|
4.8.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/13 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2023/1595 VAN DE COMMISSIE
van 3 augustus 2023
tot aanvaarding van een verzoek om behandeling als nieuwe producent-exporteur met betrekking tot de definitieve antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van tafel- en keukengerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 van de Commissie van 12 juli 2019 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op tafel- en keukengerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China (2), en met name artikel 2,
Overwegende hetgeen volgt:
A. GELDENDE MAATREGELEN
|
(1) |
Op 13 mei 2013 heeft de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 412/2013 (“de oorspronkelijke verordening”) een definitief antidumpingrecht ingesteld op tafel- en keukengerei van keramiek (“het betrokken product”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC”) dat in de Unie wordt ingevoerd (3). |
|
(2) |
Op 12 juli 2019 heeft de Commissie, na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening de bij de oorspronkelijke verordening ingestelde maatregelen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 met nog eens vijf jaar verlengd. |
|
(3) |
Op 28 november 2019 heeft de Commissie, na een onderzoek naar ontwijking op grond van artikel 13, lid 3, van de basisverordening, Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2131 (4). |
|
(4) |
In het kader van het oorspronkelijke onderzoek was overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef van de producenten-exporteurs in de VRC samengesteld. |
|
(5) |
De Commissie had voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uit de VRC individuele antidumpingrechten variërend van 13,1 % tot 18,3 % op tafel- en keukengerei van keramiek ingesteld. Voor de medewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, werd een recht van 17,9 % ingesteld. Bijlage 1 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2131 bevat een lijst van niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs. Voorts werd een voor het gehele land geldend recht van 36,1 % ingesteld op het betrokken product afkomstig van ondernemingen in de VRC die zich niet kenbaar hadden gemaakt of die niet aan het onderzoek hadden meegewerkt. |
|
(6) |
Volgens artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 kan bijlage 1 bij die verordening worden gewijzigd door aan een nieuwe producent-exporteur het recht toe te kennen dat van toepassing is op de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen, te weten het gewogen gemiddeld recht van 17,9 %, wanneer die nieuwe producent-exporteur in de VRC ten genoegen van de Commissie aantoont dat:
|
B. VERZOEK OM BEHANDELING ALS NIEUWE PRODUCENT-EXPORTEUR
|
(7) |
De onderneming Chaozhou Jingmei Craft Products Co., Ltd (“Jingmei” of “de indiener van het verzoek”) heeft bij de Commissie een verzoek ingediend om behandeling als nieuwe producent-exporteur (BNPE) en bijgevolg om toepassing van het recht dat geldt voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen in de VRC, namelijk 17,9 %. De indiener van het verzoek voldeed naar eigen zeggen aan alle drie de voorwaarden van artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 (“de BNPE-voorwaarden”). |
|
(8) |
Om te bepalen of de indiener van het verzoek aan de BNPE-voorwaarden voldeed, heeft de Commissie de indiener van het verzoek eerst een vragenlijst toegezonden met het verzoek om aan te tonen dat hij aan die voorwaarden voldeed. |
|
(9) |
Na de antwoorden op de vragenlijst te hebben geanalyseerd, heeft de Commissie om verdere informatie en bewijsmateriaal verzocht, die door de indiener van het verzoek werden verstrekt. |
|
(10) |
De Commissie heeft alle gegevens gecontroleerd die zij nodig achtte om vast te stellen of de indiener van het verzoek aan de BNPE-voorwaarden voldeed. Daartoe heeft de Commissie het bewijsmateriaal geanalyseerd dat de indiener van het verzoek in zijn antwoorden op de vragenlijst en in de schriftelijke antwoorden tot het verstrekken van ontbrekende gegevens heeft verstrekt, en heeft diverse onlinedatabanken geraadpleegd, waaronder Orbis (5), D&B (6), Qichacha, Aiqicha, Baidu (7), de Alibaba-website van het bedrijf en andere openbaar beschikbare bronnen. Tegelijkertijd heeft de Commissie de bedrijfstak van de Unie ook geïnformeerd over het verzoek van de indiener van het verzoek en hem verzocht indien nodig opmerkingen te maken. De bedrijfstak van de Unie heeft opmerkingen ingediend die in aanmerking zijn genomen. |
C. ANALYSE VAN HET VERZOEK
|
(11) |
Met betrekking tot de in artikel 2, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 vermelde voorwaarde dat de indiener van het verzoek het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak waarop de maatregelen zijn gebaseerd, d.w.z. van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (“het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek”), niet naar de Unie heeft uitgevoerd, heeft de Commissie tijdens het onderzoek vastgesteld dat de indiener van het verzoek toentertijd het betrokken product niet uitvoerde. |
