|
12.7.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 185/27 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/1193 VAN DE COMMISSIE
van 11 juli 2022
tot vaststelling van maatregelen om Ralstonia solanacearum (Smith 1896) Yabuuchi et al. 1996 emend. Safni et al. 2014 uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (1), en met name artikel 28, lid 1, punten a) en c) tot en met h),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) 2016/2031 vormt de basis van de Uniewetgeving inzake beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten. Bij die verordening zijn nieuwe regels vastgesteld en zijn met ingang van 1 januari 2022 verschillende handelingen ingetrokken die op de oude regels voor de sector waren gebaseerd. |
|
(2) |
Een van die ingetrokken handelingen is Richtlijn 98/57/EG van de Raad (2), die maatregelen bevat ten aanzien van het plaagorganisme Ralstonia solanacearum (Smith 1896) Yabuuchi et al. 1996, later hernoemd als Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. 1996 emend. Safni et al. 2014 (“het gespecificeerde plaagorganisme”), de verwekker van bruinrot bij aardappelen. |
|
(3) |
Sinds de vaststelling van die richtlijn hebben er daarnaast nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen plaatsgevonden wat de biologische eigenschappen en verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme betreft en zijn er nieuwe testmethoden ontwikkeld om het gespecificeerde plaagorganisme op te sporen en te identificeren alsook methoden om het uit te roeien en de verspreiding ervan te voorkomen. |
|
(4) |
Derhalve moeten nieuwe maatregelen worden vastgesteld voor planten van de soort Solanum tuberosum L. (aardappel), met uitzondering van zaden, en planten van de soort Solanum lycopersicum (L.) Karsten ex Farw. (tomaat), met uitzondering van vruchten en zaden (“de nader omschreven planten”) om het gespecificeerde plaagorganisme uit te roeien indien het op het grondgebied van de Unie wordt aangetroffen en om de verspreiding ervan te voorkomen. Sommige in Richtlijn 98/57/EG vervatte maatregelen, met name die betreffende de uitroeiing en het voorkomen van de verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme, zijn echter nog steeds passend en moeten derhalve worden behouden. |
|
(5) |
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten jaarlijkse onderzoeken naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op de nader omschreven planten op hun grondgebied uitvoeren om ervoor te zorgen dat het plaagorganisme zo doeltreffend en zo snel mogelijk wordt opgespoord. De regels voor de jaarlijkse onderzoeken moeten aan het beoogde gebruik van de nader omschreven planten worden aangepast om ervoor te zorgen dat de visuele inspecties, bemonsteringen en tests plaatsvinden op het tijdstip en in de omstandigheden die het meest geschikt zijn voor elke plant en het gebruik ervan. |
|
(6) |
Wanneer wordt vermoed dat het gespecificeerde plaagorganisme aanwezig is, moet de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat tests verrichten overeenkomstig internationale normen om de aanwezigheid van het plaagorganisme te bevestigen of te weerleggen. |
|
(7) |
Indien de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme wordt bevestigd, moet de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat onverwijld gepaste maatregelen treffen om het plaagorganisme uit te roeien en de verdere verspreiding ervan te voorkomen. De eerste maatregel moet de instelling van een afgebakend gebied zijn. |
|
(8) |
Daarnaast moeten ook andere uitroeiingsmaatregelen worden getroffen. Nader omschreven planten die als besmet met het gespecificeerde plaagorganisme worden aangemerkt, mogen niet op het grondgebied van de Unie worden geplant en de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat moet ervoor zorgen dat de besmette nader omschreven planten worden vernietigd of anderszins worden verwijderd onder omstandigheden die de verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme voorkomen. Er moet worden voorzien in specifieke maatregelen inzake tests, bemonstering en acties ter plaatse om ervoor te zorgen dat er geen aanwijsbaar risico op verspreiding van het organisme is. Daarnaast moet worden voorzien in specifieke maatregelen om te voorkomen dat het gespecificeerde plaagorganisme zich buiten de afgebakende gebieden verspreid via besmet oppervlaktewater of gekweekte of wilde tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten. |
