|
23.11.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 303/6 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/2289 VAN DE COMMISSIE
van 18 augustus 2022
tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 wat betreft vrijstellingen van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de Noordzee voor 2023
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (1), en met name artikel 11,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 van de Commissie (2) bevat nadere voorschriften voor de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de Noordzee voor de periode 2021-2023. |
|
(2) |
Op grond van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 zijn bepaalde vrijstellingen van de aanlandingsverplichting van toepassing tot en met 31 december 2022. In die gevallen moesten de lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullend wetenschappelijk bewijs voor de vrijstelling indienen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) moet het ingediende bewijs uiterlijk op 31 juli 2022 beoordelen. |
|
(3) |
België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Zweden (“Scheveningengroep”) hebben na raadpleging van de adviesraad voor de Noordzee (NSAC) en de adviesraad voor pelagische bestanden (Pelac) op 2 mei 2022 een gezamenlijke aanbeveling bij de Commissie ingediend. |
|
(4) |
Het WTECV heeft de gezamenlijke aanbeveling van 16 tot en met 20 mei 2022 geëvalueerd (3). De Commissie presenteerde de gedelegeerde ontwerphandeling op 20 juli 2022 aan de deskundigengroep visserij en aquacultuur bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten in een vergadering die door het Europees Parlement als waarnemer werd bijgewoond. |
|
(5) |
Artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende op overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor tarbot (Scophthalmus maximus) die in de Uniewateren van deelgebied 4 van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) wordt gevangen met boomkorren (TBB) met een kuil van ten minste 80 mm. |
|
(6) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(7) |
Het WTECV merkte op dat zowel de vangsten als de teruggooi de afgelopen jaren een dalende trend vertonen. Het erkende dat het ICES-advies erop wijst dat het tarbotbestand in de Noordzee in goede staat verkeert en dat de gevolgen van de vrijstelling tot en met 31 december 2023 beperkt zouden blijven gezien de geringe teruggooi en uitgaande van overlevingspercentages van 38-75 %. Het WTECV nam voorts nota van de start van een onderzoeksproject inzake de overlevingskansen van tarbot, waarvan de voorlopige resultaten in 2023 naar verwachting van belang zullen zijn voor deze vrijstelling. |
|
(8) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend, zodat er ook voldoende tijd is voor de voltooiing van het lopende onderzoeksproject om betere informatie te verkrijgen over de teruggooi en overlevingskansen van tarbot. De lidstaten wordt verzocht de resultaten van dit project uiterlijk op 1 mei 2023 ter beoordeling door het WTECV in te dienen. |
|
(9) |
Artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende op overlevingskansen gebaseerde vrijstelling voor makreel en haring die met ringzegens worden gevangen, maar verbindt daaraan bepaalde voorwaarden die betrekking hebben op de uitrusting van het vaartuig en vistuig met een elektronisch registratie- en documentatiesysteem, op de toerusting van het vistuig en op de vrijlating van de vangsten in de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4. |
|
(10) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(11) |
Het WTECV merkte op dat, bij ontstentenis van nieuwe ondersteunende informatie, de in WTECV PLEN 14-02 gemelde overlevingsramingen van 70 % voor makreel en haring geldig blijven. Het onderkende voorts het belang van temporele samenhang bij de verlenging van soortgelijke vrijstellingen tussen de aangrenzende noordwestelijke wateren en de Noordzee. Ook benadrukte het dat de verlening van de vrijstelling tot en met 31 december 2023 verder moet worden geëvalueerd in het kader van de voor 2023 geplande bredere toetsing van de aanlandingsverplichting waarbij wordt gekeken of de overlevingsramingen nog geldig zijn, welke gevolgen de vrijstelling voor de bestanden heeft en in hoever de betrokken vloten er gebruik van hebben gemaakt. |
|
(12) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend, waarmee ook gezorgd wordt voor afstemming en samenhang tussen de Noordzee en de noordwestelijke wateren. De lidstaten wordt verzocht uiterlijk op 1 mei 2023 aanvullende gegevens over de overlevingskansen van makreel en haring ter beoordeling door het WTECV in te dienen op basis waarvan deze vrijstelling kan worden geëvalueerd bij de toetsing van de aanlandingsverplichting in 2023. |
|
(13) |
Artikel 11, punt 10), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4a en 4b wordt gevangen in de demersale gemengde visserij met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2). |
