|
26.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 197/52 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2022/1302 VAN DE COMMISSIE
van 20 april 2022
tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de toepassing van positielimieten op grondstoffenderivaten en procedures voor het aanvragen van een vrijstelling van positielimieten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 57, lid 1, zesde alinea, artikel 57, lid 3, vijfde alinea, en artikel 57, lid 12, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad (2) bevat wijzigingen van artikel 57 van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft onder andere positielimieten, met inbegrip van nieuwe bevoegdheden die daar verband mee houden. |
|
(2) |
Om de stabiliteit en integriteit van de financiële markten in de Unie te verbeteren, moet er een methode worden gespecificeerd om positielimieten bij grondstoffenderivaten op geharmoniseerde wijze te berekenen. Deze methode moet regelgevingsarbitrage voorkomen, samenhang bevorderen en de bevoegde autoriteiten voldoende flexibiliteit verschaffen om rekening te houden met de variatie tussen de verschillende markten voor grondstoffenderivaten en de markten voor onderliggende grondstoffen. Aan de hand van deze methode voor het berekenen van limieten moeten de bevoegde autoriteiten limieten kunnen vaststellen op een niveau dat laag genoeg is om te voorkomen dat personen met posities in deze grondstoffenderivaten de markt misbruiken of verstoren, wat niet bevorderlijk is voor ordelijke koersvormings- en afwikkelingsregelingen, voor de ontwikkeling van nieuwe grondstoffenderivaten of voor de continue bijdrage van grondstoffenderivaten aan het ontplooien van commerciële activiteiten in de onderliggende grondstoffenmarkt. |
|
(3) |
Een aantal concepten uit Richtlijn 2014/65/EU en de in deze verordening gebruikte technische termen moeten worden gedefinieerd, zodat deze uniform worden uitgelegd. |
|
(4) |
Long- en shortposities die marktdeelnemers in een bepaald grondstoffenderivaat aanhouden, moeten met elkaar worden verrekend ter bepaling van de effectieve omvang van een positie die een marktdeelnemer op ieder moment aanhoudt. De omvang van een via een optiecontract aangehouden positie of een op hetzelfde handelsplatform verhandeld grondstoffenderivaat dat een onderdeel van het hoofdcontract is, moet op een delta-equivalente basis worden berekend. Om een uitgebreid, centraal en representatief overzicht van de activiteiten van een persoon te kunnen krijgen en om te voorkomen dat het doel van de positielimiet voor het hoofdcontract wordt ontweken, moet de geaggregeerde positie die een persoon aanhoudt in een op een handelsplatform verhandeld grondstoffenderivaat, ook de positie omvatten die voortkomt uit de gedesaggregeerde onderdelen van een spreadcontract dat als één verhandelbaar instrument op hetzelfde handelsplatform tot de handel is toegelaten, alsmede de posities in grondstoffenderivaten die op hetzelfde handelsplatform zijn verhandeld en die een onderdeel van het hoofdcontract zijn wat betreft hun omvang (zogenaamde mini’s) of de looptijd van de tariefperiode, zoals saldo-van-de maand-contracten (zogenaamde balmo’s). |
|
(5) |
Richtlijn 2014/65/EU vereist dat alle posities die derden namens een persoon aanhouden, worden opgenomen in de berekening van de positielimiet van die persoon en dat positielimieten zowel op het niveau van de entiteit als op groepsniveau worden toegepast. Het is derhalve noodzakelijk posities op groepsniveau te aggregeren. Het is aangewezen op groepsniveau enkel te aggregeren wanneer een moederonderneming zeggenschap heeft over het gebruik van posities. Bijgevolg moeten moederondernemingen door hun dochterondernemingen aangehouden posities aggregeren met posities die zij rechtstreeks aanhouden, terwijl dochterondernemingen daarnaast hun eigen posities aggregeren. Deze aggregatie kan leiden tot grotere op het niveau van de moederonderneming berekende posities of tot kleinere posities dan de posities op het niveau van individuele dochterondernemingen als gevolg van de verrekening van door verschillende dochterondernemingen aangehouden long- en shortposities. Posities mogen niet op het niveau van de moederonderneming worden geaggregeerd indien ze door instellingen voor collectieve belegging namens hun beleggers in plaats van namens hun moederondernemingen worden aangehouden voor zover de moederonderneming niet in haar eigen voordeel over het gebruik van deze posities kan beslissen. |
|
(6) |
In de wijzigingen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2021/338 wordt vereist dat positielimieten van toepassing zijn op cruciale of significante grondstoffenderivaten die op handelsplatformen worden verhandeld, en op hun economisch gelijkwaardige OTC-contracten. Cruciale of significante derivaten zijn grondstoffenderivaten met een positie in openstaande contracten van gemiddeld ten minste 300 000 partijen in een periode van één jaar. Vanwege het cruciale belang van landbouwgrondstoffen voor burgers zullen landbouwgrondstoffenderivaten en hun economisch gelijkwaardige OTC-contracten onder de regeling inzake positielimieten onder 300 000 partijen blijven vallen. De liquiditeitsdrempel vanaf welke positielimieten van toepassing zijn op landbouwgrondstoffenderivaten, moet in deze verordening worden gespecificeerd en deze worden uitsluitend beschouwd als in aanzienlijke hoeveelheden op een handelsplatform verhandeld indien ze de liquiditeitsdrempel gedurende een toereikende periode overschrijden. |
|
(7) |
Wanneer een OTC-contract wordt gewaardeerd op basis van dezelfde onderliggende grondstof die op dezelfde locatie en volgens dezelfde contractvoorwaarden leverbaar is, en indien het contract een resultaat oplevert dat in economische zin sterk lijkt op dat van een op een handelsplatform verhandeld contract, moet het als in economische zin gelijkwaardig worden beschouwd, ongeacht geringe verschillen in de contractvoorwaarden betreffende de omvang van de partijen en de leveringsdatum. Uiteenlopende regelingen voor posttransactioneel risicobeheer, zoals clearingregelingen, mogen geen belemmering vormen om dergelijke contracten in economische zin gelijkwaardig te verklaren. Ter voorkoming van een verkeerde verrekening van potentieel dominante posities die door middel van bilaterale regelingen in OTC-contracten op een handelsplatform zijn verhandeld, en om de regeling voor positielimieten in de praktijk doeltreffend toe te passen, mogen OTC verhandelde grondstoffenderivaten slechts onder beperkte voorwaarden als in economische zin gelijkwaardig aan handelsplatformcontracten worden beschouwd. Om ontwijking van positielimieten tegen te gaan en de integriteit van de regeling voor positielimieten te versterken, is een nauwkeurige definitie van een in economische zin gelijkwaardig OTC-contract vereist, zodat wordt uitgesloten dat iemand een OTC-positie met meerdere andere posities verrekent. Bovendien moet het consistente kiezen van posities waarmee een OTC-positie wordt verrekend, worden beperkt tot de specifieke omstandigheden waarin een dergelijk OTC-contract in economische zin gelijkwaardig is met meer dan één op een handelsplatform in de Unie verhandeld grondstoffenderivaat. |
|
(8) |
Om objectief te kunnen vaststellen welke posities in grondstoffenderivaten rechtstreeks met commerciële activiteiten verband houdende risico’s verminderen, dient in bepaalde criteria te worden voorzien, met inbegrip van het gebruik van de boekhoudkundige definitie van een hedgingcontract op basis van de International Financial Reporting Standards (IFRS). Deze boekhoudkundige definitie moet ook door niet-financiële entiteiten kunnen worden gebruikt, zelfs als deze de IFRS-regels niet op het niveau van de entiteit toepassen. |
|
(9) |