|
(9) |
Om ervoor te zorgen dat deze verordening zo snel mogelijk na de intrekking van Richtlijn 98/57/EG van toepassing wordt, moet zij op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking treden. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening worden maatregelen vastgesteld om Ralstonia solanacearum (Smith 1896) Yabuuchi et al. 1996 emend. Safni et al. 2014, dat bruinrot bij aardappelen veroorzaakt, uit te roeien en de verspreiding ervan op het grondgebied van de Unie te voorkomen.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1) |
“gespecificeerd plaagorganisme”: Ralstonia solanacearum (Smith 1896) Yabuuchi et al. 1996 emend. Safni et al. 2014; |
|
2) |
“nader omschreven planten”: planten van de soort Solanum tuberosum L. (aardappel), met uitzondering van zaden, en planten van de soort Solanum lycopersicum (L.) Karsten ex Farw. (tomaat), met uitzondering van vruchten en zaden; |
|
3) |
“tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten”: wilde en gekweekte planten van de familie Solanaceae; |
|
4) |
“opslag van nader omschreven planten”: nader omschreven planten die in de plaatsen van productie voorkomen zonder te zijn geplant; |
|
5) |
“knollen die bestemd zijn om op de plaats van productie te worden geplant”: op een specifieke plaats van productie geproduceerde knollen die bestemd zijn om daar permanent te blijven en die niet bestemd zijn om te worden gecertificeerd. |
Artikel 3
Jaarlijkse onderzoeken
1. De bevoegde autoriteiten voeren jaarlijkse onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op de nader omschreven planten op hun grondgebied, in oppervlaktewater dat voor de irrigatie van de nader omschreven planten wordt gebruikt en in vloeibaar afval, overeenkomstig de volgende voorschriften:
|
a) |
wat betreft andere knollen dan voor opplant bestemde knollen, omvatten de onderzoeken:
|
|
b) |
wat betreft voor opplant bestemde knollen, met uitzondering van knollen die bestemd zijn om op de plaats van productie te worden geplant, omvatten de onderzoeken systematisch een visuele inspectie van het ongeoogste gewas en van opgeslagen partijen, bemonstering van opgeslagen knollen of bemonstering van het ongeoogste gewas zo laat mogelijk tussen het afsterven van het loof en het oogsten; |
|
c) |
wat betreft knollen die bestemd zijn om op de plaats van productie te worden geplant, worden de onderzoeken uitgevoerd op basis van het geïdentificeerde risico op de aanwezigheid van het geïdentificeerde plaagorganisme en omvatten zij:
|
|
d) |
wat betreft tomatenplanten, omvatten de onderzoeken een op geschikte tijdstippen verrichte visuele inspectie van ten minste het ongeoogste gewas op de plaats van productie van voor herplanting bestemde planten; |
|
e) |
wat betreft tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten, met uitzondering van de nader omschreven planten, en oppervlaktewater en vloeibaar afval, worden de onderzoeken uitgevoerd overeenkomstig daartoe geëigende methoden, waarbij, indien van toepassing, monsters worden genomen. |
2. Het aantal monsters, de oorsprong ervan en het tijdstip waarop zij worden verzameld, zijn gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke en statistische beginselen en de biologische eigenschappen van het gespecificeerde plaagorganisme, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke productiesystemen voor aardappelen en tomaten in de betrokken lidstaten.
3. De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar in kennis van de resultaten van de in het voorgaande kalenderjaar uitgevoerde jaarlijkse onderzoeken. Zij verstrekken de resultaten van die onderzoeken volgens het model in bijlage II.
Artikel 4
Maatregelen indien wordt vermoed dat het gespecificeerde plaagorganisme aanwezig is
1. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de monsters die in het kader van de onderzoeken worden genomen, aan de in bijlage I, punt 2.1, bedoelde detectietests worden onderworpen.
