8.4.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 109/1


VERORDENING (EU) 2022/562 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 april 2022

tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 223/2014 wat betreft maatregelen uit hoofde van het cohesiebeleid ten behoeve van vluchtelingen in Europa (CARE)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 175, derde alinea, en artikel 177,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De recente militaire agressie door de Russische Federatie tegen Oekraïne en het aanhoudend gewapend conflict hebben de veiligheidssituatie in Europa fundamenteel veranderd. Als gevolg van die militaire agressie worden de Unie en vooral de oostelijke regio’s geconfronteerd met een aanzienlijke toestroom van personen. Dit is een extra uitdaging op een moment dat de economieën van de lidstaten nog steeds aan het herstellen zijn van de gevolgen van de COVID-19-pandemie.

(2)

De lidstaten kunnen al een grote verscheidenheid van investeringen in het kader van hun cohesiebeleidsprogramma’s financieren om uitdagingen op gebied van migratie aan te pakken in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (“EFRO”) en het Europees Sociaal Fonds (“ESF”), onder meer in het kader van de aanvullende middelen die beschikbaar zijn gesteld als herstelbijstand voor cohesie en de regio’s van Europa (“React-EU”) om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie. De maatregelen kunnen betrekking hebben op investeringen in sociale inclusie, gezondheid, onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en kinderopvang, onder meer door investeringen in infrastructuur, herstel van achtergestelde stedelijke gebieden, maatregelen om het ruimtelijke en educatieve isolement van migranten te verminderen, en startende bedrijven. De lidstaten kunnen resterende middelen binnen hun programma’s herbestemmen om dergelijke uitdagingen op gebied van migratie aan te pakken. Daarnaast kan het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (“EFMB”) worden gebruikt om voedsel en fundamentele materiële bijstand te verstrekken aan personen, met inbegrip van onderdanen van derde landen, die getroffen worden door de militaire agressie van de Russische Federatie.

(3)

Hoewel de extra middelen die in het kader van React-EU beschikbaar worden gesteld, al van een aantal flexibele uitvoeringsregelingen kunnen gebruikmaken, is het nodig om het gebruik van middelen van het EFRO, het ESF en het EFMB uit het meerjarig financieel kader 2014-2020 flexibeler te maken. Gezien het feit dat de migratieproblemen als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie tegen Oekraïne urgent moet worden aangepakt, moeten de uitgaven voor concrete acties om die problemen aan te pakken beschikbaar zijn vanaf de datum waarop die militaire agressie aanving. Voorts moet de flexibiliteit in de wijze waarop het EFRO en het ESF voor dergelijke concrete acties kunnen worden gebruikt, worden vergroot, zodat de beschikbare middelen in het kader van de programma’s snel kunnen worden gebruikt, mits die betrokken concrete actie in overeenstemming is met het, waar nodig gewijzigde, operationele programma. Die flexibiliteit moet een aanvulling vormen op de mogelijkheden voor de aanvullende financiering van concrete acties waarin reeds is voorzien. Ook moet worden voorzien in vereenvoudigde rapportageregelingen betreffende de gegevens van deelnemers aan die concrete acties.

(4)

Om ervoor te zorgen dat getroffen personen onverwijld in aanmerking kunnen komen voor bijstand in het kader van het EFMB, is het passend de lidstaten toe te staan bepaalde elementen van door het EFMB ondersteunde operationele programma’s te wijzigen zonder dat daarvoor een besluit van de Commissie vereist is.

(5)

De steun in het kader van het cohesiebeleid moet met name complementair zijn met maatregelen die worden gefinancierd uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie om het effect van de beschikbare financiering zo groot mogelijk te maken.

(6)

De lidstaten zijn op ongekende wijze getroffen door de gevolgen van de COVID-19-pandemie. De algehele impact van die pandemie heeft de begrotingen van de lidstaten sterk onder druk gezet als gevolg van de plotse en aanzienlijke stijging van noodzakelijke overheidsinvesteringen in hun gezondheidszorg en andere sectoren van hun economie. Ook dreigde de pandemie de steun aan de meest behoeftigen te verstoren. Dit heeft geleid tot een buitengewone situatie waarvoor specifieke maatregelen nodig waren.