Daarnaast moeten niet-financiële entiteiten risicobeheertechnieken kunnen gebruiken om het totale risico van hun commerciële activiteiten of dat van hun groep te beperken, met inbegrip van risico’s die het gevolg zijn van verschillende geografische markten, producten, tijdshorizonten of entiteiten (“macro- of portefeuillehedging”). Op dezelfde wijze moeten financiële entiteiten binnen overwegend commerciële groepen risicobeheertechnieken kunnen gebruiken om het totale risico van de commerciële activiteiten van de niet-financiële entiteiten van de groep te beperken. Wanneer een niet-financiële entiteit of een financiële entiteit gebruik maakt van macro- of portefeuillehedging, is ze mogelijk niet in staat om een één-op-éénkoppeling te maken tussen een specifieke positie in een grondstoffenderivaat en een specifiek uit de commerciële activiteit voortvloeiend risico dat het grondstoffenderivaat verondersteld wordt te dekken. Een niet-financiële entiteit of een financiële entiteit kan ook een niet-gelijkwaardig grondstoffenderivaat gebruiken om een specifiek uit een commerciële activiteit van de niet-financiële entiteit voortvloeiend risico af te dekken, wanneer geen identiek grondstoffenderivaat beschikbaar is of wanneer een meer gelijkend grondstoffenderivaat niet over voldoende liquiditeit beschikt (“proxy hedging”). In dergelijke gevallen moet met de risicobeheerregels en -systemen kunnen worden voorkomen dat niet-hedgingtransacties toch als hedging worden aangemerkt en moet een voldoende gedesaggregeerd beeld van de hedgeportefeuille kunnen worden geboden waardoor speculatieve componenten worden geïdentificeerd en in de positielimieten worden meegerekend. Posities die met commerciële activiteit verbonden risico’s verminderen, mogen niet als zodanig worden aangemerkt louter en alleen omdat ze deel uitmaken van een globale risicoverminderende portefeuille. |
|
(10) |
Een risico kan evolueren in de tijd en om daarmee rekening te houden kan het nodig zijn grondstoffenderivaten die oorspronkelijk dienden om het met commerciële activiteiten verbonden risico te verminderen middels bijkomende grondstoffenderivatencontracten te neutraliseren, en de grondstoffenderivatencontracten af te wikkelen die geen verband meer houden met het commerciële risico. De evolutie van een risico — opgevangen door het innemen van een positie in een grondstoffenderivaat met het oog op het verminderen van dat risico — mag bovendien niet worden aangegrepen om die positie te herkwalificeren tot een niet-bevoorrechte transactie vanaf het begin. |
|
(11) |
Financiële en niet-financiële entiteiten moeten de vrijstelling met betrekking tot hedging van commerciële activiteiten kunnen aanvragen alvorens een positie in te nemen. Die aanvraag moet de bevoegde autoriteit een duidelijk en beknopt beeld verschaffen van de commerciële activiteiten van de niet-financiële entiteiten met betrekking tot een af te dekken onderliggende grondstof, de ermee verbonden risico’s en de wijze waarop grondstoffenderivaten worden gebruikt om die risico’s te beperken. Positielimieten gelden te allen tijde voor landbouwgrondstoffenderivaten en voor cruciale of significante grondstoffenderivaten, en indien de vrijstelling uiteindelijk niet door de bevoegde autoriteit wordt verleend, moet de financiële of niet-financiële entiteit elke positie boven een limiet verlagen en kan ze toezichtmaatregelen wegens overschrijding van een limiet verwachten. Financiële en niet-financiële entiteiten moeten hun activiteiten op gezette tijden opnieuw beoordelen om ervoor te zorgen dat de vrijstelling gerechtvaardigd blijft. |
|
(12) |
Financiële en niet-financiële entiteiten moeten de vrijstelling met betrekking tot posities die voortkomen uit de verplichte liquiditeitsverschaffing op handelsplatformen, kunnen aanvragen voordat die transacties worden uitgevoerd. Die aanvraag moet de bevoegde autoriteit een duidelijk en beknopt beeld verschaffen van het kader voor verplichte liquiditeitsverschaffing waarin die personen actief zijn, van de activiteiten van die persoon in de handel in grondstoffenderivaten in overeenstemming met de schriftelijke overeenkomst met het handelsplatform en van de daaruit volgende openstaande posities. Positielimieten gelden te allen tijde voor landbouwgrondstoffenderivaten en voor cruciale of significante grondstoffenderivaten, en indien de vrijstelling uiteindelijk niet door de bevoegde autoriteit wordt verleend, moet de niet-financiële of financiële entiteit elke positie boven een limiet verlagen en kan ze toezichtmaatregelen wegens overschrijding van een limiet verwachten. Niet-financiële en financiële entiteiten moeten hun activiteiten op gezette tijden opnieuw beoordelen om ervoor te zorgen dat de vrijstelling gerechtvaardigd blijft. |
|
(13) |
De spotmaandperiode — de periode onmiddellijk vóór levering op de vervaldatum — is specifiek voor elk grondstoffenderivaat en hoeft niet exact één maand te zijn. Spotmaandcontracten moeten derhalve verwijzen naar het eerstvolgend vervallend contract in dat grondstoffenderivaat. Een limiet stellen op de posities die iemand mag aanhouden tijdens de periode waarin de grondstof materieel wordt geleverd, beperkt de hoeveelheid onderliggende leverbare voorraad die iedere persoon mag leveren of ontvangen, waardoor wordt voorkomen dat afzonderlijke personen dominante posities cumuleren en zo de markt zouden kunnen doen krimpen door de toegang tot de grondstof te beperken. De standaardbasis voor de spotmaandpositielimiet voor zowel materieel als door middel van contanten afgewikkelde grondstoffenderivaten moet daarom als een percentage van de geraamde leverbare voorraad worden berekend. De bevoegde autoriteiten moeten een tijdschema met dalende positielimieten kunnen toepassen, vanaf het tijdstip waarop een contract een spotmaandcontract wordt, tot aan de vervaldatum, om zo een meer nauwkeurige en passende vaststelling van positielimieten tijdens de hele spotmaandperiode en een ordelijke afwikkeling te waarborgen. |
|
(14) |
Wanneer er relatief weinig derivatenhandel in verhouding tot de leverbare voorraad van een grondstoffenderivaat plaatsvindt, zullen de openstaande posities ten opzichte van de leverbare voorraad kleiner zijn. Onder die omstandigheden zijn de bevoegde autoriteiten zelfs als zij in de methode het laagste percentage van de leverbare voorraad gebruiken, niet in staat om een spotmaandlimiet vast te stellen die strookt met de doelstelling van het waarborgen van ordelijke koersvormings- en afwikkelingsvoorwaarden en het voorkomen van marktmisbruik. Om ervoor te zorgen dat onder alle omstandigheden aan die doelstellingen wordt voldaan, moeten de bevoegde autoriteiten, wanneer de leverbare voorraad voor een grondstoffenderivaat aanzienlijk hoger is dan de totale openstaande posities waardoor de spotmaandlimiet op basis van de leverbare voorraad de vereiste dat bevoegde autoriteiten positielimieten moeten toepassen, overbodig zou maken, als fallbackmethode het basiscijfer voor de spotmaandlimiet in dat grondstoffenderivaat vaststellen als percentage van de totale openstaande posities in dat grondstoffenderivaat en vervolgens de relevante aanpassingsfactoren toepassen. |
|
(15) |
Oogsten van landbouwproducten kunnen door weersomstandigheden onderhevig zijn aan sterke volatiliteit. Het is daarom gepast dat de referentieperiode voor het vaststellen van de leverbare voorraad in landbouwgrondstoffenderivaten langer duurt dan de referentieperiode die wordt gebruikt voor het vaststellen van de leverbare voorraad in andere grondstoffenderivaten. |
|
(16) |
De positielimiet van andere maanden geldt voor alle andere vervaldata dan de spotmaand. De standaardbasis voor de positielimieten van andere maanden voor zowel materieel als door middel van contanten afgewikkelde grondstoffenderivaten moet als een percentage van de totale openstaande posities worden berekend. De verdeling van posities over de andere maanden van een grondstoffencontract is vaak geconcentreerd in de maanden die het dichtst bij de vervaldatum liggen. Daarom vormen de totale openstaande posities een geschiktere basis voor het vaststellen van positielimieten dan een over alle vervaldata berekend gemiddelde. Aangezien openstaande posities in korte tijd aanzienlijk kunnen veranderen, moeten de bevoegde autoriteiten de openstaande posities berekenen over een periode die een goede weergave vormt van de handelskenmerken van het grondstoffenderivaat. Die referentieperiode moet in het bijzonder rekening houden met de seizoensgebondenheid van de handel van een contract. |