|
(12) |
De indiener van het verzoek is een onderneming die in 1993 is opgericht, maar waarvan is vastgesteld dat hij het betrokken product slechts eenmaal naar de Unie heeft uitgevoerd — een indirecte verkoop aan een koper in de EU — in 2012, dus na het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek, toen de indiener van het verzoek verkocht aan een Australische handelaar, die deze bestelling evenwel meteen verzond naar de Ierse eindafnemer (Dublin, Ierland). Deze indirecte verkoop werd bevestigd door de verzendingsdocumenten en andere overgelegde documenten. Aangezien deze Australische handelaar een belangrijke afnemer van de indiener van het verzoek was en de Commissie de mogelijkheid wilde uitsluiten dat enige andere dergelijke indirecte verkoop via deze Australische handelaar tijdens het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek zou hebben plaatsgevonden, verzocht zij om overlegging van de volledige documentatie van alle transacties van Jingmei met deze Australische handelaar in 2011. Er werd onder deze transacties geen bewijs gevonden voor een indirecte verkoop in de EU. |
|
(13) |
De Commissie heeft ook alle relevante boekhoudbescheiden van de indiener van het verzoek voor het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek gecontroleerd, met inbegrip van winst- en verliesrekeningen, btw-aangiften, verkoopboeken, verkoopregisters, subgrootboeken van de belangrijkste bedrijfsinkomsten, te betalen subgrootboeken van de Australische handelaar en het Golden Tax System. Deze werden allemaal gecontroleerd aan de hand van videobestanden, screenshots, foto’s van fysieke boekhoudboeken en directe opvragingen uit IT-systemen, waarbij de gerapporteerde cijfers met elkaar in overeenstemming werden gebracht. Bij geen van deze controles is uitvoer naar de Unie in 2011 aan het licht gekomen. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat de indiener van het verzoek, door alle gevraagde zeer gedetailleerde informatie te verstrekken die consistent, volledig en duidelijk bleek te zijn, had aangetoond dat hij in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek niet naar de Unie had uitgevoerd. |
|
(14) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de indiener van het verzoek voldoet aan de voorwaarde van artikel 2, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198. |
|
(15) |
Met betrekking tot de in artikel 2, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 vermelde voorwaarde dat de indiener van het verzoek niet verbonden is met een producent-exporteur die het betrokken product in het oorspronkelijke onderzoektijdvak naar de Unie heeft uitgevoerd, heeft de Commissie tijdens het onderzoek vastgesteld dat Jingmei niet verbonden is met een producent-exporteur in de VRC voor wie de antidumpingmaatregelen gelden. In het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek had de indiener van het verzoek drie aandeelhouders, waaronder twee natuurlijke personen. Geen van de natuurlijke personen bleek verbonden te zijn met Chinese producenten-exporteurs op wie de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. De derde aandeelhouder — een rechtspersoon — bleek niet in het betrokken product te handelen of verbonden te zijn met een Chinese onderneming waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. In 2017 was er sprake van een wijziging in het aandeelhouderschap van de indiener van het verzoek, toen bovengenoemde rechtspersoon en een van de twee natuurlijke personen hun aandelen verkochten aan een nieuwe aandeelhouder, die algemeen directeur van de indiener van het verzoek werd. Deze aandeelhouderssituatie bleef tot op heden ongewijzigd, met twee aandeelhouders, natuurlijke personen. De nieuwe aandeelhouder is ook bestuurder van een holding genaamd Guangdong Green Sunshine Tourism Co. Ltd, die 6,87 % van de aandelen van deze onderneming bezit. Deze holding is niet actief in verband met het betrokken product. Volgens Qichacha is een van haar aandeelhouders die 0,41 % van de aandelen bezit, echter tegelijkertijd aandeelhouder en bestuurder van Chaozhou Chenhui Ceramics, een Chinese producent die onderworpen is aan de thans geldende antidumpingmaatregelen. Aangezien deze relatie zeer indirect is en ver onder de drempel van 5 % (slechts 0,41 %) ligt, heeft de Commissie geen relatie vastgesteld tussen de huidige aandeelhouders zoals gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (8). Bijgevolg voldeed de indiener van het verzoek aan het tweede criterium. |
|
(16) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de indiener van het verzoek voldoet aan de voorwaarde van artikel 2, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198. |