(7)

Om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-uitbraak, werden Verordening (EU) nr. 1301/2013 (3) en Verordening (EU) nr. 1303/2013 (4) van het Europees Parlement en de Raad gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad (5) met het oog op meer flexibiliteit bij de uitvoering van de programma’s die worden ondersteund door het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds (de “fondsen”) en door het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Aangezien de ernstige negatieve gevolgen van die crisis voor de economieën en samenlevingen van de Unie echter nog zijn toegenomen, werden beide verordeningen opnieuw gewijzigd, bij Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad (6).

Om het hoofd te bieden aan de gevolgen van de COVID-19-crisis voor de meest behoeftigen, werd Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad (7) gewijzigd bij Verordening (EU) 2020/559 van het Europees Parlement en de Raad (8) om specifieke maatregelen voor het EFMB voor de aanpak van de COVID-19-uitbraak in te voeren. Die wijzigingen hebben gezorgd voor uitzonderlijke extra flexibiliteit om de lidstaten in staat te stellen zich op de noodzakelijke respons op de ongekende crisis te concentreren door de mogelijkheid te vergroten om niet-benutte steun uit de fondsen in te zetten en door de procedurele vereisten met betrekking tot de uitvoering van programma’s te vereenvoudigen met het oog op een snelle respons op die crisis. Bij een latere wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bij Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad (9) zijn aanzienlijke extra middelen beschikbaar gesteld als React-EU om bijstand te verlenen ter bevordering van crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie.

Als onderdeel van hetzelfde pakket werd ook Verordening (EU) nr. 223/2014 gewijzigd bij Verordening (EU) 2021/177 van het Europees Parlement en de Raad (10), zodat de lidstaten deze extra middelen kunnen aanspreken ten behoeve van de meest behoeftigen in het kader van de uitvoering van het EFMB.

(8)

Hoewel de flexibiliteit en extra middelen voor de programmeringsperiode 2014-2020 de lidstaten hebben geholpen bij hun crisisrespons en herstelinspanningen, bleven de opkomst van nieuwe varianten van het coronavirus, met name de Omicron-variant, en de wijdverbreide aanscherping van beperkingen in het laatste kwartaal van 2021 ernstige negatieve gevolgen hebben voor de economieën en samenlevingen van de lidstaten en een normale uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma’s en de door het EFMB ondersteunde programma’s belemmeren. De recente militaire agressie door de Russische Federatie en de daaruit voortvloeiende migratiestromen hebben deze effecten verergerd en dreigen het herstel van de economie van de Unie verder te ondermijnen. In overeenstemming met de in Verordening (EU) 2020/558 bepaalde mogelijkheid is het daarom nodig te voorzien in een uitzonderlijke verlenging van een van de door die verordening ingevoerde maatregelen, namelijk de optie om een medefinancieringspercentage van 100 % voor het boekjaar 2020/2021 toe te passen op het volgende boekjaar.

(9)

Om de druk op de overheidsbegrotingen als gevolg van de noodzaak om de crisissituatie aan te pakken, te verlichten, de uitvoering van de programma’s te versnellen en de nodige investeringen voor het herstel van regio’s mogelijk te maken, moeten de lidstaten daarom bij wijze van uitzondering de mogelijkheid krijgen om ook voor het boekjaar 2021/2022 een medefinancieringspercentage van 100 % toe te passen bij een door het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds of het EFMB ondersteund programma.

(10)

Om te voldoen aan de betalingsbovengrenzen van het meerjarig financieel kader voor 2022 en 2023, moet voor die jaren een bovengrens worden vastgesteld voor betalingen die voortvloeien uit de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % in het kader van het EFRO, het Cohesiefonds of het ESF. Betalingen die als gevolg van de toepassing van die bovengrenzen niet kunnen worden verricht, moeten door de Commissie zo spoedig mogelijk worden betaald, mits financiering beschikbaar is, hetzij bij de goedkeuring van de rekeningen, hetzij via latere betalingen. Dergelijke uitgestelde betalingen mogen niet van invloed zijn op de goedkeuring van de rekeningen, noch andere gevolgen hebben.

