19.4.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 104/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2023/827 VAN DE COMMISSIE

van 11 oktober 2022

tot vaststelling van technische reguleringsnormen tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 wat betreft de voorafgaande toestemming om eigen vermogen te verminderen en de vereisten met betrekking tot in aanmerking komende passiva-instrumenten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 28, lid 5, derde alinea, artikel 29, lid 6, derde alinea, artikel 52, lid 2, derde alinea, artikel 72 ter, lid 7, vierde alinea, artikel 76, lid 4, derde alinea, artikel 78, lid 5, derde alinea, artikel 78 bis, lid 3, vierde alinea, en artikel 79, lid 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft de terminologie in een aantal artikelen van Verordening (EU) nr. 575/2013 gewijzigd. Die wijzigingen moeten tot uiting komen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie (3), die technische reguleringsnormen bevat voor eigenvermogensvereisten voor instellingen.

(2)

Verordening (EU) 2019/876 heeft in Verordening (EU) nr. 575/2013 nieuwe vereisten ingevoegd voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor mondiaal systeemrelevante instellingen (“MSI’s”) en voor dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI’s, alsmede geharmoniseerde criteria voor in aanmerking komende passivabestanddelen en -instrumenten om aan die vereisten te voldoen. Verordening (EU) 2019/876 heeft in Verordening (EU) nr. 575/2013 ook artikel 72 ter, lid 7, en artikel 78 bis, lid 3 ingevoegd, die de Europese Bankautoriteit (“EBA”) verplichten ontwerpen van technische reguleringsnormen te ontwikkelen om bepaalde criteria voor het in aanmerking komen van in aanmerking komende passiva-instrumenten nader te bepalen, alsmede de regeling met toestemming voor het verminderen van die instrumenten. Met de eigenvermogensvereisten voor instellingen en de nieuwe vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva wordt dezelfde doelstelling nagestreefd: ervoor zorgen dat instellingen over voldoende verliesabsorptiecacapaciteit beschikken. Om die reden zijn de normen voor eigenvermogensinstrumenten en de normen voor in aanmerking komende passiva-instrumenten onderling nauw verbonden, en met name waar Verordening (EU) nr. 575/2013 uitdrukkelijk voorschrijft dat die normen volledig op elkaar zijn afgestemd. Om coherentie en consistentie tussen de normen voor eigenvermogensinstrumenten en die voor in aanmerking komende passiva-instrumenten te garanderen, en om personen op wie die normen van toepassing zijn, een omvattend beeld en een compacte toegang tot die normen te bieden, is het passend om de normen voor in aanmerking komende passiva-instrumenten op te nemen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014.

(3)

De vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva in zowel Verordening (EU) nr. 575/2013 als Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) hebben dezelfde doelstelling gemeen: ervoor zorgen dat instellingen over voldoende verliesabsorptiecapaciteit beschikken. Daarom heeft Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad (5) in Richtlijn 2014/59/EU artikel 45 ter, lid 1, ingevoegd, waarmee — voor alle af te wikkelen entiteiten — de criteria voor in aanmerking komende passiva-instrumenten werden uitgebreid tot passiva die in aanmerking komen om te voldoen aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL), met uitzondering van het in artikel 72 ter, lid 2, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde criterium. Wat betreft af te wikkelen entiteiten die entiteiten van MSI’s en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI’s in de Unie zijn, is met Richtlijn (EU) 2019/879 artikel 45 quinquies ingevoegd in Richtlijn 2014/59/EU. Volgens lid 1, punt a), en lid 2, punt a), van dat artikel, beide gelezen in samenhang met artikel 45 ter, lid 1, tweede alinea, is het feit of passiva al dan niet in aanmerking komen om aan het minimaal vereiste MREL-niveau te voldoen, afhankelijk van de vraag of die passiva voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor in aanmerking komende passiva-instrumenten. Die criteria vereisen onder meer dat de passiva niet direct of indirect door de instelling worden gefinancierd, dat de passiva alleen met voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit kunnen worden verminderd, en dat de passiva geen prikkel tot aflossing mogen bevatten, behalve in de in artikel 72 quater, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gevallen. Evenzo is, met betrekking tot entiteiten niet zijnde af te wikkelen entiteiten, met Richtlijn (EU) 2019/879 artikel 45 septies ingevoegd in Richtlijn 2014/59/EU. Lid 2, punt a), ii) en v), van dat artikel stelde de vraag of passiva in aanmerking komen afhankelijk van de inachtneming van bepaalde criteria voor in aanmerking komende passiva-instrumenten om in aanmerking te komen en van het vereiste dat de verkrijging van de eigendom van de passiva niet direct of indirect wordt gefinancierd door de entiteit die onder dat artikel valt. Daarom moet worden bepaald dat de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 met betrekking tot directe of indirecte financiering van in aanmerking komende passiva-instrumenten, de vorm en de aard van prikkels om af te lossen, en de voorafgaande toestemming om die instrumenten te verminderen ook consistent dienen te worden toegepast ten behoeve van artikel 45 ter, lid 1, en artikel 45 septies, lid 2, punt a), ii) en v), van Richtlijn 2014/59/EU. Om die consistentie te garanderen, moet de term “in aanmerking komende passiva-instrumenten” ook worden begrepen als een verwijzing naar “in aanmerking komende passiva” als bedoeld in artikel 45 ter en artikel 45 septies, lid 2, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU, ongeacht de resterende looptijd van die passiva, en moet de term “instelling” ook van toepassing zijn op alle entiteiten waarvoor overeenkomstig artikel 45, lid 1, van diezelfde richtlijn het MREL geldt.

(4)

Artikel 28, lid 1, punt b), artikel 52, lid 1, punt c), en artikel 63, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 stellen de vraag of eigenvermogensinstrumenten in aanmerking komen, afhankelijk van de vraag of die instrumenten direct of indirect door de instelling worden gefinancierd. Verordening (EU) 2019/876 heeft, door in Verordening (EU) nr. 575/2013 artikel 72 ter, lid 2, punt c), in te voegen, die voorwaarde uitgebreid tot in aanmerking komende passiva-instrumenten, met dien verstande dat, in lijn met de norm inzake de totale verliesabsorptiecapaciteit (“TLAC”), in aanmerking komende passiva-instrumenten niet direct of indirect door de af te wikkelen entiteit mogen worden gefinancierd. Artikel 72 ter, lid 7, eerste alinea, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 geeft de EBA de opdracht om ontwerpen van technische reguleringsnormen te ontwikkelen tot nadere bepaling van de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van in aanmerking komende passiva-instrumenten. Overeenkomstig artikel 72 ter, lid 7, tweede alinea, van diezelfde verordening moeten die ontwerpen van technische reguleringsnormen volledig worden afgestemd op de in artikel 28, lid 5, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gedelegeerde handeling, d.w.z. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. De bepalingen van die gedelegeerde verordening moeten dus ook van toepassing zijn op in aanmerking komende passiva-instrumenten.

(5)

Het criterium “directe en indirecte financiering” voor het al dan niet in aanmerking komen, belet de verwerving van de eigendom van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die direct of indirect door een instelling of een af te wikkelen entiteit worden gefinancierd. Zonder dat criterium zouden verliezen opnieuw bij die entiteiten komen te liggen, waardoor de verliesmitigatie die de instrumenten geacht worden te bieden, potentieel zou afnemen of worden geneutraliseerd. Het risico van dit soort negatieve feedback-loop bestaat ook binnen bankgroepen en af te wikkelen groepen, bijvoorbeeld in het kader van de uitgifte en plaatsing van instrumenten die in aanmerking komen om te voldoen aan het nieuwe MREL-vereiste uit artikel 45 septies van Richtlijn 2014/59/EU. De regels inzake directe en indirecte financiering van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten moeten dus de financieringsketens bestrijken die risico’s binnen een groep houden, ongeacht of bij die financieringsketens al dan niet een externe belegger betrokken is. Het is immers noodzakelijk situaties van circulaire concernfinanciering te bestrijken, om te vermijden dat de voorschriften inzake directe en indirecte financiering van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten zouden worden omzeild, een situatie die zich bijvoorbeeld zou kunnen voordien wanneer financiering wordt verschaft via dochterondernemingen van de instelling of de af te wikkelen entiteit of door andere entiteiten waarmee de instelling of de af te wikkelen entiteit onderlinge afhankelijkheden deelt. Daarom hoeft het niet zo te zijn dat de financiering door die instelling wordt verstrekt, om te concluderen dat kapitaalinstrumenten of passiva direct of indirect worden gefinancierd door de instelling die dergelijke instrumenten of passiva uitgeeft. Zodoende kan financiering ook als directe of indirecte financiering kwalificeren wanneer die financiering wordt verstrekt door een entiteit die is opgenomen in de prudentiële of boekhoudkundige consolidatiekring, het institutionele protectiestelsel of het netwerk van bij een centraal orgaan aangesloten instellingen waarvan de instelling deel uitmaakt, of het bereik van aanvullend toezicht op de instelling. Een en ander moet gelden, ongeacht of die andere entiteit deel uitmaakt van een andere af te wikkelen groep.

(6)

Verordening (EU) 2017/2401 van het Europees Parlement en de Raad (6) heeft de definitie van “overgebleven rentemarge” (excess spread) uit artikel 242 van Verordening (EU) nr. 575/2013 geschrapt. Aangezien artikel 12, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 die term gebruikt onder verwijzing naar artikel 242 van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet artikel 12, lid 3, van die gedelegeerde verordening worden gewijzigd door een definitie van de term “excess spread” rechtstreeks in dat artikel op te nemen.