2. In afwachting van de resultaten van de detectietests moet de bevoegde autoriteit:
|
a) |
verbieden dat de nader omschreven planten van alle gewassen, partijen of zendingen waarvan de monsters zijn genomen, worden verplaatst, met uitzondering van de nader omschreven planten die onder haar toezicht staan en waarvoor vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico is dat het gespecificeerde plaagorganisme zich kan verspreiden; |
|
b) |
de oorsprong van de vermoedelijke aanwezigheid traceren; |
|
c) |
officiële controles verrichten van de verplaatsing van alle nader omschreven planten, met uitzondering van de in punt a) bedoelde nader omschreven planten, die zijn geproduceerd op de plaats van productie waar de in punt a) bedoelde monsters zijn genomen; |
|
d) |
verbieden dat oppervlaktewater op nader omschreven planten en andere gekweekte tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten wordt gebruikt totdat de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in het oppervlaktewater is bevestigd of weerlegd, behalve wanneer zij het gebruik van oppervlaktewater op in kassen geteelde tomaten en andere gekweekte tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten toestaat op voorwaarde dat het water wordt ontsmet door middel van geschikte methoden die door de bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd. |
3. In afwachting van de resultaten van de detectietests zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat elk van de volgende elementen wordt bijgehouden en op passende wijze wordt bewaard:
|
a) |
alle resterende bemonsterde knollen en voor zover mogelijk alle resterende bemonsterde planten; |
|
b) |
resterende extracten van de nader omschreven planten, DNA-extracten en aanvullend geprepareerd materiaal voor de test; |
|
c) |
de reincultuur, indien van toepassing; |
|
d) |
alle relevante documentatie. |
4. Wanneer het vermoeden dat het gespecificeerde plaagorganisme aanwezig is, overeenkomstig bijlage I, punt 1.1, wordt bevestigd, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat de in bijlage I bedoelde tests worden uitgevoerd op de monsters die zijn genomen voor de onderzoeken om de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme te bevestigen of weerleggen.
Artikel 5
Maatregelen indien wordt bevestigd dat het gespecificeerde plaagorganisme aanwezig is
1. Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme overeenkomstig bijlage I, punt 1.2, wordt bevestigd, zijn de leden 2 tot en met 6 van toepassing.
2. Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op nader omschreven planten wordt bevestigd, treft de bevoegde autoriteit onverwijld elk van de volgende maatregelen:
|
a) |
zij stelt een onderzoek in om de omvang en de primaire bron(nen) van de besmetting te bepalen overeenkomstig bijlage III, met verdere tests overeenkomstig artikel 4, lid 1, op ten minste alle klonaal verwante voorraden van voor opplant bestemde knollen; |
|
b) |
zij stelt een afgebakend gebied in dat ten minste bestaat uit een besmette zone die elk van de volgende elementen omvat:
|
|
c) |
wanneer dit noodzakelijk is om het fytosanitaire risico aan te pakken, stelt zij rond de besmette zone een bufferzone in, waarbij zij rekening houdt met de elementen van een mogelijke verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme zoals bedoeld in bijlage IV, punt 2; |
|
d) |
daarbij merkt zij:
|
3. Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op gewassen van tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten, met uitzondering van de nader omschreven planten, wordt bevestigd en wanneer er aanwijsbare risico’s voor de productie van de nader omschreven planten zijn, treft de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen:
|
a) |
zij stelt een onderzoek in om de omvang en de primaire bron(nen) van de besmetting te bepalen overeenkomstig bijlage III, met verdere tests overeenkomstig artikel 4, lid 1, op ten minste alle klonaal verwante voorraden van voor opplant bestemde knollen, en |
|
b) |
zij stelt een afgebakend gebied in dat bestaat uit een besmette zone. |
De besmette zone omvat het volgende:
|
a) |
de waardplanten waarvan het besmette monster is genomen; |
|
b) |
de waardplanten die mogelijk met het gespecificeerde plaagorganisme besmet zijn, en zijn aangemerkt als waarschijnlijk besmet, door contact vóór of na de oogst of door productie-, irrigatie- of besproeiingsstappen die op hetzelfde moment hebben plaatsgevonden als voor de besmette waardplanten. |
De bevoegde autoriteit merkt:
|
a) |
de in de tweede alinea, punt a), bedoelde waardplanten als besmet aan; |
|
b) |
de in de tweede alinea, punt b), bedoelde waardplanten als waarschijnlijk besmet aan. |
4. Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme wordt bevestigd in oppervlaktewater, in vloeibaar afval van industriële verwerking of locaties waar nader omschreven planten worden verpakt, of op geassocieerde wilde tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten en wanneer er aanwijsbare risico’s zijn voor de productie van nader omschreven planten door irrigatie, besproeiing of overstroming met oppervlaktewater, treft de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen:
|
a) |
zij stelt een onderzoek in overeenkomstig bijlage III, met inbegrip van een onderzoek op daartoe geschikte tijdstippen van monsters van oppervlaktewater en vloeibaar afval, alsook van wilde tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten indien die aanwezig zijn, om de omvang van de besmetting te bepalen, en |
|
b) |
zij stelt een afgebakend gebied in dat een besmette zone omvat, waarbij zij rekening houdt met de elementen van een mogelijke verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme zoals bedoeld in bijlage IV, punt 2. |
De besmette zone omvat het volgende:
|
a) |
het oppervlaktewater waarvan de besmette monsters zijn genomen; |
|
b) |
het oppervlaktewater dat mogelijk besmet is, rekening houdend met de in bijlage IV, punt 1, opgenomen elementen. |
De bevoegde autoriteit merkt:
|
a) |
het in de tweede alinea, punt a), bedoelde oppervlaktewater als besmet aan; |
|
b) |
het in de tweede alinea, punt b), bedoelde oppervlaktewater als waarschijnlijk besmet aan. |
5. Wanneer een lidstaat via Europhyt een kennisgeving van een uitbraak heeft ingediend, bepalen de in de kennisgeving vermelde aangrenzende lidstaten de omvang van de waarschijnlijke besmetting en stellen zij overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 een afgebakend gebied in. In geval van een uitbraak in oppervlaktewater is een kennisgeving niet vereist voor besmet oppervlaktewater dat zich in reeds afgebakende gebieden bevindt.
6. De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat elk van de volgende elementen wordt bijgehouden en op passende wijze wordt bewaard:
|
a) |
het in artikel 4, lid 3, gespecificeerde materiaal, ten minste totdat alle tests zijn voltooid; |
|
b) |
het materiaal voor de tweede detectietest en voor de identificatietests, in voorkomend geval, totdat alle tests zijn voltooid; |
|
c) |
indien van toepassing, de reincultuur van het gespecificeerde plaagorganisme, gedurende ten minste één maand na de kennisgevingsprocedure overeenkomstig lid 5. |
Artikel 6
Uitroeiingsmaatregelen voor het gespecificeerde plaagorganisme
1. Nader omschreven planten die overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), i), als besmet met het gespecificeerde plaagorganisme zijn aangemerkt, worden niet geplant. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de besmette nader omschreven planten overeenkomstig bijlage V, punt 1, worden vernietigd of anderszins worden verwijderd, mits vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico is dat het gespecificeerde plaagorganisme zich kan verspreiden.
Wanneer nader omschreven planten zijn geplant voordat zij als besmet zijn aangemerkt, wordt het geplante materiaal onmiddellijk vernietigd of anderszins verwijderd overeenkomstig bijlage V, punt 1. De productielocaties waar de besmette nader omschreven planten zijn geplant, worden als besmet aangemerkt. Er wordt een afgebakend gebied ingesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b).
2. Nader omschreven planten die overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), ii), als waarschijnlijk besmet zijn aangemerkt en nader omschreven planten waarvoor overeenkomstig artikel 5, lid 4, een risico is aangewezen, worden niet geplant en worden onder toezicht van de betrokken bevoegde autoriteiten op adequate wijze gebruikt of verwijderd zoals gespecificeerd in bijlage V, punt 2, mits vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico is dat het gespecificeerde plaagorganisme zich kan verspreiden.
Wanneer nader omschreven planten zijn geplant voordat zij als waarschijnlijk besmet zijn aangemerkt, wordt het geplante materiaal onmiddellijk vernietigd of worden de maatregelen van bijlage VI, punt 2, toegepast. De productielocaties waar de waarschijnlijk besmette nader omschreven planten zijn geplant, worden als waarschijnlijk besmet aangemerkt. Er wordt een afgebakend gebied ingesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b).
3. Alle machines, voertuigen, containers, opslagplaatsen, of delen daarvan, en alle andere voorwerpen, waaronder verpakkingsmateriaal, die overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), i), als besmet zijn aangemerkt of die overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), ii), en artikel 5, lid 4, derde alinea, punt b), als waarschijnlijk besmet zijn aangemerkt, worden vernietigd of gereinigd en ontsmet volgens de in bijlage V, punt 3, bedoelde methoden.
4. In de afgebakende gebieden worden naast de maatregelen van de leden 1, 2 en 3 ook de maatregelen van bijlage V, punt 4, getroffen.