(11)

Aangezien de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % geen wezenlijke gevolgen zal hebben voor de inhoud van de operationele programma’s zelf, is het passend de snelle uitvoering ervan mogelijk te maken zonder dat een besluit van de Commissie tot goedkeuring van de wijziging van de financiële tabellen van het operationele programma door de lidstaten nodig is. Toch moet de lidstaat de herziene financiële tabellen meedelen vóór de indiening van de aanvraag voor de laatste betaling voor het boekjaar. Mogelijke belangrijke wijzigingen, onder meer van de waarden van indicatoren, kunnen worden aangebracht als onderdeel van een latere programmawijziging na het einde van het boekjaar.

(12)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk het invoeren van flexibiliteitsmaatregelen op gebied van steunverlening uit de fondsen, niet voldoende door de lidstaten alleen kan worden verwezenlijkt en vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden dus beter door de Unie kunnen worden gerealiseerd, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(13)

Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 223/2014 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Aangezien de migratieproblemen als gevolg van de recente militaire agressie van de Russische Federatie, evenals de voortdurende crisis van de volksgezondheid vanwege de COVID-19-pandemie dringend moeten worden aangepakt, wordt het passend geacht gebruik te maken van de uitzondering op de periode van acht weken als bedoeld in artikel 4 van Protocol nr. 1 betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, dat is gehecht aan het VEU, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(15)

Aangezien de lidstaten in staat moeten worden gesteld hun programma’s tijdig te wijzigen om in aanmerking te komen voor de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % voor het boekjaar 2021/2022, moet deze verordening met spoed in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013

Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 25 bis wordt het volgende lid ingevoegd:

“1 bis.   In afwijking van artikel 60, lid 1, en artikel 120, lid 3, eerste en vierde alinea, kan een medefinancieringspercentage van 100 % worden toegepast op uitgaven die in betalingsaanvragen voor het boekjaar dat begint op 1 juli 2021 en eindigt op 30 juni 2022, zijn gedeclareerd voor één of meer prioritaire assen in het kader van een door het EFRO, het ESF of het Cohesiefonds ondersteund programma.

In afwijking van artikel 30, leden 1 en 2, en artikel 96, lid 10, is voor de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % geen besluit van de Commissie tot goedkeuring van een programmawijziging vereist. De lidstaat stelt de Commissie in kennis van de herziene financiële tabellen na goedkeuring door het toezichtcomité. Het medefinancieringspercentage van 100 % is alleen van toepassing als de Commissie van de financiële tabellen in kennis is gesteld vóór de indiening, overeenkomstig artikel 135, lid 2, van de laatste aanvraag voor een tussentijdse betaling voor het boekjaar dat begint op 1 juli 2021 en eindigt op 30 juni 2022.

De totale aanvullende betalingen als gevolg van de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % bedragen hoogstens 5 miljard EUR in 2022 en 1 miljard EUR in 2023.

De Commissie verricht tussentijdse betalingen door het op de betrokken prioritaire assen toepasselijke medefinancieringspercentage toe te passen vóór de in de tweede alinea bedoelde kennisgeving. In afwijking van artikel 135, lid 5, betaalt de Commissie de aanvullende bedragen als gevolg van de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % na ontvangst van alle laatste aanvragen voor tussentijdse betaling voor het boekjaar 2021/2022, waar nodig pro rata om de in de derde alinea vastgestelde maxima in acht te nemen.

In afwijking van artikel 139, lid 7, worden de resterende bedragen als gevolg van de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % die, om de in de derde alinea vastgestelde maxima in acht te nemen, na de goedkeuring van de rekeningen niet kunnen worden betaald, in 2024 of later betaald.”.

