|
28.1.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 19/22 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2022/116 VAN DE COMMISSIE
van 27 januari 2022
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op acesulfaamkalium van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Voorafgaande onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Door middel van Verordening (EU) 2015/1963 (2) heeft de Europese Commissie definitieve antidumpingrechten op acesulfaamkalium (“ace-K”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC” of “het betrokken land”) ingesteld (“de oorspronkelijke maatregelen”). Het onderzoek dat leidde tot de instelling van de oorspronkelijke maatregelen wordt hierna “het oorspronkelijke onderzoek” genoemd. |
|
(2) |
De momenteel geldende rechten variëren van 2,64 EUR tot 4,58 EUR per kg netto op de invoer van de medewerkende producenten-exporteurs en bedragen 4,58 EUR per netto kilogram voor de invoer van alle andere ondernemingen. |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(3) |
Na de bekendmaking van een bericht dat de maatregelen op korte termijn (3) zouden vervallen, heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) een verzoek om een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening ontvangen. |
|
(4) |
Het verzoek werd op 31 juli 2020 ingediend door Celanese Sales Germany GmbH (“de indiener van het verzoek”), de enige fabrikant in de Unie, die dus 100 % van de totale productie van ace-K in de Unie vertegenwoordigt. De reden voor dit verzoek om een nieuw onderzoek was dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van dumping en herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie (4). |
1.3. Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(5) |
Daar de Commissie na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 30 oktober 2020 op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen geopend met betrekking tot de invoer van ace-K van oorsprong uit de VRC. Zij heeft daartoe een bericht van inleiding van de procedure bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (5) (“het bericht van inleiding”). |
1.4. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(6) |
Het onderzoek naar de voortzetting van dumping had betrekking op de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 (“tijdvak van het nieuwe onderzoek” of “TNO”). Het onderzoek van ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2017 tot het einde van het TNO (“de beoordelingsperiode”) (6). |
1.5. Belanghebbenden
|
(7) |
In het bericht van opening is de belanghebbenden verzocht contact met de Commissie op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de indiener van het verzoek, de haar bekende producenten van ace-K in het betrokken land en de autoriteiten van de VRC alsook de haar bekende importeurs en gebruikers van de opening van het onderzoek in kennis gesteld en hen verzocht mee te werken. |
|
(8) |
De belanghebbenden zijn tevens in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
|
(9) |
Er hebben hoorzittingen plaatsgevonden met één producent-exporteur, Anhui Jinhe Industrial Co. Ltd (“Anhui Jinhe”), en met de indiener van het verzoek. |
1.6. Opmerkingen over de opening van het onderzoek
|
(10) |
De Commissie heeft opmerkingen over de opening van het onderzoek ontvangen van Anhui Jinhe. De indiener van het verzoek heeft ook opmerkingen ingediend hieromtrent. |
|
(11) |
Anhui Jinhe heeft verzocht om mededeling en om een relevante samenvatting van bepaalde gegevens in het verzoek. Zij stelde met name dat de indiener van het verzoek in de niet-vertrouwelijke versie van het verzoek gegevens had moeten verstrekken over de totale omvang en de gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC gedurende de beoordelingsperiode waarvan sprake in het verzoek. Anhui Jinhe stelde dat die gegevens niet vertrouwelijk waren, aangezien zij door de Commissie waren bekendgemaakt in het oorspronkelijke onderzoek. Bovendien voerde Anhui Jinhe aan dat de respectieve gegevens niet gebaseerd waren op daadwerkelijke commercieel gevoelige gegevens, maar wel op de ramingen van de indiener van het verzoek, en dat eventuele verwijzingen naar het auteursrecht niet konden worden ingeroepen om deze gegevens achter te houden. Daarnaast verzocht Anhui Jinhe ook dat de indiener van het verzoek een samenvatting van de relevante schade-indicatoren zou overleggen die gedetailleerd genoeg moest zijn om een redelijk inzicht in de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen te verschaffen. Zij voerde voorts aan dat de gegevens in het verzoek hetzij vertrouwelijk waren, hetzij werden voorgesteld op basis van betekenisloze orden van grootte waaruit geen enkele trend bleek, terwijl de Commissie deze gegevens in het oorspronkelijke onderzoek in geïndexeerde vorm had verstrekt. Anhui Jinhe verzocht de indiener van het verzoek daarom om in geïndexeerde vorm gegevens mee te delen over het verbruik in de Unie, de productiecapaciteit, de bezettingsgraad, het marktaandeel, de prijsonderbieding, de productiekosten, de winstgevendheid, de uitvoer en de kosten van grondstoffen. Anhui Jinhe verzocht de indiener van het verzoek eveneens om een relevante samenvatting te verstrekken van zijn huidig niveau van winstgevendheid en daarbij te vermelden of die gedurende de referentieperiode van het nieuwe onderzoek meer dan 5 % bedroeg, en om geïndexeerde gegevens vanaf 2011 te verstrekken, aangezien de indiener van het verzoek dat jaar als relevant jaar voor de vergelijking had opgegeven. |
|
(12) |
In zijn antwoord stelde de indiener van het verzoek dat de meeste gegevens vertrouwelijk waren, aangezien zij gebaseerd waren op gegevens van slechts één onderneming, en voerde hij aan dat indexreeksen noodzakelijk waren om te voorkomen dat de onderliggende vertrouwelijke gegevens zouden kunnen worden gereconstrueerd. De indiener van het verzoek stelde met name dat het overleggen van de precieze cijfers voor de totale omvang van de invoer uit de VRC, in combinatie met de indexering van marktaandelen, het mogelijk zou maken om de verkoop van de enige producent in de Unie te reconstrueren. In zijn opmerkingen herzag de indiener van het verzoek zijn niet-vertrouwelijke gegevens en verstrekte hij aanvullende informatie. Daartoe verstrekte de indiener van het verzoek orden van grootte voor de omvang van de totale invoer, aanvullende informatie over de trend in het verbruik, geïndexeerde orden van grootte voor de productie, marktaandelen, een indexering van de winstgevendheid, andere schade-indicatoren (zoals voorraden, werkgelegenheid, kasstroom, investeringen, rendement op netto-investeringen) en over de ontwikkeling van de verkoop van de producent in de Unie buiten de Unie. Met betrekking tot de overige gegevens waarom Anhui Jinhe had verzocht, stelde de indiener van het verzoek dat de niet-vertrouwelijke versie van het verzoek een voldoende relevante samenvatting bevatte en dat geen aanvullende informatie kon worden verstrekt zonder vertrouwelijke informatie prijs te geven. |
|
(13) |
Als reactie op de herziene gegevens van de indiener van het verzoek bleef Anhui Jinhe erbij dat het verzoek nog steeds onvoldoende informatie bevatte, zoals de omvang van de invoer uit de VRC of de Unie en de mondiale vraag naar ace-K. Anhui Jinhe voerde aan dat de rechten van de verdediging in aanmerking zouden moeten worden genomen om te beoordelen of de niet-vertrouwelijke versie van het verzoek relevant was, en dat zij niet in staat was te begrijpen of er enige feitelijke grondslag bestond voor de aantijgingen van de indiener van het verzoek. |
|
(14) |
De indiener van het verzoek was het niet eens met bovenstaande argumenten en stelde dat de open versie van het verzoek een feitelijke grondslag verschafte voor zijn aantijgingen en dat de gegevens waren bewerkt wanneer geen orde van grootte van geïndexeerde trends konden worden verschaft zonder vertrouwelijke informatie prijs te geven. De indiener van het verzoek voerde met name aan dat de niet-vertrouwelijke versie van het verzoek de ontwikkeling van de totale invoer van ace-K uit de VRC liet zien en Anhui Jinhe in staat stelde om er opmerkingen bij te maken. Wat de gevraagde gegevens betreft, stelde de indiener van het verzoek dat het totale verbruik in de Unie in de verordening tot instelling van voorlopige maatregelen ten aanzien van de invoer van ace-K uit de VRC (7) niet in absolute cijfers was aangegeven en dat de indiener van het verzoek dit dus ook niet hoefde aan te geven. |
|
(15) |
Er zij op gewezen dat aangezien de indiener van het verzoek de enige producent van ace-K in de Unie is, vertrouwelijke informatie in de vorm van orden van grootte en indexen moest worden voorgesteld om geen bedrijfsspecifieke informatie prijs te geven. De Commissie was van oordeel dat de gegevens in de niet-vertrouwelijke versie van het verzoek, zoals aangevuld door de indiener van het verzoek in zijn opmerkingen, gedetailleerd genoeg waren om een redelijk inzicht in de wezenlijke inhoud van de als vertrouwelijk verstrekte inlichtingen te verschaffen. De indiener van het verzoek verstrekte een relevante samenvatting met orden van grootte die voldoende klein waren in vergelijking met de werkelijke cijfers om de belanghebbenden in staat te stellen de omvang van de invoer en de trends in de invoer te beoordelen. De Chinese producenten-exporteurs konden hun rechten van de verdediging dus uitoefenen. |
|
(16) |
Anhui Jinhe voerde aan dat de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie niet werd aangetoond in het verzoek, aangezien daarin werd vermeld dat de gemiddelde prijzen van de Chinese exporteurs bij uitvoer naar de Unie en naar andere markten dezelfde waren. Hieruit volgde volgens deze onderneming dat Chinese producenten waarschijnlijk geen onderscheid maakten tussen verkoop aan de Unie en aan derde landen. In dat verband haalde Anhui Jinhe de onderzoeken naar bio-ethanol (8) en naar ureum (9) aan, waarin de Commissie had geconcludeerd dat de markt van de Unie aantrekkelijk was voor producenten-exporteurs wanneer de gemiddelde prijzen bij uitvoer naar de Unie hoger waren dan bij uitvoer naar derde markten. |
|
(17) |
In dat verband stelde de indiener van het verzoek dat uit het verzoek duidelijk bleek dat de markt van de Unie aantrekkelijk was voor Chinese producenten-exporteurs, aangezien zij zonder de antidumpingmaatregelen een grotere verkoop zouden kunnen realiseren op de markt van de Unie dan op andere markten. De indiener van het verzoek voerde ook aan dat de markt van de Unie aantrekkelijk was voor Chinese producenten voordat de antidumpingrechten werden ingesteld. |
|
(18) |
De Commissie was van oordeel dat het verzoek erop wees dat als de antidumpingmaatregelen zouden komen te vervallen, de Chinese producenten-exporteurs hun verkoop aan de markt van de Unie waarschijnlijk aanzienlijk zouden verhogen. |
|
(19) |
Anhui Jinhe voerde eveneens aan dat de door de indiener van het verzoek geuite aantijgingen van prijsonderbieding kennelijk onjuist waren, aangezien de productiekosten die de indiener van het verzoek had gebruikt om de prijsonderbieding in het verzoek te berekenen, te hoog waren in vergelijking met het oorspronkelijk onderzoek en niet konden worden ingeroepen. Bovendien stelde Anhui Jinhe dat de indiener van het verzoek zijn prijsniveaus sinds het oorspronkelijk onderzoek aanzienlijk had verhoogd en dat de antidumpingmaatregelen hem buitensporige winsten hadden opgeleverd, die veel hoger waren dan in het oorspronkelijk onderzoek waren vastgesteld. In dat verband verwees Anhui Jinhe naar de onderzoeken naar dicyaandiamide (10) en ureum (11), waarin de Commissie de maatregelen had laten vervallen gelet op de hoge winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. Anhui Jinhe argumenteerde ook dat de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie volledig werd benut en niet volstond om tegemoet te komen aan de toenemende vraag in de Unie, en zij verwees naar de zaak ferrosilicium, waarin de Commissie de maatregelen had ingetrokken (12). Daarnaast stelde Anhui Jinhe dat Chinese producenten ondanks de verbodsmaatregelen nog steeds een marktaandeel van [28-34 %] hadden op de markt van de Unie omdat de gebruikers steeds twee of meer leveranciers van ace-K behielden om de continuïteit van de toeleveringsketen te verzekeren, in het bijzonder na de recente verstoringen vanwege COVID-19. Tot slot benadrukte Anhui Jinhe dat de bedrijfstak van de Unie met succes concurreerde met de invoer uit de VRC op derde markten waar geen maatregelen golden en dat de bedrijfstak op die markten ook aanzienlijke hoeveelheden verkocht. Anhui Jinhe stelde dat dit aantoonde dat de indiener van het verzoek ook zonder antidumpingmaatregelen met succes kon concurreren met de invoer uit de VRC, wat erop wees dat herhaling van schade onwaarschijnlijk was. |