Artikel 7
Specifieke maatregelen voor het testen van voor opplant bestemde knollen
1. Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in een productielocatie van voor opplant bestemde knollen is bevestigd, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat de in bijlage I bedoelde tests worden uitgevoerd op de klonaal verwante lijnen van de besmette partijen knollen of, indien is vastgesteld dat er geen klonaal verwante lijnen zijn, op de knollen of partijen knollen die rechtstreeks of onrechtstreeks met de besmette partijen knollen in contact zijn gekomen.
2. Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in productielocaties van voor opplant bestemde knollen die onder een certificeringsregeling vallen, is bevestigd, worden de in bijlage I bedoelde tests uitgevoerd op elke plant in de oorspronkelijke kloonselectie of op representatieve monsters van het basispootgoed.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 juli 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4.
(2) Richtlijn 98/57/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. (PB L 235 van 21.8.1998, blz. 1).
BIJLAGE I
Regeling voor de tests die krachtens de artikelen 3, 4, 5 en 7 moeten worden verricht
1. ALGEMENE BEGINSELEN BETREFFENDE DE AANWEZIGHEID VAN HET GESPECIFICEERDE PLAAGORGANISME
|
1.1. |
Er wordt vermoed dat het gespecificeerde plaagorganisme aanwezig is wanneer de eerste detectietest die op de nader omschreven plant of op watermonsters wordt verricht, een positief resultaat oplevert. |
|
1.2. |
De aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme wordt in de volgende gevallen bevestigd:
Eén van die twee identificatietests is een test zoals bedoeld in punt 2.2, e), f) en g). |
2. TESTS
2.1. Detectietests
De detectietests moeten van dien aard zijn dat op consistente wijze ten minste 104 cellen/ml geresuspendeerde pellet verkregen van asymptomatische monsters kunnen worden gedetecteerd.
De tweede detectietest moet gebaseerd zijn op andere biologische beginselen of andere nucleotiden dan de eerste detectietest.
De detectietests zijn de volgende:
|
a) |
immunofluorescentietests zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
b) |
isolatie van het gespecificeerde plaagorganisme op het semi-selectieve groeimedium mSMSA, zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
c) |
een conventionele PCR waarvoor de primers van Pastrik et al. (2002) (1) worden gebruikt, zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
d) |
TaqMan®-real-time-PCR’s waarvoor primers en probes worden gebruikt van:
|
|
e) |
LAMP-test (loop-mediated isothermal amplification) waarvoor de primers van Lenarčič et al. (2014) (6) worden gebruikt (alleen voor symptomatisch plantenmateriaal), zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
2.2. Identificatietests
De identificatietests zijn de volgende:
|
a) |
immunofluorescentietests zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
b) |
conventionele PCR’s waarvoor de primers van Pastrik et al. (2002) worden gebruikt, zoals uitvoerig beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
c) |
TaqMan®-real-time-PCR’s waarvoor primers en probes worden gebruikt van:
|
|
d) |
LAMP-test (loop-mediated isothermal amplification) waarvoor de primers van Lenarčič et al. (2014) worden gebruikt, zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
e) |
fylotype-specifieke multiplex conventionele PCR (Opina et al. (1997) (7); Fegan & Prior (2005) (8)), zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
f) |
DNA-barcodering (Wicker et al. (2007) (9)), zoals beschreven in internationale diagnostische normen; |
|
g) |
MALDI-TOF-MS (van de Bilt et al. (2018) (10)), zoals beschreven in internationale diagnostische normen. |
3. STROOMSCHEMA’S VAN PROCEDURES
Stroomschema 1: diagnostische procedure voor de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme in monsters van de nader omschreven plant
|
a |
Isolatie kan als de eerste of de tweede detectietest worden gebruikt. Indien de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op het groeimedium wordt vermoed, worden kolonies gezuiverd om reinculturen te verkrijgen waarop vervolgens twee identificatietests worden verricht. |
|
b |
Eén van die twee identificatietests is een test zoals bedoeld in punt 2.2, e), f) en g). Beide identificatietests moeten positieve resultaten opleveren om de aanwezigheid van het plaagorganisme te bevestigen. |
|
c |
De derde detectietest moet gebaseerd zijn op andere biologische beginselen of andere nucleotiden. |
Stroomschema 2: diagnostische procedure voor het gespecificeerde plaagorganisme in watermonsters
|
a |
Eén van die twee identificatietests is een test zoals bedoeld in punt 2.2, e), f) en g). Beide identificatietests moeten positieve resultaten opleveren om de aanwezigheid van het plaagorganisme te bevestigen. |
4. MONSTERVOORBEREIDING
4.1. Monsters van asymptomatische knollen
De standaardmonstergrootte is 200 knollen per test. De toepasselijke laboratoriumprocedure voor de verwerking van de stukjes van het naveleinde om het extract voor de detectie van het gespecificeerde plaagorganisme te verkrijgen, wordt in internationale diagnostische normen beschreven.