|
(17) |
Om te waarborgen dat de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde positielimieten zijn gebaseerd op een brede vertegenwoordiging van alle openstaande posities die worden aangehouden in een grondstoffenderivaat, moeten de door de bevoegde autoriteit berekende openstaande posities zowel de uitstaande posities op het handelsplatform waarop het grondstoffenderivaat wordt verhandeld, omvatten als de uitstaande posities in economisch gelijkwaardige OTC-contracten die aan de bevoegde autoriteit zijn gemeld. |
|
(18) |
De standaardbasis van 25 % van de leverbare voorraad en van de openstaande posities is vastgesteld op basis van de ervaring van andere markten en rechtsgebieden. De basis moet door de bevoegde autoriteiten zodanig worden aangepast dat deze tot 5 % van de leverbare voorraad en de openstaande posities kan worden verlaagd, of 2,5 % in het geval van bepaalde landbouwgrondstoffenderivaten, en tot maximaal 35 % van de leverbare voorraad en de openstaande posities kan worden verhoogd indien dit op basis van de kenmerken van de markt vereist is om een ordelijke afwikkeling en werking van het contract en de onderliggende markt te ondersteunen. Aangezien eventuele aanpassingen van het basiscijfer enkel worden toegepast indien en zolang de objectieve kenmerken van de markt dit vereisen, moet het derhalve mogelijk zijn het basiscijfer tijdelijk aan te passen. De bevoegde autoriteiten moeten zorgen voor een neerwaartse correctie van de basis om indien nodig dominante posities te voorkomen en een ordelijke koersvorming in het grondstoffenderivaat en de onderliggende grondstof te ondersteunen. Voor derivaten zonder tastbare onderliggende grondstof kan de leverbare voorraad niet dienen om een positielimiet vast te stellen. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten de methoden om positielimieten vast te stellen voor deze grondstoffenderivaten kunnen verbeteren of aanpassen aan de hand van andere parameters, zoals het gebruik van openstaande posities ook voor de spotmaand. |
|
(19) |
Er kunnen omstandigheden zijn waarin een nieuw tot de handel op een handelsplatform toegelaten grondstoffenderivaat eerder werd verhandeld op één of meer handelsplatformen in de Unie of in derde landen. Om te zorgen voor een soepele overplaatsing van het grondstoffenderivaat, moet de bevoegde autoriteit de openstaande posities in het grondstoffenderivaat dat voorheen op één of meer andere handelsplatformen werd verhandeld, in aanmerking nemen bij het vaststellen van de eerste positielimieten voor het nieuw tot de handel toegelaten grondstoffenderivaat. Er kunnen zich andere omstandigheden voordoen, bijvoorbeeld wanneer twee grondstoffenderivaten op hetzelfde handelsplatform worden verhandeld en de openstaande posities in het oudere contract vanwege een klein verschil in hun kenmerken, zoals een verandering in de onderliggende index of biedzone, naar verwachting snel overgaan op het recentere contract. Bij het vaststellen van de positielimieten voor het recentere contract moet de bevoegde autoriteit rekening houden met de openstaande posities in het oudere contract, zodat het recentere contract zich soepel kan ontwikkelen. |
|
(20) |
Bij bepaalde grondstoffenderivaten, met name op basis van energie en gas, moet de onderliggende grondstof gedurende een welbepaalde periode zoals een dag, maand of jaar constant worden geleverd. Bovendien kunnen bepaalde contracten met langere leveringsperioden, zoals een jaar of kwartaal, automatisch in soortgelijke contracten met kortere leveringsperioden, zoals een kwartaal of maand (zogenaamde watervalcontracten), worden omgezet. In zulke gevallen zou een spotmaandpositielimiet niet geschikt zijn voor een contract dat vóór de levering wordt vervangen, omdat die limiet het aflopen van het contract en de materiële levering of afwikkeling in contanten van het contract niet zou dekken. Voor zover de leveringsperioden van contracten voor dezelfde onderliggende grondstof elkaar overlappen, moet voor alle contracten in kwestie één enkele positielimiet gelden om terdege rekening te kunnen houden met de posities in de contracten die mogelijk worden afgewikkeld. Om dat te faciliteren, dienen de contracten in kwestie in eenheden van de onderliggende grondstof te worden gemeten en dienovereenkomstig te worden geaggregeerd en verrekend. |
|
(21) |
Bij bepaalde derivaten van landbouwgrondstoffen die een wezenlijke invloed op de voedselprijzen hebben, kan een bevoegde autoriteit dankzij deze methode een basis en positielimiet onder het minimale algemene prijsbereik vaststellen, indien er bewijs is van sterk op de prijzen inwerkende speculatie. |
|
(22) |
De bevoegde autoriteit moet beoordelen of de in artikel 57, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU genoemde factoren nopen tot aanpassing van de basis teneinde het definitieve niveau van de positielimiet vast te stellen. Daarbij dienen die factoren als relevant voor het specifieke grondstoffenderivaat in kwestie te worden beschouwd. De methoden moeten aangeven hoe de limiet dient te worden vastgesteld maar laten de definitieve keuze voor een geschikte positielimiet van een grondstoffenderivaat over aan de bevoegde autoriteit teneinde marktmisbruik te voorkomen. Deze factoren moeten de bevoegde autoriteiten en ook de Europese Autoriteit voor effecten en markten tot leidraad dienen bij het formuleren van hun adviezen en het verzekeren van een adequate onderlinge afstemming van positielimieten in de hele Unie. |
|
(23) |
Positielimieten mogen geen barrière opwerpen voor de ontwikkeling van nieuwe landbouwgrondstoffenderivaten en mogen de goede werking van minder liquide onderdelen van de markten voor landbouwgrondstoffenderivaten niet doen haperen. In de methodologie moet rekening worden gehouden met de tijd die vereist is om voor zowel nieuwe als bestaande grondstoffenderivaten liquiditeit te ontwikkelen en aan te trekken, en met name voor landbouwgrondstoffenderivaten die risicobeheer in markten voor producten op maat en onvolgroeide markten kunnen ondersteunen of die gericht zijn op de ontwikkeling van nieuwe risicodekkingsregelingen voor nieuwe grondstoffen. Ook zijn er contracten voor landbouwgrondstoffenderivaten die misschien nooit voldoende geïnteresseerden of liquiditeit zullen aantrekken om de effectieve toepassing van positielimieten mogelijk te maken zonder dat de deelnemers geregeld en onopzettelijk de limiet overschrijden en bijgevolg de koersvorming en afwikkeling van deze grondstoffenderivaten verstoren. Om deze belemmeringen voor een doelmatige werking van markten weg te nemen, moet de positielimiet voor de spotmaand en voor andere maanden op 10 000 partijen worden vastgesteld totdat de openstaande posities in het landbouwgrondstoffenderivaat een drempel van 20 000 partijen overschrijden. |
|
(24) |
Het aantal, de samenstelling en de rol van marktdeelnemers in een grondstoffenderivaat kan van invloed zijn op de aard en de omvang van posities die bepaalde marktdeelnemers op de markt aanhouden. Zo kunnen bepaalde marktdeelnemers voor sommige grondstoffenderivaten een grote positie aanhouden als afspiegeling van hun rol bij de aankoop, verkoop en levering van de grondstof wanneer zij zich aan de andere zijde van de markt bevinden dan de meeste andere marktdeelnemers en liquiditeit of diensten met betrekking tot risicobeheer voor de onderliggende grondstoffenmarkt verschaffen. |
|
(25) |