|
(20) |
De indiener van het verzoek betwistte bovenstaande argumenten. De indiener van het verzoek betoogde dat hij de in het oorspronkelijk onderzoek door de Commissie vastgestelde winstmarge had gebruikt om de prijsonderbieding te berekenen in zijn verzoek. De indiener van het verzoek stelde ook dat de antidumpingrechten ervoor zorgden dat de prijzen van de invoer uit de VRC op een niveau bleven dat geen schade veroorzaakte. De indiener van het verzoek verklaarde dat als de antidumpingmaatregelen zouden vervallen, Chinese producenten-exporteurs hun marktaandeel in de Unie zouden verhogen tot hetzelfde percentage als elders ter wereld. De indiener van het verzoek legde ook gedetailleerde scenario’s voor om aan te tonen welke gevolgen het verval van de antidumpingrechten zou hebben voor zijn bedrijf. |
|
(21) |
De analyse van de Commissie bevestigde dat geen van de door Anhui Jinhe vermelde elementen, ongeacht of zij feitelijk juist waren, afbreuk deden aan de conclusie dat het verzoek voldoende bewijs bevatte dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting van dumping en herhaling van schade zou leiden. Deze aspecten waren vastgesteld op basis van de beste gegevens die de indiener van het verzoek op dat moment ter beschikking had, en waren voldoende representatief en betrouwbaar. Bovendien zijn de door Anhui Jinhe aangevoerde argumenten en de weerleggingen door de indiener van het verzoek in de loop van het onderzoek grondig onderzocht; ze komen hieronder verder aan bod. |
|
(22) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie bevestigd dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting van dumping en herhaling van schade zou leiden en dus voldoet aan de vereisten van artikel 11, lid 2, van de basisverordening. |
|
(23) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Anhui Jinhe aan dat de informatie in het verzoek niet relevant was (bv. het bewijs van verstoringen voor sulfaminezuur betrof gestelde verstoringen voor ureum, en het bewijs van verstoringen voor kaliumhydroxide betrof kaliumzout) of niet gebaseerd op openbaar beschikbare bronnen (bv. het bewijs van verstoringen voor azijnzuur is gebaseerd op een door de indiener van het verzoek aangekocht rapport, dat tegelijkertijd niet strookt met het landrapport over de VRC). |
|
(24) |
Aangezien sulfaminezuur uit ureum wordt vervaardigd en kaliumhydroxide uit kaliumzout wordt vervaardigd, hebben marktverstoringen die gevolgen hebben voor de grondstoffen ook gevolgen voor het eindproduct. Bovendien verwijst verzoekster in haar verzoek — anders dan Anhui betoogt — naar het landrapport over de VRC, in aanvulling op een andere vertrouwelijke bron. Zoals de indiener van het verzoek heeft opgemerkt, was er in het landrapport sprake van een tegenstrijdigheid tussen de tekst en de cijfers wat de bezettingsgraad voor azijnzuur in de VRC betrof. Er is echter geen sprake van tegenstrijdigheid tussen het landrapport over de VRC en de vertrouwelijke bron, aangezien de door de indiener van het verzoek verstrekte geactualiseerde informatie over de capaciteit, die door de Commissie is gecontroleerd, in overeenstemming was met de capaciteitsbenuttingscijfers in het landrapport over de VRC. De argumenten werden derhalve afgewezen. |
1.6.1. Steekproef
|
(25) |
Gezien het kennelijk grote aantal producenten in het betrokken land en niet-verbonden importeurs in de Unie stelde de Commissie in het bericht van opening dat zij overwoog om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van steekproeven met betrekking tot die belanghebbenden. |
1.6.2. Steekproef van producenten in de VRC
|
(26) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten in de VRC verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de Vertegenwoordiging van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie verzocht eventuele andere producenten die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, te identificeren en/of contact met hen op te nemen. |
|
(27) |
Twee producenten-exporteurs uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal antwoorden heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was en heeft zij alle belanghebbenden via een mededeling in het dossier op de hoogte gesteld. De Commissie heeft deze ondernemingen uitgenodigd om mee te werken aan het onderzoek en heeft hun een link naar de vragenlijst toegestuurd. |
1.6.3. Steekproef van importeurs
|
(28) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft de Commissie niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(29) |
Geen enkele niet-verbonden importeur heeft de gevraagde informatie verstrekt en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst
|
(30) |
De Commissie heeft de overheid van de Volksrepubliek China (“Chinese overheid”) een vragenlijst toegezonden betreffende het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. |
|
(31) |
De Commissie heeft links naar de vragenlijst toegezonden aan de twee producenten-exporteurs die het steekproefformulier terugstuurden. Dezelfde vragenlijsten waren op de dag van de opening van het onderzoek ook online (13) beschikbaar gesteld. |
|
(32) |
De vragenlijst is volledig ingevuld teruggestuurd door één producent-exporteur en door de enige producent in de Unie. |
1.8. Verificatie
|
(33) |
De Commissie verzamelde en toetste alle gegevens die zij nodig achtte om vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping en schade waarschijnlijk was, en om het belang van de Unie vast te stellen. Wegens de uitbraak van de COVID-19-pandemie en de maatregelen die daarop werden genomen om de uitbraak het hoofd te bieden (“de COVID-19-mededeling”) (14) kon de Commissie echter geen controlebezoeken bij de medewerkende ondernemingen uitvoeren. In plaats daarvan heeft de Commissie via videoconferenties kruislingse controles op afstand verricht van de door de volgende ondernemingen verstrekte informatie: |
a) Producent in de Unie
|
— |
Celanese Sales Germany GmbH, Celanese Production Germany GmbH & Co. KG Sulzbach, Duitsland en de hoofdexploitatieonderneming Celanese Europe BV, Amsterdam, Nederland; |
b) Producent-exporteur in de VRC
|
— |
Anhui Jinhe Industrial Co., Ltd, Chuzhou, Anhui. |
1.9. Vervolg van de procedure
|
(34) |
Op 27 oktober 2021 heeft de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was de antidumpingrechten te handhaven (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Voor alle partijen is een termijn vastgesteld waarbinnen zij opmerkingen konden maken over de mededeling van feiten en overwegingen en konden verzoeken om een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
|
(35) |
Anhui Jinhe en de indiener van het verzoek hebben opmerkingen gemaakt. |
|
(36) |
Er hebben hoorzittingen plaatsgevonden met Anhui Jinhe en verzoeker. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Onderzocht product
|
(37) |
Het onderzochte product is hetzelfde als in het oorspronkelijke onderzoek, te weten acesulfaamkalium (kaliumzout van 6-methyl-1,2,3-oxathiazine-4(3H)-on-2,2-dioxide; CAS-nummer 55589-62-3) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2934 99 90 (Taric-code 2934999021) (“het onderzochte product”). Acesulfaamkalium wordt ook acesulfaam-K of ace-K genoemd. |
|
(38) |
Ace-K wordt als kunstmatige zoetstof voor uiteenlopende toepassingen gebruikt, bijvoorbeeld in voedingsmiddelen, dranken en farmaceutische producten. |
2.2. Soortgelijk product
|
(39) |
Dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft bevestigd wat was vastgesteld in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk dat de volgende producten dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(40) |
Deze producten worden derhalve beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING
3.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(41) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of voortzetting of herhaling van dumping bij uitvoer uit de VRC waarschijnlijk is indien de geldende maatregelen zouden komen te vervallen. |
|
(42) |
Gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd de invoer van ace-K uit de VRC voortgezet, maar op een lager niveau dan in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (d.w.z. van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014). Volgens de gegevens door de lidstaten zijn ingediend bij de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 6, van de basisverordening (“de databank van artikel 14, lid 6”), was de invoer van ace-K uit de VRC goed voor [31-37 %] van de markt van de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek, vergeleken met een marktaandeel van [65-80 %] tijdens het oorspronkelijke onderzoek. In absolute cijfers is de invoer uit de VRC sinds het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek met [47-56 %] gedaald. |
|
(43) |
Zoals vermeld in overweging 32 heeft slechts één van de producenten-exporteurs uit de VRC een antwoord op de vragenlijst ingestuurd; deze producent-exporteur werd derhalve beschouwd als aan het onderzoek meewerkende producent-exporteur. |
3.2. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(44) |
Aangezien er bij de opening van het onderzoek voldoende bewijsmateriaal beschikbaar was dat wees op het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening met betrekking tot de VRC, achtte de Commissie het passend om ten aanzien van de producenten-exporteurs uit dit land het onderzoek te openen uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(45) |
Om de benodigde gegevens voor de uiteindelijke toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening te verzamelen, heeft de Commissie bijgevolg in het bericht van opening alle Chinese producenten-exporteurs verzocht informatie met betrekking tot de voor de productie van ace-K gebruikte basisproducten te verstrekken. Eén Chinese producent-exporteur heeft de relevante informatie verstrekt. |
|
(46) |
Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot de vermeende verstoringen van betekenis nodig achtte, heeft de Commissie de Chinese overheid een vragenlijst toegezonden. Bovendien heeft de Commissie in punt 5.3.2 van het bericht van opening alle belanghebbenden uitgenodigd om binnen 37 dagen na de datum van bekendmaking van het bericht van opening in het Publicatieblad van de Europese Unie hun standpunt kenbaar te maken, informatie in te dienen en ondersteunend bewijsmateriaal te verstrekken met betrekking tot de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. De Chinese overheid heeft geen antwoord verstrekt met betrekking tot de gevraagde informatie. Vervolgens heeft de Commissie de Chinese overheid ervan in kennis gesteld dat zij overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening de beschikbare gegevens zou gebruiken om de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de VRC vast te stellen. |
|
(47) |
Zij heeft opmerkingen over de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening ontvangen van de producent-exporteur Anhui Jinhe. |
|
(48) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening is de normale waarde “normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”. |
|
(49) |
In artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening is echter het volgende bepaald: “Wanneer […] wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen”, en de normale waarde “omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst.”. |
|
(50) |
Zoals hieronder nader toegelicht, heeft de Commissie in het onderhavige onderzoek geconcludeerd dat, op basis van het beschikbare bewijs en gezien het gebrek aan medewerking van de Chinese overheid, het passend was artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening toe te passen. |
3.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
3.2.1.1.