4.2. Monsters van asymptomatische nader omschreven planten
De detectie van latente infecties wordt verricht op samengestelde monsters van stengeldelen of bladstelen. De procedure mag worden toegepast voor maximaal 200 stengeldelen of 200 bladstelen van verschillende planten in één monster. De toepasselijke laboratoriumprocedure voor de ontsmetting en verwerking van de delen van de stengels en bladstelen om het extract voor de detectie van het gespecificeerde plaagorganisme te verkrijgen, wordt in internationale diagnostische normen beschreven.
4.3. Monsters van symptomatisch materiaal van de nader omschreven planten
Stukjes weefsel worden aseptisch verwijderd uit het vaatweefsel van aardappelknollen of uit de vaatbundels in de stengels van nader omschreven planten die verwelkingssymptomen vertonen. De toepasselijke laboratoriumprocedure voor de verwerking van dit weefsel om het extract voor de detectie van het gespecificeerde plaagorganisme te verkrijgen, wordt in internationale diagnostische normen uitvoerig beschreven.
4.4. Monsters van oppervlakte- of recirculatiewater (met inbegrip van afvalwater van aardappelverwerkingsinstallaties of riooleffluent)
De belangrijkste test voor de detectie van het gespecificeerde plaagorganisme in monsters van oppervlaktewater, water van recirculatiesystemen en effluent (van de aardappelverwerkingsindustrie) is selectieve isolatie. De toepasselijke laboratoriumprocedure voor de verwerking van watermonsters wordt in internationale diagnostische normen beschreven.
(1) Pastrik, K.H., Elphinstone, J.G., Pukall, R. (2002). Sequence analysis and detection of Ralstonia solanacearum by multiplex PCR amplification of 16S-23S ribosomal intergenic spacer region with internal positive control. European Journal of Plant Pathology 108, 831-842.
(2) Weller, SA, Elphinstone, J.G., Smith, N., Boonham, N., Stead, D.E. (2000). Detection of Ralstonia solanacearum strains with a quantitative, multiplex, real-time, fluorogenic PCR (TaqMan) assay. Applied and Environmental Microbiology, 66, 2853-2858. https://journals.asm.org/doi/10.1128/AEM.66.7.2853-2858.2000
(3) Vreeburg, R.A.M., Bergsma-Vlami, M., Bollema, R.M., de Haan, E.G., Kooman-Gersmann, M., Smits-Mastebroek, L., Tameling, W.I.L., Tjou-Tam-Sin, N.N.A., van de Vossenberg B.T.L.H, Janse, J.D. (2016). Performance of real-time PCR and immunofluorescence for the detection of Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus and Ralstonia solanacearum in potato tubers in routine testing. Bulletin OEPP/EPPO Bulletin 46, 112-121.
(4) Vreeburg, R., Zendman, A., Pol, A., Verheij, E., Nas, M., Kooman-Gersmann, M. (2018). Validation of four real-time TaqMan PCRs for the detection of Ralstonia solanacearum and/or Ralstonia pseudosolanacearum and/or Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus in potato tubers using a statistical regression approach. EPPO Bulletin 48, 86-96.
(5) Massart, S., Nagy, C., Jijakli, M.H. (2014). Development of the simultaneous detection of Ralstonia solanacearum race 3 and Clavibacter michiganensis subsp. sepedonicus in potato tubers by a multiplex real-time PCR assay. European Journal of Plant Pathology 138, 29-37.