|
(14) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(15) |
Het WTECV merkte op dat, hoewel de verstrekte gegevens betrekking hebben op een veel groter gebied dan dat van de ICES-sectoren 4a en 4b, de vrijstelling slechts een deel van de ongewenste vangsten lijkt te bestrijken en dat het verbeteren van de selectiviteit derhalve het hoofddoel moet blijven. Het wees er ook op dat in het kader van de lopende studies over de reactie van vis op licht die door verschillende lidstaten in verschillende visserijen worden uitgevoerd, nieuwe selectiviteitsproeven om ongewenste vangsten terug te dringen, kunnen worden gedaan en verdere werkzaamheden op dit onderzoeksgebied kunnen worden bevorderd, waarvan de resultaten moeten worden gebundeld om te bepalen voor welke visserijen dergelijke technologie het meest geschikt is. |
|
(16) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend, zodat er ook voldoende tijd is voor de voltooiing van de lopende studies over de reactie van vis op licht. De lidstaten wordt verzocht de resultaten van deze studies uiterlijk op 1 mei 2023 ter beoordeling door het WTECV in te dienen. |
|
(17) |
Artikel 11, punt 12), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een gecombineerde hoeveelheid makreel, horsmakreel, haring en wijting die worden gevangen in pelagische visserijen op makreel, horsmakreel en haring in de ICES-sectoren 4b en 4c ten zuiden van 54 graden noorderbreedte door pelagische trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die gebruikmaken van pelagische trawls (OTM/PTM). |
|
(18) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(19) |
Het WTECV erkende dat de selectiviteit moeilijk verder te verbeteren is en dat het sorteren van vangsten hoge kosten zou meebrengen vanwege de aard van de betrokken soorten en visserijen. Het WTECV nam ook nota van de van jaar tot jaar variërende vangstsamenstelling en teruggooiniveaus en wees erop dat de teruggooi in het kader van deze vrijstelling moeilijk te monitoren is omdat vaartuigen tijdens dezelfde visreis uiteenlopende vistuigen kunnen gebruiken. |
|
(20) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend, zodat er ook voldoende tijd is om de monitoring te verbeteren en aanvullende informatie over de vangsten en teruggooi te verzamelen, uitgesplitst naar soort vistuig dat door deze vloot wordt gebruikt. De lidstaten wordt verzocht deze aanvullende informatie uiterlijk op 1 mei 2023 ter beoordeling door het WTECV in te dienen. |
|
(21) |
Artikel 11, punt 13), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een gecombineerde hoeveelheid sprot, zandspiering, kever en blauwe wijting die worden gevangen in de demersale gemengde visserij met trawls (OTB, OTM, OTT, PTB, PTM, SDN, SPR, SSC, TB, TBN) met een maaswijdte van meer dan 80 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4, en in de visserij op Noordse garnaal waarbij gebruik wordt gemaakt van vistuig met een sorteerrooster met een maximumafstand van 19 mm tussen de staven of een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening en van een visretentiesysteem met een maaswijdte van meer dan 35 mm in ICES-sector 3a en 32 mm in ICES-deelgebied 4. |
|
(22) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(23) |
Het WTECV merkte op dat de bijvangsten van deze industriële soorten in de demersale visserijen op voor menselijke consumptie bestemde soorten zeer gering zijn. Het erkende ook dat de selectiviteit in deze visserijen moeilijk verder te verbeteren is. |
|
(24) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend. |
|
(25) |
Artikel 11, punt 14), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een hoeveelheid leng (Molva molva) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die in ICES-deelgebied 4 in de demersale visserij op heek wordt gevangen met beuglijnen (LLS). |
|
(26) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(27) |
Het WTECV merkte op dat de teruggooi van leng in de beugvisserij volgens de verstrekte informatie gering is, hetgeen erop wijst dat de gevolgen voor het bestand onbeduidend zijn. Het erkende ook dat het gezien de aard van de visserij en de vrij geringe teruggooi waarop de vrijstelling betrekking heeft, aannemelijk is dat de selectiviteit moeilijk verder te verbeteren is. |
|
(28) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend. |
|
(29) |
Artikel 11, punt 15), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een hoeveelheid horsmakreel (Trachurus spp.) die in de ICES-sectoren 4b en 4c wordt gevangen in de demersale gemengde visserij met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2). |
|
(30) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(31) |
Het WTECV merkte op dat de teruggooi in deze visserij hoog is en dat deze vrijstelling slechts betrekking lijkt te hebben op een deel van de ongewenste vangsten en dat daarom een verdere verbetering van de selectiviteit het hoofddoel moet blijven. Het erkende ook dat de geraamde kosten van het aanlanden van ongewenste vangsten van horsmakreel, ook al zijn deze kosten op de gemiddelde teruggooi in de periode 2013-2016 gebaseerd, niet onbeduidend zijn. |
