|
26.10.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 276/60 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/2060 VAN DE COMMISSIE
van 14 juni 2022
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot vaststelling van de criteria voor het beoordelen van de modelleerbaarheid van risicofactoren in de internemodellenbenadering (IMA) en tot vaststelling van de frequentie van die beoordeling op grond van artikel 325 octoquinquagies, lid 3, van die verordening
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 325 octoquinquagies, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De in artikel 325 octoquinquagies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde beoordeling van de modelleerbaarheid van risicofactoren moet bepalen wat de passende risicomaatstaf is die instellingen moeten gebruiken voor het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor iedere risicofactor die is of wordt opgenomen in de alternatieve internemodellenbenadering van instellingen als bedoeld in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 ter, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Voor modelleerbare risicofactoren moet de overeenkomstig artikel 325 quinquinquagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende “expected-shortfall”-risicomaatstaf worden toegepast, terwijl voor niet-modelleerbare risicofactoren de overeenkomstig artikel 325 quatersexagies van die verordening berekende stressscenariorisicomaatstaf van toepassing is. |
|
(2) |
De “expected shortfall”-risicomaatstaf moet de kansverdeling van risicofactoren over een voldoende lange historische periode waarin de betrokken marktdata voor die risicofactoren waarneembaar zijn, in beeld brengen. Daarom moet een risicofactor als modelleerbaar gelden wanneer een voldoende aantal observeerbare controleerbare prijzen die voor die risicofactor representatief zijn, voorhanden is. Om die beoordeling te kunnen uitvoeren, zou een waarnemingsperiode van twaalf maanden die afloopt op de voorafgaande rapportagereferentiedatum, passend moeten zijn. Om evenwel rekening te houden met mogelijke vertragingen bij de beschikbaarheid van data, moet het instellingen worden toegestaan die waarnemingsperiode van twaalf maanden te vervangen door een verschoven periode van twaalf maanden (“observation period shift”). Om de vergelijkbaarheid van praktijken binnen de Unie te verzekeren, moet die verschuiving tot één maand beperkt blijven. Om diezelfde reden moeten instellingen die verschoven perioden consistent toepassen voor alle risicofactoren van hetzelfde type en moeten zij hun bevoegde autoriteit gedetailleerde documentatie verschaffen met betrekking tot de toepassing van die verschoven perioden. |
|
(3) |
Verwacht wordt dat instellingen misschien niet over alle prijsinformatie beschikken die nodig is om de modelleerbaarheid van hun eigen handelsactiviteit te beoordelen. Daarom moet het instellingen, wanneer zij beoordelen of risicofactoren modelleerbaar zijn, ook worden toegestaan om van derden-verkopers verkregen prijsinformatie te gebruiken, op voorwaarde dat die prijzen controleerbaar zijn en dat die derden-verkopers onderworpen zijn aan een onafhankelijke audit van de validiteit van hun prijsinformatie. |
|
(4) |
Een cruciale stap in de beoordeling van de vraag of risicofactoren modelleerbaar zijn, is de beoordeling van het representatieve karakter van voor die risicofactoren geïdentificeerde controleerbare prijzen. Een controleerbare prijs moet als representatief voor een risicofactor van een instelling worden beschouwd wanneer de instelling met behulp van doorgaans gebruikte kwantitatieve methoden de waarde van de risicofactor kan afleiden van de waarde van de controleerbare prijs. Een aantal van die methoden hebben aanvullende inputdata nodig, willen instellingen daarvan de waarde van een risicofactor kunnen afleiden, hetgeen het complexer maakt om het representatieve karakter van de controleerbare prijzen aan te tonen. Daarom moeten die methoden, evenals de aanvullende inputdata, indien nodig, gebaseerd zijn op objectief en afdoende gedocumenteerde informatie, om te voorkomen dat instellingen ondeugdelijke aannames hanteren. Doordat reconciliaties of waarderingen van zekerheden, overeenkomstig internationale standaarden, niet controleerbaar en representatief zijn, mogen zij niet worden beschouwd als in aanmerking komende bronnen van controleerbare prijzen. |
|
(5) |
