|
1.8.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 193/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/1577 VAN DE COMMISSIE
van 20 april 2023
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico of grondstoffenrisico is verbonden, en de behandeling van die posities ten behoeve van de wettelijke backtestingvereisten en het vereiste inzake de toeschrijving van winsten en verliezen in het kader van de alternatieve internemodellenbenadering
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 325, lid 9, derde alinea, artikel 325 novoquinquagies, lid 9, derde alinea, en artikel 325 sexagies, lid 4, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Gezien de verschillende waardemaatstaven die van toepassing zijn op posities in de niet-handelsportefeuille, moet worden gespecificeerd of instellingen de boekwaarde dan wel de reële waarde van die posities moeten gebruiken als basis voor de berekening, overeenkomstig de alternatieve standaardbenadering of de alternatieve internemodellenbenadering van respectievelijk deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis en hoofdstuk 1 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013, van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico, een grondstoffenrisico of beide verbonden zijn. |
|
(2) |
Aangezien de waarde van posities in de niet-handelsportefeuille niet alleen door marktrisicofactoren wordt bepaald, mag van instellingen niet worden verlangd dat zij voor de berekening van eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico in het kader van de alternatieve standaardbenadering een dagelijkse waardering van die posities verrichten. In plaats daarvan moeten instellingen in de waarde van de posities die als basis voor de berekening worden gebruikt, alleen die veranderingen weergeven die verband houden met de wisselkoersrisicocomponenten van die posities. |
|
(3) |
Om consistentie met de boekhoudpraktijken te waarborgen, moeten instellingen de laatst beschikbare boekwaarde van een positie in de niet-handelsportefeuille gebruiken als basis voor de berekening van het eigenvermogensvereiste voor wisselkoersrisico in overeenstemming met de alternatieve standaardbenadering. De reële waarde van die posities wordt echter ook beschouwd als een geschikte basis voor de berekening van de eigenvermogensvereisten. Daarom moet het instellingen worden toegestaan de reële waarde in plaats van de laatste beschikbare boekwaarde als basis voor die berekening te gebruiken indien zij ten minste elk kwartaal al hun posities in de niet-handelsportefeuille tegen reële waarde waarderen. |
|
(4) |
Om mogelijke verkeerde voorstellingen van het wisselkoersrisico in de niet-handelsportefeuille te beperken, moet de regelmaat waarmee instellingen de basis voor de weergave van de veranderingen in de wisselkoersrisicofactoren moeten actualiseren, maandelijks zijn. Die frequentie is evenredig, met name in vergelijking met de dagelijkse frequentie waarmee instellingen de wisselkoersrisicofactoren volgens de alternatieve internemodellenbenadering moeten actualiseren. |
|
(5) |
Aangezien sommige valutaposities in de niet-handelsportefeuille kunnen voortvloeien uit niet-monetaire posten waarvan de waarde niet op elke rapportagedatum wordt geactualiseerd om veranderingen in de wisselkoers weer te geven, moet worden voorzien in een specifieke behandeling om de berekening van de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico voor die posten te harmoniseren overeenkomstig de op gevoeligheden gebaseerde methode van deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. |
|
(6) |
Overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen zijn instellingen in het algemeen verplicht hun financiële instrumenten met grondstoffenrisico te meten tegen reële waarde voor de berekening van eigenvermogensvereisten. Wanneer een instelling fysiek echter een grondstof aanhoudt en de reële waarde van die positie niet voor boekhouddoeleinden gebruikt, moet de reële waarde van die positie worden gebruikt als basis voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico, aangezien daarmee een nauwkeurige en eenvoudige toepassing van de alternatieve standaardbenadering wordt gewaarborgd. Daarnaast zijn instellingen dankzij het gebruik van de reële waarde als basis in staat om afdekkingen en diversificatie-effecten tussen de posities in de niet-handelsportefeuille en de posities in de handelsportefeuille nauwkeurig in rekening te brengen. Die basis moet maandelijks worden geactualiseerd, waarbij moet worden gezorgd voor een evenredige aanpak, met name in vergelijking met de dagelijkse frequentie waarmee instellingen de wisselkoersrisicofactoren in het kader van de alternatieve internemodellenbenadering moeten actualiseren. |