De levering, het gebruik, de toegang tot en de beschikbaarheid van de onderliggende grondstof vormen kenmerken van de onderliggende grondstoffenmarkt. Via een beoordeling van detailkenmerken, zoals de bederfelijkheid van de grondstof en de wijze van vervoer, zou de bevoegde autoriteit de flexibiliteit van de markt moeten kunnen bepalen en de positielimieten dienovereenkomstig aanpassen. |
|
(26) |
Voor bepaalde grondstoffenderivaten kan het verschil tussen de openstaande posities en de leverbare voorraad erg groot zijn, zoals wanneer er relatief weinig derivatenhandel in verhouding tot de leverbare voorraad plaatsvindt, zodat de openstaande posities ten opzichte van de leverbare voorraad kleiner zullen zijn, of wanneer bijvoorbeeld een bepaald grondstoffenderivaat op grote schaal wordt gebruikt voor het afdekken van veel verschillende risicoblootstellingen en de leverbare voorraad in verhouding tot de openstaande posities bijgevolg kleiner is. Dergelijke significante verschillen tussen openstaande posities en leverbare voorraad rechtvaardigen opwaartse of neerwaartse aanpassingen van de basis voor de limiet van andere maanden teneinde een wanordelijke markt te voorkomen wanneer de spotmaand nadert. Specifieker gezegd, indien de openstaande posities de leverbare voorraad significant overschrijden, dan moet de limiet van andere maanden neerwaarts worden aangepast om een cliff-effect met de spotmaandlimiet die op de leverbare voorraad is gebaseerd, te voorkomen. Het zou niet gepast zijn om de spotmaandlimiet onder dergelijke omstandigheden opwaarts aan te passen, gezien het risico op “cornering” van de markt. Indien de leverbare voorraad aanzienlijk hoger is dan de openstaande posities, dan moet de limiet van de andere maanden opwaarts worden aangepast om het risico van onnodige inperking van de handel te voorkomen. Als de leverbare voorraad aanzienlijk hoger is dan de openstaande posities, dan overschrijdt de spotmaandlimiet op basis van de leverbare voorraad die voortkomt uit de basis, naar verwachting de openstaande posities die in de spotmaand worden aangehouden door marktdeelnemers. Om te waarborgen dat de spotmaandlimiet verhindert dat marktdeelnemers een dominante positie opbouwen en dat de doelstellingen inzake voorkoming van marktmisbruik en ordelijke koersvorming in artikel 57, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU daadwerkelijk worden behaald, moet de spotmaandlimiet daarentegen neerwaarts worden aangepast indien deze op de leverbare voorraad wordt gebaseerd. |
|
(27) |
Om dezelfde reden, namelijk het voorkomen van wanorde op de markten ten gevolge van grote verschillen tussen de berekende leverbare voorraad en de openstaande posities bij het naderen van de spotmaand, moet de definitie van leverbare voorraad alle vervangende klassen of types van een grondstof bevatten die kunnen worden geleverd ter afwikkeling van een grondstoffenderivatencontract onder de voorwaarden van dat contract. |
|
(28) |
In artikel 57, leden 1, 3 en 12, van Richtlijn 2014/65/EU wordt aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om de methode te bepalen ter berekening en toepassing van positielimieten met het oog op een geharmoniseerde regeling voor positielimieten voor alle op handelsplatformen verhandelde grondstoffenderivaten en economisch gelijkwaardige OTC-contracten. Op grond van artikel 57, lid 1, moet een methode worden ingevoerd die de bevoegde autoriteiten moeten toepassen bij het vaststellen van positielimieten voor grondstoffenderivaten. Volgens artikel 57, lid 1, moet er ook een procedure worden bepaald voor het aanvragen van de vrijstelling voor liquiditeitsverschaffing en voor de risicoverminderende vrijstelling voor financiële entiteiten die behoren tot een overwegend commerciële groep. Op grond van artikel 57, lid 3, moet worden gespecificeerd op welke wijze de bevoegde autoriteiten aan de hand van factoren de spotmaandpositielimieten en de positielimieten van andere maanden voor materieel afgewikkelde en door middel van contanten afgewikkelde grondstoffenderivaten moeten vaststellen. Op grond van artikel 57, lid 12, moet worden bepaald op welke wijze de methodologie voor de positielimieten moet worden toegepast, bijvoorbeeld bij het aggregeren van posities binnen een groep, wanneer een positie kan worden gekwalificeerd als risicoverminderend of wanneer een onderneming een vrijstelling voor afdekking kan gebruiken. De inhoud van de regels is zeer verweven, omdat deze nauw verband houden met de methoden voor het vaststellen van positielimieten. Met het oog op de eenvoud en de transparantie, en om de toepassing ervan te vergemakkelijken en overlapping te voorkomen, moeten de regels worden vastgesteld in één enkele handeling en niet in een aantal afzonderlijke handelingen met kruisverwijzingen. |
|
(29) |
Deze verordening is gebaseerd op het ontwerp van technische reguleringsnormen die de Europese Autoriteit voor effecten en markten bij de Commissie heeft ingediend. |
|
(30) |
De Europese Autoriteit voor effecten en markten heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening gebaseerd is, de mogelijke kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten ingewonnen. |
|
(31) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/591 van de Commissie (4) vult Richtlijn 2014/65/EU aan met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de toepassing van positielimieten op grondstoffenderivaten. De onderhavige verordening vervangt die gedelegeerde verordening, rekening houdend met de wijzigingen van Richtlijn 2014/65/EU ten gevolge van Richtlijn (EU) 2021/338, waardoor nieuwe bepalingen zijn ingevoerd met betrekking tot vrijstellingen voor afdekking voor liquiditeitsverschaffing en voor financiële entiteiten die behoren tot een overwegend niet-financiële groep. Daardoor wordt de Commissie gemachtigd een gedelegeerde handeling vast te stellen tot nadere bepaling van de criteria voor de vrijstelling voor liquiditeitsverschaffing en voor de risicoverminderende vrijstelling voor financiële entiteiten. Bovendien is het begrip “hetzelfde grondstoffencontract” geschrapt en vallen gesecuritiseerde derivaten niet langer binnen het toepassingsgebied. Ten slotte is de berekening van de openstaande posities verduidelijkt en is de methode voor contracten voor nieuwe en minder liquide landbouwgrondstoffenderivaten vereenvoudigd. Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/591 moet derhalve worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Deze verordening bevat regels voor de berekening van de nettopositie die door een persoon in een grondstoffenderivaat wordt aangehouden, de methode ter berekening van de positielimieten voor de omvang van die positie en de procedures voor het aanvragen van vrijstellingen van positielimieten.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:
|
1. |
“financiële entiteit”: een van de volgende entiteiten:
|
|
2. |
“niet-financiële entiteit”: een natuurlijke of rechtspersoon die geen financiële entiteit is; |
|
3. |
“spotmaandcontract”: het grondstoffenderivatencontract met betrekking tot een specifieke onderliggende grondstof dat eerstkomend vervalt overeenkomstig de regels van het handelsplatform; |
|
4. |
“contract van andere maanden”: ieder grondstoffenderivatencontract dat geen spotmaandcontract is; |
|
5. |
“partij”: de eenheid van handel voor het handelsplatform waar de handel in grondstoffenderivaten een standaardhoeveelheid van de onderliggende grondstof vormt. |
Een entiteit van een derde land wordt als een financiële entiteit beschouwd indien deze volgens een van de in punt 1 van de eerste alinea bedoelde rechtshandelingen van de Unie een vergunning nodig zou hebben indien ze in de Unie was gevestigd en onder het recht van de Unie zou vallen.
Een entiteit van een derde land wordt als een niet-financiële entiteit beschouwd indien deze volgens een van de in punt 1 van de eerste alinea bedoelde rechtshandelingen van de Unie geen vergunning nodig zou hebben indien ze in de Unie was gevestigd en onder het recht van de Unie zou vallen.