Wanneer risicofactoren punten van een curve, oppervlak of kubus zijn, moet de modelleerbaarheid van die risicofactoren worden beoordeeld aan de hand van de modelleerbaarheid van iedere subklasse (“bucket”) van die curve, dat oppervlak of die kubus, omdat risicofactoren uit een bepaalde subklasse bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben. De modelleerbaarheid van die subklasse moet dus worden beoordeeld aan de hand van alle controleerbare prijzen die aan die subklasse worden toegewezen, omdat de controleerbare prijzen die representatief zijn voor één risicofactor in een subklasse, moeten worden beschouwd als representatief voor alle risicofactoren uit dezelfde subklasse. Daarnaast moet het instellingen worden toegestaan om standaardsubklassen te kiezen of, wanneer zulks voor een bepaalde curve, een bepaald oppervlak of een bepaalde kubus passender wordt geacht, door henzelf ontwikkelde alternatieve subklassen. |
|
(6) |
Voorts moeten de criteria voor de modelleerbaarheid van risicofactoren gevallen bestrijken waarin een instelling een parametrische functie gebruikt om een curve, oppervlak of kubus voor te stellen en zij de functieparameters als de risicofactoren in haar risicometingsmodel vaststelt. In die gevallen moeten die criteria specificeren hoe de beoordeling van de modelleerbaarheid moet worden uitgevoerd, rekening houdende met de specifieke aspecten van die parametrische functies en de functieparameters. |
|
(7) |
Om de bevoegde autoriteiten de naleving van deze verordening te helpen beoordelen, moet worden bepaald hoe het algemene documentatievereiste uit artikel 325 duosexagies, lid 1, punt e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 door instellingen moet worden toegepast wanneer zij beoordelen of een risicofactor modelleerbaar is. |
|
(8) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Bankautoriteit (EBA) bij de Commissie heeft ingediend. |
|
(9) |
De Europese Bankautoriteit heeft open publieke consultaties gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en heeft het advies ingewonnen van de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Criteria voor de beoordeling van de modelleerbaarheid van niet tot een curve, oppervlak of kubus behorende risicofactoren
1. Risicofactoren van de in artikel 325 octoquinquagies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde posities die niet tot een curve, oppervlak of kubus behoren, worden als modelleerbaar beoordeeld indien aan een van de twee volgende criteria is voldaan:
|
a) |
over een waarnemingsperiode van twaalf maanden die afloopt op de in artikel 2, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie (3) bedoelde voorafgaande rapportagereferentiedatum, is aan de beide volgende voorwaarden voldaan:
|
|
b) |
over de in punt a) bedoelde waarnemingsperiode van twaalf maanden heeft de instelling voor die risicofactor het bestaan geïdentificeerd van ten minste 100 prijzen die overeenkomstig artikel 2 van deze verordening controleerbaar zijn, die afzonderlijke waarnemingsdatums hebben en die overeenkomstig artikel 3 van deze verordening als representatief voor die risicofactor worden beschouwd. |
2. Een instelling mag de in lid 1 bedoelde periode van twaalf maanden vervangen door een periode van twaalf maanden die niet eerder dan één maand vóór de in artikel 2, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie bedoelde voorafgaande rapportagereferentiedatum afloopt (“verschoven periode”), indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de instelling past die verschoven periode consistent toe voor alle risicofactoren van hetzelfde type als de betrokken risicofactor; |
|
b) |
de instelling past die verschoven periode consistent in de tijd toe; |
|
c) |
de instelling verschaft de bevoegde autoriteit een gedetailleerde beschrijving van de toepassing van die verschoven periode. |
Artikel 2
Controleerbare prijzen
1. Een prijs geldt als controleerbaar indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de prijs is afkomstig van een transactie waarbij de instelling een van de partijen was en die transactie is op zakelijke voorwaarden (“at arm’s length”) aangegaan; |
|
b) |
de prijs is afkomstig van een transactie die door derden op zakelijke voorwaarden is aangegaan en die aan alle voorwaarden van lid 5 voldoet; |
|
c) |
de prijs is afkomstig van op zakelijke voorwaarden door de instelling zelf of door derden afgegeven reële concurrerende bied- en laatkoersen te goeder trouw, zijnde de waarden waartegen de instelling of de derden zich ertoe hebben verbonden een transactie volgens de handelsgebruiken uit te voeren en die aan alle voorwaarden van lid 5 voldoet. |