|
(51) |
Artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening bepaalt het volgende: “Verstoringen van betekenis zijn de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis wordt onder meer acht geslagen op de mogelijke gevolgen van een of meer van de volgende factoren:
|
|
(52) |
Aangezien de lijst in artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening niet-cumulatief is, hoeft niet op alle factoren acht te worden geslagen om een verstoring van betekenis te kunnen vaststellen. Bovendien kunnen dezelfde feitelijke omstandigheden worden gebruikt om de aanwezigheid van een of meer factoren van de lijst aan te tonen. Alle conclusies ten aanzien van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), moeten echter worden getrokken op basis van al het voorhanden zijnde bewijsmateriaal. In de algehele beoordeling betreffende de aanwezigheid van verstoringen kan ook rekening worden gehouden met de algemene context en situatie in het land van uitvoer, in het bijzonder wanneer de overheid op grond van fundamentele elementen van de economische en bestuursstructuur van het land van uitvoer over ruime bevoegdheden beschikt om zodanig in te grijpen in de economie dat prijzen en kosten niet het gevolg zijn van vrije marktwerking. |
|
(53) |
Artikel 2, lid 6 bis, punt c), van de basisverordening bepaalt het volgende: “Wanneer de Commissie beschikt over gegronde aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verstoringen van betekenis zoals bedoeld onder b), in een bepaald land of een bepaalde sector in dat land, en waar passend voor de doeltreffende toepassing van deze verordening, stelt zij een rapport op waarin de marktomstandigheden, zoals bedoeld onder b), in dat land of die sector worden beschreven; zij maakt dat rapport openbaar en actualiseert het geregeld.”. Op grond van deze bepaling heeft de Commissie een landrapport over de VRC (“het rapport”) (15) opgesteld, waaruit blijkt dat er sprake is van aanzienlijk overheidsingrijpen op veel niveaus van de economie, waaronder specifieke verstoringen met betrekking tot veel belangrijke productiefactoren (zoals grond, energie, kapitaal, grondstoffen en arbeid) alsook met betrekking tot specifieke sectoren (zoals staal en chemische producten). De belanghebbenden werden uitgenodigd om het bewijsmateriaal dat zich ten tijde van de opening van het onderzoek in het onderzoeksdossier bevond, te weerleggen, aan te vullen of daarover opmerkingen te maken. Het rapport is in het onderzoeksdossier opgenomen in de fase van de opening van het onderzoek. |
|
(54) |
De indiener van het verzoek heeft aanvullende informatie verstrekt bij de bevindingen van het rapport ten aanzien van de voor de productie van ace-K gebruikte grondstoffen. De indiener van het verzoek heeft de opdracht gegeven tot een verslag ter vaststelling van de kenmerken van en de verstoringen in verband met een van de belangrijkste grondstoffen van ace-K, zwaveltrioxide, in de twee Chinese provincies waar ace-K wordt geproduceerd, Jiangsu en Anhui. Tot het relevante bewijsmateriaal behoort onder meer het Plan voor de ontwikkeling van de chemische industrie van 24 oktober 2016, waarin doelstellingen en productiestreefdoelen zijn vastgesteld die gevolgen hebben voor de voorraadniveaus in de chemische sector, waaronder die voor zwaveltrioxidesulfonering en ace-K en voor de provincie Anhui, onder verwijzing naar Adviezen van het CCP-comité van de provincie Anhui en de volksregering van de provincie Anhui ter bevordering van hoogwaardige economische ontwikkeling, gepubliceerd op 14 maart 2018. In dat beleidsdocument zijn diverse initiatieven op het gebied van industriebeleid beschreven om hoogwaardige economische ontwikkeling te bevorderen, in het bijzonder in de provincie Anhui, zoals het gebruik van financiële stimulansen en belastingverminderingen als de industriële en logistieke bedrijven in overeenstemming handelen met de “aangemoedigde” bedrijfstakken in de Catalogus voor de aanpassing van de centrale structuur. De indiener van het verzoek legde voorts uit hoe in het Besluit van de Staatsraad inzake het vergemakkelijken van de uitvoering van de voorlopige bepalingen inzake de bevordering van industriële herstructurering van 2 december 2005 de economische en industriële beleidsdoelstellingen zijn vastgesteld en hoe alle provinciale regeringen wordt opgedragen om specifieke maatregelen vast te stellen om investeringen te sturen. Dit omvat het ondersteunen van beleidsmaatregelen inzake landgebruik, kredieten, belastingen, invoer en uitvoer. De indiener van het verzoek wees ook op andere beleidsinterventie-instrumenten van de staat, zoals de in januari 2013 uitgegeven Catalogus met richtsnoeren voor de aanpassing van de industriële structuur, waarin bedrijfstakken worden opgedeeld in “aangemoedigde”, “beperkte” en “geëlimineerde” bedrijfstakken. Zwaveltrioxidesulfonering behoort in die catalogus tot de categorie van “aangemoedigde” bedrijfstakken. |
|
(55) |
In het verzoek werd ook melding gemaakt van een document met als titel “Export Tax and VAT Refund Withdrawal” van Sulphur Trioxide, waarin de btw-kosten met betrekking tot uitvoer ten belope van 13 % worden vermeld, hetgeen tot een uitvoerbeperking leidt. |
|
(56) |
Met betrekking tot elektriciteit, gas, stoom en water werd in het verzoek uitgelegd welke rol de controle op de prijsstelling speelt in de provincies Jiangsu en Anhui, en werd de aandacht gevestigd op het ingrijpen van de staat en de provincies in de kolensector. In het op 1 februari 2016 gepubliceerde document met als titel Adviezen van de Staatsraad inzake het verlagen van de overcapaciteit in de kolensector en de ontwikkeling daarvan, werd het bestaan bevestigd van problemen met overcapaciteit en van aanzienlijk overheidsingrijpen op de markt in deze sector. |
|
(57) |
Tot slot worden in het verzoek specifieke subsidies opgesomd voor Nantong Acetic Acid, een onderneming die verbonden is aan de producent van ace-K, Nantong Hongxin. Volgens een openbare aankondiging van Nantong Acetic Acid en volgens het jaarverslag van 2018 van Nantong Acetic Acid, geniet Nantong Acetic Acid een preferentieel inkomensbelastingtarief van 15 % (in plaats van 25 %) uit hoofde van het Programma van preferentiële inkomensbelastingen voor hoogtechnologische en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen. |
|
(58) |
Daarnaast werd in het verzoek verwezen naar een aantal in het rapport vastgestelde verstoringen ten aanzien van andere grondstoffen voor de productie van ace-K, zoals diketeen, sulfaminezuur, tri-ethylamine, kaliumhydroxide, azijnzuur, dichloormethaan en ammoniak. Het verzoek bevatte bewijs voor overcapaciteit in de chemische sector waaruit bleek dat de Chinese bezettingsgraad voor azijnzuur ongeveer 69 % bedroeg in het vierde kwartaal van 2019 en volgens de voorspellingen in het verzoek ongeveer 63 % zou bedragen in het eerste kwartaal van 2020, waarna de bezettingsgraad tegen eind 2020 zou stijgen tot ongeveer 67 %. Naast de te hoge productiecapaciteit zijn investeringen in de productie van azijnzuur in de VRC onderhevig aan controles in het kader van de Catalogus voor de sturing van industriële herstructurering (zoals herzien in 2013). Deze twee elementen samen maken dat de Chinese markt voor azijnzuur, en daardoor ook de downstreamproductie van diketeen verstoord is. |
|
(59) |
Bovendien was in het verzoek sprake van staatsinmenging in de beleidsdoelstellingen en -streefdoelen in het Dertiende petrochemische vijfjarenplan van de provincie Hebei. In het plan wordt onderstreept hoe de Chinese overheid de winning van zwavel controleert en maxima vaststelt voor het op de markt brengen van de productie van zwavelzuur. Door controles op te leggen voor de winning van zwavel en door investeringen in de zwavelzuurproductie te beperken, verstoort de Chinese overheid niet alleen de markt voor die twee producten, maar ook die voor de productie van zwaveltrioxide. |
|
(60) |
In het verzoek werd voorts verwezen naar andere soorten staatsinmenging op de markt voor ureum, zoals het bestaan van strikte invoercontingenten voor ureum en uitvoerheffingen. Ureum is een upstreamgrondstof die samen met zwaveltrioxide en zwavelzuur wordt gebruikt voor de productie van sulfaminezuur. Bovendien heeft de Chinese overheid de binnenlandse verkoop van ureum met ingang van 1 juli 2005 vrijgesteld van btw. Tot slot heeft de Chinese overheid ingegrepen in de markt via het Overheidssysteem voor meststoffen, dat van kracht is sinds 2004. Volgens het rapport profiteren ureumproducenten van preferentiële energietarieven en preferentiële tarieven voor het goederenvervoer per spoor. |
|
(61) |
Met betrekking tot het rapport werd in het verzoek aangegeven dat kaliumzout opgenomen is in de lijst van grondstoffen in het Dertiende vijfjarenplan voor minerale hulpbronnen, dat een aantal nadere bepalingen bevat ten aanzien van verschillende groepen van mineralen. Onder het kopje “Fosfor” is in het rapport van de Commissie vastgesteld dat een van de doelstellingen is de levering te stabiliseren van belangrijke in de landbouw gebruikte minerale hulpbronnen, zoals fosfor, zwavel en kalium, overeenkomstig de strategie voor voedselzekerheid. Bovendien worden “potas en andere natuurlijke ruwe kaliumzouten” in het rapport ook vermeld als artikelen waarover uitvoerrechten worden geheven. Verder wordt in het verzoek gesproken van staatsinmenging met betrekking tot ammoniak, een aanvullende grondstof die wordt aangekocht voor het recyclen van afgedankt zwavelzuur. |
|
(62) |
De indiener van het verzoek wijst er voorts op dat de Chinese overheid volgens het rapport zelf heeft erkend dat er nog geen doeltreffend mededingingsmechanisme voor de verkoop van elektriciteit is opgezet. Dat suggereert dat er aanzienlijke verstoringen bestaan op de Chinese markt voor elektriciteitsleveringen voor industrieel gebruik. In het verzoek worden tot slot nog andere gebieden genoemd waarop staatsinmenging gevolgen heeft voor de kosten van industriële spelers in de VRC, zoals de toegang tot het recht op het gebruik van grond (rapport, hoofdstuk 9), toegang tot kapitaal en financiering (rapport, hoofdstuk 11) en de arbeidsmarkt (rapport, hoofdstuk 13). |
|
(63) |
Zoals aangegeven in overweging 46, heeft de Chinese overheid geen opmerkingen gemaakt of bewijsmateriaal verstrekt ter ondersteuning of weerlegging van het bestaande bewijsmateriaal in het dossier, waaronder het rapport, en het door de klagers verstrekte aanvullende bewijsmateriaal over de aanwezigheid van verstoringen van betekenis en/of over de geschiktheid van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in het onderhavige geval. |
|
(64) |
Er werden opmerkingen in die zin ontvangen van de medewerkende producent-exporteur, Anhui Jinhe, die stelde dat het argument dat werd gegeven om de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening te rechtvaardigen, ongegrond is en niet van toepassing is op de onderneming. Anhui Jinhe voerde aan dat de in het verslag in opdracht van de indiener van het verzoek geïdentificeerde bevindingen inzake verstoringen met betrekking tot diketeen, zwaveltrioxide en zwavelzuur niet relevant zijn voor Anhui Jinhe, omdat Anhui Jinhe die basisproducten intern produceert. De relevante upstreamgrondstoffen zijn ijsazijn, sulfaminezuur en kaliumhydroxide. |
|
(65) |
In dit verband verwees Anhui Jinhe naar de recente praktijk van de Commissie uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, punten a) en c), van de basisverordening, zoals in de zaak Aluminium Extrusions (16) , op grond waarvan producenten-exporteurs verplicht zijn bewijsmateriaal over niet-verstoorde prijzen en kosten over te leggen om “positief aan te tonen” dat hun eigen binnenlandse kosten niet worden beïnvloed door verstoringen van betekenis. De onderneming merkte op dat binnenlandse prijzen van de desbetreffende grondstoffen marktgericht zijn en dat erover wordt onderhandeld op basis van de heersende marktvoorwaarden. Zo diende de onderneming bewijsmateriaal in door de eigen prijzen te vergelijken met de Turkse prijzen op basis van COMTRADE om aan te tonen dat de lagere prijzen van de basisproducten ijsazijn, sulfaminezuur en kaliumhydroxide voornamelijk het gevolg zijn van de veel lagere vervoerskosten in de VRC, aangezien de onderneming uitsluitend gebruikmaakt van het binnenlandse aanbod. |
|
(66) |
Voorts voerde de onderneming aan dat zij geen onderneming was waarover de autoriteiten van het land van uitvoer zeggenschap hebben. Daarnaast betoogde de onderneming dat er geen staatsinmenging is ten aanzien van de prijzen en kosten van basisproducten voor de productie van ace-K. De weerleggingen van deze stellingen worden besproken in de punten 3.2.1.3 en 3.2.1.4. |
|
(67) |