(6) Lenarčič, R., Morisset, D., Pirc, M., Llop, P., Ravnikar, M., Dreo, T. (2014). Loop-mediated isothermal amplification of specific endoglucanase gene sequence for detection of the bacterial wilt pathogen Ralstonia solanacearum. PLoS ONE 9(4), e96027, https://doi.org/10.1371/journal.pone.0096027
(7) Opina, N., Tavner, F., Holloway, G., Wang, J.F., Li, T.H., Maghirang, R., Fegan, M., Hayward, A.C., Viji Krishnapillai, A., Wai-Foong Hong, Holloway, B.W, Timmis, J.N. (1997). A novel method for development of species and strainspecific DNA probes and PCR primers for identifying Burkholderia solanacearum (formerly Pseudomonas solanacearum). Asia-Pacific Journal of Molecular Biology and Biotechnology 5, 19-30.
(8) Fegan, M., Prior, P. (2005). How complex is the “ Ralstonia solanacearum species complex”. In Bacterial Wilt Disease and the Ralstonia solanacearum Species Complex (eds Allen C, Hayward AC & Prior P), blz. 449-461. American Phytopathological Society, St Paul, MN (VS).
(9) Wicker, E., Grassart, L., Coranson-Beaudu, R., Mian, D., Guilbaud, C., Fegan, M., Prior, P. (2007). Ralstonia solanacearum strains from Martinique French West Indies) exhibiting a new pathogenic potential. Applied and Environmental Microbiology 73, 6790-6801.
(10) Van de Bilt, J.L.J., Wolsink, M.H.L., Gorkink-Smits, P.P.M.A., Landman, N.M., Bergsma-Vlami, M. (2018). Application of Matrix-Assisted Laser Desorption Ionization Time-Of-Flight Mass Spectrometry for rapid and accurate identification of Ralstonia solanacearum and Ralstonia pseudosolanacearum. European Journal of Plant Pathology, https://doi.org/10.1007/s10658-018-1517-5
BIJLAGE II
Model voor onderzoeksresultaten zoals bedoeld in artikel 3, lid 3
Model voor het indienen van de resultaten van de onderzoeken naar bruinrot in de aardappel- en tomatenoogst van het voorgaande kalenderjaar
Deze tabel dient uitsluitend voor de onderzoeksresultaten van de in uw land geoogste aardappelen en tomaten.
|
Lidstaat |
Categorie |
Teeltareaal (ha) |
Laboratoriumtests |
Visuele inspectie van knollen (1) |
Visuele inspecties van het ongeoogste gewas (1) |
Overige informatie |
|||||||||
|
Aantal monsters |
Aantal partijen |
Omvang van de partijen (in t of ha) |
Bemonsteringsperiode |
Aantal positieve |
Aantal geïnspecteerde monsters |
Monsteromvang |
Aantal positieve monsters (2) |
Aantal visuele inspecties |
Aantal ha (aardappelen) of planten (tomaten) |
Aantal positieve resultaten (2) |
|||||
|
Monsters |
Partijen |
||||||||||||||
|
|
Gecertificeerde voor opplant bestemde knollen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere voor opplant bestemde knollen (specificeren) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Aardappelen voor consumptie en verwerking |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere knollen (specificeren) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Voor herplanting bestemde tomaten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Andere gastheren (vermeld soort, rivier/gebied) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
Water (vermeld rivier/gebied/locatie van bedrijfsruimten) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
(1) Macroscopisch onderzoek van knollen of gewassen.
(2) Er zijn symptomen vastgesteld, er is een monster genomen en de laboratoriumtests hebben de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme bevestigd.