2. Onverminderd lid 1 geldt een prijs niet als controleerbaar indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de prijs is afkomstig van een transactie of een bied- en laatkoers tussen twee entiteiten van dezelfde groep; |
|
b) |
de prijs is afkomstig van een transactie of een bied- en laatkoers van een ten opzichte van het gebruikelijke transactie- of koersvolume dat een afspiegeling van de actuele marktsituatie is, verwaarloosbaar volume; |
|
c) |
de prijs is afkomstig van koersen met een bied-laatspread die substantieel afwijkt van bied-laatspreads die een afspiegeling van de actuele marktsituatie zijn; |
|
d) |
de prijs is afkomstig van een transactie die is verricht met als enige doel het identificeren van een voldoende aantal controleerbare prijzen die aan de criteria van artikel 1 van deze verordening voldoen; |
|
e) |
de prijs is afkomstig van koersen die zijn vastgelegd met als enige doel het identificeren van een voldoende aantal controleerbare prijzen die aan de criteria van artikel 1 van deze verordening voldoen. |
3. De waarnemingsdatum van een controleerbare prijs is identiek aan de datum waarop de transactie is uitgevoerd of de datum waarop de bied- en laatkoersen werden vastgelegd. De waarnemingsdatum van controleerbare prijzen wordt op basis van een consistente unieke tijdszone voor alle databronnen vastgelegd.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt met “een derde-verkoper” een onderneming bedoeld die aan instellingen data over transacties of koersen verschaft voor de toepassing van artikel 1 van deze verordening, daaronder begrepen aanbieders van datarapporteringsdiensten in de zin van artikel 2, lid 1, punt 36 bis, van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (4) en multilaterale systemen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 19, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (5).
5. Een transactie of bied- en laatkoersen worden alleen voor de toepassing van lid 1, punten b) en c), gebruikt indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de transactie of koersen zijn verwerkt via, of verzameld door, een derde-verkoper; |
|
b) |
de derde-verkoper of de instelling heeft erin toegestemd om, op verzoek, aan de bevoegde autoriteit van de instelling bewijs te leveren voor de transactie of de koersen, alsmede voor de controleerbaarheid van de uit die transactie of die koersen verkregen prijs; |
|
c) |
de derde-verkoper heeft de instelling de datum meegedeeld waarop de transactie of de koersen zijn waargenomen, en een minimum aan informatie over de transactie of de koersen waarmee de instelling de controleerbare prijs kan mappen met de risicofactoren waarvoor die uit de transactie of die koersen verkregen prijs representatief is overeenkomstig artikel 3 van deze verordening; |
|
d) |
de instelling heeft zich ervan vergewist dat de derde-verkoper, ten minste jaarlijks, aan een onafhankelijke audit door een externe onderneming in de zin van artikel 325 duosexagies, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt onderworpen wat betreft de validiteit van zijn prijsinformatie, governance en processen, en zij heeft toegang tot de auditresultaten en -verslagen, zodat zij die resultaten en verslagen, op verzoek, aan haar bevoegde autoriteit kan meedelen. |
6. Voor de toepassing van lid 5, punt d), beoordeelt de onafhankelijk audit alle volgende punten:
|
a) |
de vraag of de derde-verkoper beschikt over de informatie die noodzakelijk is om na te gaan of de prijs controleerbaar is en om de controleerbare prijs te mappen met de risicofactoren waarvoor die prijs representatief is overeenkomstig artikel 3 van deze verordening; |
|
b) |
de vraag of de derde-verkoper de integriteit van de in punt a) bedoelde informatie kan aantonen; |
|
c) |
de vraag of de derde-verkoper beschikt over interne procedures en een voldoende aantal personeelsleden die onderlegd zijn in het beheer van de in punt a) bedoelde informatie; |
|
d) |
de vraag of een derde-verkoper, wanneer deze de instelling niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is om de controleerbaarheid van de prijs na te gaan, contractueel verplicht is de controleerbaarheid van de prijs te hebben nagegaan. |
7. Wanneer een derde-verkoper de instelling niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is om de controleerbaarheid van de prijs na te gaan, kan de instelling ten genoegen van haar bevoegde autoriteit aantonen dat de derde-verkoper contractueel verplicht is de controleerbaarheid van de prijs te hebben nagegaan.