HOOFDSTUK II
METHODE TER BEREKENING VAN DE OMVANG VAN EEN NETTOPOSITIE
Artikel 3
Aggregatie en verrekening van posities in een grondstoffenderivaat
1. De nettopositie van een persoon in een grondstoffenderivaat is de aggregatie van:
|
a) |
de posities die de persoon aanhoudt in dat op een handelsplatform verhandelde grondstoffenderivaat en in economisch gelijkwaardige OTC-contracten overeenkomstig artikel 6; |
|
b) |
indien het grondstoffenderivaat een landbouwgrondstoffenderivaat is dat in overeenstemming met artikel 5 in significante volumes wordt verhandeld, de aangehouden posities daarvan in landbouwgrondstoffenderivaten op basis van dezelfde onderliggende waarde en met dezelfde kenmerken, die in significante volumes worden verhandeld op andere handelsplatformen en met inachtneming van de door de centrale bevoegde autoriteit vastgestelde positielimieten; |
|
c) |
indien het grondstoffenderivaat een cruciaal of significant contract is, de in cruciale of significante contracten aangehouden posities daarvan op basis van dezelfde onderliggende waarde en met dezelfde kenmerken, die op andere handelsplatformen worden verhandeld en met inachtneming van de door de centrale bevoegde autoriteit vastgestelde positielimieten. |
2. De in lid 1, punt a), bedoelde posities die worden aangehouden in een op een handelsplatform verhandeld grondstoffenderivaat, omvatten de posities die worden aangehouden in de gedesaggregeerde componenten van een spreadcontract en in andere nauw verwante grondstoffenderivaten die op hetzelfde handelsplatform worden verhandeld en die een fractie van de waarde van een overeenkomstig standaard-futurescontract uitmaken of waarvan de tariefperiode is vastgesteld als de geselecteerde aanvangsdatum tot het einde van de contractmaand van het standaardgrondstoffenderivaat.
3. Wanneer een persoon zowel long- als shortposities in grondstoffenderivaten als bedoeld in leden 1 en 2 aanhoudt, verrekent hij deze posities om zijn nettopositie voor dat grondstoffenderivaat te bepalen.
4. Door een niet-financiële entiteit in grondstoffenderivaten aangehouden posities, waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij risico’s verminderen overeenkomstig artikel 7, leden 1 en 3, zoals goedgekeurd door de bevoegde autoriteit op grond van artikel 8, lid 5, op basis van artikel 8, leden 1 en 2, mogen niet worden geaggregeerd voor het vergelijken van de nettopositie van die niet-financiële entiteit met de limieten voor dat grondstoffenderivaat.
5. Door een financiële entiteit in grondstoffenderivaten aangehouden posities, waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij risico’s verminderen overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 4, zoals goedgekeurd door de bevoegde autoriteit op grond van artikel 8, lid 5, op basis van artikel 8, leden 3 en 4, mogen niet worden geaggregeerd voor het vergelijken van de nettopositie van die financiële entiteit met de limieten voor dat grondstoffenderivaat.
6. Door een persoon in grondstoffenderivaten aangehouden posities die voortkomen uit transacties die op handelsplatformen zijn uitgevoerd om te voldoen aan liquiditeitsverschaffingsverplichtingen in overeenstemming met artikel 10, zoals goedgekeurd door de bevoegde autoriteit op grond van artikel 9, mogen niet worden geaggregeerd voor het vergelijken van de nettopositie van die persoon met de limieten voor dat grondstoffenderivaat.
7. Een persoon bepaalt zijn nettopositie in een grondstoffenderivaat afzonderlijk voor zowel de spotmaandcontracten als de contracten van andere maanden.
Artikel 4
Methode ter berekening van posities voor juridische entiteiten binnen een groep
1. Een moederonderneming bepaalt haar nettopositie door overeenkomstig artikel 3 de volgende posities te aggregeren:
|
a) |
haar eigen nettopositie; |
|
b) |
de nettoposities van elk van haar dochterondernemingen. |
2. In afwijking van lid 1 mag de moederonderneming van een instelling voor collectieve belegging — of wanneer de instelling voor collectieve belegging een beheermaatschappij heeft aangewezen — de moederonderneming van die beheermaatschappij geen posities in grondstoffenderivaten in een instelling voor collectieve belegging aggregeren wanneer zij op geen enkele wijze invloed heeft op de beleggingsbeslissingen ten aanzien van het openen, aanhouden of sluiten van die posities.
Artikel 5
Significante volumes
1. Een landbouwgrondstoffenderivaat wordt beschouwd als in significante volumes op een handelsplatform verhandeld wanneer de handel in het landbouwgrondstoffenderivaat op dat handelsplatform gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden een dagelijks gemiddeld aantal openstaande posities overschrijdt van meer dan 20 000 partijen in de spotmaand en de andere maanden samen.
2. Het handelsplatform waar het grootste volume handel in grondstoffenderivaten op basis van dezelfde onderliggende waarde en met dezelfde kenmerken plaatsvindt, is het handelsplatform dat over één jaar het grootste dagelijks gemiddeld aantal openstaande posities heeft.
Artikel 6
OTC-contracten die in economische zin gelijkwaardig zijn aan op handelsplatformen verhandelde grondstoffenderivaten
Een OTC-derivaat wordt geacht in economische zin gelijkwaardig te zijn aan een op een handelsplatform verhandeld grondstoffenderivaat wanneer het identieke contractuele specificaties, voorwaarden en bepalingen heeft, met uitzondering van verschillende specificaties betreffende de omvang van partijen, leveringstermijnen die minder dan één kalenderdag uit elkaar liggen en verschillende regelingen voor posttransactioneel risicobeheer.
Artikel 7
Posities die rechtstreeks met commerciële activiteiten verband houdende risico’s verminderen
1. Een door een niet-financiële entiteit aangehouden positie in een op handelsplatformen verhandeld grondstoffenderivaat of in economische zin gelijkwaardige OTC-contracten overeenkomstig artikel 6 kwalificeert als een positie die rechtstreeks met commerciële activiteiten van die niet-financiële entiteit verband houdende verlaagt in overeenstemming met artikel 57, lid 1, tweede alinea, punt a), van Richtlijn 2014/65/EU, wanneer deze positie op zichzelf of in combinatie met andere derivaten overeenkomstig lid 3 van dit artikel (“positie in een portefeuille van grondstoffenderivaten”) aan één van de volgende criteria beantwoordt:
|
a) |
de positie vermindert de risico’s die voortkomen uit de potentiële wijziging van de waarde van activa, diensten, inputs, producten, grondstoffen of passiva die de niet-financiële entiteit of haar eigen groep in de normale loop van haar bedrijfsuitoefening in eigendom heeft, produceert, vervaardigt, verwerkt, aanbiedt, aankoopt, verhandelt, leaset, verkoopt of oploopt of redelijkerwijs verwacht in eigendom te zullen hebben, te zullen produceren, te zullen vervaardigen, te zullen verwerken, te zullen aanbieden, te zullen aankopen, te zullen verhandelen, te zullen leasen, te zullen verkopen of te zullen oplopen; |
|
b) |
de positie geldt als een hedgingcontract ingevolge internationale standaarden voor jaarrekeningen (IFRS) die overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (12) zijn goedgekeurd. |
2. Een door een financiële entiteit aangehouden positie in een landbouwgrondstoffenderivaat, in een op handelsplatformen verhandeld cruciaal of significant grondstoffenderivaat of in economisch gelijkwaardige OTC-contracten overeenkomstig artikel 6 kwalificeert als een positie die risico’s vermindert die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteiten van die niet-financiële entiteit van een overwegend commerciële groep in overeenstemming met artikel 57, lid 1, tweede alinea, punt b), van Richtlijn 2014/65/EU, wanneer deze positie op zichzelf of in combinatie met andere derivaten overeenkomstig lid 3 van dit artikel (positie in een portefeuille van grondstoffenderivaten) aan één van de criteria uit lid 1, punt a) of b) van dit artikel voldoet.
3. Voor de toepassing van lid 1 is een op zichzelf of in combinatie met andere derivaten als risicoverminderend kwalificerende positie een positie waarvoor de niet-financiële entiteit of de persoon die de positie namens deze entiteit aanhoudt:
|
a) |
de volgende elementen in haar intern beleid uiteenzet:
|
|
b) |
een voldoende gedesaggregeerd beeld kan verschaffen van de portefeuilles met betrekking tot categorie van grondstoffenderivaat, onderliggende grondstof, tijdshorizon en andere relevante factoren. |
4. Voor de toepassing van lid 2 is een op zichzelf of in combinatie met andere derivaten als risicoverminderend kwalificerende positie een positie waarvoor de financiële entiteit voldoet aan de voorwaarden uit lid 3, punten a) en b).