|
(17) |
Met betrekking tot de in artikel 2, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 vermelde voorwaarde dat de indiener van het verzoek het betrokken product na het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid van dit product naar de Unie uit te voeren, heeft de Commissie tijdens het onderzoek vastgesteld dat de indiener van het verzoek in 2012, dus na het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek, inderdaad eenmalig producten naar de Unie (Ierland) heeft uitgevoerd. Dit was een indirecte verkoop aan een koper in de Unie, omdat de indiener van het verzoek verkocht aan een Australische handelaar, die de bestelling rechtstreeks naar de eindafnemer in Dublin (Ierland) verzond. In verband met deze transactie werd volledige documentatie verstrekt, met inbegrip van bestelling, factuur, verzendingsdocumenten en bankbetalingen, en de informatie werd via deze en andere documenten van de aanvraag gecontroleerd. Bijgevolg voldeed de indiener van het verzoek aan het derde criterium. |
|
(18) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de indiener van het verzoek voldoet aan de voorwaarde van artikel 2, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198. |
|
(19) |
Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat de indiener van het verzoek aan alle drie de voorwaarden van artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 voor een BNPE voldoet, zodat het verzoek moet worden aanvaard. Voor de indiener van het verzoek moet dan ook het antidumpingrecht van 17,9 % voor de niet in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen medewerkende ondernemingen gelden. |
D. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(20) |
De indiener van het verzoek en de bedrijfstak van de Unie zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het passend werd geacht het antidumpingrecht dat van toepassing is op de niet in de steekproef van het oorspronkelijke onderzoek opgenomen medewerkende ondernemingen aan Chaozhou Jingmei Craft Products Co., Ltd toe te kennen. |
|
(21) |
De partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen. Er werden geen opmerkingen ontvangen. |
|
(22) |
De verordening is in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De volgende onderneming wordt toegevoegd aan de lijst van niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen in bijlage 1 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2131:
|
Onderneming |
Aanvullende Taric-code |
|
Chaozhou Jingmei Craft Products Co., Ltd |
C933 |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 augustus 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) PB L 189 van 15.7.2019, blz. 8.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 412/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op keuken- en tafelgerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 131 van 15.5.2013, blz. 1).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2131 van de Commissie van 28 november 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1198 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op tafel- en keukengerei van keramiek van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 321 van 12.12.2019, blz. 139).
(5) Orbis is een wereldwijde verstrekker van bedrijfsinformatie over meer dan 220 miljoen bedrijven over de hele wereld, hoofdzakelijk van gestandaardiseerde informatie over particuliere ondernemingen en bedrijfsstructuren.
(6) Dun & Bradstreet (D&B) biedt bedrijven commerciële gegevens, analyses en inzichten over particuliere ondernemingen en bedrijfsstructuren.
(7) Qichacha, Aiqicha en Baidu zijn particuliere winstgerichte databanken in Chinese handen, die aan consumenten/beroepsbeoefenaars bedrijfsgegevens, kredietinformatie en analyses over in China gevestigde particuliere en openbare ondernemingen verstrekken.
(8) In artikel 127 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558) (het EU-douanewetboek) is bepaald dat twee personen worden geacht verbonden te zijn indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan: a) zij zijn functionaris of directeur in de onderneming van de andere persoon; b) zij worden door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden; c) zij zijn werkgever en werknemer; d) een derde partij bezit, heeft zeggenschap over, of houdt direct of indirect 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden; e) één van hen heeft direct of indirect zeggenschap over de ander; f) een derde persoon heeft direct of indirect zeggenschap over beiden; g) beiden hebben direct of indirect zeggenschap over een derde persoon, of h) zij behoren tot dezelfde familie. Personen die in zaken zijn verbonden doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, hoedanig ook aangeduid, van de ander is, worden enkel geacht verbonden te zijn indien zij aan een van de criteria zoals hierboven bedoeld beantwoorden.