Artikel 3
Representativiteit van controleerbare prijzen voor risicofactoren
1. Een controleerbare prijs wordt per de observatiedatum als representatief voor een risicofactor beschouwd indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:
|
a) |
er is een nauw verband tussen de risicofactor en de controleerbare prijs; |
|
b) |
de instelling heeft een conceptueel solide methodiek uitgewerkt om de waarde van de risicofactor af te leiden van de waarde van de controleerbare prijs. |
Voor de toepassing van punt b) worden in de methodiek gebruikte inputdata of risicofactoren niet zijnde de controleerbare prijs op objectieve data gebaseerd.
2. Controleerbare prijzen mogen voor alle risicofactoren waarvoor deze overeenkomstig lid 1 representatief zijn, als een waarneming voor de toepassing van artikel 1 worden aangemerkt.
3. Wanneer een instelling een systematische krediet- of aandelenrisicofactor gebruikt om marktbrede bewegingen in beeld te krijgen voor bepaalde kenmerken van een groep (“pool”) van emittenten, zoals het land, de regio of de sector van die emittenten, worden controleerbare prijzen van marktindices of instrumenten van individuele emittenten alleen als representatief voor die systematische risicofactor beschouwd wanneer zij dezelfde kenmerken hebben als die systematische risicofactor.
Artikel 4
Criteria voor de beoordeling van de modelleerbaarheid van niet tot een curve, oppervlak of kubus behorende risicofactoren
1. Risicofactoren voor de in artikel 325 octoquinquagies, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde posities die tot een curve, oppervlak of kubus behoren, worden als modelleerbaar beoordeeld door de volgende stappen in de onderstaande volgorde toe passen:
|
a) |
voor elke curve, elk oppervlak of elke kubus bepaalt de instelling de betrokken subklassen van risicofactoren overeenkomstig artikel 5 van deze verordening; |
|
b) |
de instelling bepaalt de modelleerbaarheid van de in punt a) bedoelde betrokken subklassen overeenkomstig lid 2; |
|
c) |
de instelling merkt risicofactoren die behoren tot een subklasse die overeenkomstig lid 2 als modelleerbaar is aangemerkt, aan als modelleerbaar. |
2. De criteria om te beoordelen of een subklasse modelleerbaar is, zijn een van beide:
|
a) |
over een waarnemingsperiode van twaalf maanden die afloopt op de in artikel 2, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie bedoelde voorafgaande rapportagereferentiedatum:
|
|
b) |
over de in punt a) bedoelde waarnemingsperiode van twaalf maanden heeft de instelling voor die subklasse het bestaan geïdentificeerd van ten minste 100 prijzen die overeenkomstig artikel 2 van deze verordening controleerbaar zijn, die afzonderlijke waarnemingsdatums hebben en die in die subklasse zijn ingedeeld. |
3. Een instelling mag de in lid 2 bedoelde periode van twaalf maanden vervangen door een periode van twaalf maanden die niet eerder dan één maand vóór de in artikel 2, lid 1, punt b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie bedoelde voorafgaande rapportagereferentiedatum afloopt (“verschoven periode”), indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de instelling past de verschoven periode consistent toe voor alle subklassen van een curve, oppervlak of kubus; |
|
b) |
de instelling past die verschoven periode consistent in de tijd toe; |
|
c) |
de instelling verschaft haar bevoegde autoriteit een gedetailleerde beschrijving van de toepassing van die verschoven periode. |
4. Een controleerbare prijs wordt in een subklasse ingedeeld wanneer deze overeenkomstig artikel 3 van deze verordening representatief is voor een risicofactor die tot die subklasse behoort.
5. Voor de toepassing van lid 4 mag een instelling punten van de curve, het oppervlak of de kubus die tot de subklasse behoren, als een risicofactor beschouwen, ongeacht of dat punt een risicofactor is die in haar risicometingsmodel is opgenomen.
Artikel 5
Bucketing-benaderingen voor tot curves, oppervlakken of kubussen behorende risicofactoren
1. Voor elke curve, elk oppervlak of elke kubus waartoe een risicofactor behoort, stellen instellingen de subklassen van die curve, dat oppervlak of die kubus vast aan de hand van de in lid 2 bedoelde vooraf vastgelegde standaardsubklassen of aan de hand van door de instellingen zelf vastgestelde subklassen op voorwaarde dat die instellingen aan de vereisten van lid 3 voldoen.