In zijn opmerkingen wees de producent-exporteur er voorts op dat artikel 2, lid 6 bis, niet in overeenstemming is met de antidumpingovereenkomst van de WTO (“WTO-ADO”). Ten eerste worden in artikel 2.2 van de WTO-ADO drie scenario’s erkend voor de berekening van de normale waarde: i) bij gebrek aan verkoop in het kader van normale handelstransacties, ii) er heerst een bijzondere marktsituatie of iii) dergelijke verkoop is wegens het geringe verkoopvolume op de binnenlandse markt niet representatief. Anhui Jinhe voerde aan dat verstoringen van betekenis aan geen van de drie criteria voldoen. Voorts voerde de producent-exporteur aan dat, zelfs indien het begrip “verstoringen van betekenis” eventueel geacht zou kunnen worden onder het tweede van bovenstaande criteria te vallen, het WTO-panel in DS529 Australië — Antidumpingmaatregelen voor A4-kopieerpapier bevestigde dat het feit dat de binnenlandse prijs van het betrokken product en zijn basisproducten beïnvloed worden door verstoringen van overheidswege, niet voldoende was om te veronderstellen dat de deugdelijke vergelijking tussen de binnenlandse verkoop en de uitvoer beïnvloed wordt “vanwege de bijzondere marktsituatie”. Bovendien merkte Anhui Jinhe op dat de Commissie de berekening van de normale waarde systematisch heeft toegepast, terwijl per geval moet worden nagegaan of aan de voorwaarden van artikel 2.2 van de WTO-ADO is voldaan. |
|
(68) |
Anhui Jinhe voerde voorts aan dat volgens artikel 2.2 van die overeenkomst bij de berekening van de normale waarde rekening moet worden gehouden met “kosten in het land van oorsprong”, zoals bevestigd in de zaken WTO DS529 Australië — Antidumpingmaatregelen voor A4-kopieerpapier en WTO DS473 Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië. Bovendien voerde Anhui Jinhe aan dat de berekening van de normale waarde moet voldoen aan de eisen van artikel 2.2.1.1 van de WTO-ADO. De producent-exporteur voegde eraan toe dat de onderzoekende autoriteiten op grond van de bevindingen in de zaak WTO DS427 China — Antidumpingmaatregelen en compenserende rechten ten aanzien van slachtkuikenproducten uit de Verenigde Staten rekening moesten houden met de in de administratie opgenomen kosten van de producenten-exporteurs, tenzij deze niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen of geen redelijk beeld geven van de aan de productie en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten. Artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening is volgens Anhui Jinhe niet in overeenstemming met artikel 2.2.1.1 van de ADO omdat de kosten van de producent-exporteur systematisch buiten beschouwing worden gelaten, ongeacht of de in de administratie opgenomen kosten aan deze twee voorwaarde voldoen. |
|
(69) |
De Commissie was van oordeel dat de bepalingen in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening volledig in overeenstemming zijn met de WTO-verplichtingen van de Europese Unie. Zoals door de WTO-Beroepsinstantie uitdrukkelijk is verduidelijkt in de zaak DS473, staat het WTO-recht het gebruik van gegevens van een derde land toe, naar behoren gecorrigeerd indien een dergelijke correctie noodzakelijk en onderbouwd is. De Commissie herinnerde eraan dat de zaken DS529 Australië — Antidumpingmaatregelen voor A4-kopieerpapier en DS427 China — Slachtkuikenproducten (artikel 21.5 — VS) geen betrekking hadden op de interpretatie van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening en op de voorwaarden voor de toepassing ervan. Bovendien verschillen de onderliggende feiten in die zaken allemaal van de onderliggende feiten en criteria die aanleiding geven tot de toepassing van de methode uit hoofde van deze bepaling van de basisverordening, die betrekking heeft op het bestaan van verstoringen van betekenis in het land van uitvoer. Volgens artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening wordt de normale waarde alleen berekend aan de hand van niet-verstoorde kosten en prijzen uit een representatief land of aan de hand van een internationale benchmark wanneer verstoringen van betekenis worden vastgesteld die van invloed zijn op kosten en prijzen. In elk geval biedt artikel 2, lid 6 bis, tweede alinea, derde streepje, van de basisverordening nog steeds de mogelijkheid om gebruik te maken van binnenlandse kosten, voor zover is vastgesteld dat die niet verstoord zijn. Daarom heeft de Commissie die argumenten verworpen. |
|
(70) |
Ten tweede voerde Xiamen Xiashun aan dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening onverenigbaar is met artikel 2.2.2 van de WTO-ADO. Voorts voerde de onderneming aan dat de WTO-Beroepsinstantie in DS219 EC — Hulpstukken voor buisleidingen heeft bevestigd dat de onderzoekende autoriteit verplicht is gebruik te maken van de werkelijke VAA-kosten en winst van de producenten-exporteurs, voor zover dergelijke gegevens voorhanden zijn. Daarom voerde Xiamen Xiashun aan dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening onverenigbaar is met artikel 2.2.2 van de WTO-ADO. |
|
(71) |
De Commissie merkte op dat zodra is vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in het land van uitvoer overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, de normale waarde voor elke producent-exporteur overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening wordt vastgesteld door berekening aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks in een geschikt representatief land. Zoals hierboven uiteengezet, staat dezelfde bepaling van de basisverordening ook het gebruik van binnenlandse kosten toe indien met positief bewijs is vastgesteld dat deze niet verstoord zijn. In dat verband hadden de producenten-exporteurs de mogelijkheid om bewijs aan te dragen blijkens hetwelk hun individuele VAA-kosten en/of andere kosten voor productiemiddelen daadwerkelijk niet verstoord waren. De Commissie heeft echter, zoals blijkt uit de punten 3.2.1.2 tot en met 3.2.1.9, vastgesteld dat er sprake is van verstoringen in de ace-K-bedrijfstak en er was geen positief bewijs dat de productiefactoren van individuele producenten-exporteurs niet verstoord waren. Derhalve werden deze argumenten afgewezen. |
|
(72) |
Tot slot voerde Anhui Jinhe aan dat de Commissie overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening verplicht was een ondernemingsspecifieke en kostenspecifieke analyse uit te voeren. Daarom had er een specifieke analyse van Anhui Jinhe moeten plaatsvinden op basis van de door de onderneming ingediende vragenlijst. |
|
(73) |
De Commissie merkte op dat het bestaan van verstoringen van betekenis die aanleiding zijn voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, wordt vastgesteld voor het gehele land. Als het bestaan van verstoringen van betekenis wordt vastgesteld, is artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in beginsel van toepassing op alle producenten-exporteurs in de VRC en heeft het betrekking op alle kosten in verband met hun productiefactoren. In elk geval voorziet dezelfde bepaling van de basisverordening in het gebruik van binnenlandse kosten waarvan met positief bewijs is vastgesteld dat zij niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis. Er is echter niet op basis van nauwkeurig en passend bewijsmateriaal aangetoond dat de binnenlandse kosten niet verstoord zijn. De producenten-exporteurs hebben met name geen nauwkeurig en passend bewijsmateriaal over niet-verstoorde prijzen en kosten verstrekt. Hoe dan ook weerspiegelen de berekeningen ten aanzien van Anhui Jinhe de door de onderneming zelf ingediende gegevens, met inbegrip van de productiefactoren en hoeveelheden die door de onderneming in de vragenlijst zijn vermeld, maar naar behoren rekening houdend met het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC en de gevolgen daarvan, overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening, en met name artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Deze argumenten werden derhalve afgewezen. |
|
(74) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Anhui Jinhe haar argumenten in de overwegingen 67 en 68 en hierboven met betrekking tot de verenigbaarheid van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening met het WTO-recht. Zij voerden aan dat de Europese Commissie de methode van artikel 2, lid 6 bis, buiten toepassing moet laten of nauwkeurig moet uitleggen hoe deze methode kan worden toegepast in overeenstemming met de verplichtingen van de artikelen 2.2, 2.2.1.1 en 2.2.2 van de ADA. Anhui Jinhe heeft namelijk verklaard dat de Commissie de normale waarde alleen kon reconstrueren indien aan een van de drie voorwaarden van artikel 2.2 was voldaan. Indien de Commissie zich op de tweede (of derde) voorwaarde baseert, moet zij onderzoeken of een “deugdelijke vergelijking” van de binnenlandse prijs en de uitvoerprijs al dan niet is toegestaan. |
|
(75) |
Wat voorts het argument betreft dat het WTO-recht (zoals verduidelijkt in DS473) het gebruik van gegevens uit een derde land toestaat, “naar behoren gecorrigeerd wanneer een dergelijke aanpassing noodzakelijk en onderbouwd is”, verklaarde Anhui Jinhe dat deze juridische toets niet in het rapport van het panel of de beroepsinstantie werd genoemd. Volgens de interpretatie van Anhui Jinhe heeft de Commissie een bevooroordeelde en beperkte lezing van het rapport goedgekeurd waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat “[w]anneer een beroep wordt gedaan op informatie uit het buitenland om de “productiekosten in het land van oorsprong” te bepalen overeenkomstig artikel 2.2, een onderzoekende autoriteit ervoor moet zorgen dat die informatie wordt gebruikt om te komen tot de “productiekosten in het land van oorsprong”, hetgeen de onderzoekende autoriteit ertoe kan verplichten die informatie aan te passen”. |
|
(76) |
Bovendien voerde Anhui Jinhe aan dat een “verstoring van betekenis” op zich niet een van de voorwaarden was om over te gaan tot de berekening van de normale waarde. Wat ten slotte de mogelijkheid betreft om binnenlandse kosten te gebruiken voor zover is vastgesteld dat deze niet verstoord waren, had de Commissie volgens Anhui Jinhe gebruik kunnen maken van de door artikel 2, lid 6 bis, geboden mogelijkheid om de feitelijke gegevens van de onderneming te gebruiken. |
|
(77) |
Wat betreft de argumenten van de Anhui Jinhe ten aanzien van de verenigbaarheid van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening met de Antidumpingovereenkomst en de bevindingen van het DSB, wordt verwezen naar overweging 69, waarin deze argumenten reeds zijn behandeld en is toegelicht dat DS473 geen betrekking had op de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Met betrekking tot het argument dat het begrip “verstoringen van betekenis” in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening niet voorkomt in enige regel van de WTO-antidumpingovereenkomst of de GATT 1994, herinnerde de Commissie eraan dat het nationale recht niet precies dezelfde termen hoeft te gebruiken als de onder de overeenkomst vallende overeenkomsten om aan die overeenkomsten te voldoen, en dat zij van oordeel is dat artikel 2, lid 6 bis, volledig in overeenstemming is met de desbetreffende regels van de ADA (en met name de mogelijkheden om de normale waarde te construeren waarin artikel 2.2 ADA voorziet). De argumenten werden derhalve afgewezen. |
|
(78) |
Bovendien betoogde Anhui Jinhe dat de Commissie niet had uitgelegd waarom zij de in de overwegingen 65 en 66 genoemde elementen niet beschouwde als “positief bewijs” in de zin van artikel 2, lid 6 bis, dat haar kosten niet waren vervalst. Anhui Jinhe herhaalde dit argument en voegde hieraan toe dat zijn prijzen niet verstoord waren als gevolg van zijn aankooppraktijken (onlineplatform) en het ontbreken van overheidsingrijpen van overheidsinstanties of -instanties die onder zeggenschap staan van de Chinese overheid. |
|
(79) |
Zoals vermeld in overweging 65, was het door Anhui Jinhe overgelegde bewijsmateriaal slechts een vergelijking van hun eigen binnenlandse aankoopprijzen voor één grondstof met de Turkse invoerprijzen uit de COMTRADE-databank en met de Thaise prijzen uit de GTA-databank. Uit de vergelijking bleek dat de binnenlandse prijs lager was dan de Turkse en Thaise invoerprijzen voor de twee grondstoffen. Anhui Jinhe voerde aan dat dit te wijten was aan de lagere binnenlandse vervoerskosten. Anhui Jinhe voerde ook aan dat zij ijsazijn van verzoekster heeft gekocht. |
|
(80) |
De Commissie merkt op dat Anhui Jinhe geen bewijsmateriaal heeft verstrekt om haar argument met betrekking tot de vervoerskosten te staven. Daarnaast volstaat een dergelijke prijsvergelijking niet om aan te tonen dat de binnenlandse prijzen in de VRC niet verstoord zijn. Voorts betekent het feit dat de aankopen op de binnenlandse markt online plaatsvonden, niet dat deze prijzen niet verstoord waren. Bovendien bleek uit het onderzoek dat Anhui Jinhe, anders dan Anhui Jinhe stelde, geen ijsazijn van de indiener van het verzoek heeft gekocht voor de productie van ace-K. De argumenten werden derhalve afgewezen. |
|
(81) |
De Commissie heeft onderzocht of het wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening al dan niet passend was om gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC. Daartoe heeft zij gebruikgemaakt van het beschikbare bewijsmateriaal in het dossier, met inbegrip van het bewijsmateriaal in het rapport, dat gebaseerd is op openbaar beschikbare bronnen. Bij deze analyse is niet alleen gekeken naar het aanzienlijke overheidsingrijpen in de economie van de VRC in het algemeen, maar ook naar de specifieke marktsituatie in de sector waar het betrokken product onder valt. De Commissie heeft deze bewijselementen verder aangevuld met haar eigen onderzoek naar de verschillende criteria die relevant zijn om het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC te bevestigen. |
3.2.1.2.