|
(7) |
Het overkoepelende regelgevingskader voor de waardering van posities in de niet-handelsportefeuille waaraan wisselkoers- of grondstoffenrisico is verbonden in het kader van de alternatieve internemodellenbenadering, moet worden afgestemd op het regelgevingskader in volgens de alternatieve standaardbenadering, omdat er mogelijk tradingafdelingen zijn waarvan de posities worden gekapitaliseerd met behulp van de alternatieve standaardbenadering in het ene kwartaal en de alternatieve internemodellenbenadering in het andere kwartaal. Er moet echter worden bepaald dat de alternatieve internemodellenbenadering, anders dan de alternatieve standaardbenadering, de berekening van dagelijkse cijfers vereist. |
|
(8) |
Ten behoeve van de vereisten inzake backtesting en toeschrijving van winsten en verliezen als bedoeld in de artikelen 325 novoquinquagies en 325 sexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 in het kader van de alternatieve internemodellenbenadering, moet worden gespecificeerd hoe instellingen de feitelijke en hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille moeten berekenen, in het bijzonder met betrekking tot de waarde van hun posities in de niet-handelsportefeuille. Om rekening te houden met specifieke kenmerken van posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico is verbonden, moet derhalve worden gespecificeerd hoe Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2059 van de Commissie (2) voor die posities moet worden toegepast. |
|
(9) |
Om te zorgen voor consistentie met de reikwijdte van de risico’s die in het risicometingsmodel zijn opgenomen, mogen de feitelijke en hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille over het algemeen alleen de veranderingen met betrekking tot marktrisicofactoren weerspiegelen. Aangezien het echter een uitdaging kan zijn om veranderingen met betrekking tot wisselkoers- en grondstoffenrisico te onderscheiden voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een grondstoffenrisico is verbonden, en posities in de niet-handelsportefeuille die niet lineair veranderen met schommelingen in de wisselkoers, moet het instellingen worden toegestaan om in de feitelijke en hypothetische veranderingen in de waarde van de portefeuille de veranderingen weer te geven met betrekking tot alle componenten die de waarde van die posities in de niet-handelsportefeuille bepalen. |
|
(10) |
De bepalingen van deze verordening zijn onderling nauw met elkaar verbonden aangezien zij allemaal betrekking hebben op de behandeling van posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico, een grondstoffenrisico of beide verbonden zijn. Ter wille van de samenhang tussen die bepalingen, die tegelijkertijd in werking moeten treden, en om personen op wie de daarin vastgestelde verplichtingen van toepassing zijn, vlottere toegang tot die bepalingen en een volledig beeld daarvan te bieden, is het raadzaam al die bepalingen in één enkele verordening op te nemen. |
|
(11) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd. |
|
(12) |
De Europese Bankautoriteit heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen om advies verzocht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, in overeenstemming met de alternatieve standaardbenadering
1. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, gebruiken de instellingen als basis de laatst beschikbare boekwaarde van die posities.
2. In afwijking van lid 1 mogen instellingen de laatste beschikbare reële waarde gebruiken van een positie in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, mits zij al hun posities in de niet-handelsportefeuille ten minste op kwartaalbasis tegen reële waarde waarderen. Wanneer instellingen van deze afwijking gebruikmaken, passen zij deze consequent toe op alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico is verbonden.
3. Instellingen actualiseren de laatste beschikbare waarde die overeenkomstig de leden 1 en 2 als basis wordt gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico, ten minste maandelijks, door de veranderingen in de waarde van de wisselkoersrisicofactoren weer te geven.