(7)

Artikel 52, lid 1, punt g), en artikel 63, punt h), van Verordening (EU) nr. 575/2013 stellen de vraag of aanvullend tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten in aanmerking komen, afhankelijk van het ontbreken van enigerlei prikkel tot aflossing van de hoofdsom daarvan. Door artikel 72 ter, lid 2, punt g), in Verordening (EU) nr. 575/2013 in te voegen, heeft Verordening (EU) 2019/876 dat vereiste uitgebreid tot in aanmerking komende passiva-instrumenten, met dien verstande dat voor in aanmerking komende passiva-instrumenten prikkels om af te lossen zijn toegestaan in de in artikel 72 quater, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde gevallen. Die wijziging moet tot uiting komen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014.

(8)

Wat betreft indexinstrumenten, heeft Verordening (EU) 2019/876 in Verordening (EU) nr. 575/2013 artikel 76 ingevoegd. Dat artikel verruimde het toepassingsgebied van de door de bevoegde autoriteit te verlenen toestemming — waardoor een instelling mag uitgaan van een voorzichtige raming van de onderliggende blootstelling van de instelling met betrekking tot in indices opgenomen instrumenten — tot in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen. Die wijziging moet tot uiting komen in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014. De bepalingen in die verordening dat ramingen die worden gebruikt als alternatief voor de berekening van onderliggende blootstellingen met betrekking tot in indices opgenomen instrumenten “voldoende voorzichtig” moeten zijn en de betekenis van “in operationeel opzicht belastend” moeten dus worden gewijzigd, zodat deze ook van toepassing zijn op in aanmerking komende passiva-instrumenten.

(9)

Verordening (EU) 2019/876 heeft in Verordening (EU) nr. 575/2013 artikel 78, lid 1, tweede alinea, ingevoegd, waardoor bevoegde autoriteiten aan instellingen een algemene voorafgaande toestemming kunnen verlenen om hun eigen vermogen voor een vooraf bepaald bedrag en voor een beperkte periode te verminderen. Daarom moeten uit Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 voorafgaande voorwaarden en plafonds die van toepassing zijn op een voorafgaande toestemming ten behoeve van market-making, worden geschrapt, aangezien die voorafgaande voorwaarden en plafonds nu zijn opgenomen in de algemene regeling voor voorafgaande toestemming die in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vastgesteld.

(10)

De regeling voor voorafgaande toestemming om eigen vermogen te verminderen, zoals die in artikel 78 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vastgesteld, en die voor het verminderen van in aanmerking komende passiva-instrumenten, zoals die in artikel 78 bis van die verordening is vastgesteld, beogen beide de inachtneming van de reguleringsvereisten met betrekking tot eigen vermogen en tot eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en hebben een aantal vergelijkbare kenmerken. Daarom moeten de procedures worden gestandaardiseerd die bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten volgen voor zowel de algemene regeling inzake voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, en artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als voor andere toestemmingen waarvan sprake in die artikelen. Voorts moet, om ervoor te zorgen dat de specifieke aspecten van voorafgaande toestemmingen in aanmerking worden genomen en om ervoor te zorgen dat die toestemmingen correct worden gebruikt voor de specifieke doelstellingen ervan, worden bepaald dat bevoegde autoriteiten en afwikkelingsautoriteiten moeten worden verplicht om de periode te vermelden waarvoor een voorafgaande toestemming niet zijnde een algemene voorafgaande toestemming wordt verleend, en moet ook een maximumduur voor die periode worden bepaald.

(11)

Artikel 78, lid 1, tweede alinea, en artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 schrijven voor dat de algemene voorafgaande toestemming voor het verminderen van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt verleend voor een bepaalde periode die niet meer dan één jaar mag bedragen. Een aanvraag voor de vernieuwing van een nog niet verlopen algemene voorafgaande toestemming hoeft niet dezelfde mate van onderzoek of interactie tussen autoriteiten te vergen als de aanvraag voor de oorspronkelijke toestemming indien de instelling niet heeft gevraagd om een verhoging van het vooraf bepaalde bedrag dat is vastgesteld toen de oorspronkelijke toestemming is verleend en indien de redenen die zijn opgegeven toen oorspronkelijk om toestemming is gevraagd, niet zijn veranderd. Bijgevolg moet, in die specifieke omstandigheden, de inhoud van de door instellingen in te dienen aanvraag en het tijdstip voor de indiening van de aanvraag worden beperkt.

(12)

Artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 schrijft voor dat instellingen voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit moeten verkrijgen om in aanmerking komende passiva-instrumenten op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen. Overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, van die verordening kan die toestemming alleen worden verleend indien een aantal voorwaarden is vervuld, zoals de voorwaarde dat de instelling de in aanmerking komende passiva-instrumenten vervangt door eigen vermogen of in aanmerking komende passiva-instrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die voor de inkomstencapaciteit van de instelling houdbaar zijn. Artikel 78 bis, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 schrijft voor dat de normen betreffende de betekenis van “duurzaam voor de inkomstencapaciteit van de instelling” in de context van in aanmerking komende passiva-instrumenten volledig moeten zijn afgestemd op het equivalent daarvan voor eigen vermogen. Daarom moet worden bepaald dat dezelfde betekenis van “duurzaam voor de inkomstencapaciteit van de instelling” voor beide soorten instrumenten moet worden gebruikt.

(13)

De algemene regelingen inzake voorafgaande toestemming voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten moeten onderling worden afgestemd zodat die regelingen in de hele Unie coherent worden toegepast. Voor het vooraf bepaalde bedrag dat afwikkelingsautoriteiten moeten bepalen wanneer zij de algemene voorafgaande toestemming verlenen om in aanmerking komende passiva-instrumenten te verminderen, moeten dus plafonds gelden, zonder dat een en ander afwikkelingsautoriteiten belet om voor een bepaalde instelling lagere vooraf bepaalde bedragen vast te stellen indien zulks door de specifieke omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Ook moet worden belet dat instellingen opereren op een niveau van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten dat niet tot uiting brengt dat een deel van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva-instrumenten niet beschikbaar is voor verliesabsorptie wanneer dat nodig mocht blijken. In het geval van een algemene voorafgaande toestemming moet het vooraf bepaalde bedrag waarvoor de betrokken autoriteit toestemming heeft verleend, dus in mindering worden gebracht vanaf het tijdstip waarop toestemming is verleend.

(14)

Een evenredige behandeling moet worden gegarandeerd voor instellingen waarvan de afwikkelingsplannen erin voorzien dat zij volgens de normale insolventieprocedures worden geliquideerd en waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld op een niveau dat een bedrag dat voldoende is om verliezen te absorberen, niet overschrijdt. Die instellingen moeten dus de mogelijkheid hebben om volgens een vereenvoudigde aanvraagregeling toestemming, daaronder begrepen een algemene voorafgaande toestemming, te vragen voor het verminderen van in aanmerking komende passiva-instrumenten. Die regeling moet beperktere informatievereisten omvatten en, om de regeldruk voor die instellingen en voor afwikkelingsautoriteiten te verminderen, moet de voorafgaande toestemming geacht worden te zijn verleend indien een antwoord van de afwikkelingsautoriteit uitblijft. Aangezien die instellingen geen in aanmerking komende passiva-instrumenten moeten uitgeven om aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te voldoen, mogen voor het te verminderen vooraf bepaalde bedrag aan in aanmerking komende passiva-instrumenten niet dezelfde plafonds gelden als voor andere instellingen.

(15)

Artikel 78 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 geeft de EBA opdracht om technische reguleringsnormen te ontwikkelen tot nadere bepaling van de procedure voor het verlenen van toestemming om in aanmerking komende passiva-instrumenten te verminderen, en van de procedure voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit. Om te garanderen dat de in Verordening (EU) nr. 575/2013, in Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) en Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva in acht worden genomen, moet de procedure voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit overleg met de bevoegde autoriteit omvatten over de aanvraag voor een voorafgaande toestemming die de afwikkelingsautoriteit heeft ontvangen. Dat overleg moet zo worden gevoerd dat de bevoegde autoriteit een weloverwogen standpunt over het overleg kan formuleren, onder meer wanneer haar akkoord vereist is om de marge te bepalen waarmee het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling haar vereisten moeten overschrijden, met een afdoende uitwisseling van informatie en voldoende tijd om op de vraag tot overleg te antwoorden.

(16)

Vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) 2019/876 was in artikel 79, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaald dat een bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing van de bepaling inzake aftrekkingen voor eigenvermogensinstrumenten kon verlenen indien een instelling die instrumenten in een entiteit uit de financiële sector aanhield ten behoeve van een financiëlebijstandsoperatie om die entiteit te saneren en te redden. Door artikel 79, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te wijzigen heeft Verordening (EU) 2019/876 het toepassingsgebied van de tijdelijke ontheffing die bevoegde autoriteiten kunnen verlenen, uitgebreid tot door instellingen gehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten in een instelling. Daardoor moeten de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 betreffende de tijdelijke ontheffing worden gewijzigd zodat deze ook van toepassing zijn op door instellingen gehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten in instellingen.

(17)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(18)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de EBA bij de Commissie heeft ingediend.

(19)

De EBA heeft open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (8) opgerichte Stakeholdersgroep bankwezen ingewonnen.