|
(82) |
Het Chinese economische stelsel is gebaseerd op het concept van een “socialistische markteconomie”. Dat concept is vastgelegd in de Chinese grondwet en is bepalend voor het economisch bestuur van de VRC. Het kernbeginsel is “socialistische publieke eigendom van de productiemiddelen, namelijk eigendom van het gehele volk en collectieve eigendom van de werkende bevolking”. De staatseconomie is de “leidende kracht van de nationale economie” en de staat heeft het mandaat “om de consolidatie en groei ervan te waarborgen” (17). Bijgevolg maakt de wijze waarop de Chinese economie is ingericht niet alleen aanzienlijk overheidsingrijpen in de economie mogelijk, maar is dergelijk ingrijpen ook uitdrukkelijk voorgeschreven. Het gehele rechtsstelsel is doordrongen van de notie dat publieke eigendom superieur is aan particulier eigendom en deze notie wordt in alle belangrijke wetgeving als algemeen beginsel benadrukt. De Chinese eigendomswetgeving is hiervan een voorbeeld bij uitstek: het verwijst naar de eerste fase van het socialisme en geeft de staat de opdracht het fundamentele economische stelsel in stand te houden waarin staatseigendom een overheersende rol speelt. Andere vormen van eigendom worden getolereerd, waarbij de wet toelaat dat zij zich naast de staatseigendom ontwikkelen (18). |
|
(83) |
Daarnaast wordt naar Chinees recht de socialistische markteconomie ontwikkeld onder leiding van de Chinese Communistische Partij (“CCP”). De structuren van de Chinese staat en van de CCP zijn op alle niveaus (juridisch, institutioneel, persoonlijk) met elkaar vervlochten en vormen een superstructuur waarin de rollen van de CCP en de staat niet van elkaar zijn te onderscheiden. Na een wijziging van de Chinese grondwet in maart 2018 is de leidende rol van de CCP nog sterker op de voorgrond getreden, omdat die nu is bevestigd in de tekst van artikel 1 van de grondwet. Achter de reeds bestaande eerste zin van de bepaling: (“[h]et socialistische systeem is het fundament van de Volksrepubliek China”) werd een nieuwe tweede zin ingevoegd, die luidt: “[d]e bepalende eigenschap van het socialisme met Chinese kenmerken is het leiderschap van de Communistische Partij van China” (19). Dit illustreert de onbetwiste en steeds toenemende zeggenschap van de CCP over het economische stelsel van de VRC. Dit leiderschap en deze zeggenschap zijn inherent aan het Chinese systeem en gaan veel verder dan de gebruikelijke situatie in andere landen waar de regeringen algemene macro-economische zeggenschap uitoefenen binnen de grenzen van de vrije marktwerking. |
|
(84) |
De Chinese staat hanteert een interventionistisch economisch beleid om zijn doelen na te streven, die niet zozeer een afspiegeling zijn van de heersende economische omstandigheden op een vrije markt, maar veeleer samenvallen met de politieke agenda van de CCP (20). De Chinese autoriteiten hanteren talrijke interventionistische economische instrumenten, waaronder het systeem van industriële planning, het financiële stelsel en de regelgeving. |
|
(85) |
Ten eerste — op het niveau van de algemene administratieve zeggenschap — wordt de richting van de Chinese economie bepaald door een complex systeem van industriële planning dat alle economische activiteiten in het land beïnvloed. Al deze plannen samen bestrijken een alomvattende en complexe matrix van sectoren en transversale beleidsmaatregelen en zijn aanwezig op alle overheidsniveaus. De plannen op provinciaal niveau zijn gedetailleerd, terwijl in de nationale plannen bredere doelen worden gesteld. In de plannen worden ook de middelen beschreven om de betrokken bedrijfstakken/sectoren te ondersteunen, en het tijdsbestek waarin de doelstellingen moeten worden gerealiseerd. Sommige plannen bevatten nog steeds expliciete productiestreefcijfers, terwijl dit in eerdere planningscycli een vast onderdeel was. In het kader van de plannen worden afzonderlijke industriële sectoren en/of projecten aangewezen als (positieve of negatieve) prioriteiten in overeenstemming met de prioriteiten van de overheid en worden er specifieke ontwikkelingsdoelstellingen aan toegekend (industriële modernisering, internationale expansie enz.). De marktdeelnemers, zowel particuliere als staatsondernemingen, moeten hun bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk aanpassen aan de door het planningssysteem opgelegde realiteit. Dit geldt niet slechts vanwege de bindende aard van de plannen, maar ook omdat de Chinese autoriteiten zich op alle overheidsniveaus aan het plansysteem houden en de aan hen verleende bevoegdheden dienovereenkomstig gebruiken, en de marktdeelnemers er aldus toe bewegen zich te houden aan de prioriteiten die in de plannen zijn gesteld (zie ook punt 3.2.1.7) (21). |
|
(86) |
Ten tweede — op het niveau van de toewijzing van financiële middelen — wordt het financiële systeem van de VRC gedomineerd door de handelsbanken in staatseigendom. Bij het vaststellen en uitvoeren van hun kredietverleningsbeleid moeten deze banken niet zozeer de economische merites van een bepaald project beoordelen, maar zich in de eerste plaats voegen naar de doelstellingen van het industriële beleid van de overheid (zie ook punt 3.2.1.8) (22). Hetzelfde geldt voor de andere onderdelen van het Chinese financiële systeem, zoals de aandelenmarkten, obligatiemarkten, private-equitymarkten enz. Ook deze niet-bancaire onderdelen van de financiële sector zijn institutioneel en operationeel opgezet op een manier die er niet op gericht is de efficiënte werking van de financiële markten te maximaliseren, maar de zeggenschap te waarborgen en ingrijpen door de staat en de CCP mogelijk te maken (23). |
|
(87) |
Ten derde — op het niveau van de regelgeving — neemt het overheidsingrijpen in de economie verschillende vormen aan. Regels omtrent overheidsopdrachten worden bijvoorbeeld regelmatig gebruikt om andere beleidsdoelstellingen dan economische doelmatigheid na te streven, waardoor het beginsel van marktwerking op dit gebied wordt ondermijnd. In de toepasselijke wetgeving is uitdrukkelijk bepaald dat overheidsopdrachten worden geplaatst om de verwezenlijking van in het overheidsbeleid vastgestelde doelstellingen te bevorderen. De aard van deze doelstellingen blijft echter onduidelijk, waardoor de besluitvormende organen over een ruime beoordelingsmarge beschikken (24). Ook op het gebied van investeringen behoudt de Chinese overheid aanzienlijke zeggenschap over en invloed op de bestemming en de omvang van zowel staats- als particuliere investeringen. Het doorlichten van investeringen, evenals diverse prikkels, beperkingen en verboden met betrekking tot investeringen worden door de autoriteiten gebruikt als een belangrijk instrument ter ondersteuning van de doelstellingen van het industriebeleid te ondersteunen, zoals het handhaven van de zeggenschap van de staat over belangrijke sectoren of het versterken van de binnenlandse industrie (25). |
|
(88) |
Samengevat is het Chinese economische model gebaseerd op enkele fundamentele axioma’s die voorzien in een hoge mate van overheidsingrijpen en dit aanmoedigen. Dergelijk aanzienlijk overheidsingrijpen staat haaks op de vrije marktwerking en leidt tot een verstoring van de doeltreffende toewijzing van middelen volgens de marktbeginselen (26). |
3.2.1.3.
|
(89) |
In de VRC vormen ondernemingen die in handen zijn van de staat, waarover de staat zeggenschap heeft of waarop de staat beleidstoezicht uitoefent, een essentieel onderdeel van de economie. |
|
(90) |
De Chinese overheid en de CCP houden vast aan structuren waarmee hun blijvende invloed op ondernemingen, en met name staatsondernemingen, wordt verzekerd. De staat (en in veel opzichten ook de CCP) speelt niet alleen een actieve rol in het formuleren van het algemene economische beleid en het toezicht op de uitvoering daarvan door individuele staatsondernemingen, maar eist ook het recht op om deel te nemen aan de operationele besluitvorming in staatsondernemingen. Dit gebeurt doorgaans door de roulatie van leidinggevend personeel tussen overheidsinstanties en staatsondernemingen, door de aanwezigheid van partijleden in de uitvoerende organen van staatsondernemingen en van partijcellen in ondernemingen (zie ook punt 3.2.1.4), alsook door het vormgeven van de bedrijfsstructuur van de sector staatsondernemingen (27). In ruil daarvoor genieten staatsondernemingen een bijzondere status binnen de Chinese economie, wat een aantal economische voordelen inhoudt, zoals met name afscherming tegen mededinging en preferentiële toegang tot relevante basisproducten, waaronder financiële middelen (28). De factoren die wijzen op het bestaan van zeggenschap van de staat over ondernemingen in de ace-K-bedrijfstak worden nader beschreven in punt 3.2.1.4. |
|
(91) |
Met name in de ace-K-bedrijfstak staat een aanzienlijk deel van de ondernemingen nog steeds onder beleidstoezicht van de Chinese overheid, hoewel relatief weinig ondernemingen in handen zijn van de staat. Naast de indiener van het verzoek zijn er inderdaad slechts enkele ondernemingen ter wereld met een grootschalige productiecapaciteit. Van die ondernemingen heeft de exporterende onderneming, Anhui Jinhe, momenteel de grootste productiecapaciteit ter wereld. |
|
(92) |
Met een hoge mate van overheidsingrijpen in de bedrijfstak voor ace-K wordt voorkomen dat zelfs particuliere producenten onder marktvoorwaarden opereren. Zelfs particuliere ondernemingen in de ace-K-bedrijfstak zijn immers indirect onderworpen aan beleidstoezicht, zoals vermeld in punt 3.2.1.5. |
3.2.1.4.
|
(93) |
Naast de uitoefening van zeggenschap over de economie door het in handen hebben van staatsondernemingen en andere instrumenten, kan de Chinese overheid zich ook via overheidsdeelneming in ondernemingen in de prijzen en kosten mengen. Het recht van overheidsinstanties om belangrijk leidinggevend personeel in staatsondernemingen te benoemen en te ontslaan, zoals bepaald in de Chinese wetgeving, kan worden beschouwd als afspiegeling van de corresponderende eigendomsrechten (29), maar daarnaast vormen de CCP-cellen in ondernemingen — niet alleen in staatsondernemingen maar ook in particuliere ondernemingen — een ander kanaal door middel waarvan de staat zich in de besluitvorming van bedrijven kan mengen. Volgens het vennootschapsrecht van de VRC moet in elke onderneming een CCP-organisatie in het leven worden geroepen (met ten minste drie CCP-leden zoals bepaald in de statuten van de CCP (30)) en moet de onderneming de nodige voorwaarden scheppen voor de activiteiten van de partijorganisatie. Deze eis lijkt in het verleden niet altijd te zijn gevolgd of strikt te zijn gehandhaafd. Echter, sinds ten minste 2016 heeft de CCP haar aanspraken op zeggenschap bij zakelijke beslissingen in staatsondernemingen nadrukkelijk als politiek beginsel doen gelden. Ook zijn er berichten dat de CCP druk uitoefent op particuliere ondernemingen om “vaderlandslievendheid” voorop te stellen en zich naar de partijlijn te voegen (31). In 2017 werd bericht dat in 70 % van circa 1,86 miljoen ondernemingen in particuliere eigendom partijcellen aanwezig waren, en dat er toenemende druk was om de CCP-organisaties bij de zakelijke besluitvorming in de betrokken ondernemingen het laatste woord te laten hebben (32). Deze voorschriften zijn van algemene toepassing in de gehele Chinese economie, in alle sectoren, ook op producenten van ace-K en de leveranciers van hun basisproducten. |
|
(94) |
Daarnaast werd op 15 september 2020 een document bekendgemaakt met als titel “Richtsnoeren van het Algemeen Bureau van het Centraal Comité van de CCP om in het nieuwe tijdperk de activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector op te voeren” (“de richtsnoeren”) (33) waarin de rol van de partijcomités in particuliere ondernemingen verder werd uitgebreid. In afdeling II.4 van de richtsnoeren staat het volgende: “[w]ij moeten de totale capaciteit van de Partij om sturing te geven aan activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector vergroten en de werkzaamheden op dit gebied op doeltreffende wijze opvoeren”; en in afdeling III.6 staat: “[w]ij moeten de aanwezigheid van de Partij in particuliere ondernemingen verder opvoeren en de partijcellen in staat stellen hun rol als bastion doeltreffend te vervullen en de partijleden in staat stellen hun rol als voorhoede en pioniers te spelen”. De richtsnoeren benadrukken zo de rol van de CCP in ondernemingen en andere entiteiten van de particuliere sector en trachten deze te versterken (34). |
|
(95) |
De volgende voorbeelden illustreren op treffende wijze de bovengenoemde trend dat de Chinese overheid steeds meer in de sector voor ace-K ingrijpt. |
|
(96) |
Volgens de informatie die over Anhui Jinhe is verzameld (35), is de voorzitter van de raad van toezicht ook de secretaris van het partijcomité van Anhui Jinhe, die zich tot doel heeft te focussen op de productie- en bedrijfsdoelstellingen van het bedrijfsleven en “het overlegmechanisme en het besluitvormingsproces van het partijcomité op te zetten en te verbeteren, met betrekking tot ontwikkeling en planning, de belangrijkste hervormingsplannen, de belangrijkste wijzigingen in het beheersysteem...”. De aanwezigheid van de staat op de financiële markten en het ingrijpen door de staat daarin (zie ook punt 3.2.1.8), alsmede het ingrijpen door de staat in de levering van grondstoffen en basisproducten, hebben een aanvullend verstorend effect op de markt (36). De aanwezigheid van de staat in ondernemingen, waaronder staatsondernemingen, in de ace-K-bedrijfstak en andere sectoren (zoals de financiële sector en de sector voor basisproducten) maakt het de Chinese overheid dus mogelijk zich te mengen in de prijzen en kosten. |
3.2.1.5.