Artikel 8
Aanvraag tot vrijstelling van positielimieten voor posities die rechtstreeks met commerciële activiteiten verband houdende risico’s verminderen
1. Een niet-financiële entiteit die een in aanmerking komende positie in een landbouwgrondstoffenderivaat of in een cruciaal of significant grondstoffenderivaat aanhoudt, vraagt de in artikel 57, lid 1, tweede alinea, punt a), van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde vrijstelling aan bij de bevoegde autoriteit die de positielimiet voor het desbetreffende grondstoffenderivaat vaststelt.
2. De in lid 1 bedoelde persoon verstrekt de bevoegde autoriteit de volgende informatie waaruit blijkt hoe de positie de rechtstreeks met de commerciële activiteit van de niet-financiële entiteit verband houdende risico’s vermindert:
|
a) |
een beschrijving van de aard en de waarde van de commerciële activiteiten van de niet-financiële entiteit in de grondstof waarop het grondstoffenderivaat, waarvoor vrijstelling is aangevraagd, betrekking heeft; |
|
b) |
een beschrijving van de aard en de waarde van de activiteiten van de niet-financiële entiteit in de handel en posities in de desbetreffende op handelsplatformen verhandelde grondstoffenderivaten en in hun in economische zin gelijkwaardige OTC-contracten; |
|
c) |
een beschrijving van de aard en de omvang van de blootstellingen en risico’s in de grondstof die de niet-financiële entiteit heeft of verwacht te hebben als gevolg van haar commerciële activiteiten en die door het gebruik van grondstoffenderivaten worden beperkt of zouden worden beperkt; |
|
d) |
een toelichting bij de wijze waarop de niet-financiële entiteit door het gebruik van grondstoffenderivaten de blootstelling en risico’s in haar commerciële activiteiten rechtstreeks vermindert. |
3. Een financiële entiteit die een in aanmerking komende positie in een landbouwgrondstoffenderivaat of in een cruciaal of significant grondstoffenderivaat aanhoudt, vraagt de in artikel 57, lid 1, tweede alinea, punt b), van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde vrijstelling aan bij de bevoegde autoriteit die de positielimiet voor het desbetreffende grondstoffenderivaat vaststelt.
4. De in lid 3 bedoelde persoon verstrekt de bevoegde autoriteit:
|
a) |
passende informatie waaruit blijkt dat de moederonderneming de handel in op een handelsplatform verhandelde grondstoffenderivaten en hun in economische zin gelijkwaardige OTC-contracten aan de financiële entiteit heeft toevertrouwd om de blootstelling en risico’s in de commerciële activiteiten van de niet-financiële entiteiten van de overwegend commerciële groep te verminderen; |
|
b) |
de volgende informatie waaruit blijkt hoe de positie de risico’s vermindert die rechtstreeks verband houden met de commerciële activiteit van de niet-financiële entiteiten van dezelfde overwegend commerciële groep:
|
5. De bevoegde autoriteit aanvaardt of verwerpt de aanvraag binnen 21 kalenderdagen na ontvangst ervan en stelt de aanvrager in kennis van haar beslissing.
6. De niet-financiële entiteit stelt de bevoegde autoriteit in kennis van significante wijzigingen in de aard of waarde van haar commerciële activiteiten of haar handelsactiviteiten in grondstoffenderivaten en wanneer de wijziging relevant is voor de informatie in lid 2, punt b), en dient een nieuwe aanvraag in indien zij de vrijstelling wil blijven gebruiken.
7. De financiële entiteit stelt de bevoegde autoriteit in kennis van wijzigingen in de in lid 4, punt a), bedoelde informatie of van significante wijzigingen in de aard of waarde van de commerciële activiteiten van de niet-financiële entiteit of de handelsactiviteiten in grondstoffenderivaten van de financiële entiteit en wanneer de wijziging relevant is voor de informatie in lid 4, punt b), iii), en dient een nieuwe aanvraag in indien zij de vrijstelling wil blijven gebruiken.
Artikel 9
Aanvraag tot vrijstelling van positielimieten voor verplichte liquiditeitsverschaffing
1. Een persoon die een in aanmerking komende positie in een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat aanhoudt, vraagt de in artikel 57, lid 1, tweede alinea, punt c), van Richtlijn 2014/65/EU bedoelde vrijstelling aan bij de bevoegde autoriteit die de positielimiet voor het desbetreffende grondstoffenderivaat vaststelt.
2. De in lid 1 bedoelde persoon verstrekt de bevoegde autoriteit de volgende informatie waaruit blijkt hoe de posities voortkomen uit transacties in dat grondstoffenderivaat die zijn aangegaan om te voldoen aan verplichtingen om een handelsplatform van liquiditeit te voorzien, zoals bedoeld in artikel 2, lid 4, vierde alinea, punt c, van Richtlijn 2014/65/EU:
|
a) |
de lijst met grondstoffenderivaten waarvoor die persoon een handelsplatform van liquiditeit voorziet in overeenstemming met de punten b) en c) van deze alinea; |
|
b) |
de bepalingen op grond waarvan een regelgevende autoriteit die persoon ertoe heeft verplicht een handelsplatform van liquiditeit in een grondstoffenderivaat te voorzien, of de schriftelijke overeenkomst met het handelsplatform die de liquiditeitsverschaffingsverplichtingen bevat waaraan de persoon per grondstoffenderivaat moet voldoen op het handelsplatform; |
|
c) |
een beschrijving van de aard en de waarde van de activiteiten van de persoon voor verplichte liquiditeitsverschaffing in het desbetreffende grondstoffenderivaat en van de posities die daar naar verwachting uit voortkomen; |
|
d) |
eventuele positielimieten die in zijn interne beleid mogelijk per grondstoffenderivaat zijn vastgesteld voor die verplichte liquiditeitsverschaffing. |
3. De bevoegde autoriteit aanvaardt of verwerpt de aanvraag binnen 21 kalenderdagen na ontvangst ervan en stelt de persoon in kennis van haar beslissing.
4. De persoon stelt de bevoegde autoriteit in kennis van significante wijzigingen in de aard of waarde van zijn handelsactiviteiten in grondstoffenderivaten en wanneer de wijziging relevant is voor de informatie in lid 2, en dient een nieuwe aanvraag in indien zij de vrijstelling wil blijven gebruiken.
Artikel 10
Posities die voortkomen uit verplichte liquiditeitsverschaffing
1. Voor de toepassing van artikel 9, lid 1, kwalificeert een positie die door een persoon wordt aangehouden in een landbouwgrondstoffenderivaat of een op een handelsplatform verhandeld cruciaal of significant grondstoffenderivaat, als een positie die voortkomt uit transacties die zijn uitgevoerd om te voldoen aan verplichtingen inzake liquiditeitsverschaffing, indien de positie rechtstreeks voortkomt uit transacties in een grondstoffenderivaat die zijn uitgevoerd in overeenstemming met verplichtingen die zijn opgelegd door regelgevende autoriteiten overeenkomstig het Unierecht of nationaal recht, wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, of de schriftelijke overeenkomst die met het handelsplatform is gesloten en als zodanig is aangewezen door het handelsplatform.
2. Voor de toepassing van artikel 9, lid 1, is een positie die voortkomt uit verplichte liquiditeitsverschaffing, een positie waarvoor de persoon die de positie aanhoudt, de volgende elementen in zijn intern beleid uiteenzet:
|
a) |
de soorten grondstoffenderivatencontracten in de portefeuilles waarin de verplichte liquiditeitsverschaffing wordt vermeld; |
|
b) |
het verband tussen de positie die in een grondstoffenderivaat wordt aangehouden, en de transacties die zijn uitgevoerd om aan de verplichte liquiditeitsverschaffing in dat derivaat te voldoen in overeenstemming met lid 1 van dit artikel; |
|
c) |
de getroffen maatregelen om te waarborgen dat posities die niet voortkomen uit transacties om te voldoen aan de verplichte liquiditeitsverschaffing of om een ander doel te dienen, kunnen duidelijk worden aangewezen. |
HOOFDSTUK III
METHODOLOGIE VOOR BEVOEGDE AUTORITEITEN TER BEREKENING VAN POSITIELIMIETEN
DEEL 1
Bepaling van basiscijfers
Artikel 11
Methodologie ter bepaling van het basiscijfer voor spotmaandlimieten
1. De bevoegde autoriteiten bepalen een basiscijfer voor de spotmaandpositielimiet in een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat door 25 % van de leverbare voorraad van dat grondstoffenderivaat te berekenen. Indien de leverbare voorraad aanzienlijk hoger is dan de totale openstaande posities, bepalen de bevoegde autoriteiten het basiscijfer voor de spotmaandlimiet door 25 % van de openstaande posities in dat grondstoffenderivaat te berekenen.