(20)

In overeenstemming met de procedure beschreven in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 heeft de Commissie het door de EBA ingediende ontwerp van technische reguleringsnormen met wijzigingen bevestigd, en heeft zij de redenen voor de wijzigingen toegelicht. De EBA heeft een formeel advies uitgebracht en heeft hierin de voorgestelde wijzigingen aanvaard, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de invoering van een uitdrukkelijk verbod op indirecte concernfinanciering en de invoering van een mechanisme met stilzwijgend akkoord voor de algemene voorafgaande toestemming om in aanmerking komende passiva-instrumenten te laten verminderen door entiteiten waarvan het MREL de eigenvermogensvereisten niet overschrijden.

(21)

Na een zorgvuldige afweging van de argumenten die de EBA heeft aangedragen voor haar bezwaar tegen de opname van een bepaling inzake concernfinanciering in het dispositief van de technische normen, blijft de Commissie bij haar standpunt dat het verbod op indirecte financiering uitdrukkelijk alle financieringsketens moet bestrijken, ongeacht of daarbij een externe belegger betrokken is.

(22)

De Commissie erkent ten volle het belang van een evenredige behandeling van entiteiten waarvan het MREL de eigenvermogensvereisten niet overschrijdt. De indiening van een aanvraag om voorafgaande toestemming om hun in aanmerking komende passiva te verminderen, is echter een inherent kenmerk van de regeling met voorafgaande toestemming zoals die in artikel 78 bis, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vastgesteld, en daarvoor kan dus geen ontheffing worden verleend. Niettemin moeten, om de regeldruk voor die entiteiten en voor hun afwikkelingsautoriteiten tot een minimum te beperken, entiteiten de mogelijkheid krijgen om een vereenvoudigde aanvraag in te dienen voor een voorafgaande toestemming en moeten de afwikkelingsautoriteiten de mogelijkheid krijgen om die toestemming te verlenen op basis van stilzwijgende toestemming,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014

Gedelegeerde Verordening (EU) Nr. 241/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt als volgt gelezen:

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende vereisten voor instellingen ten aanzien van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ”.

2)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt c) wordt vervangen door:

“c)

de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van eigenvermogensinstrumenten, overeenkomstig artikel 28, lid 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en van in aanmerking komende passiva-instrumenten, overeenkomstig artikel 72 ter, lid 7, punt a), van die verordening;”;

b)

het volgende punt h bis) wordt ingevoegd:

“h bis)

de vorm en aard van de prikkels tot aflossing, voor de toepassing van de voorwaarde van artikel 72 ter, lid 2, eerste alinea, punt g), en artikel 72 quater, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, overeenkomstig artikel 72 ter, lid 7, punt b), van die verordening;”;

c)

punt i) wordt vervangen door:

“i)

de mate waarin ramingen die worden gemaakt als alternatief voor de berekening van onderliggende blootstellingen voor indirect bezit voortvloeiend uit bezit van in indices opgenomen kapitaalinstrumenten, voldoende voorzichtig kunnen worden geacht, en de betekenis van “in operationeel opzicht belastend” voor de instelling om die onderliggende blootstellingen te monitoren, overeenkomstig artikel 76, lid 4, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;”;

d)

het volgende punt j bis) wordt ingevoegd:

“j bis)

de procedure, met inbegrip van de plafonds en informatievereisten, voor het verlenen van toestemming om in aanmerking komende passiva-instrumenten te verminderen, en de procedure voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit, overeenkomstig artikel 78 bis, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”;

e)

punt k) wordt vervangen door:

“k)

de voorwaarden voor het verlenen van een tijdelijke ontheffing van aftrekking van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, overeenkomstig artikel 79, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;”.

3)

In hoofdstuk I wordt het volgende artikel 1 bis ingevoegd:

“Artikel 1 bis

Toepassing van deze verordening op entiteiten onderworpen aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en op in aanmerking komende passiva als bedoeld in Richtlijn 2014/59/EU

Voor de toepassing van de artikelen 8, 9 en 20 en hoofdstuk IV, afdeling 2, van deze verordening worden entiteiten die onderworpen zijn aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, beschouwd als “instellingen”, en worden “in aanmerking komende passiva” als bedoeld in artikel 45 ter en artikel 45 septies, lid 2, punt a), van die richtlijn beschouwd als “in aanmerking komende passiva-instrumenten.”.”

4)

De titel van hoofdstuk II wordt vervangen door:

“HOOFDSTUK II

BESTANDDELEN VAN EIGEN VERMOGEN EN IN AANMERKING KOMENDE PASSIVA ”.

5)

In hoofdstuk II wordt de titel van afdeling 1 vervangen door:

AFDELING 1

Tier 1-kernkapitaal en in aanmerking komende passivabestanddelen en -instrumenten ”.

6)

In artikel 4, lid 2, wordt het volgende punt k bis) ingevoegd:

“k bis)

in Litouwen: instellingen geregistreerd als “Centrinė kredito unija” op grond van de “Centrinių kredito unijų įstatymas”;”.

7)

In artikel 4, lid 2, wordt punt r) vervangen door:

“r)

in Zweden: instellingen geregistreerd als “Medlembank” op grond van “Lag (2004:297) om bank- och finansieringsrörelse”;”.

8)

De artikelen 8 en 9 worden vervangen door:

“Artikel 8

Indirecte financiering van kapitaalinstrumenten voor de toepassing van artikel 28, lid 1, punt b), artikel 52, lid 1, punt c), en artikel 63, punt c), en van passiva voor de toepassing van artikel 72 ter, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Indirecte financiering van kapitaalinstrumenten overeenkomstig artikel 28, lid 1, punt b), artikel 52, lid 1, punt c), en artikel 63, punt c), en van passiva overeenkomstig artikel 72 ter, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt geacht geen directe financiering te zijn.

2.   Voor de toepassing van lid 1 heeft directe financiering betrekking op situaties waarin een instelling aan een belegger een lening of enig andere vorm van financiering heeft verstrekt die voor de verwerving van de eigendom van de kapitaalinstrumenten of passiva van de instelling wordt gebruikt.

3.   Directe financiering heeft eveneens betrekking op financiering die voor andere doeleinden dan de verkrijging van de eigendom van de kapitaalinstrumenten of passiva van een instelling wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in de instelling als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 36, van Verordening (EU) nr. 575/2013 heeft of die geacht wordt een verbonden partij te zijn in de zin van lid 9 van de internationale boekhoudnorm 24 inzake informatieverschaffing over verbonden partijen, zoals in de Unie toegepast overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (*1), rekening houdende met eventuele aanvullende handvatten als voorgeschreven door de bevoegde autoriteit ten aanzien van kapitaalinstrumenten of door de afwikkelingsautoriteit, in overleg met de bevoegde autoriteit, ten aanzien van passiva, indien de instelling niet in staat is alle volgende elementen aan te tonen:

a)

de transactie vindt plaats op vergelijkbare voorwaarden als andere transacties met derde partijen;

b)

de natuurlijke persoon of rechtspersoon of de verbonden partij is niet afhankelijk van de uitkeringen of de verkoop van de kapitaalinstrumenten of passiva die hij in bezit heeft om de uitbetaling van rente en de terugbetaling te ondersteunen.

Artikel 9

Toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van kapitaalinstrumenten voor de toepassing van artikel 28, lid 1, punt b), artikel 52, lid 1, punt c), en artikel 63, punt c), en van passiva voor de toepassing van artikel 72 ter, lid 2, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   De toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van de verwerving van de eigendom van kapitaalinstrumenten en passiva van een instelling omvatten alle volgende elementen:

a)

de financiering van de verwerving van de eigendom door een belegger, bij uitgifte of nadien, van de kapitaalinstrumenten of passiva van een instelling door entiteiten waarover de instelling direct of indirect zeggenschap uitoefent, of door entiteiten die zijn opgenomen in:

i)

de boekhoudkundige of prudentiële consolidatiekring van de instelling;

ii)

het bereik van de geconsolideerde balans of uitgebreide geaggregeerde berekening, indien deze gelijkwaardig is met de geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 49, lid 3, punt a), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013, die wordt opgesteld door het institutionele protectiestelsel of het netwerk van bij een centraal orgaan aangesloten instellingen die niet als groep georganiseerd zijn, waartoe de instelling behoort;

iii)

het bereik van het aanvullende toezicht op de instelling in overeenstemming met Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (*2);

b)

de financiering van de verwerving van de eigendom door een belegger, bij uitgifte of nadien, van kapitaalinstrumenten of passiva van een instelling door externe entiteiten die beschermd zijn door een waarborg of door het gebruik van een kredietderivaat of op een andere wijze zodanig zijn gegarandeerd dat het kredietrisico wordt overgedragen aan de instelling of aan entiteiten waarover de instelling direct of indirect zeggenschap uitoefent of aan entiteiten die zijn opgenomen in:

i)

de boekhoudkundige of prudentiële consolidatiekring van de instelling;

ii)

het bereik van de geconsolideerde balans of uitgebreide geaggregeerde berekening, indien deze gelijkwaardig is met de geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 49, lid 3, punt a), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013, die wordt opgesteld door het institutionele protectiestelsel of het netwerk van bij een centraal orgaan aangesloten instellingen die niet als groep georganiseerd zijn, waartoe de instelling behoort;

iii)

het bereik van het aanvullende toezicht op de instelling in overeenstemming met Richtlijn 2002/87/EG;

c)

de financiering van een leningnemer die de financiering aan de uiteindelijke belegger doorgeeft ten behoeve van de verwerving van de eigendom, bij uitgifte of nadien, van kapitaalinstrumenten of passiva van een instelling.