2. Voor de toepassing van lid 1 zijn de standaard vooraf vastgelegde subklassen als volgt:
|
a) |
de negen in rij i van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen voor risicofactoren met één maturiteitsdimensie “t” , uitgedrukt in jaar, die aan de volgende brede risicofactorencategorieën zijn toegewezen:
|
|
b) |
de zes in rij ii van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen voor elke maturiteitsdimensie “t” van risicofactoren met meer dan één maturiteitsdimensie, uitgedrukt in jaar, die aan de volgende brede risicofactorencategorieën zijn toegewezen:
|
|
c) |
de vijf in rij iii van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen voor elke maturiteitsdimensie “t” voor risicofactoren met een of meer maturiteitsdimensies, uitgedrukt in jaar, die aan de volgende brede risicofactorencategorieën zijn toegewezen:
|
|
d) |
de vijf in rij iv van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen voor risicofactoren met een of meer moneyness-dimensies zoals uitgedrukt aan de hand van de delta ( “δ” ) van de opties; |
|
e) |
de vijf in rij iii van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen en de vijf in rij iv van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen voor risicofactoren die aan de volgende brede risicofactorencategorieën zijn toegewezen:
|
|
f) |
de zes in rij ii van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen, de vijf in rij iii van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen en de vijf in rij iv van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen voor risicofactoren die zijn toegewezen aan de brede risicofactorcategorie “rente” en de brede risicofactorsubcategorie “volatiliteit” met een looptijd-, einddatum- en moneyness-dimensie. |
Voor de toepassing van punt d) zetten instellingen voor optiemarkten die voor het bepalen van de moneyness andere conventies gebruiken dan de delta van de optie, de in rij iv van tabel 1 van lid 3 genoemde subklassen, aan de hand van kwantitatieve technieken afgeleid van de eigen prijszettingsmodellen van de instelling, om in op die optiemarkten heersende conventies, op voorwaarde dat die prijszettingsmodellen goed gedocumenteerd zijn en onafhankelijk zijn getoetst.
3. Voor de toepassing van lid 2 kan een standaardsubklasse in meerdere kleinere subklassen worden onderverdeeld.
Tabel 1
|
Subklasse nr. |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
|
i. |
0 ≤ t < 0,75 |
0,75 ≤ t <1,5 |
1,5 ≤ t <4 |
4 ≤ t < 7 |
7 ≤ t < 12 |
12 ≤ t < 18 |
18 ≤ t < 25 |
25 ≤ t < 35 |
35 ≤ t |
|
ii. |
0 ≤ t <0,75 |
0,75 ≤ t < 4 |
4 ≤ t < 10 |
10 ≤ t < 18 |
18 ≤ t < 30 |
30 ≤ t |
|
|
|
|
iii. |
0 ≤ t < 1,5 |
1,5 ≤ t < 3,5 |
3,5 ≤ t < 7,5 |
7,5 ≤ t < 15 |
15 ≤ t |
|
|
|
|
|
iv. |
0 ≤ δ < 0,05 |
0,05 ≤ δ < 0,3 |
0,3 ≤ δ < 0.7 |
0,7 ≤ δ < 0,95 |
0,95 ≤ δ ≤ 1 |
|
|
|
|
4. Voor de toepassing van lid 1 mogen instellingen zelf subklassen voor een bepaalde curve, een bepaald oppervlak of een bepaalde kubus bepalen indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de subklassen bestrijken de hele curve, het hele oppervlak of de hele kubus; |
|
b) |
de subklassen overlappen elkaar niet; |
|
c) |
elke subklasse omvat precies één risicofactor die deel uitmaakt van de berekening van de theoretische veranderingen in de waarde van de portefeuille van een van de tradingafdelingen van de instelling, om de inachtneming te beoordelen van het in artikel 325 sexagies van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereiste inzake de toeschrijving van winsten en verliezen. |
5. Voor de beoordeling van de modelleerbaarheid van risicofactoren uit de brede risicocategorie “creditspread” die behoort tot een bepaalde looptijdsubklasse, kan een instelling de toewijzing van de controleerbare prijzen van een subklasse aan die van de aangrenzende subklasse voor kortere looptijden alleen aanpassen indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de instelling is niet blootgesteld aan enige risicofactor behorend tot de subklasse die overeenstemt met de langere looptijden, en maakt dus in haar risicobeheermodel geen gebruik van deze risicofactoren; |