|
(97) |
De koers van de Chinese economie wordt in aanzienlijke mate bepaald door een uitgebreid planningssysteem waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de doelstellingen worden voorgeschreven waar de centrale en lokale overheden zich op moeten concentreren. Op alle overheidsniveaus bestaan plannen die vrijwel alle economische sectoren bestrijken. De bij de planningsinstrumenten bepaalde doelstellingen zijn van bindende aard en de autoriteiten op elk bestuurlijk niveau houden toezicht op de uitvoering van de plannen door het desbetreffende lagere overheidsniveau. Over de gehele linie leidt het planningssysteem in de VRC ertoe dat er middelen worden toegewezen aan sectoren die door de overheid als strategisch of anderszins politiek belangrijk zijn bestempeld, in plaats van dat allocatie plaatsvindt in overeenstemming met de marktkrachten (37). |
|
(98) |
De bedrijfstak voor ace-K wordt door de Chinese overheid als een belangrijke bedrijfstak beschouwd. Met name de afgelopen tien jaar werd de productiecapaciteit van Anhui Jinhe geleidelijk uitgebreid, terwijl de mondiale vraag naar ace-K in evenwicht was met het aanbod. Vanwege de geleidelijke daling van de productie van andere zoetstoffen, zoals sacharine en cyclamaat, heeft een uitbreiding van de markt voor ace-K plaatsgevonden dankzij steun van de overheid, en verwacht wordt dat de markt verder zal uitbreiden (38). Dit wordt bevestigd in een aantal plannen, richtlijnen en andere documenten inzake ace-K en de belangrijkste grondstoffen ervan, die op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau zijn uitgegeven, waaronder:
|
|
(99) |
De Chinese overheid stuurt de ontwikkeling van de sector verder aan de hand van een breed scala aan beleidsinstrumenten en richtlijnen. Zoals toegelicht in bovenstaande overweging heeft de overheidssteun voor de verticale integratie van de industrieketen in de ace-K-bedrijfstak Anhui Jinhe geholpen om een onbetwiste wereldleider te worden in de sector. De onderneming ontving voorts grote bedragen aan overheidssubsidies, ten belope van 41 685 378 RMB in 2020 en 40 900 000 RMB in 2019, zoals vermeld in de financiële rekening van de onderneming (goed voor 1,2 % van de totale omzet) (41). Het valt niet uit te sluiten dat de andere producenten, die niet meewerkten aan dit onderzoek en nog steeds een aanzienlijk deel van de markt vertegenwoordigen, eveneens soortgelijke financiële steun hebben gekregen. Via deze en andere instrumenten geeft de overheid sturing aan en oefent zij controle uit op vrijwel elk aspect van de ontwikkeling en het functioneren van de sector. |
|
(100) |
Samengevat heeft de Chinese overheid maatregelen getroffen om marktdeelnemers ertoe te bewegen zich aan de doelstellingen van het overheidsbeleid te houden, namelijk om bevorderde bedrijfstakken te ondersteunen, waaronder de productie van aniline als de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging van het onderzochte product. Dergelijke maatregelen belemmeren de vrije marktwerking. |
3.2.1.6.
|
(101) |
Volgens de informatie in het dossier slaagt het Chinese systeem voor faillissementen er niet in zijn belangrijkste doelstellingen te verwezenlijken, zoals een billijke vereffening van vorderingen en schulden en de bescherming van de wettelijke rechten en belangen van crediteuren en debiteuren. Dit lijkt zijn oorsprong erin te hebben dat het Chinese faillissementsrecht weliswaar formeel berust op beginselen die gelijkenis vertonen met de beginselen van het overeenkomstige recht in andere landen dan de VRC, maar het Chinese stelsel wordt gekenmerkt door structureel ontoereikende handhaving. Het aantal faillissementen is nog altijd opvallend laag in verhouding tot de omvang van de economie van het land, niet in de laatste plaats doordat de insolventieprocedures een aantal tekortkomingen vertonen die het indienen van een faillissementsaanvraag in de praktijk ontmoedigen. Bovendien blijft de staat een vooraanstaande en actieve rol in de insolventieprocedures spelen, met vaak een directe invloed op de uitkomst ervan (42). |
|
(102) |
Daarnaast zijn de tekortkomingen van het systeem van eigendomsrechten met name evident met betrekking tot de eigendom van grond en grondgebruiksrechten in de VRC (43). Alle grond is eigendom van de Chinese staat (landbouwgrond in collectief bezit en stedelijke grond in staatseigendom). De toewijzing van grond blijft uitsluitend een zaak van de staat. Er zijn wettelijke bepalingen waarmee wordt beoogd de rechten op het gebruik van grond op transparante wijze en tegen marktprijzen toe te wijzen, bijvoorbeeld door invoering van biedprocedures. Het komt echter regelmatig voor dat deze bepalingen niet worden nageleefd, waarbij sommige kopers hun grond kosteloos of tegen een lagere prijs dan de marktprijs verkrijgen (44). Bovendien streven de autoriteiten bij het toewijzen van grond vaak specifieke politieke doelen na, waaronder de uitvoering van de economische plannen (45). |
|
(103) |
Net als andere sectoren in de Chinese economie zijn de producenten van ace-K onderworpen aan de gewone regels van de Chinese faillissements-, vennootschaps- en eigendomswetgeving. Dit heeft tot gevolg dat ook deze ondernemingen te maken hebben met verstoringen van bovenaf wegens de discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetgeving. Uit het onderhavige onderzoek is niets naar voren gekomen dat deze bevindingen ter discussie zou stellen. Derhalve heeft de Commissie voorlopig geconcludeerd dat de Chinese faillissements- en eigendomswetgeving niet naar behoren functioneert en dus verstoringen veroorzaakt wanneer in de VRC insolvente ondernemingen op de been worden gehouden en grondgebruiksrechten worden toegewezen. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal lijken deze overwegingen ook volledig van toepassing te zijn op de ace-K-bedrijfstak. |
|
(104) |
In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er sprake was van discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetgeving in de ace-K-bedrijfstak, ook ten aanzien van het betrokken product. |
3.2.1.7.
|
(105) |
Een systeem van marktgebaseerde lonen kan zich in de VRC niet volledig ontwikkelen, omdat werknemers en werkgevers worden belemmerd in hun recht op collectieve organisatie. De VRC heeft een aantal kernverdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), met name die inzake de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, niet geratificeerd (46). Krachtens het nationale recht is er slechts één vakbondsorganisatie actief. Deze organisatie is echter onvoldoende onafhankelijk van de overheidsinstanties en zij is slechts in beperkte mate bij collectieve onderhandelingen en de bescherming van de rechten van werknemers betrokken (47). Bovendien wordt de mobiliteit van werknemers in de VRC beperkt door het systeem van registratie van huishoudens, dat de toegang tot het volledige scala van socialezekerheids- en andere voorzieningen beperkt tot de lokale inwoners van een bepaald administratief gebied. Dit leidt er doorgaans toe dat werknemers die niet als lokale ingezetene zijn geregistreerd, zich in een kwetsbare werkgelegenheidssituatie bevinden en een lager inkomen ontvangen dan de houders van de ingezetenenregistratie (48). Deze bevindingen leiden tot verstoring van de loonkosten in de VRC. |
|
(106) |
Er is geen bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat de ace-K-bedrijfstak niet onderworpen zou zijn aan het beschreven Chinese arbeidsrechtstelsel. De grafietelektrodensector staat derhalve bloot aan verstoringen van de loonkosten, zowel direct (bij het vervaardigen van het betrokken product of de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging ervan) als indirect (bij het krijgen van toegang tot kapitaal of basisproducten van ondernemingen die in de VRC aan hetzelfde arbeidsrechtstelsel onderworpen zijn). |
3.2.1.8.
|
(107) |
Wat de toegang tot kapitaal voor bedrijven in de VRC betreft, is er sprake van diverse verstoringen. |
|
(108) |
Ten eerste wordt het Chinese financiële systeem gekenmerkt door de sterke positie van staatsbanken (49), die bij het verschaffen van toegang tot kapitaal andere criteria dan de economische levensvatbaarheid van een project hanteren. Net als niet-financiële staatsondernemingen blijven de banken verbonden met de staat, niet alleen via de eigendomsrelatie maar ook via persoonlijke betrekkingen (de hoogste bestuurders van de grote financiële instellingen in handen van de overheid worden in laatste instantie door de CCP benoemd) (50), en zij voeren, wederom net als niet-financiële staatsondernemingen, geregeld overheidsbeleid uit. Hiermee voldoen de banken aan een uitdrukkelijke wettelijke verplichting om te handelen in overeenstemming met de behoeften van de nationale economische en sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat (51). Daarbij komen nog aanvullende bestaande regels, die geldmiddelen naar sectoren leiden die volgens de overheid moeten worden gestimuleerd of anderszins als belangrijk zijn aangemerkt (52). |
|
(109) |
Hoewel in diverse wettelijke bepalingen wordt gewezen op de noodzaak om normaal bankgedrag en de prudentiële regels te eerbiedigen, zoals de noodzaak om de kredietwaardigheid van de kredietnemer te onderzoeken, duidt het overgrote deel van het bewijsmateriaal, waaronder de bevindingen van handelsbeschermingsonderzoeken, erop dat deze bepalingen bij de toepassing van de verschillende rechtsinstrumenten slechts een secundaire rol spelen. |
|
(110) |
Zo heeft de Chinese overheid recent verduidelijkt dat zelfs particuliere commerciële bankbeslissingen onder toezicht van de CCP moeten staan en in overeenstemming moeten blijven met het nationale beleid. Een van de drie overkoepelende doelstellingen van de staat met betrekking tot de governance van het bankwezen is nu het versterken van de leidende positie van de partij in de bank- en verzekeringssector, ook met betrekking tot operationele en managementkwesties in ondernemingen (53). Ook moet bij de criteria voor prestatie-evaluatie van commerciële banken nu in het bijzonder rekening worden gehouden met de wijze waarop entiteiten “de nationale ontwikkelingsdoelstellingen en de reële economie dienen”, en met name hoe zij “strategische en opkomende industrieën ten dienste staan” (54). |
|
(111) |
Voorts zijn obligatie- en kredietratings dikwijls om verscheidene redenen verstoord, onder meer omdat de risicobeoordeling wordt beïnvloed door het strategische belang dat een bedrijf voor de Chinese overheid heeft, en door de kracht die uitgaat van een impliciete garantie van de overheid. Schattingen geven sterk de indruk dat Chinese kredietratings systematisch overeenkomen met lagere internationale ratings (55). |
|
(112) |
Daarbij komen nog aanvullende bestaande regels, die geldmiddelen naar sectoren leiden die volgens de overheid moeten worden gestimuleerd of anderszins als belangrijk zijn aangemerkt (56). Dit leidt ertoe dat gemakkelijker leningen worden verstrekt aan staatsondernemingen, grote particuliere bedrijven met goede connecties en bedrijven in belangrijke industriële sectoren, wat impliceert dat de beschikbaarheid en de kosten van kapitaal niet voor alle spelers op de markt gelijk zijn. |
|
(113) |
Ten tweede zijn de kredietkosten kunstmatig laag gehouden om de groei van investeringen te stimuleren. Dit heeft geleid tot een buitensporig gebruik van kapitaalinvesteringen met steeds lagere rendementen. Dit wordt geïllustreerd door de toename van de schulden van ondernemingen in de overheidssector ondanks een scherpe daling van de winstgevendheid, waaruit blijkt dat de mechanismen in het bankwezen niet volgens normale commerciële beginselen reageren. |
|
(114) |
Ten derde zijn de prijssignalen, ondanks de liberalisering van de nominale rente in oktober 2015, nog steeds niet het resultaat van de vrije marktwerking, maar worden zij beïnvloed door verstoringen die door de overheid zijn veroorzaakt. Ten minste een derde van alle leningen werd eind 2018 nog steeds tegen of onder het benchmarktarief verstrekt (57). De officiële media in de VRC hebben onlangs gemeld dat de CCP heeft opgeroepen om “de marktrente voor leningen naar beneden bij te sturen” (58). Kunstmatig lage rentetarieven leiden tot te lage prijzen en daarmee tot buitensporig gebruik van kapitaal. |
|
(115) |
De algemene toename van kredietverlening in de VRC wijst op een steeds minder efficiënte kapitaaltoewijzing, zonder dat er tekenen zijn van een krappere kredietverlening die men in een niet-verstoorde marktomgeving zou verwachten. Als gevolg hiervan is het aantal niet-renderende leningen de afgelopen jaren snel gestegen. Geconfronteerd met een situatie van toenemende risicovolle schulden, heeft de Chinese overheid ervoor gekozen wanbetalingen te voorkomen. Als gevolg hiervan is het probleem van oninbare vorderingen aangepakt door schulden door te rollen, wat heeft geleid tot het ontstaan van “zombie”-ondernemingen, of door de eigendom van de schuld over te dragen (bv. via fusies of schuldconversies), zonder dat daarbij noodzakelijkerwijs het totale schuldprobleem werd verholpen of de onderliggende oorzaken van dat probleem werden weggenomen. |
|
(116) |
In essentie wordt het stelsel voor ondernemingskredieten in de VRC, ondanks de stappen die zijn genomen om de markt te liberaliseren, beïnvloed door verstoringen van betekenis als gevolg van de voortdurende en alomtegenwoordige rol van de staat op de kapitaalmarkten. |
|
(117) |
Er is geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat de grafietelektrodensector niet onderworpen zou zijn aan het hierboven beschreven overheidsingrijpen in het financiële systeem. De Commissie heeft vastgesteld dat de medewerkende producent-exporteur onder meer van 2006 tot 2021 preferentiële financiering in de vorm van langlopende leningen kreeg, gepubliceerd door het bureau voor financiën van het district Lai’an. Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktomstandigheden op alle niveaus sterk worden beïnvloed. |
3.2.1.9.
