingen vallen wenselijk is dat betere bilaterale samenwerking in uitwisseling van informatie tussen lidstaten worden aangemoedigd op de gebieden die onder deze resolutie vallen, en wel door middel van een niet-bindende gedragscode en met gebruikmaking van de bestaande structuren en procedures; 8. OVERWEGENDE dat de socialezekerheidsdiensten en, voorzover deze bestaan en de nodige bevoegdheden daartoe hebben, de arbeidsinspectiediensten van de lidstaten, van belang zijn voor de uitvoering van deze gedragscode; 9. ERAAN HERINNEREND dat het Hof van Justitie in een arrest van 17 december 1981 (Zaak 279/80, WEBB) heeft verklaard dat artikel 59 van het Verdrag er niet aan in de weg staat dat een lidstaat die een vergunning eist van ondernemingen die arbeidskrachten ter beschikking stellen, een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter die dergelijke werkzaamheden op zijn grondgebied uitoefent, verplicht aan deze voorwaarde te voldoen, ook indien deze over een door de staat van vestiging afgegeven vergunning beschikt, met dien verstande evenwel dat de lidstaat waar de dienst wordt verricht, bij het onderzoek van de aanvraag en bij de afgifte van de vergunning geen enkel onderscheid maakt op grond van de nationaliteit of de plaats van vestiging van de dienstverrichter, en bovendien rekening houdt met de bewijsstukken en waarborgen die de dienstverrichter voor de uitoefening van zijn werkzaamheden in de lidstaat van vestiging reeds heeft verschaft; 10. HET BELANG ERKENNEND van het fundamentele recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens, zoals gewaarborgd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van de gegevens(3), en in artikel 84, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 1408/71; 11. EROP WIJZEND dat deze gedragscode een politieke verbintenis is en dat dus geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de lidstaten en van de Europese Gemeenschap, noch aan bestaande bilaterale en multilaterale samenwerkingsovereenkomsten tussen de autoriteiten en instellingen van de lidstaten, NEMEN DE VOLGENDE RESOLUTIE AAN: De lidstaten wordt verzocht in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk de hand te houden aan de hiernavolgende gedragscode ter verbetering van de samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van grensoverschrijdende uitkerings- en premiefraude in de sociale zekerheid en zwartwerk, en op het gebied van de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers. A. DOEL EN WERKINGSSFEER VAN DE GEDRAGSCODE 1. Doel van de gedragscode is in gevallen waarbij ten minste twee lidstaten betrokken zijn de samenwerking tussen de bevoegde overheidsinstanties en instellingen ("instanties") van de lidstaten te verbeteren bij de bestrijding van socialezekerheidsfraude en zwartwerk en op het gebied van de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers. 2. In deze gedragscode wordt verstaan onder: a) "socialezekerheidsfraude": het handelen of nalaten te handelen teneinde socialezekerheidsuitkeringen te verkrijgen of te ontvangen, of zich te onttrekken aan de verplichting om socialezekerheidspremies te betalen, een en ander in strijd met de nationale wetgeving van een lidstaat; b) "zwartwerk": alle betaalde werkzaamheden die wat hun aard betreft wettig zijn, maar niet in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk worden gemeld. De definitie van zwartwerk mag in geen geval restrictiever zijn dan die van de in elke lidstaat van toepassing zijnde wetgeving; c) "grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers": arbeid waarbij een werkgever in een lidstaat werknemers ter beschikking stelt om bij een werkgever in een andere lidstaat diensten te verrichten terwijl de arbeidsverhouding van de werknemers met hun werkgever blijft bestaan; deze gedragscode mag niet in die zin uitgelegd worden dat de terbeschikkingstelling van werknemers wordt toegestaan in lidstaten waar het nationale recht dit verbiedt. B. CONCRETE AFSPRAKEN INZAKE ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING EN BIJSTAND 1. De lidstaten wordt verzocht de volgende stappen te doen en, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, de volgende procedures aan te nemen ter verbetering van de samenwerking tussen de bevoegde instanties bij de bestrijding van socialezekerheidsfraude en zwartwerk en bij de toetsing of aan de vereisten en voorwaarden voor de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers is voldaan: a) rechtstreeks contact tussen bevoegde instanties in het kader van de samenwerking; b) aanwijzing van nationale verbindingsbureaus in de lidstaten om de samenwerking te vergemakkelijken en kennisgeving hiervan aan de andere lidstaten en de Commissie; er behoeven voor dit doel geen nieuwe structuren opgezet te worden; c) toezending van alle verzoeken om samenwerking aan de bevoegde instantie van een lidstaat; de verzoekende instantie van de andere lidstaat wordt daarvan in kennis gesteld; d) het wederzijds verstrekken van administratieve bijstand door de bevoegde instanties van de lidstaten, in het bijzonder in de vorm van het verstrekken van inlichtingen en de toezending van documenten. 2. Met betrekking tot de toezending van inlichtingen wordt de lidstaten verzocht de samenwerking tussen de bevoegde instanties te bevorderen, met name door te voldoen aan met redenen omklede verzoeken van instanties uit andere lidstaten om informatie betreffende socialezekerheidsuitkeringen en -premies, vermoed zwartwerk en grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers. Bij de toezending van informatie moeten de betrokken lidstaten steeds alle nationale en communautaire wetgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens toepassen. 3. Wat de controle van bewijsstukken betreft, worden de lidstaten aangemoedigd elkaar, in geval van twijfel in overeenstemming met de nationale wetgeving en praktijk, administratieve bijstand te verlenen bij de controle van de echtheid van bewijsstukken die betrekking hebben op de omstandigheden die van belang zijn voor de gebieden die onder deze gedragscode vallen. 4. Voor de verzending van documenten geldt het volgende: a) documenten die betrekking hebben op gevallen van socialezekerheidsfraude, zwartwerk en de grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers mogen rechtstreeks via de post toegezonden worden; b) de instantie die via de post een document heeft toegezonden, wordt verzocht de verzoekende instantie een door haar zelf opgesteld toezendingsbewijs of een door de geadresseerde persoonlijk te ondertekenen ontvangstbewijs, waarop plaats en datum van ontvangst worden vermeld, te doen toekomen. C. FOLLOW-UP VAN DE RESOLUTIE De lidstaten wordt verzocht de Commissie op de hoogte te houden van de maatregelen die zij nemen ter uitvoering van deze resolutie. (1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 307/1999 (PB L 38 van 12.2.1999, blz. 1). (2) PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1. (3) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.