Het basiscijfer wordt uitgedrukt in partijen.
2. Indien een bevoegde autoriteit voor verschillende tijdstippen verschillende positielimieten binnen de spotmaand vaststelt, nemen die positielimieten stapsgewijs af naarmate de vervaldatum van het grondstoffenderivaat nadert en houden ze rekening met de regelingen inzake positiebeheer van het handelsplatform.
3. In afwijking van lid 1 stellen de bevoegde autoriteiten het basiscijfer voor de spotmaandpositielimieten vast voor een grondstoffenderivaat met een onderliggende waarde die kan worden aangemerkt als voor menselijke consumptie bestemde levensmiddelen met totale gecombineerde openstaande posities in spotmaandcontracten en contracten van andere maanden van meer dan 50 000 partijen gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden op basis van 20 % van de leverbare voorraad van dat grondstoffenderivaat. Indien de leverbare voorraad aanzienlijk hoger is dan de totale openstaande posities, bepalen de bevoegde autoriteiten het basiscijfer voor de spotmaandlimiet voor een dergelijk grondstoffenderivaat door 20 % van de openstaande posities in dat grondstoffenderivaat te berekenen.
Artikel 12
Leverbare voorraad
1. De bevoegde autoriteiten berekenen de leverbare voorraad voor een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat door de hoeveelheid onderliggende grondstof aan te wijzen die kan worden gebruikt om te voldoen aan de leveringsvoorwaarden van het grondstoffenderivaat.
2. De bevoegde autoriteiten stellen de leverbare voorraad vast voor een grondstoffenderivaat als bedoeld in lid 1 op basis van de gemiddelde maandelijkse hoeveelheid onderliggende grondstof die kan worden geleverd op basis van de meest recente beschikbare gegevens over:
|
a) |
een periode van een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de vaststelling voor een cruciaal of significant grondstoffenderivaat; |
|
b) |
een periode van een tot vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de vaststelling voor een landbouwgrondstoffenderivaat. |
3. Om de hoeveelheid onderliggende grondstof aan te wijzen die voldoet aan de voorwaarden van lid 1, houden de bevoegde autoriteiten rekening met de volgende criteria:
|
a) |
de opslagregelingen voor de onderliggende grondstof; |
|
b) |
de factoren die de levering van de onderliggende grondstof kunnen beïnvloeden. |
Artikel 13
Methodologie ter bepaling van het basiscijfer voor limieten van andere maanden
1. De bevoegde autoriteiten bepalen een basiscijfer voor de positielimiet van andere maanden in een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat door 25 % van de openstaande posities in dat grondstoffenderivaat te berekenen.
2. Dat basiscijfer wordt uitgedrukt in partijen.
Artikel 14
Openstaande posities
1. De bevoegde autoriteiten berekenen de netto openstaande posities in een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat door het aantal op handelsplatformen uitstaande partijen van dat grondstoffenderivaat en gemelde posities in economisch gelijkwaardige OTC-contracten over een representatieve periode te aggregeren. De bevoegde autoriteiten berekenen de netto openstaande posities in dat grondstoffenderivaat op basis van verslagleggingsgegevens over posities.
2. Indien de handel in een grondstoffenderivaat naar aanleiding van een fusie, overdracht van ondernemingen of een andere zakelijke gebeurtenis van het ene handelsplatform in de Unie naar een ander handelsplatform in de Unie wordt overgeplaatst, of van een handelsplatform in een derde land naar een handelsplatform in de Unie, of van één of meer bestaande grondstoffenderivaten naar een grondstoffenderivaat dat nieuw of onder vergelijkbare omstandigheden tot de handel op hetzelfde handelsplatform wordt toegelaten, berekent de bevoegde autoriteit in afwijking van lid 1 de open posities in dat grondstoffenderivaat door rekening te houden met de openstaande posities op het vroegere platform of in de vroegere grondstoffenderivaten. Na zes maanden berekent de bevoegde autoriteit de openstaande posities in overeenstemming met lid 1.
Artikel 15
Methodologie ter bepaling van het basiscijfer met betrekking tot bepaalde grondstoffenderivaten
1. In afwijking van artikel 11 bepalen de bevoegde autoriteiten het basiscijfer voor de spotmaandpositielimieten van cruciale of significante spotmaandgrondstoffenderivaten die door middel van contanten worden afgewikkeld en die zijn opgenomen in deel C, punt 10, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU en die geen meetbare leverbare voorraad van hun onderliggende grondstoffen hebben na de berekening van 25 % van de openstaande posities in deze grondstoffenderivaten.
2. In afwijking van de artikelen 11 en 13 en indien een grondstoffenderivaat vereist dat de onderliggende grondstof gedurende een bepaalde periode onafgebroken wordt geleverd, zijn de op grond van de artikelen 11 en 13 berekende basiscijfers van toepassing op soortgelijke grondstoffenderivaten met dezelfde onderliggende grondstof voor zover hun leveringsperioden elkaar overlappen. Het basiscijfer wordt uitgedrukt in eenheden van de onderliggende grondstof.
DEEL 2
Relevante factoren voor de berekening van positielimieten
Artikel 16
Beoordeling van de factoren
De bevoegde autoriteiten stellen de positielimieten voor de spotmaand en andere maanden voor een landbouwgrondstoffenderivaat of een cruciaal of significant grondstoffenderivaat vast op basis van het basiscijfer dat is bepaald overeenkomstig de artikelen 11, 13 en 15, en passen deze aan naargelang van de potentiële impact van de in de artikelen 18 tot en met 21 genoemde factoren betreffende de integriteit van de markt voor dat derivaat en zijn onderliggende grondstof, met een van de volgende limieten:
|
a) |
tussen 5 % en 35 %; |
|
b) |
tussen 2,5 % en 35 %, voor een derivatencontract met een onderliggende grondstof die kan worden gekwalificeerd als een voor menselijke consumptie bestemd levensmiddel met totale gecombineerde openstaande posities in spotmaandcontracten en contracten van andere maanden van meer dan 50 000 partijen gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden. |
Artikel 17
Nieuwe en minder liquide landbouwgrondstoffenderivaten
1. In afwijking van artikel 16 stellen de bevoegde autoriteiten voor op een handelsplatform verhandelde landbouwgrondstoffenderivaten met totale gecombineerde openstaande posities in spotmaandcontracten en contracten van andere maanden van niet meer dan 20 000 partijen gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden de spotmaandlimieten en limieten van andere maanden van in deze grondstoffenderivaten aangehouden posities op 10 000 partijen vast.
2. Het handelsplatform stelt de bevoegde autoriteit in kennis wanneer de totale openstaande posities van een in lid 1 bedoeld grondstoffenderivaat gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden 20 000 partijen bereiken. Na ontvangst van deze kennisgevingen toetsen de bevoegde autoriteiten de positielimiet.
Artikel 18
Leverbare voorraad van de onderliggende grondstof
Wanneer de leverbare voorraad van de onderliggende grondstof kan worden beperkt of gecontroleerd, of indien de leverbare voorraad laag is in verhouding tot de hoeveelheid die nodig is voor een ordelijke afwikkeling, voeren de bevoegde autoriteiten een neerwaartse aanpassing van de spotmaandpositielimiet uit. De bevoegde autoriteiten beoordelen de mate waarin die leverbare voorraad tevens als leverbare voorraad voor andere grondstoffenderivaten wordt gebruikt.
Artikel 19
Totale openstaande posities
1. Wanneer sprake is van een groot volume totale openstaande posities voeren de bevoegde autoriteiten een neerwaartse aanpassing van de positielimieten door.