2.   Om als indirecte financiering voor de toepassing van lid 1 te worden aangemerkt, wordt in voorkomend geval ook aan de volgende voorwaarden voldaan:

a)

de belegger is niet opgenomen in:

i)

de boekhoudkundige of prudentiële consolidatiekring van de instelling;

ii)

het bereik van de geconsolideerde balans of uitgebreide geaggregeerde berekening, indien deze gelijkwaardig is met de geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 49, lid 3, punt a), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013, die wordt opgesteld door het institutionele protectiestelsel of het netwerk van bij een centraal orgaan aangesloten instellingen die niet als groep georganiseerd zijn, waartoe de instelling behoort;

iii)

het bereik van het aanvullende toezicht op de instelling in overeenstemming met Richtlijn 2002/87/EG;

b)

de externe entiteit is niet opgenomen in:

i)

de boekhoudkundige of prudentiële consolidatiekring van de instelling;

ii)

het bereik van de geconsolideerde balans of uitgebreide geaggregeerde berekening, indien deze gelijkwaardig is met de geconsolideerde jaarrekening als bedoeld in artikel 49, lid 3, punt a), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013, die wordt opgesteld door het institutionele protectiestelsel of het netwerk van bij een centraal orgaan aangesloten instellingen die niet als groep georganiseerd zijn, waartoe de instelling behoort;

iii)

het bereik van het aanvullende toezicht op de instelling in overeenstemming met Richtlijn 2002/87/EG.

Voor de toepassing van punt a), ii), wordt een belegger geacht te zijn opgenomen in het bereik van de uitgebreide geaggregeerde berekening indien het desbetreffende kapitaalinstrument of passivum op zodanige wijze onder de geconsolideerde of uitgebreide geaggregeerde berekening overeenkomstig artikel 49, lid 3, punt a), iv), van Verordening (EU) nr. 575/2013 valt dat meervoudig gebruik van eigen vermogen of bestanddelen van in aanmerking komende passiva en de schepping van eigen vermogen of in aanmerking komende passiva tussen leden van het institutionele protectiestelsel onmogelijk is. Indien de toestemming van de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 49, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 niet is verleend, wordt die voorwaarde geacht te zijn vervuld indien zowel de in lid 1, punt a), bedoelde entiteiten als de instelling leden van hetzelfde institutionele protectiestelsel zijn en de entiteiten de voor de verwerving van de eigendom van de kapitaalinstrumenten of passiva van de instelling verstrekte financiering aftrekken overeenkomstig artikel 36, lid 1, punten f) tot en met i), artikel 56, punten a) tot en met d), en artikel 66, punten a) tot en met d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor kapitaalinstrumenten en overeenkomstig artikel 72 sexies, punten a) tot en met d), van die verordening voor passiva, al naargelang het geval.

2 bis.   De toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van de verwerving van de eigendom van kapitaalinstrumenten en passiva van een instelling omvatten circulaire concernfinanciering.

Voor de toepassing daarvan wordt met circulaire concernfinanciering bedoeld:

a)

situaties waarin een instelling aan een van de in lid 1, punt a), bedoelde entiteiten via een andere van de in lid 1, punt a), bedoelde entiteiten in enigerlei vorm een lening of andere financiering heeft verstrekt die wordt gebruikt voor de verwerving van de eigendom van de kapitaalinstrumenten of passiva van de instelling;

b)

financiering die aan een van de in lid 1, punt a), bedoelde entiteiten via een andere van de in lid 1, punt a), bedoelde entiteiten wordt toegekend voor andere doeleinden dan de verkrijging van de eigendom van de kapitaalinstrumenten of passiva van een instelling, op voorwaarde dat, rekening houdende met aanvullende handvatten geboden door de bevoegde autoriteit ten aanzien van kapitaalinstrumenten of door de afwikkelingsautoriteit, in overleg met de bevoegde autoriteit, ten aanzien van passiva, indien de instelling niet in staat is alle volgende elementen aan te tonen:

i)

de transactie vindt plaats op vergelijkbare voorwaarden als andere transacties met derde partijen;

ii)

de belegger is niet afhankelijk van de uitkeringen of de verkoop van de kapitaalinstrumenten of passiva die hij in bezit heeft om de uitbetaling van de rente en de terugbetaling te ondersteunen.

3.   Bij het bepalen of de verwerving van de eigendom van een kapitaalinstrument of passivum directe of indirecte financiering als bedoeld in artikel 8 inhoudt, wordt voor het in aanmerking te nemen bedrag geen rekening gehouden met enige individueel beoordeelde voorziening voor waardevermindering.

4.   Om niet als directe of indirecte financiering in de zin van artikel 8 te worden aangemerkt en indien de lening of andere vorm van financiering of waarborg is verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in de kredietinstelling heeft of geacht wordt een verbonden partij als bedoeld in artikel 8, lid 3, te zijn, ziet de instelling er doorlopend op toe dat zij de lening of andere vorm van financiering of waarborg niet heeft verstrekt met de bedoeling direct of indirect de eigendom te verkrijgen van kapitaalinstrumenten of passiva van die instelling. Indien de lening of andere vorm van financiering of waarborg aan andere soorten partijen is verstrekt, verricht de instelling deze controle naar beste vermogen.

5.   Wanneer in het geval van onderlinge maatschappijen, coöperaties en soortgelijke instellingen een cliënt overeenkomstig nationaal recht of overeenkomstig de statuten van de instelling verplicht is op kapitaalinstrumenten in te schrijven om een lening te ontvangen, wordt die lening niet als directe of indirecte financiering beschouwd indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de bevoegde autoriteit beschouwt het bedrag waarvoor wordt ingeschreven, als niet van wezenlijk belang;

b)

het doel van de lening is niet de verwerving van de eigendom van kapitaalinstrumenten of passiva van de instelling die de lening verstrekt;

c)

de intekening op een of meer kapitaalinstrumenten van de instelling is voor de begunstigde van de lening noodzakelijk om lid van de onderlinge maatschappij, coöperatie of soortgelijke instelling te worden.

(*1)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1)."

(*2)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).”."

9)

In artikel 12 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   De in aanmerking genomen winst bij verkoop die verbonden is aan de toekomstige marge-inkomsten, heeft in dit verband betrekking op de verwachte toekomstige “excess spread”, gedefinieerd als de financieringsvergoedingen en andere vergoedingen die met betrekking tot gesecuritiseerde blootstellingen zijn ontvangen, minus kosten en uitgaven.”

.

10)

De titel van hoofdstuk III wordt vervangen door:

“HOOFDSTUK III

AANVULLEND TIER 1- EN TIER 2-KAPITAAL EN IN AANMERKING KOMENDE PASSIVA”.

11)

Artikel 20 wordt vervangen door:

“Artikel 20

Vorm en aard van de prikkels tot aflossing voor de toepassing van artikel 52, lid 1, punt g), artikel 63, punt h), artikel 72 ter, lid 2, punt g), en artikel 72 quater, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Met prikkels tot aflossing worden alle kenmerken bedoeld die op de uitgiftedatum een verwachting inhouden dat het kapitaalinstrument of het passivum waarschijnlijk zal worden afgelost.

2.   De in lid 1 bedoelde prikkels bestaan in de volgende vormen:

a)

een calloptie gecombineerd met een toename in de creditspread van het instrument of het passivum indien de call niet wordt uitgeoefend;

b)

een calloptie gecombineerd met een verplichting of een optie voor de belegger om het instrument te converteren in een tier 1-kernkapitaalinstrument wanneer de calloptie niet wordt uitgeoefend;

c)

een calloptie gecombineerd met een verandering in de referentierentevoet wanneer de creditspread over de tweede referentierentevoet groter is dan de rente van de initiële betaling minus de swaprente;

d)

een calloptie gecombineerd met een stijging van het aflossingsbedrag in de toekomst;

e)

een optie om het instrument opnieuw op de markt te brengen, gecombineerd met een toename in de creditspread van het instrument of het passivum of een verandering in referentierentevoet wanneer de creditspread van de tweede referentierentevoet groter is dan de rente van de initiële betaling minus de swaprente indien het instrument niet opnieuw op de markt wordt gebracht;

f)

het instrument of het passivum op zodanige wijze op de markt brengen dat het voor beleggers de indruk wekt dat het instrument zal worden afgeroepen.”

.