|
b) |
controleerbare prijzen worden in slechts één looptijdsubklasse in aanmerking genomen; |
|
c) |
de toewijzing van controleerbare prijzen wordt slechts eenmaal aangepast. |
Artikel 6
Criteria voor de beoordeling van de modelleerbaarheid van risicofactoren die de functieparameters van een parametrische curve, een parametrisch oppervlak of een parametrische kubus vertegenwoordigen
1. Instellingen die een of meer parametrische functies gebruiken om een curve, oppervlak of kubus voor te stellen en die de functieparameters als risicofactoren in hun interne risicometingsmodellen opnemen, beoordelen de modelleerbaarheid van die functieparameters door voor elke parametrische functie de volgende stappen in de onderstaande volgorde toe te passen:
|
a) |
die instellingen identificeren de reeks punten van de curve, het oppervlak of de kubus die zijn gebruikt om de parametrische functie te kalibreren; |
|
b) |
die instellingen passen de in artikel 5, lid 2, beschreven bucketing-benadering toe als waren de risicofactoren in hun risicometingsmodel de overeenkomstig punt a) geïdentificeerde punten; |
|
c) |
die instellingen beoordelen, overeenkomstig artikel 4, leden 2 en 3, de modelleerbaarheid van de subklassen verkregen door toepassing van de in artikel 5, lid 2, beschreven bucketing-benadering als waren de risicofactoren in hun risicometingsmodel de overeenkomstig punt a) geïdentificeerde punten. |
2. De in lid 1 bedoelde modelleerbaarheid van een parameter van de parametrische functie wordt beoordeeld door het identificeren van de reeks punten van de curve, het oppervlak of de kubus die zijn gebruikt om die functieparameter te kalibreren. Indien de geïdentificeerde punten alleen behoren tot subklassen die overeenkomstig lid 1, punt c), als modelleerbaar zijn beoordeeld, wordt de functieparameter als modelleerbaar beoordeeld.
Artikel 7
Documentatie
1. Instellingen documenteren in hun interne beleidslijnen alle volgende elementen:
|
a) |
de reeks en de beschrijving van de risicofactoren in hun interne risicometingsmodel die op hun modelleerbaarheid moeten worden beoordeeld; |
|
b) |
de bronnen van de informatie over controleerbare prijzen die worden gebruikt om risicofactoren op hun modelleerbaarheid te beoordelen; |
|
c) |
de criteria om een prijs overeenkomstig artikel 2 als modelleerbaar te beschouwen, met inbegrip van een overzicht van de wijze waarop de instelling beoordeelt of het volume van een transactie of van een bindende koers niet te verwaarlozen is in de zin van artikel 2, lid 2, punt b), en of de bied-laatspread van een koers redelijk is in de zin van artikel 2, lid 2, punt c); |
|
d) |
de mappingprocedure en de criteria voor het bepalen van de representativiteit van controleerbare prijzen voor risicofactoren in de zin van artikel 3, met inbegrip van een overzicht van de methodiek die is uitgewerkt om de waarde van de risicofactor af te leiden van de controleerbare prijzen, en verdere input die de methodiek eventueel vereist; |
|
e) |
de in artikel 6 bedoelde beoordeling van de modelleerbaarheid voor parametrische curves, oppervlakken of kubussen; |
|
f) |
het in artikel 5 bedoelde gebruik van de bucketing-benaderingen, waarbij ook wordt vermeld of en hoe de instelling artikel 5, lid 5, toepast; |
|
g) |
het gebruik van de verschoven periode van twaalf maanden overeenkomstig artikel 1, lid 2, of artikel 4, lid 3. |
2. Voor elke risicofactor registreren instellingen voor ten minste één jaar de uitkomsten van hun beoordeling van de modelleerbaarheid, met inbegrip van de in lid 1 bedoelde documentatie. Voor risicofactoren waarvoor een trackrecord van één jaar uitkomsten nog niet beschikbaar is, houden instellingen het maximaal beschikbare trackrecord van uitkomsten bij.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juni 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/451 van de Commissie van 17 december 2020 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 (PB L 97 van 19.3.2021, blz. 1).
(4) Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).
(5) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).