4. Instellingen vermelden de valuta waarin de post luidt, als de valuta waarvan de depreciatie ten opzichte van hun rapportagevaluta zou leiden tot de grootste bijzondere waardevermindering van de post, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de post wordt niet gewaardeerd tegen reële waarde; |
|
b) |
de post is onderworpen aan het risico van bijzondere waardevermindering als gevolg van wisselkoersrisico; |
|
c) |
de boekwaarde van de post wordt niet op elke rapportagedatum geactualiseerd om de veranderingen in wisselkoers tussen de vreemde valuta en de rapportagevaluta weer te geven. |
Indien instellingen de eigenvermogensvereisten voor marktrisico op geconsolideerde basis berekenen, vermelden zij de valuta waarin de post luidt, als de rapportagevaluta van de instelling die deze post in haar individuele jaarrekening opneemt, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de post wordt niet gewaardeerd tegen reële waarde; |
|
b) |
de post is onderworpen aan het risico van bijzondere waardevermindering als gevolg van wisselkoersrisico; |
|
c) |
de rapportagevaluta van de instelling verschilt van de rapportagevaluta van de instelling die de post in haar individuele jaarrekening opneemt; |
|
d) |
de boekwaarde van de post wordt niet op elke rapportagedatum geactualiseerd om de veranderingen in wisselkoers tussen de vreemde valuta en de rapportagevaluta van de instelling die de post in haar individuele jaarrekening opneemt, weer te geven. |
5. De waarde van de overeenkomstig artikel 325 novodecies, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende wisselkoersdeltarisicogevoeligheid die overeenstemt met de in lid 4 van dit artikel bedoelde posten, is gelijk aan de waarde van die posten in de overeenkomstig dat lid vastgestelde valuta waarin de post luidt, vermenigvuldigd met de contante wisselkoers tussen de valuta waarin de post luidt, en de rapportagevaluta van de instelling.
Artikel 2
Berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, in overeenstemming met de alternatieve standaardbenadering
Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een grondstoffenrisico is verbonden, volgens de op gevoeligheden gebaseerde methode overeenkomstig deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, gebruiken de instellingen als basis de laatst beschikbare reële waarde van die posities.
Instellingen waarderen deze posities ten minste maandelijks tegen reële waarde.
Artikel 3
Berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, in overeenstemming met de alternatieve internemodellenbenadering
1. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, volgens de alternatieve internemodellenbenadering bedoeld in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 ter, van Verordening (EU) nr. 575/2013, gebruiken de instellingen als basis de laatst beschikbare boekwaarde van die posities.
2. In afwijking van lid 1 mogen instellingen de laatste beschikbare reële waarde gebruiken van een positie in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, mits zij al hun posities in de niet-handelsportefeuille ten minste op kwartaalbasis tegen reële waarde waarderen. Wanneer instellingen van deze afwijking gebruikmaken, passen zij deze consequent toe op alle niet-handelsportefeuilleposities waaraan een wisselkoersrisico is verbonden.
3. Instellingen actualiseren de laatste beschikbare waarde die overeenkomstig de leden 1 en 2 als basis wordt gebruikt voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor wisselkoersrisico, dagelijks, door de veranderingen in de waarde van de wisselkoersrisicofactoren weer te geven.
4. Wanneer instellingen de laatste beschikbare waarde van een positie in de niet-handelsportefeuille dagelijks actualiseren, actualiseren zij de waarde van alle risicofactoren voor een positie waarvoor zij gebruik hebben gemaakt van de in artikel 5, lid 1, tweede alinea, vastgestelde afwijking.
5. Bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde expected shortfall-risicomaatstaf en de in artikel 325 quatersexagies van die verordening bedoelde stressscenariorisicomaatstaf met betrekking tot posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoersrisico is verbonden, passen instellingen scenario’s van toekomstige schokken of extreme scenario’s van toekomstige schokken respectievelijk alleen toe op risicofactoren die behoren tot de brede risicofactorcategorie voor wisselkoersrisico als bedoeld in artikel 325 septquinquagies, lid 1, van die verordening.
6. Instellingen houden in hun risicometingsmodel rekening met het risico van bijzondere waardevermindering als gevolg van veranderingen in de desbetreffende wisselkoersen die zich voordoen bij posten waaraan dat risico is verbonden, indien die posten niet tegen reële waarde worden gewaardeerd en hun boekhoudwaarden niet op elke rapportagedatum worden geactualiseerd om veranderingen in wisselkoersen weer te geven tussen de vreemde valuta en de rapportagevaluta van de instelling die de post in haar individuele jaarrekening opneemt.
Artikel 4
Berekening van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een grondstoffenrisico of een grondstoffen- en wisselkoersrisico is verbonden, in overeenstemming met de alternatieve internemodellenbenadering
1. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een grondstoffenrisico of een grondstoffen- en wisselkoersrisico is verbonden, volgens de alternatieve internemodellenbenadering bedoeld in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 ter, van Verordening (EU) nr. 575/2013, gebruiken de instellingen als basis de laatst beschikbare reële waarde van die posities. instellingen waarderen deze posities dagelijks tegen reële waarde.