|
(118) |
De Commissie heeft opgemerkt dat de in het rapport beschreven verstoringen kenmerkend zijn voor de Chinese economie. Uit het beschikbare bewijs blijkt dat de feiten en kenmerken van het Chinese systeem zoals beschreven in de punten 3.2.1.2 tot en met 3.2.1.5, en in deel A van het rapport, van toepassing zijn op het hele land en alle sectoren van de economie. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van de productiefactoren zoals beschreven in de punten 3.2.1.6 tot en met 3.2.1.8 en in deel B van het rapport. |
|
(119) |
De Commissie roept in herinnering dat de productie van ace-K een breed palet aan basisproducten vergt. Volgens het bewijsmateriaal in het dossier betrekt de producent-exporteur nagenoeg al zijn basisproducten in de VRC. Wanneer de ace-K-producenten de upstream grondstoffen voor de vervaardiging van de basisproducten in de VRC inkopen of daarvoor een contract sluiten, zijn de prijzen die zij betalen (en die als kosten worden geregistreerd) duidelijk blootgesteld aan dezelfde systemische verstoringen als hierboven genoemd. Leveranciers van basisproducten maken bijvoorbeeld gebruik van arbeid die aan de verstoringen onderhevig is. Zij kunnen geld lenen dat onderhevig is aan de verstoringen in de financiële sector/kapitaaltoewijzing. Daarnaast zijn zij onderworpen aan het planningssysteem dat op alle niveaus van de overheid en op alle sectoren van toepassing is. |
|
(120) |
Dientengevolge zijn niet alleen de binnenlandse verkoopprijzen van ace-K ongeschikt om te worden gebruikt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, maar zijn alle kosten voor basisproducten (waaronder grondstoffen, energie, grond, financiering, arbeid enz.) eveneens beïnvloed omdat de prijsvorming ervan wordt beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen, zoals beschreven in de delen A en B van het rapport. Het overheidsingrijpen dat is beschreven met betrekking tot de toewijzing van kapitaal, grond, arbeid, energie en grondstoffen, vindt in heel de VRC plaats. Dit betekent bijvoorbeeld dat een basisproduct dat zelf in de VRC is geproduceerd, door de combinatie van een reeks productiefactoren aan verstoringen van betekenis onderhevig is. Hetzelfde geldt voor de basisproducten van die basisproducten, enzovoort. Noch de Chinese overheid, noch de producenten-exporteurs hebben in het kader van het onderhavige onderzoek bewijzen of argumenten van het tegendeel aangedragen. |
3.2.1.10.
|
(121) |
Uit de analyse in de punten 3.2.1.2 tot en met 3.2.1.9, waarbij al het beschikbare bewijsmateriaal over het ingrijpen van de VRC in haar economie in het algemeen en in de ace-K-bedrijfstak (inclusief het betrokken product) is onderzocht, is gebleken dat de prijzen en kosten van het betrokken product, waaronder de kosten van grondstoffen, energie en arbeid, niet door de vrije marktwerking tot stand zijn gekomen doordat zij worden beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, hetgeen wordt aangetoond door de daadwerkelijke of mogelijke gevolgen van een of meer van de daarin genoemde factoren. Op grond daarvan en gezien het gebrek aan medewerking van de Chinese overheid heeft de Commissie geconcludeerd dat het in dit geval niet passend is om voor het vaststellen van de normale waarde gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten. |
|
(122) |
Bijgevolg heeft de Commissie de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen, dat wil zeggen in dit geval aan de hand van de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land in overeenstemming met artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, zoals wordt besproken in het volgende punt. |
3.3. Representatief land
3.3.1. Algemene opmerkingen
|
(123) |
De keuze voor het representatieve land is gemaakt op basis van de volgende criteria uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening:
|
|
(124) |
Wanneer er sprake is van meer dan één mogelijk representatief land, moet, indien van toepassing, de voorkeur worden gegeven aan het land met een toereikend niveau van sociale en milieubescherming. |
|
(125) |
Zoals toegelicht in de overwegingen 127 en 128, heeft de Commissie in het dossier twee mededelingen aangaande de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde bekendgemaakt. In deze mededelingen werden de feiten en het bewijsmateriaal beschreven die aan de relevante criteria ten grondslag liggen, en werd ingegaan op de opmerkingen die van de partijen over deze elementen en de relevante bronnen waren ontvangen. In de tweede mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van haar voornemen om Maleisië in het onderhavige geval aan te merken als een passend representatief land indien het bestaan van verstoringen van betekenis in overeenstemming met artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening was bevestigd. |
|
(126) |
In punt 5.3.2 van het bericht van opening heeft de Commissie op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening Turkije aangemerkt als mogelijk representatief land voor de vaststelling van de normale waarde aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks. De Commissie heeft verder opgemerkt dat zij andere mogelijk passende representatieve landen zou onderzoeken overeenkomstig de criteria als bedoeld in artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening. |
|
(127) |
Op 15 maart 2021 heeft de Commissie de belanghebbenden door middel van een mededeling (“de eerste mededeling”) op de hoogte gebracht van de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen. In die mededeling heeft de Commissie een lijst verstrekt van alle productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid en energie die bij de productie van ace-K een rol spelen. Daarnaast heeft de Commissie Argentinië, Maleisië en Thailand aangewezen als mogelijke representatieve landen. Over de eerste mededeling heeft de Commissie enkel opmerkingen ontvangen van de indiener van het verzoek. Deze opmerkingen werden in detail geanalyseerd in de overwegingen 129 tot en met 147. |
|
(128) |
Op 11 juni 2021 heeft de Commissie de belanghebbenden door middel van een tweede mededeling (“de tweede mededeling”) op de hoogte gebracht van de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen, met Maleisië als het representatieve land. Ook informeerde zij de belanghebbenden dat zij de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en de winst zou vaststellen op basis van de beschikbare informatie over de relevante onderneming, Ajinomoto (Malaysia) Berhad. Over de tweede mededeling heeft de Commissie enkel opmerkingen ontvangen van de indiener van het verzoek. Deze opmerkingen worden in detail geanalyseerd in de overwegingen 178 tot en met 192. |
3.3.2. Een niveau van economische ontwikkeling vergelijkbaar met dat van de VRC
|
(129) |
In de eerste mededeling lichtte de Commissie toe dat het betrokken product niet leek te worden geproduceerd in landen die een niveau van economische ontwikkeling hebben dat vergelijkbaar is met dat van de VRC als bedoeld in de in overweging 123 vermelde criteria. Het werd enkel geproduceerd in de Volksrepubliek China en in de EU. |
|
(130) |
Daardoor bekeek de Commissie of er een product werd vervaardigd dat binnen dezelfde algemene categorie en/of sector viel als het onderzochte product. De Commissie gaf vervolgens aan dat zij voor de vaststelling van een geschikt representatief land voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening rekening zou houden met de productie van zoetstoffen, smaakstoffen en levensmiddelenadditieven, aangezien dit producten zijn die binnen dezelfde algemene categorie vallen als ace-K. |
|
(131) |
In de eerste mededeling over productiefactoren heeft de Commissie Argentinië, Maleisië en Thailand aangewezen als landen die volgens de Wereldbank een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling hebben als de VRC, dat wil zeggen dat zij allemaal door de Wereldbank op basis van het bruto nationaal inkomen als landen met “hogere middeninkomens” worden ingedeeld. |
|
(132) |
De indiener van het verzoek merkte op dat de ontwikkelingsniveaus binnen de categorie van hogere-middeninkomenslanden sterk uiteenlopen. Daarom moest de voorkeur worden gegeven aan de “representatieve” kandidaat-lidstaten die qua bni per hoofd van de bevolking dicht bij de VRC lagen. De indiener van het verzoek gaf aan dat van de drie door de Commissie voorgestelde landen, het niveau van het bni in Argentinië en Maleisië vergelijkbaar was met dat van de VRC, maar dat het bni van Thailand aanzienlijk lager was en dat land dus moest worden uitgesloten. |
|
(133) |
Krachtens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening kan de Commissie de normale waarde berekenen aan de hand van een representatief land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer. De basisverordening bevat geen verdere vereisten om het land te kiezen dat wat niveau van economische ontwikkeling betreft het dichtst aanleunt bij het land van uitvoer. |
|
(134) |
Dat een land mogelijk een bni per inwoner heeft dat meer in de buurt ligt van dat van de VRC dan een ander land, is geen factor in de keuze van het geschikte representatieve land. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
3.3.3. Beschikbaarheid van relevante openbare gegevens in het representatieve land
|
(135) |
In de eerste mededeling identificeerde de Commissie één onderneming in Argentinië, één onderneming in Maleisië en vier ondernemingen in Thailand waarvoor financiële informatie over producten in dezelfde algemene categorie als het onderzochte product vlot beschikbaar was in de databank van Dun and Bradstreet (61). |
|
(136) |
In de tweede mededeling gaf de Commissie aan dat zij voor de geïdentificeerde landen, te weten Argentinië, Maleisië en Thailand, de beschikbaarheid van publieke financiële gegevens verder onderzocht. |
|
(137) |
Met betrekking tot Argentinië vond de Commissie onmiddellijk beschikbare financiële informatie voor één producent, Laboratorios Argentinos Farmesa, van producten die binnen dezelfde algemene categorie vallen als ace-K, in de databank van Dun and Bradstreet, maar vond zij geen gepubliceerde jaarrekeningen. |
|
(138) |
De indiener van het verzoek merkte op dat de verhouding van winst tot verkoop van 5,3 % voor deze Argentijnse producent niet redelijk was voor de ace-K-bedrijfstak. |
|
(139) |
Wat Maleisië betreft, heeft de Commissie gemakkelijk gepubliceerde jaarrekeningen gevonden voor de Maleisische onderneming, Ajinomoto (Maleisië) Berhad (“Ajinomoto Malaysia”) als vermeld in de eerste mededeling, voor de boekjaren die eindigen op 31 maart 2017, 2018, 2019 en 2020 (62), alsook onmiddellijk beschikbare financiële gegevens voor die onderneming in de databank Dun en Bradstreet. |
|
(140) |
De indiener van het verzoek verstrekte dezelfde jaarrekeningen die de Commissie had gevonden. Hij voerde voorts aan dat deze jaarverslagen andere winstgevendheidscijfers lieten zien voor de industriële sector (die volgens hem passender zouden zijn voor de ace-K-bedrijfstak) en voor de consumentensector en dat zij een uitsplitsing bevatten van de inkomsten, kosten en uitgaven, op basis waarvan passende cijfers voor de VAA-kosten en de winst konden worden geëxtraheerd. De indiener van het verzoek betoogde voorts dat het cijfer voor de kosten van verkopen in de gepubliceerde jaarrekeningen betrouwbaarder was dan de equivalente uit de databank van Dun and Bradsheet geëxtraheerde kostencijfers. Verder gaf de indiener van het verzoek aan dat aangezien de winstgevendheid stabiel was voor de boekjaren van 2017 tot 2020, met vertrouwen kon worden gesteld dat de winstgevendheid in het boekjaar 2020 representatief was. |