12)

Artikel 25 wordt vervangen door:

“Artikel 25

Mate van voorzichtigheid vereist bij voor de toepassing van artikel 76, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 gehanteerde ramingen voor de berekening van als alternatief voor de onderliggende blootstellingen gebruikte blootstellingen

1.   Een raming is voldoende voorzichtig indien aan een van deze beide voorwaarden is voldaan:

a)

indien het beleggingsmandaat van de index bepaalt dat een eigenvermogensinstrument van een entiteit uit de financiële sector of een in aanmerking komend passiva-instrument van een instelling dat deel uitmaakt van de index, een maximumpercentage van de index niet mag overschrijden, gebruikt de instelling dat percentage als een raming voor de waarde van het bezit aan instrumenten dat van de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend tier 1- of tier 2-bestanddelen, zoals van toepassing overeenkomstig artikel 17, lid 2, of van het tier 1-kernkapitaal wordt afgetrokken in situaties waarin de instelling de precieze aard van dat bezit niet kan vaststellen of, voor een instelling waarop de voorwaarden van artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing zijn, haar in aanmerking komende passivabestanddelen;

b)

indien een instelling niet in staat is het in punt a) bedoelde maximumpercentage vast te stellen en indien, blijkens haar beleggingsmandaat of andere relevante informatie, de index eigenvermogensinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector of in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen bevat, trekt de instelling het volledige bedrag van het bezit van indexinstrumenten af van het tier 1-kernkapitaal-, aanvullend tier 1- of tier 2-kapitaal, zoals van toepassing overeenkomstig artikel 17, lid 2, of van het tier 1-kernkapitaal in situaties waarin de instelling de precieze aard van het bezit van die instrumenten niet kan vaststellen of, voor een instelling waarop de voorwaarden van artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing zijn, haar in aanmerking komende passivabestanddelen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 geldt het volgende:

a)

indirect bezit voortkomende uit bezit van in indices opgenomen instrumenten omvat het gedeelte van de index dat is belegd in tier 1-kernkapitaal-, aanvullend tier 1-kapitaal- en tier 2-kapitaalinstrumenten van in de index opgenomen entiteiten uit de financiële sector en in in aanmerking komende passiva-instrumenten van in de index opgenomen instellingen;

b)

een index omvat indexfondsen, aandelen- of obligatie-indices of enige andere regeling waarin het onderliggende instrument een door een entiteit uit de financiële sector uitgegeven eigenvermogensinstrument is of een door een instelling in aanmerking komend passiva-instrument.”

.

13)

In artikel 26 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   Voor de toepassing van artikel 76, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 heeft “in operationeel opzicht belastend” betrekking op situaties waarin doorkijkbenaderingen van bezit aan kapitaalinstrumenten van entiteiten uit de financiële sector of het bezit aan in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen op doorlopende basis niet gerechtvaardigd zijn, zoals beoordeeld door de bevoegde autoriteiten. In hun beoordeling van de aard van in operationeel opzicht belastende situaties houden de bevoegde autoriteiten rekening met het beperkte wezenlijke belang en de korte periode dat deze posities worden aangehouden. Wanneer posities voor een korte periode worden aangehouden, moet de instelling het bewijs leveren dat de index bijzonder liquide is.”

.

14)

Afdeling 2 wordt vervangen door:

AFDELING 2

Toestemming voor het verminderen van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Onderafdeling 1

Toestemming van de toezichthouder om het eigen vermogen te verminderen

Artikel 27

Betekenis van “houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling” voor de toepassing van artikel 78, lid 1, punt a), en artikel 78, lid 4, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013

“Houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling” overeenkomstig artikel 78, lid 1, punt a), en artikel 78, lid 4, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 betekent dat de winstgevendheid van de instelling, zoals beoordeeld door de bevoegde autoriteit, gezond blijft of niet negatief wordt beïnvloed na de vervanging van de instrumenten of de in artikel 77, lid 1, van die verordening daarmee samenhangende agioreserves door eigenvermogensinstrumenten van gelijke of hogere kwaliteit, op die datum en voor de voorzienbare toekomst. In haar beoordeling houdt de bevoegde autoriteit rekening met de winstgevendheid van de instelling in stresssituaties.

Artikel 28

Procesvereisten, met inbegrip van de maxima en procedures, voor een aanvraag van een instelling om eigen vermogen te mogen verminderen overeenkomstig artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Aflossingen, verminderingen en wederinkopen van eigenvermogensinstrumenten worden pas aan de houders van de instrumenten bekendgemaakt nadat de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft verkregen.

2.   Indien de verwachting is dat de in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen met voldoende mate van zekerheid zullen plaatsvinden, en zodra de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit is verkregen, trekt de instelling de overeenkomstige af te lossen, te verminderen of wederin te kopen bedragen aan eigenvermogensinstrumenten of de daarmee samenhangende te verminderen of uit te keren agioreserves, al naargelang het geval, af van de overeenkomstige bestanddelen van haar eigen vermogen voordat aflossingen, verminderingen of wederinkopen daadwerkelijk plaatsvinden. Het bestaan van voldoende zekerheid wordt met name vermoed indien de instelling haar voornemen tot aflossing, vermindering of wederinkoop van een eigenvermogensinstrument publiek heeft bekendgemaakt.

3.   In het geval van een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt het vooraf bepaalde bedrag waarvoor de bevoegde autoriteit haar toestemming heeft verleend, afgetrokken van de overeenkomstige bestanddelen van het eigen vermogen van de instelling vanaf het tijdstip waarop toestemming is verleend.

4.   Bij de aanvraag van een voorafgaande toestemming, daaronder begrepen een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, voor in artikel 77, lid 1, van die verordening genoemde handelingen, en indien de daarmee samenhangende eigenvermogensinstrumenten worden gekocht om deze aan de werknemers van de instelling als deel van hun bezoldiging door te geven, stellen de instellingen hun bevoegde autoriteiten ervan in kennis dat instrumenten voor dat specifieke doel zijn gekocht. In afwijking van de leden 2 en 3 worden die instrumenten afgetrokken van de overeenkomstige bestanddelen van het eigen vermogen van de instelling, vanaf het tijdstip waarop zij door de instelling worden gehouden. Een aftrekking is niet langer vereist wanneer de uitgaven met betrekking tot een handeling overeenkomstig dit lid reeds in het eigen vermogen zijn opgenomen naar aanleiding van een tussentijds financieel verslag of financieel verslag aan het eind van het jaar.

5.   De bevoegde autoriteit verleent een voorafgaande toestemming die geen algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is, voor een welbepaalde periode die nodig is om een van de in artikel 77, lid 1, van die verordening vereiste handelingen te stellen, voor maximaal één jaar.

6.   De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing op het geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele toepassingsniveau van de prudentiële vereisten, al naargelang het geval.

Artikel 29

Indiening door de instelling van een aanvraag om eigen vermogen te mogen verminderen overeenkomstig artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Een instelling dient een aanvraag om voorafgaande toestemming, daaronder begrepen de algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, bij de bevoegde autoriteit in voordat zij een van de in artikel 77, lid 1, van die verordening genoemde handelingen stelt.

2.   Lid 1 is van toepassing op het geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele toepassingsniveau van de prudentiële vereisten, al naargelang het geval.

Artikel 30

Inhoud van de voor de toepassing van artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 door de instelling in te dienen aanvraag

1.   De aanvraag als bedoeld in artikel 29 gaat van alle volgende elementen vergezeld:

a)

een omstandige toelichting van de redenen waarom een van de handelingen als bedoeld in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gesteld;

b)

informatie over de vraag of de gevraagde toestemming is gebaseerd op artikel 78, lid 1, eerste alinea, punt a) of b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel op artikel 78, lid 1, tweede alinea, van die verordening;

c)

indien de instelling aanvullend tier 1- of tier-2-instrumenten of daarmee samenhangende agioreserves overeenkomstig artikel 78, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wil opvragen, aflossen of wederinkopen tijdens de vijf jaar na de uitgiftedatum daarvan: hoe de voorwaarden van dat artikel worden vervuld;

d)

actuele en prospectieve informatie over een periode van ten minste drie jaar wat betreft de bedragen en percentages die overeenstemmen met de volgende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

i)

het in artikel 92, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereiste voor tier 1-kernkapitaal, het in artikel 92, lid 1, punt b), van die verordening vastgestelde vereiste voor tier 1-kapitaal en het in artikel 92, lid 1, punt c), van die verordening vastgestelde eigenvermogensvereiste;

ii)

om andere risico’s dan het risico van buitensporige hefboomwerking tegen te gaan: het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde aanvullend vereiste voor tier 1-kernkapitaal (in voorkomend geval), het in artikel 104 bis van die richtlijn bedoelde vereiste voor aanvullend tier 1-kapitaal (in voorkomend geval) en het in artikel 104 bis van die richtlijn bedoelde aanvullend eigenvermogensvereiste (in voorkomend geval);

iii)

het gecombineerd buffervereiste als bedoeld in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU;

iv)

het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde hefboomratiovereiste en, in voorkomend geval, eventuele aanpassingen daarvan overeenkomstig artikel 429 bis, lid 7, van die verordening;

v)

om het risico op buitensporige hefboomwerking tegen te gaan: het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde aanvullend vereiste voor tier 1-kernkapitaal (in voorkomend geval) en het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste voor aanvullend tier 1-kapitaal (in voorkomend geval);

vi)

het in artikel 92, lid 1 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde tier 1-hefboomratiovereiste voor MSI’s;

vii)

het in artikel 92 bis, lid 1, punt a), of artikel 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde risicogebaseerde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (in voorkomend geval) en het in artikel 92 bis, lid 1, punt b), of artikel 92 ter van die verordening vastgestelde niet-risicogebaseerde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (in voorkomend geval);

viii)

het in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, zoals vereist overeenkomstig de artikelen 45 sexies en 45 septies van die richtlijn, al naargelang het geval, en berekend als het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten van de instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten van de betrokken entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4, en artikel 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)

actuele en prospectieve informatie over de omvang en samenstelling van het eigen vermogen en de omvang en samenstelling van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva aangehouden om de inachtneming te garanderen van, respectievelijk, de vereisten van punt d), i) tot en met viii), vóór en nadat in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen zijn gesteld;

f)