2)

Aan artikel 65, lid 10, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In afwijking van lid 9 komen uitgaven voor concrete acties om de migratieproblemen als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie aan te pakken met ingang van 24 februari 2022 in aanmerking voor steun.”.

3)

Aan artikel 98 wordt het volgende lid toegevoegd:

“4.   Concrete acties om de migratieproblemen als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie aan te pakken, kunnen door het EFRO of het ESF worden gefinancierd op basis van de op het andere fonds toepasselijke regels.

In dergelijke gevallen worden die concrete acties geprogrammeerd in het kader van een specifieke prioritaire as van dat andere fonds die bijdraagt tot de overeenkomstige investeringsprioriteiten ervan.

Wanneer gegevens over deelnemers moeten worden gerapporteerd voor concrete acties in het kader van de in de tweede alinea bedoelde specifieke prioritaire as, worden die gegevens op gefundeerde ramingen gebaseerd en tot het totale aantal ondersteunde personen en het aantal kinderen jonger dan 18 jaar beperkt.

Dit lid is niet van toepassing op programma’s in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking.”.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EU) nr. 223/2014

Verordening (EU) nr. 223/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 9, lid 4, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De eerste en de tweede alinea zijn ook van toepassing om elementen te wijzigen van een operationeel programma dat de migratieproblemen als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie aanpakt.”.

2)

In artikel 20 wordt het volgende lid ingevoegd:

“1 ter.   In afwijking van lid 1 kan een medefinancieringspercentage van 100 % worden toegepast op uitgaven die in betalingsaanvragen voor het boekjaar dat begint op 1 juli 2021 en eindigt op 30 juni 2022, zijn gedeclareerd.

In afwijking van artikel 9, leden 1, 2 en 3, is voor de toepassing van het medefinancieringspercentage van 100 % geen besluit van de Commissie tot goedkeuring van een programmawijziging vereist. De lidstaat stelt de Commissie in kennis van de herziene financiële tabellen als bedoeld in deel 5.1 van de in bijlage I opgenomen modellen van operationele programma’s. Het medefinancieringspercentage van 100 % is alleen van toepassing als de Commissie van de financiële tabellen in kennis is gesteld vóór de indiening, overeenkomstig artikel 45, lid 2, van de laatste aanvraag voor een tussentijdse betaling voor het boekjaar dat begint op 1 juli 2021 en eindigt op 30 juni 2022.”.

3)

Aan artikel 22, lid 4, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“In afwijking van de eerste alinea zijn de uitgaven voor concrete acties om de migratieproblemen als gevolg van de militaire agressie van de Russische Federatie aan te pakken subsidiabel vanaf 24 februari 2022.”.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 6 april 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

C. BEAUNE


(1)  Advies van 23 maart 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 maart 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 4 april 2022.

(3)  Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling “Investeren in groei en werkgelegenheid”, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).

(4)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(5)  Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 508/2014 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de COVID-19-uitbraak (Investeringsinitiatief Coronavirusrespons) (PB L 99 van 31.3.2020, blz. 5).

(6)  Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013 en (EU) nr. 1303/2013 wat betreft specifieke maatregelen met het oog op uitzonderlijke flexibiliteit bij het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 (PB L 130 van 24.4.2020, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (PB L 72 van 12.3.2014, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2020/559 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 223/2014 wat de invoering van specifieke maatregelen voor de aanpak van de COVID-19-uitbraak betreft (PB L 130 van 24.4.2020, blz. 7).

(9)  Verordening (EU) 2020/2221 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft uitzonderlijke extra middelen en uitvoeringsregelingen om bijstand te verlenen ter bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en de sociale gevolgen daarvan en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie (React-EU) (PB L 437 van 28.12.2020, blz. 30).

(10)  Verordening (EU) 2021/177 van het Europees Parlement en de Raad van 10 februari 2021 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 223/2014 wat betreft de invoering van specifieke maatregelen voor de aanpak van de met de COVID-19-uitbraak verband houdende crisis (PB L 53 van 16.2.2021, blz. 1).