|
(32) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend, zodat er ook voldoende tijd is voor proeven om de selectiviteit van het vistuig verder te verbeteren, en voor een beoordeling in hoever de vloten die in deze gemengde visserij actief zijn, dergelijke verbeteringen doorvoeren. De lidstaten wordt verzocht uiterlijk op 1 mei 2023 nieuwe selectiviteitsproeven te verrichten en aanvullende, geactualiseerde informatie ter beoordeling door het WTECV in te dienen op basis waarvan deze vrijstelling kan worden geëvalueerd bij de toetsing van de aanlandingsverplichting in 2023. |
|
(33) |
Artikel 11, punt 16), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een hoeveelheid makreel (Scomber scombrus spp.) die in de ICES-sectoren 4b en 4c wordt gevangen in de demersale gemengde visserij met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2). |
|
(34) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(35) |
Het WTECV merkte op dat de teruggooi in deze visserij hoog is en dat daarom een verdere verbetering van de selectiviteit het hoofddoel moet blijven. Niettemin erkende het ook dat de selectiviteit moeilijk te verbeteren is zonder dat de vaartuigen die in een dergelijke gemengde visserij actief zijn, beduidende commerciële verliezen lijden. |
|
(36) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend, zodat er ook voldoende tijd is voor proeven om de selectiviteit van het vistuig verder te verbeteren, en voor een beoordeling in hoever de vloten die in deze gemengde visserij actief zijn, dergelijke verbeteringen doorvoeren. De lidstaten wordt verzocht uiterlijk op 1 mei 2023 nieuwe selectiviteitsproeven te verrichten en aanvullende, geactualiseerde informatie ter beoordeling door het WTECV in te dienen op basis waarvan deze vrijstelling kan worden geëvalueerd bij de toetsing van de aanlandingsverplichting in 2023. |
|
(37) |
Artikel 11, punt 17), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 bevat een tot en met 31 december 2022 geldende de-minimisvrijstelling voor een hoeveelheid blauwe wijting (Micromesistius poutassou) die in ICES-deelgebied 4 in de industriële pelagische trawlvisserij op deze soort wordt gevangen om aan boord te worden verwerkt tot surimibasis. |
|
(38) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om verlenging van deze vrijstelling tot en met 31 december 2023. |
|
(39) |
Het WTECV merkte op dat de ongewenste vangsten van blauwe wijting in de industriële pelagische visserij relatief gering zijn en geen gevolgen zullen hebben voor het totale bestand. Het erkende ook dat een verdere verbetering van de selectiviteit kan leiden tot onbekende sterfte vanwege de waarschijnlijke geringe overlevingskansen van ontsnapte blauwe wijting. Daarnaast wees het op de kosten van de behandeling van ongewenste vangsten aan boord. |
|
(40) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling tot en met 31 december 2023 worden verleend. |
|
(41) |
In de gezamenlijke aanbeveling werd verzocht om een nieuwe de-minimisvrijstelling voor een hoeveelheid Noordse garnaal (Pandalus borealis) die in de demersale visserij met trawls (OTB, OTM, OTT, PTB, PTM, SDN, SPR, SSC, TB, TBN) met een maaswijdte van meer dan 70 mm en met een sorteerrooster met een maximumafstand van 35 mm tussen de staven of een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening, wordt gevangen in ICES-sector 3a en van meer dan 80 mm in ICES-deelgebied 4. |
|
(42) |
Het WTECV merkte op dat de vrijstelling gezien de lage teruggooipercentages en -volumes waarschijnlijk minimale gevolgen zal hebben in de algehele context van de visserij. Het erkende ook dat een verdere verbetering van de selectiviteit om een dergelijke geringe bijvangst terug te dringen, in de praktijk moeilijk haalbaar is. |
|
(43) |
Om de door het WTECV aangevoerde redenen, waarbij de Commissie zich aansluit, moet de vrijstelling worden verleend tot de datum waarop het teruggooiplan verstrijkt (31 december 2023). |
|
(44) |
Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet met ingang van 1 januari 2023 van toepassing zijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
Artikel 8, lid 2, en artikel 10, lid 6, worden geschrapt. |
|
2. |
Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing van 1 januari tot en met 31 december 2023.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 augustus 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad, PB L 179 van 16.7.2018, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/2014 van de Commissie van 21 augustus 2020 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de Noordzee voor de periode 2021-2023 (PB L 415 van 10.12.2020, blz. 10).
(3) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/26710926/STECF+22-05+-+Eval+JRs+Lo+and+TM.pdf/68ecb905-d160-41d8-b784-70ec5ce74c15