BIJLAGE III
Onderzoek zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, punt a), artikel 5, lid 3, eerste alinea, punt a), en artikel 5, lid 4, eerste alinea, punt a)
Het in artikel 5, lid 2, punt a), artikel 5, lid 3, eerste alinea, punt a), en artikel 5, lid 4, eerste alinea, punt a), bedoelde onderzoek heeft betrekking op de volgende elementen, indien van toepassing:
|
1. |
plaatsen van productie waar:
|
|
2. |
oppervlaktewater voor irrigatie of besproeiing van de nader omschreven planten of waarmee velden of plaatsen van productie zijn overstroomd waarvan bevestigd is dat ze met het gespecificeerde organisme besmet zijn. |
BIJLAGE IV
Elementen voor de aanmerking van zaken als waarschijnlijk besmet met het gespecificeerde plaagorganisme overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), ii), en artikel 5, lid 4, tweede alinea, punt b), en voor de bepaling van de mogelijke verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt c), en artikel 5, lid 4, eerste alinea, punt b)
|
1. |
De elementen waarmee rekening moet worden gehouden voor de aanmerking van zaken als waarschijnlijk besmet met het gespecificeerde plaagorganisme overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt b), ii), en artikel 5, lid 4, tweede alinea, punt b), zijn de volgende:
|
|
2. |
De elementen waarmee rekening moet worden gehouden voor de bepaling van de mogelijke verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt c), en artikel 5, lid 4, eerste alinea, punt b), zijn de volgende:
|
BIJLAGE V
Uitroeiingsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 6
|
1. |
De in artikel 6, lid 1, bedoelde maatregelen zijn één of meer van de volgende maatregelen:
Afvalstoffen die overblijven na of voortkomen uit de bovengenoemde behandelingen, worden door middel van officieel erkende methoden verwijderd overeenkomstig bijlage VI. |
|
2. |
De bevoegde autoriteit houdt toezicht op het adequate gebruik of de adequate verwijdering van de nader omschreven planten die overeenkomstig artikel 6, lid 2, als waarschijnlijk besmet zijn aangemerkt. Die bevoegde autoriteit geeft toestemming voor de volgende vormen van gebruik, en de daarmee verband houdende afvalverwijdering, van die nader omschreven planten:
|
|
3. |
Als adequate methoden voor het reinigen en ontsmetten van de in artikel 6, lid 3, bedoelde voorwerpen gelden die waarvan is vastgesteld dat er geen aanwijsbaar risico op verspreiding van het gespecificeerde plaagorganisme bestaat, en die onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden toegepast. |
|
4. |
De maatregelen die de lidstaten moeten treffen in de in artikel 6, lid 4, bedoelde afgebakende gebieden die overeenkomstig artikel 5 zijn ingesteld, omvatten de maatregelen van de punten 4.1 en 4.2. |
|
4.1. |
Maatregelen die moeten worden getroffen in plaatsen van productie die overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), i), als besmet zijn aangemerkt: |
|
4.1.1. |
In een productielocatie of eenheid voor beschermde teelt die overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), i), als besmet is aangemerkt, worden alle in de punten 1, 2 en 3 vastgestelde maatregelen of alle in de punten 4, 5, 6 en 7 vastgestelde maatregelen getroffen:
|
|
4.1.2. |
In alle andere productielocaties van de besmette plaats van productie en mits de bevoegde autoriteiten hebben vastgesteld dat het door opslag van nader omschreven planten en door wilde tot de nachtschadefamilie behorende waardplanten van het gespecificeerde plaagorganisme, naargelang het geval, gevormde risico is geëlimineerd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
|
|
4.1.3. |
Onmiddellijk na de besmetverklaring overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), i), en na het eerste daaropvolgende teeltjaar:
|
|
4.1.4. |
In een overeenkomstig artikel 5, lid 2, punt d), i), als besmet aangemerkte eenheid voor beschermde teelt waarin het teeltmedium volledig kan worden vervangen:
|
|
4.2. |
In het afgebakende gebied treffen de lidstaten naast de maatregelen van punt 4.1 ook de volgende maatregelen:
|
(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PB L 319 van 10.12.2019, blz. 1).
BIJLAGE VI
Voorschriften voor officieel erkende afvalverwijdering zoals bedoeld in bijlage V, punt 1
De officieel erkende afvalverwijderingsmethoden zoals bedoeld in bijlage V, punt 1, voldoen aan de volgende voorschriften:
|
1. |
Afval van nader omschreven planten, waaronder uitschot van aardappelen, aardappelschillen en tomaten en al het andere vaste afval dat met de nader omschreven planten in contact is geweest (waaronder grond, stenen en ander materiaal), wordt volgens één van de volgende methoden verwijderd:
Voor de toepassing van punt a) wordt het afval rechtstreeks naar de stortplaats vervoerd, op zodanige wijze dat geen afval kan worden verloren. |
|
2. |
Vloeibaar afval dat gesuspendeerde vaste stoffen bevat moet, voordat het wordt verwijderd, een proces ondergaan waarbij dergelijke stoffen uit het vloeibaar afval worden gefilterd of worden neergeslagen om ze af te kunnen scheiden; die stoffen worden dan overeenkomstig punt 1 verwijderd. Het vloeibare afval wordt:
|