2. Indien de openstaande posities de leverbare voorraad significant overschrijden, voeren de bevoegde autoriteiten een neerwaartse aanpassing van de positielimieten van de andere maanden door.
3. Indien de openstaande posities aanzienlijk lager zijn dan de leverbare voorraad, voeren de bevoegde autoriteiten een opwaartse aanpassing van de positielimieten van de andere maanden door en voeren zij, behoudens wanneer het basiscijfer voor de spotmaandlimiet op de openstaande posities is gebaseerd, een neerwaartse aanpassing van de spotmaandpositielimiet door.
Artikel 20
Het aantal marktdeelnemers
1. Bij een hoog dagelijks gemiddeld aantal marktdeelnemers dat gedurende een periode van één jaar een positie in een grondstoffenderivaat aanhoudt, voert de bevoegde autoriteit een neerwaartse aanpassing van de positielimiet door.
2. In afwijking van artikel 16 voeren de bevoegde autoriteiten een opwaartse aanpassing van de positielimiet door en stellen zij de spotmaandpositielimiet en de positielimiet van andere maanden tussen 5 % en 50 % van het referentiebedrag vast indien:
|
a) |
het gemiddeld aantal marktdeelnemers dat een positie aanhoudt in het grondstoffenderivaat in de periode voorafgaand aan de vaststelling van de positielimiet minder dan tien bedraagt, of |
|
b) |
wanneer het grondstoffenderivaat een landbouwgrondstoffenderivaat met netto openstaande posities van minder dan 300 000 partijen is, het aantal beleggingsondernemingen dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt 7, van Richtlijn 2014/65/EU optreedt als market maker in het grondstoffenderivaat op het moment waarop de positielimiet wordt vastgesteld of herzien, minder dan drie bedraagt. |
Voor de toepassing van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten verschillende positielimieten voor verschillende tijdstippen binnen de spotmaand, de andere maanden of voor beide perioden vaststellen.
Artikel 21
Kenmerken van de onderliggende grondstoffenmarkt
1. De bevoegde autoriteiten houden rekening met de wijze waarop de kenmerken van de onderliggende grondstoffenmarkt de werking van en de handel in het grondstoffenderivaat en de omvang van de door marktdeelnemers aangehouden posities beïnvloeden, met name gelet op het gemak en de snelheid waarmee marktdeelnemers toegang hebben tot de onderliggende grondstof.
2. Bij de beoordeling van de onderliggende grondstoffenmarkt als bedoeld in lid 1 wordt rekening gehouden met het volgende:
|
a) |
of er beperkingen gelden voor de levering van de grondstof, waaronder het bederfelijke karakter van de te leveren grondstof; |
|
b) |
de wijze van vervoer en levering van de materiële grondstof, zoals:
|
|
c) |
de structuur, de organisatie en de werking van de markt, met inbegrip van de seizoensgebondenheid in de winnings- en landbouwgrondstoffenmarkten waardoor gedurende het kalenderjaar schommelingen optreden in de materiële levering; |
|
d) |
de samenstelling en de rol van marktdeelnemers in de onderliggende grondstoffenmarkt, waarbij ook rekening wordt gehouden met het aantal marktdeelnemers dat specifieke diensten verleent die de werking van de onderliggende grondstoffenmarkt mogelijk maken, zoals risicobeheer, levering, opslag of afwikkelingsdiensten; |
|
e) |
macro-economische of andere gerelateerde factoren die van invloed zijn op de werking van de onderliggende grondstoffenmarkt, met inbegrip van de levering, opslag en afwikkeling van de grondstof; |
|
f) |
de kenmerken, fysische eigenschappen en de levenscycli van de onderliggende grondstof. |
Artikel 22
Intrekking
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/591 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/591 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en moeten worden gelezen volgens de concordantietabel in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 23
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 april 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.
(2) Richtlijn (EU) 2021/338 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2021 tot wijziging van Richtlijn 2014/65/EU wat betreft informatievereisten, productgovernance en positielimieten, en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/878 wat betreft de toepassing daarvan op beleggingsondernemingen, om bij te dragen aan het herstel na de COVID-19-crisis (PB L 68 van 26.2.2021, blz. 14).
(3) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/591 van de Commissie van 1 december 2016 tot aanvulling van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor de toepassing van positielimieten op grondstoffenderivaten (PB L 87 van 31.3.2017, blz. 479).
(5) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(6) Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(7) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(8) Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).
(9) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
(10) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
(11) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(12) Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).
BIJLAGE
Concordantietabel
|
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/591 |
Deze verordening |
|
Artikel 1 |
Artikel 1 |
|
Artikel 2 |
Artikel 2 |
|
Artikel 3, lid 1 |
Artikel 3, lid 1, punt a) |
|
— |
Artikel 3, lid 1, punten b) en c) |
|
— |
Artikel 3, lid 2 |
|
Artikel 3, lid 2 |
Artikel 3, lid 3 |
|
Artikel 3, lid 3 |
Artikel 3, lid 4 |
|
— |
Artikel 3, leden 5 en 6 |
|
Artikel 3, lid 4 |
Artikel 3, lid 7 |
|
Artikel 4 |
Artikel 4 |
|
Artikel 5, lid 1 |
— |
|
Artikel 5, lid 2 |
Artikel 5, lid 1 |
|
Artikel 5, lid 3 |
Artikel 5, lid 2 |
|
Artikel 6 |
Artikel 6 |
|
Artikel 7, lid 1 |
Artikel 7, lid 1 |
|
— |
Artikel 7, lid 2 |
|
Artikel 7, lid 2 |
Artikel 7, lid 3 |
|
— |
Artikel 7, lid 4 |
|
Artikel 8, leden 1 en 2 |
Artikel 8, leden 1 en 2 |
|
— |
Artikel 8, leden 3 en 4 |
|
Artikel 8, lid 3 |
Artikel 8, lid 5 |
|
Artikel 8, lid 4 |
Artikel 8, lid 6 |
|
— |
Artikel 8, lid 7 |
|
— |
Artikel 9 |
|
— |
Artikel 10 |
|
Artikel 9, lid 1 |
Artikel 11, lid 1 |
|
Artikel 9, lid 2 |
Artikel 11, lid 2 |
|
Artikel 9, lid 3 |
Artikel 11, lid 3 |
|
Artikel 9, lid 4 |
Artikel 11, lid 4 |
|
Artikel 10, lid 1 |
Artikel 12, lid 1 |
|
— |
Artikel 12, lid 2 |
|
Artikel 10, lid 2 |
— |
|
Artikel 10, lid 3 |
Artikel 12, lid 3 |
|
Artikel 11, lid 1 |
Artikel 13, lid 1 |
|
Artikel 11, lid 2 |
Artikel 13, lid 2 |
|
Artikel 12 |
— |
|
— |
Artikel 14 |
|
Artikel 13, lid 1 |
Artikel 15, lid 1 |
|
Artikel 13, lid 2 |
— |
|
Artikel 13, lid 3 |
Artikel 15, lid 2 |
|
Artikel 14 |
Artikel 16 |
|
— |
Artikel 17, lid 1 |
|
Artikel 15, lid 1 |
— |
|
Artikel 15, lid 2 |
Artikel 17, lid 2 |
|
Artikel 16 |
— |
|
Artikel 17 |
Artikel 18 |
|
Artikel 18, leden 1 en 2 |
Artikel 19, leden 1 en 2 |
|
— |
Artikel 19, lid 3 |
|
Artikel 18, lid 3 |
— |
|
Artikel 19, lid 1 |
Artikel 20, lid 1 |
|
Artikel 19, lid 2, eerste alinea, punt a) |
Artikel 20, lid 2, eerste alinea, punt a) |
|
— |
Artikel 20, lid 2, eerste alinea, punt b) |
|
Artikel 19, lid 2, eerste alinea, punt b) |
— |
|
Artikel 19, lid 2, tweede alinea |
Artikel 20, lid 2, tweede alinea |
|
Artikel 20 |
Artikel 21 |
|
Artikel 21 |
— |
|
— |
Artikel 22 |
|
Artikel 22 |
Artikel 23 |