2. Met betrekking tot posities in de niet-handelsportefeuille waaraan alleen een grondstoffenrisico is verbonden, passen instellingen bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde expected shortfall-risicomaatstaf en de in artikel 325 quatersexagies van die verordening bedoelde stressscenariorisicomaatstaf scenario’s van toekomstige schokken of extreme scenario’s van toekomstige schokken respectievelijk alleen toe op risicofactoren die behoren tot de brede risicofactorcategorie voor grondstoffenrisico als bedoeld in artikel 325 septquinquagies, lid 1, van die verordening.
3. Met betrekking tot posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een grondstoffenrisico en wisselkoersrisico is verbonden, passen instellingen bij de berekening van de in artikel 325 quinquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde expected shortfall-risicomaatstaf of de in artikel 325 quatersexagies van die verordening bedoelde stressscenariorisicomaatstaf scenario’s van toekomstige schokken of extreme scenario’s van toekomstige schokken respectievelijk toe op de risicofactoren die behoren tot de brede risicofactorcategorieën voor grondstoffen- of wisselkoersrisico als bedoeld in artikel 325 septquinquagies, lid 1, van die verordening.
Artikel 5
Berekening van de hypothetische en feitelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille met betrekking tot posities in de niet-handelsportefeuille waaraan een wisselkoers- of grondstoffenrisico of een grondstoffen- en wisselkoersrisico is verbonden, in overeenstemming met artikel 325 novoquinquagies en artikel 325 sexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013
1. In afwijking van de artikelen 1 tot en met 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2059 berekenen instellingen die de hypothetische en de feitelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille als bedoeld in de artikelen 325 novoquinquagies en 325 sexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekenen met betrekking tot een positie in de niet-handelsportefeuille waaraan wisselkoersrisico is verbonden, de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille aan het einde van de dag volgend op de berekening van de in artikel 325 novoquinquagies van die verordening bedoelde VaR-waarde, door gebruik te maken van de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille aan het einde van de voorgaande dag en door de component die het wisselkoersrisico van die positie weergeeft, te actualiseren.
Indien de waarde van een positie in de niet-handelsportefeuille niet lineair verandert met bewegingen in een wisselkoers waaraan zij onderworpen is, mogen instellingen de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille berekenen aan het einde van de dag volgend op de berekening van de VaR-waarde als bedoeld in artikel 325 novoquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013, door gebruik te maken van de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille aan het einde van de voorgaande dag en door alle componenten die de instelling gebruikt om die positie in de niet-handelsportefeuille te waarderen, te actualiseren.
In het geval van de tweede alinea passen instellingen deze consequent toe op alle posities in de tradingafdeling die niet lineair veranderen met bewegingen in een wisselkoers waaraan die posities onderworpen zijn.
2. In afwijking van de artikelen 1 tot en met 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2059 berekenen instellingen die de hypothetische en de feitelijke veranderingen in de waarde van de portefeuille als bedoeld in de artikelen 325 novoquinquagies en 325 sexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekenen met betrekking tot een positie in de niet-handelsportefeuille waaraan wisselkoersrisico is verbonden, de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille aan het einde van de dag volgend op de berekening van de in artikel 325 novoquinquagies van die verordening bedoelde VaR-waarde, door gebruik te maken van een van de volgende methoden:
|
a) |
instellingen gebruiken de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille aan het einde van de voorgaande dag en actualiseren alleen de componenten die het wisselkoers- en grondstoffenrisico weergeven; |
|
b) |
instellingen gebruiken de waarde van die positie in de niet-handelsportefeuille aan het einde van de voorgaande dag en actualiseren alle componenten die de instelling gebruikt om die positie in de niet-handelsportefeuille te waarderen. |
In het geval van de eerste alinea passen instellingen deze consequent toe op alle posities in de tradingafdeling waaraan grondstoffenrisico is verbonden.
3. De instellingen passen de leden 1 en 2 alleen toe op posities in de niet-handelsportefeuille die in de portefeuille zijn opgenomen op de dag van de berekening van de in artikel 325 novoquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde VaR-waarde alsmede in de portefeuille op de dag volgend op de berekening van die VaR-waarde.
Artikel 6
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 april 2023.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/2059 van de Commissie van 14 juni 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de technische details van de vereisten inzake backtesting en toeschrijving van winsten en verliezen op grond van de artikelen 325 novoquinquagies en 325 sexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 (PB L 276 van 26.10.2022, blz. 47).
(3) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).