de beknopte beoordeling door de instelling van het effect van de handeling die de instelling voornemens is overeenkomstig artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te stellen, en alle dergelijke handelingen die de instelling daarnaast overweegt te stellen binnen een periode van drie jaar, op de inachtneming van de in lid 1, punt d), i) tot en met viii), bedoelde vereisten;

g)

indien de instelling eigenvermogensinstrumenten of de daarmee samenhangende agioreserves overeenkomstig artikel 78, lid 1, punt a), of artikel 78, lid 4, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 probeert te vervangen:

i)

informatie over de resterende looptijd van de (eventueel) vervangen eigenvermogensinstrumenten en de looptijd van de eigenvermogensinstrumenten die deze vervangen;

ii)

de rang in de insolventierangorde van de vervangen eigenvermogensinstrumenten en van de eigenvermogensinstrumenten die deze vervangen;

iii)

de kostprijs van de eigenvermogensinstrumenten die de instrumenten of agioreserves als bedoeld in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervangen;

iv)

het voorgenomen tijdschema van de uitgifte van de eigenvermogensinstrumenten die de instrumenten of agioreserves als bedoeld in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervangen;

v)

het effect op de winstgevendheid van de instelling overeenkomstig artikel 78, lid 1, punt a), of artikel 78, lid 4, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

h)

een evaluatie van de risico’s waaraan de instelling wordt blootgesteld of kan worden blootgesteld, en de vraag of het niveau van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva een passende dekking van deze risico’s verzekert, met inbegrip van de uitkomsten van stresstests met betrekking tot de voornaamste risico’s die potentiële verliezen opleveren;

i)

dekking in termen van eigen vermogen van de toepasselijke handvatten over het voorgestelde niveau en de voorgestelde samenstelling van aanvullend eigen vermogen zoals meegedeeld door de bevoegde autoriteit op grond van artikel 104 ter, lid 3, van Richtlijn/2013/36/EU voordat en nadat de in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen zijn gesteld, over een periode van drie jaar;

j)

alle overige informatie die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht om te kunnen beoordelen of het passend is toestemming te verlenen overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Voor de toepassing van punt e) bestrijkt de informatie een periode van ten minste drie jaar en, wat passiva betreft, omvat deze vermeldingen van de volgende bedragen, al naargelang het geval:

a)

passiva die in aanmerking komen als in aanmerking komende passiva-instrumenten overeenkomstig artikel 72 ter, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

passiva waarvoor de afwikkelingsautoriteit toestemming heeft gegeven om deze aan te merken als in aanmerking komende passiva-instrumenten overeenkomstig artikel 72 ter, lid 3 of lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

passiva die zijn opgenomen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van af te wikkelen entiteiten overeenkomstig artikel 45 ter, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU;

d)

passiva die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten en die zijn opgenomen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 45, punt b), 2), van Richtlijn 2014/59/EU;

e)

door een dochteronderneming uitgegeven passiva die overeenkomstig artikel 88 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komen voor opname in de geconsolideerde in aanmerking komende passiva-instrumenten van een instelling die onder artikel 92 bis van die verordening valt, of van een af te wikkelen entiteit overeenkomstig artikel 45 ter, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU;

f)

in aanmerking komende passiva-instrumenten die in aanmerking worden genomen voor de inachtneming van het vereiste van artikel 92 ter, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor instellingen die dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI’s zijn, en voor de inachtneming van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteit zijn, overeenkomstig artikel 45 septies, lid 2, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU.

2.   De bevoegde autoriteit verleent ontheffing van de indiening van bepaalde in lid 1 bedoelde informatie indien zij zich ervan heeft vergewist dat zij reeds over die informatie beschikt.

3.   De leden 1 en 2 zijn van toepassing op het geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele toepassingsniveau van de prudentiële vereisten, al naargelang het geval.

Artikel 30 bis

Samen met een aanvraag voor een algemene voorafgaande toestemming in te dienen aanvullende informatie voor in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen

1.   Indien om een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt verzocht voor een handeling overeenkomstig artikel 77, lid 1, punt a), van die verordening, vermeldt de aanvraag het bedrag van elke betrokken tier 1-kernkapitaaluitgifte waarop die aanvraag ziet.

2.   Indien om een algemene voorafgaande toestemming voor een handeling overeenkomstig artikel 77, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt verzocht, vermeldt de instelling in de aanvraag alle volgende elementen:

a)

het bedrag van elke betrokken uitstaande uitgifte waarop het verzoek ziet;

b)

het totale nominale bedrag aan uitstaande instrumenten binnen elke kapitaalcategorie.

3.   Een aanvraag voor een algemene voorafgaande toestemming voor een handeling overeenkomstig artikel 77, lid 1, punten a) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 kan eigenvermogensinstrumenten omvatten die nog moeten worden uitgegeven, op voorwaarde dat de in lid 2, punten a) en b), bedoelde informatie, al naargelang het geval, wordt vermeld die na de betrokken uitgifte aan de bevoegde autoriteit moet worden verschaft.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn van toepassing op het geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele toepassingsniveau van de prudentiële vereisten, al naargelang het geval.

Artikel 30 ter

Samen met een aanvraag voor een vernieuwing van een algemene voorafgaande toestemming in te dienen informatie voor in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen

1.   Voordat een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 afloopt, kan een instelling een aanvraag indienen om deze te vernieuwen telkens voor maximaal nog eens één jaar, op voorwaarde dat de instelling niet verzoekt om een verhoging van het vooraf bepaalde bedrag dat is vastgesteld toen de algemene voorafgaande toestemming is verleend, en de argumenten als bedoeld in artikel 30, lid 1, punt a), niet zijn veranderd ten opzichte van het tijdstip toen de oorspronkelijke algemene voorafgaande toestemming is aangevraagd.

2.   Wanneer de instelling verzoekt om de in lid 1 bedoelde vernieuwing van de algemene voorafgaande toestemming, is zij vrijgesteld van de verplichting om de in artikel 30, lid 1, punten a) tot en met d), f), g) en i), bedoelde informatie te verstrekken.

Artikel 31

Tijdstip van de door de instelling in te dienen aanvraag en behandeling van de aanvraag door de bevoegde autoriteit voor de toepassing van artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Voor een voorafgaande toestemming die geen algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is, dient de instelling ten minste vier maanden vóór de datum waarop een van de in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen aan de houders van de instrumenten zal worden aangekondigd, bij de bevoegde autoriteit een volledige aanvraag en de in artikel 30 bedoelde informatie in.

2.   Voor een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 dient de instelling ten minste vier maanden vóór de datum waarop in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen zullen worden gesteld, bij de bevoegde autoriteit een volledige aanvraag en de in de artikelen 30 en 30 bis bedoelde informatie in.

3.   In afwijking van lid 2 dient de instelling, indien een om vernieuwing van een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 78, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 30 ter wordt verzocht, de aanvraag en de op grond van de artikelen 30, 30 bis en 30 ter verlangde informatie ten minste drie maanden voordat de periode afloopt waarvoor de oorspronkelijke algemene voorafgaande toestemming was toegekend, bij de bevoegde autoriteit in.

4.   De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen per geval en in uitzonderlijke omstandigheden toestaan de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde aanvraag in te dienen binnen een termijn die korter is dan de in die leden genoemde termijnen.

5.   De bevoegde autoriteit behandelt een aanvraag ofwel binnen de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde termijn, ofwel binnen de in lid 4 bedoelde termijn. De bevoegde autoriteiten houden met in die periode ontvangen nieuwe informatie rekening, indien deze nieuwe informatie beschikbaar is en indien zij die informatie van wezenlijk belang achten. De bevoegde autoriteiten behandelen de aanvraag pas wanneer zij zich ervan hebben vergewist dat de instelling hun alle op grond van artikel 30 en, in voorkomend geval, de artikelen 30 bis en 30 ter vereiste informatie heeft verstrekt.

Artikel 32

Aanvragen om aflossing, vermindering of wederinkoop door onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen of soortgelijke instellingen voor de toepassing van artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Met betrekking tot de aflossing van tier 1-kernkapitaalinstrumenten van onderlinge maatschappijen, coöperaties, spaarinstellingen of soortgelijke instellingen, wordt de in artikel 29, leden 1 en 2, bedoelde aanvraag en de in artikel 30, lid 1, bedoelde informatie bij de bevoegde autoriteit ingediend met dezelfde regelmaat als die waarmee het bevoegde orgaan van de instelling aflossingen onderzoekt.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen hun voorafgaande toestemming voor een in artikel 77, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handeling verlenen voor een vooraf bepaald af te lossen bedrag, minus de intekening op het nieuw betaalde bedrag aan tier 1-kernkapitaalinstrumenten gedurende een periode van maximaal één jaar. Dat vooraf bepaalde bedrag kan tot 2 % van het tier 1-kernkapitaal oplopen indien de autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat deze handeling geen gevaar oplevert voor de huidige of toekomstige solvabiliteit van de instelling.

Onderafdeling 2

Toestemming voor het verminderen van in aanmerking komende passiva-instrumenten

Artikel 32 bis

Betekenis van “houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling” voor de toepassing van artikel 78 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013

“Houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling” overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 betekent dat de winstgevendheid van de instelling, zoals beoordeeld door de afwikkelingsautoriteit, gezond blijft of niet negatief wordt beïnvloed na de vervanging van de in aanmerking komende passiva-instrumenten door eigen vermogen of in aanmerking komende passiva-instrumenten van gelijke of hogere kwaliteit, op die datum en voor de voorzienbare toekomst. In haar beoordeling houdt de afwikkelingsautoriteit rekening met de winstgevendheid van de instelling in stresssituaties.

Artikel 32 ter

Procesvereisten, met inbegrip van de maxima en procedures, voor een aanvraag van een instelling om in aanmerking komende passiva-instrumenten te mogen verminderen overeenkomstig artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Opvragingen, aflossingen, terugbetalingen en wederinkopen van in aanmerking komende passiva-instrumenten worden pas aan de houders van de instrumenten bekendgemaakt nadat de instelling de voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit heeft verkregen.

2.   Indien de verwachting is dat de in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen met voldoende mate van zekerheid zullen plaatsvinden, en zodra de voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit is verkregen, trekt de instelling de overeenkomstige op te vragen, af te lossen, terug te betalen of wederin te kopen bedragen af van de in aanmerking komende passiva-instrumenten voordat opvragingen, aflossingen, terugbetalingen of wederinkopen daadwerkelijk plaatsvinden. Het bestaan van voldoende zekerheid wordt met name vermoed indien de instelling haar voornemen tot opvraging, aflossing, terugbetaling of wederinkoop van een in aanmerking komend passiva-instrument publiek heeft bekendgemaakt.

3.   In het geval van een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt het vooraf bepaalde bedrag waarvoor de afwikkelingsautoriteit haar toestemming heeft verleend, afgetrokken van de in aanmerking komende passiva-instrumenten van de instelling vanaf het tijdstip waarop de toestemming is verleend.

4.   De afwikkelingsautoriteit verleent een voorafgaande toestemming die geen algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is, voor een welbepaalde periode die nodig is om een van de in artikel 77, lid 2, van die verordening vereiste handelingen te stellen, voor maximaal één jaar.

5.   Indien om een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt verzocht, bedraagt het vooraf bepaalde bedrag waarvoor de algemene voorafgaande toestemming wordt verleend, niet meer dan 10 % van het totale bedrag aan uitstaande in aanmerking komende passiva-instrumenten.

6.   De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing op het geconsolideerde, gesubconsolideerde en individuele toepassingsniveau van de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, al naargelang het geval.

Artikel 32 quater

Indiening door de instelling van een aanvraag om in aanmerking komende passiva-instrumenten te mogen verminderen overeenkomstig artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Een instelling dient een verzoek om voorafgaande toestemming, daaronder begrepen de algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, bij de afwikkelingsautoriteit in voordat zij een van de in artikel 77, lid 2, van die verordening genoemde handelingen stelt.

2.   Lid 1 is van toepassing op het individuele, geconsolideerde en gesubconsolideerde toepassingsniveau van de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, al naargelang het geval.

Artikel 32 quinquies

Inhoud van de voor de toepassing van artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 door de instelling in te dienen aanvraag

1.   De aanvraag als bedoeld in artikel 32 quater gaat van alle volgende elementen vergezeld:

a)

een omstandige toelichting van de redenen waarom een van de handelingen als bedoeld in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gesteld;

b)

informatie over de vraag of de gevraagde toestemming is gebaseerd op artikel 78 bis, lid 1, eerste alinea, punt a), b) of c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel op artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van die verordening;

c)

actuele en prospectieve informatie over een periode van ten minste drie jaar wat betreft de volgende vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:

i)

het in artikel 92 bis, lid 1, punt a), of artikel 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde risicogebaseerde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (in voorkomend geval) en het in artikel 92 bis, lid 1, punt b), of artikel 92 ter van die verordening vastgestelde niet-risicogebaseerde vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (in voorkomend geval);

ii)

het in artikel 45 van Richtlijn 2014/59/EU vastgestelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, zoals berekend overeenkomstig de artikelen 45 sexies en 45 septies van die richtlijn, al naargelang het geval, het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten van de instelling, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten van de betrokken entiteit, berekend overeenkomstig artikel 429, lid 4, en artikel 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013;

iii)

het gecombineerd buffervereiste als bedoeld in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU;

d)

actuele en prospectieve informatie over de omvang en samenstelling van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva aangehouden om de inachtneming te garanderen van, respectievelijk, de vereisten van lid 1, punt c), i), ii) en iii), voordat en nadat de in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handeling is gesteld. De informatie bestrijkt een periode van ten minste drie jaar en, wat in aanmerking komende passiva betreft, omvat deze vermeldingen van de volgende bedragen, al naargelang het geval:

i)

passiva die in aanmerking komen als in aanmerking komende passiva-instrumenten overeenkomstig artikel 72 ter, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

ii)

passiva waarvoor de afwikkelingsautoriteit toestemming heeft gegeven om deze aan te merken als in aanmerking komende passiva-instrumenten overeenkomstig artikel 72 ter, lid 3 of lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

iii)

passiva die zijn opgenomen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van af te wikkelen entiteiten overeenkomstig artikel 45 ter, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU;

iv)

passiva die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten en die zijn opgenomen in het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 45 ter, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU;

v)

passiva uitgegeven door een dochteronderneming die overeenkomstig artikel 88 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 in aanmerking komen voor opname in de geconsolideerde in aanmerking komende passiva-instrumenten van een instelling die onder artikel 92 bis van die verordening valt, of een af te wikkelen entiteit overeenkomstig artikel 45 ter, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU;

vi)

in aanmerking komende passiva-instrumenten die in aanmerking worden genomen voor de inachtneming van het vereiste van artikel 92 ter, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor instellingen die dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI’s zijn, en voor de inachtneming van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteit zijn, overeenkomstig artikel 45 septies, lid 2, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU;

e)

de beknopte beoordeling door de instelling van het effect van de handeling die de instelling voornemens is overeenkomstig artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te stellen, en alle dergelijke handelingen die de instelling daarnaast overweegt te stellen binnen een periode van drie jaar, op de inachtneming van de in lid 1, punt c), i), ii) en iii), bedoelde vereisten;

f)

indien de instelling in aanmerking komende passiva-instrumenten wil vervangen overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013:

i)

informatie over de resterende looptijd van de vervangen eigenvermogensinstrumenten en de looptijd van de eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten die deze vervangen;

ii)

de rang in de insolventierangorde van de vervangen in aanmerking komende passiva-instrumenten en van de eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten die deze vervangen;

iii)

de kosten van eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten die de in aanmerking komende passiva-instrumenten vervangen;

iv)

het voorgenomen tijdschema van de uitgifte van de eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten die de in aanmerking komende passiva-instrumenten als bedoeld in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vervangen;

v)

het effect op de winstgevendheid van de instelling overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

g)

een evaluatie van de risico’s waaraan de instelling wordt blootgesteld of kan worden blootgesteld, en met name de vraag of het niveau van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva een passende dekking van deze risico’s verzekert, met inbegrip van de uitkomsten van stresstests met betrekking tot de voornaamste risico’s die potentiële verliezen opleveren;

h)

indien artikel 78 bis, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing is: het bewijs dat de gedeeltelijke of volledige vervanging van de in aanmerking komende passiva-instrumenten door eigenvermogensinstrumenten noodzakelijk is om de eigenvermogensvereisten in acht te nemen;

i)

alle overige informatie die de afwikkelingsautoriteit noodzakelijk acht om te beoordelen of het passend is toestemming te verlenen overeenkomstig artikel 78 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.   De afwikkelingsautoriteit verleent ontheffing van de indiening van bepaalde in lid 1 bedoelde informatie indien zij zich ervan heeft vergewist dat zij reeds over die informatie beschikt.

3.   De leden 1 en 2 zijn van toepassing op het individuele, geconsolideerde en gesubconsolideerde toepassingsniveau van de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, al naargelang het geval.

Artikel 32 sexies

Samen met een aanvraag voor een algemene voorafgaande toestemming in te dienen aanvullende informatie voor in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen

1.   Indien om een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt verzocht voor een handeling overeenkomstig artikel 77, lid 2, van die verordening, vermeldt de instelling in haar aanvraag het totale bedrag aan uitstaande in aanmerking komende passiva-instrumenten, met inbegrip van het totale bedrag aan in aanmerking komende passiva-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 88 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 of artikel 45 ter, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU voldoen.

2.   Een aanvraag voor een algemene voorafgaande toestemming voor een handeling overeenkomstig artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag eigenvermogensinstrumenten omvatten die nog moeten worden uitgegeven, op voorwaarde dat de in lid 1 bedoelde informatie wordt vermeld die na de betrokken uitgifte aan de afwikkelingsautoriteit moet worden verschaft.

Artikel 32 septies

Samen met een aanvraag voor een vernieuwing van een algemene voorafgaande toestemming in te dienen informatie voor in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen

1.   Voordat de overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 toegekende algemene voorafgaande toestemming afloopt, kan een instelling een aanvraag indienen om deze te vernieuwen telkens voor maximaal nog eens één jaar, op voorwaarde dat de instelling niet verzoekt om een verhoging van het vooraf bepaalde bedrag dat is vastgesteld toen de algemene voorafgaande toestemming is verleend en de argumenten als bedoeld in artikel 32 quinquies, lid 1, punt a), niet zijn veranderd ten opzichte van het tijdstip toen de oorspronkelijke algemene voorafgaande toestemming is aangevraagd.

2.   Wanneer de instelling verzoekt om de in lid 1 bedoelde vernieuwing van de algemene voorafgaande toestemming, is zij vrijgesteld van de verplichting om de in artikel 32 quinquies, lid 1, punten a), b), c), e), f) en h), bedoelde informatie te verstrekken.

Artikel 32 octies

Tijdstip van de door de instelling in te dienen aanvraag en behandeling van de aanvraag door de afwikkelingsautoriteit voor de toepassing van artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.   Voor een voorafgaande toestemming die geen algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is, dient de instelling ten minste vier maanden vóór de datum waarop een van de in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen aan de houders van de instrumenten zal worden aangekondigd, bij de bevoegde autoriteit een volledige aanvraag en de in artikel 32 quinquies bedoelde informatie in.

2.   Voor de algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 dient de instelling ten minste vier maanden vóór de datum waarop in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen zullen worden gesteld, bij de bevoegde autoriteit een volledige aanvraag en de in de artikelen 32 quinquies en 32 sexies bedoelde informatie in.

3.   In afwijking van lid 2 dient de instelling, indien om een vernieuwing van de algemene voorafgaande toestemming overeenstemming artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 32 septies wordt verzocht, een volledige aanvraag en de op grond van de artikelen 32 quinquies, artikel 32 sexies en artikel 32 septies verlangde informatie ten minste drie maanden voordat de periode afloopt waarvoor de oorspronkelijke algemene voorafgaande toestemming was toegekend, bij de afwikkelingsautoriteit in.

4.   Afwikkelingsautoriteiten kunnen instellingen per geval en in uitzonderlijke omstandigheden toestaan de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde aanvraag in te dienen binnen een termijn die korter is dan de in die leden genoemde termijnen.

5.   De afwikkelingsautoriteit behandelt een aanvraag ofwel binnen de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde termijn, ofwel binnen de in lid 4 bedoelde termijn. Afwikkelingsautoriteiten houden met in die periode ontvangen nieuwe informatie rekening, indien deze nieuwe informatie beschikbaar is en indien zij die informatie van wezenlijk belang achten. De afwikkelingsautoriteiten behandelen de aanvraag pas wanneer zij zich ervan hebben vergewist dat de instelling hun alle op grond van artikel 32 quinquies en, in voorkomend geval, de artikelen 32 sexies en 32 septies vereiste informatie heeft verstrekt.

Artikel 32 nonies

Vereenvoudigde vereisten voor instellingen waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld op een niveau dat een voor verliesabsorptie toereikend bedrag niet overschrijdt

1.   In afwijking van de artikelen 32 quinquies, 32 sexies en 32 septies gaat, indien de in artikel 32 quater bedoelde aanvraag wordt ingediend door een instelling waarvoor de afwikkelingsautoriteit het in artikel 45, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld op een niveau dat een bedrag dat voor het absorberen van verliezen overeenkomstig artikel 45 quater, lid 2, eerste alinea, punt a), van die richtlijn toereikend is, die aanvraag van alle volgende elementen vergezeld:

a)

een omstandige toelichting van de redenen waarom een van de handelingen als bedoeld in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt gesteld;

b)

informatie over de vraag of de gevraagde toestemming is gebaseerd op artikel 78 bis, lid 1, eerste alinea, punt a), b) of c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan wel op artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van die verordening.

2.   Voor een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 die wordt verleend na een aanvraag overeenkomstig lid 1, geldt de in artikel 32 ter, lid 5, van deze verordening beschreven beperking niet.

3.   In afwijking van artikel 32 octies dienen de in lid 1 bedoelde instellingen de in artikel 32 quater bedoelde aanvraag ten minste drie maanden vóór de datum waarop een van de in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen aan de houders van de instrumenten zal worden aangekondigd of, in het geval van een aanvraag voor een algemene voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van die verordening, ten minste drie maanden vóór de datum waarop een van de in artikel 77, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde handelingen zal worden gesteld, bij de afwikkelingsautoriteit in.

4.   Indien de afwikkelingsautoriteit niet binnen de in lid 3 genoemde termijn schriftelijk bezwaar maakt tegen de in artikel 32 quater bedoelde aanvraag, wordt de vergunning geacht te zijn toegekend.

5.   Dit artikel is van toepassing op het individuele, geconsolideerde en gesubconsolideerde toepassingsniveau van de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, al naargelang het geval.

Artikel 32 decies

Procedure voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit bij het verlenen van de in artikel 78 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde toestemming

1.   Indien een volledige aanvraag voor een voorafgaande toestemming, daaronder begrepen de in artikel 78 bis, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde algemene voorafgaande toestemming, door een instelling wordt ingediend, geleidt de afwikkelingsautoriteit die aanvraag onverwijld door naar de bevoegde autoriteit, met inbegrip van de in artikel 32 quinquies en, in voorkomend geval, artikel 32 sexies, artikel 32 septies of artikel 32 nonies bedoelde informatie.

2.   Samen met de toezending van de in lid 1 bedoelde informatie richt de afwikkelingsautoriteit een verzoek aan de bevoegde autoriteit om te overleggen over de ontvangen aanvraag; dit verzoek bevat de onderlinge uitwisseling van alle overige informatie die relevant is voor de beoordeling van de aanvraag door de afwikkelingsautoriteit of de bevoegde autoriteit.

3.   De bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit komen een adequate termijn overeen voor het verschaffen van een antwoord op het in lid 2 bedoelde overleg; deze bedraagt ten hoogste drie maanden, te rekenen van het tijdstip van ontvangst van het verzoek tot overleg en wordt tot twee maanden teruggebracht indien het overleg de vernieuwing van een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 32 septies of een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 32 nonies betreft. De afwikkelingsautoriteit onderzoekt de van de bevoegde autoriteit ontvangen standpunten voordat zij een besluit neemt over de toestemming.

4.   Indien overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 de instemming van de bevoegde autoriteit vereist is, deelt de afwikkelingsautoriteit aan de bevoegde autoriteit, binnen twee maanden te rekenen vanaf het in lid 2 bedoelde verzoek tot overleg, of binnen één maand indien het overleg de vernieuwing van een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 32 septies of een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 32 nonies betreft, het voorstel voor de marge mee waarmee het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling, na de in artikel 77, lid 2, van die verordening bedoelde handeling, de vereisten moeten overschrijden.

5.   Binnen drie weken of, indien het overleg de vernieuing van een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 32 septies of een algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig artikel 32 nonies betreft, binnen twee weken na ontvangst van de in lid 4 bedoelde mededeling doet de bevoegde autoriteit haar schriftelijke instemming aan de afwikkelingsautoriteit toekomen. Ingeval de bevoegde autoriteit het niet eens is of gedeeltelijk eens is met de afwikkelingsautoriteit, stelt zij de afwikkelingsautoriteit binnen die termijn daarvan in kennis, met opgave van redenen.

6.   In afwijking van lid 3 verschaft de bevoegde autoriteit, indien overeenkomstig artikel 78 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 de instemming van de bevoegde autoriteit vereist is, de bevoegde autoriteit een antwoord op het in lid 2 bedoelde overleg op hetzelfde tijdstip dat zij haar in lid 5 bedoelde schriftelijke instemming aan de afwikkelingsautoriteit doet toekomen.

7.   In afwijking van de leden 3 tot en met 6 worden, indien de maximumtermijn voor het verwerken van de in lid 1 bedoelde aanvraag overeenkomstig artikel 32 octies, lid 3 of lid 4, korter is dan vier maanden, de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde termijnen tussen de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit overeengekomen, rekening houdende met de desbetreffende maximumtermijn.

8.   De afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit streven ernaar de in lid 5 bedoelde overeenstemming te bereiken zodat de in lid 1 bedoelde aanvraag hoe dan ook binnen de in artikel 32 octies, lid 1, 2, 3 of 4, bedoelde termijn wordt behandeld.

9.   De afwikkelingsautoriteit deelt de bevoegde autoriteit onverwijld het besluit mee dat over de toestemming is genomen. De afwikkelingsautoriteit stelt de bevoegde autoriteit ook in kennis in het geval van de intrekking van de algemene voorafgaande toestemming wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.”

.

15)

Hoofdstuk IV, afdeling 3, wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel van afdeling 3 wordt vervangen door:

AFDELING 3

Tijdelijke ontheffing van de aftrekking van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ”;

b)

de titel van artikel 33 wordt vervangen door:

“Artikel 33

Tijdelijke ontheffing van de aftrekking van eigen vermogen voor de toepassing van artikel 79, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013”;

c)

in artikel 33 worden de leden 2 en 3 vervangen door:

“2.   De ontheffing is alleen van toepassing op nieuw bezit van eigenvermogensinstrumenten in een entiteit uit de financiële sector of in aanmerking komende passiva-instrumenten in een instelling waarvoor de financiëlebijstandsoperatie plaatsvindt.

3.   Voor het verlenen van een tijdelijke ontheffing voor aftrekking van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, al naargelang het geval, mag een bevoegde autoriteit aannemen dat het bezit als bedoeld in artikel 79, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt aangehouden ten behoeve van een financiëlebijstandsoperatie om een entiteit uit de financiële sector of een instelling te saneren en te redden indien de operatie op basis van een plan plaatsvindt en door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd, en indien het plan duidelijk de stadia, het tijdpad en de doelstellingen vermeldt, alsmede de interactie tussen het bezit aan instrumenten en de financiëlebijstandsoperatie.”

.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 oktober 2022.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176, 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 1).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 8).

(4)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(5)  Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

(6)  Verordening (EU) 2017/2401 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 1).

(7)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(8)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).