|
(141) |
Met betrekking tot Thailand vond de Commissie in de databank van Dun and Bradsheet onmiddellijk beschikbare financiële gegevens voor vier winstgevende ondernemingen voor producten die binnen dezelfde algemene categorie vallen als ace-K, te weten smaakstoffen en levensmiddelenadditieven. |
|
(142) |
De indiener van het verzoek stelde dat hoewel de Commissie dergelijke gegevens had gevonden voor vier ondernemingen in Thailand, twee van de Thaise ondernemingen, Shimakyu Co. Ltd en Patchara Products Ltd, niet geschikt waren vanwege hun lage verhouding tussen winst en verkoop, te weten respectievelijk 6,1 % en 2,7 %. |
|
(143) |
De Commissie was van oordeel dat de beschikbare financiële informatie voor Ajinomoto Malaysia inderdaad de meest passende bron zou zijn om de VAA-kosten en winst vast te stellen voor de berekening van de normale waarde. Voor Ajinomoto Malaysia waren gecontroleerde jaarrekeningen onmiddellijk beschikbaar die voor negen maanden samenvielen met het onderzoektijdvak. Bovendien is Ajinomoto Malaysia een grote onderneming en heeft zij een aanzienlijke productie van producten die in dezelfde algemene categorie vallen als ace-K. |
|
(144) |
Om een geschikt representatief land te bepalen, is de Commissie ook nagegaan of er sprake was van marktverstoring door de uitvoer- en/of invoerbeperkingen voor ace-K en voor de grondstoffen, met name die grondstoffen die de belangrijkste elementen van de productiekosten voor de vervaardiging van ace-K vormen. |
|
(145) |
Op basis van de OESO-databank (63) en de databank van Global Trade Alert (64), en in het bijzonder de lijst van beperkingen op de uitvoer/invoer van industriële grondstoffen, werden in de eerste mededeling verschillende beperkingen opgegeven voor de belangrijkste productiefactoren. Voor Argentinië identificeerde de Commissie invoertarieven voor azijnzuur (291521) uit de VS en invoervergunningseisen voor kaliumhydroxide (281520) uit Brazilië, Korea en de VS, zwavel (250300) uit Kazachhstan, Rusland, Spanje en de VS, calciumcarbonaat (251710) uit Paraguay en azijnzuur (291521) uit de VS. Voor Thailand identificeerde de Commissie invoertarieven voor antraciet (270111) uit Vietnam en calciumcarbonaat (251710) uit Laos. Voor Maleisië identificeerde de Commissie tot slot invoertarieven voor sulfaminezuur (281119) uit Namibië; uitvoervergunningseisen voor de uitvoer van azijnzuur (291521) naar België, Indië, Indonesië, Japan, Pakistan, Singapore en Thailand; en uitvoervergunningseisen voor de uitvoer van calciumcarbonaat (251710) naar Brunei Darussalam, Indonesië en Singapore. |
|
(146) |
De indiener van het verzoek stelde dat de in de eerste mededeling door de Commissie aangehaalde invoervergunningseisen die door Argentinië werden opgelegd voor vier grondstoffen (kaliumhydroxide, zwavel, calciumcarbonaat en azijnzuur) de leveringsbronnen beperkten en daardoor de prijzen hoog hielden op de binnenlandse markt. Hij voerde voorts aan dat de uitvoervergunningseisen, zoals die door Maleisië werden toegepast op twee van deze grondstoffen (azijnzuur en calciumcarbonaat), het tegenovergestelde effecten konden hebben, doordat zij het binnenlandse aanbod handhaafden en de prijzen op de binnenlandse markt laag hielden. Hij was daarom van mening dat Maleisië in dit opzicht een betere keuze voor het representatieve land zou zijn dan Argentinië. |
|
(147) |
Met betrekking tot de door Maleisië toegepaste uitvoervergunningseisen gaf de Commissie in de eerste mededeling aan dat deze slechts voor twee grondstoffen golden, te weten azijnzuur en calciumcarbonaat. De uitvoervergunningseisen zouden het effect hebben dat de binnenlandse prijzen laag bleven, waardoor ook de ingevoerde hoeveelheden en/of prijzen bij invoer waarschijnlijk laag zouden blijven om te kunnen concurreren met het binnenlandse aanbod. In die zin zouden de prijzen bij invoer voor deze twee grondstoffen naar alle waarschijnlijkheid worden onderschat als zij zouden worden gebruikt om de normale waarde te berekenen (65). |
|
(148) |
In het licht van bovenstaande overwegingen bracht de Commissie de belanghebbenden er met de tweede mededeling van op de hoogte dat zij voornemens was Maleisië als geschikt representatief land en de onderneming, Ajinomoto (Malaysia) Berhad, overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening te gebruiken om niet-verstoorde prijzen of benchmarks te verkrijgen voor de berekening van de normale waarde. |
|
(149) |
De belanghebbenden werd verzocht opmerkingen in te dienen over de geschiktheid van Maleisië als representatief land en van Ajinomoto (Malaysia) Berhad als producent in het representatieve land. |
|
(150) |
Naar aanleiding van de tweede mededeling werden enkel opmerkingen ontvangen van de indiener van het verzoek. De indiener van het verzoek gaf opmerkingen op basis van het feit dat Maleisië als representatief land zou worden gekozen. |
3.3.4. Niveau van sociale en milieubescherming
|
(151) |
Aangezien was vastgesteld dat Maleisië op grond van alle voornoemde factoren een geschikt representatief land was, hoefde er geen beoordeling van het niveau van sociale en milieubescherming plaats te vinden conform artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, laatste zin, van de basisverordening. |
3.3.5. Conclusie
|
(152) |
Gezien bovenstaande analyse voldeed Maleisië aan de in artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening vermelde criteria om als geschikt representatief land te worden beschouwd. |
|
(153) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen stelde Anhui Jinhe dat Maleisië geen geschikt representatief land was, aangezien er slechts één onderneming was, Ajinomoto (Malaysia) Berhad, die in dezelfde algemene productcategorie als ace-K actief was, en de financiële gegevens van Ajinomoto verstoord waren omdat haar kosten sterk afhankelijk waren van aankopen bij verbonden ondernemingen. Anhui Jinhe betoogde dat de daaruit voortvloeiende lagere grondstof- en andere directe kosten voor de onderneming een verklaring waren voor het hoge aandeel van VAA-kosten dat werd gebruikt voor de berekening van de normale waarde. |
|
(154) |
De Commissie merkte op dat in noot 29 bij de opmerkingen bij de jaarrekening van Ajinomoto (Maleisië) Berhad voor het per 31 maart 2020 afgesloten boekjaar (66) een verklaring van de directeuren met betrekking tot transacties met verbonden partijen, met inbegrip van aankopen, vermeldde “De directeuren zijn van mening dat alle bovengenoemde transacties zijn gesloten in het kader van de normale bedrijfsvoering en zijn vastgesteld onder voorwaarden waarover onderhandeld is en die niet wezenlijk verschillen van die welke kunnen worden verkregen bij transacties met niet-verbonden partijen”. Bovendien werd deze verklaring, opgenomen in de toelichting bij de financiële overzichten, in het kader van de wettelijke controle gecontroleerd door onafhankelijke accountants, die verklaarden (67) dat de jaarrekening een getrouw beeld gaf van de financiële positie van de onderneming op 31 maart 2020. Daarom was de Commissie van oordeel dat zij de VAA-kosten kon vaststellen op basis van de verhouding tussen VAA-kosten en productiekosten van Ajinomoto (Maleisië) Berhad, en verwierp zij het argument van Anhui Jinhe. |
|
(155) |
Anhui Jinhe voerde verder aan dat Argentinië een geschikter representatief land was omdat er financiële informatie beschikbaar was, de verhouding tussen winst en verkoop van 5,3 % redelijk was en het argument van de Commissie dat de invoervergunningsvereisten van Argentinië de bevoorradingsbronnen beperkte niet pertinent was, aangezien invoertarieven slechts op één land (VS) en één product werden toegepast. |
|
(156) |
De Commissie was het niet met deze argumenten eens. De Commissie heeft Argentinië niet als representatief land afgewezen omdat de verhouding tussen winst en verkoop van 5,3 % niet redelijk was, maar om andere redenen. Zoals uiteengezet in overweging 137 waren geen gedetailleerde financiële overzichten beschikbaar voor relevante ondernemingen in Argentinië, zoals deze wel beschikbaar waren voor Maleisië. Bovendien heeft de Commissie naast het invoertarief waarnaar Anhui Jinhe verwijst, invoercertificatievereisten vastgesteld voor vier andere grondstoffen, die de bevoorradingsbronnen zouden kunnen beperken en daardoor de prijzen op de binnenlandse markt zouden kunnen verhogen. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
3.4. Bronnen aan de hand waarvan niet-verstoorde kosten worden vastgesteld
|
(157) |
In de eerste mededeling heeft de Commissie de productiefactoren vermeld zoals materialen, energie en arbeid waarvan de producenten-exporteurs bij de productie van het betrokken product gebruikmaken, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen in te dienen en vrij beschikbare informatie voor te stellen over niet-verstoorde waarden voor elk van de in die mededeling genoemde productiefactoren. |
|
(158) |
Vervolgens heeft de Commissie in de tweede mededeling verklaard dat zij, voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, gebruik zou maken van de GTA-gegevens om de niet-verstoorde kosten van de meeste productiefactoren, met name de grondstoffen, vast te stellen. Verder heeft de Commissie verklaard dat zij voor het vaststellen van de niet-verstoorde arbeidskosten gebruik zou maken van de Institute of Labour Market Information and Analysis (Instituut voor informatie over en analyse van de arbeidsmarkt, ILMIA) (68), en voor de vaststelling van niet-verstoorde elektriciteitskosten van de elektriciteitstarieven die door de elektriciteitsmaatschappij Tenaga Nasional Berhad (TNB) zijn gepubliceerd op haar website (69). |
|
(159) |
In de tweede mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden ook meegedeeld dat vanwege het beperkte belang van sommige individuele grondstoffen in de totale productiekosten sommige van de productiefactoren als “hulpstoffen” werden beschouwd. Bovendien heeft de Commissie de belanghebbenden meegedeeld dat zij het percentage van de hulpstoffen in het totaal van de productiekosten zou berekenen en dat percentage zou toepassen op de herberekende productiekosten wanneer zij gebruikmaakt van de vastgestelde niet-verstoorde benchmarks in het geschikte representatieve land. |
|
(160) |
Tijdens een hoorzitting voerde Anhui Jinhe aan dat de Commissie de eerste mededeling niet had toegevoegd aan het niet-vertrouwelijke dossier van het onderzoek binnen 65 dagen na de publicatiedatum van het bericht van opening, zoals vermeld in punt 5.3.2 van het bericht van opening. |
|
(161) |
Die termijn slaat echter niet op de mededelingen bij het dossier. De Commissie heeft haar eerste mededeling op 15 maart 2021 en haar tweede mededeling op 11 juni 2021 bekendgemaakt, en in beide mededelingen hadden de belanghebbenden tien dagen de tijd om opmerkingen over die aspecten in te dienen. Anhui Jinhe diende bij geen van beide mededelingen opmerkingen in. |
|
(162) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde EMPC haar in overweging 160 vermelde argumenten. Zij voerde verder aan dat de Commissie, door de eerste mededeling in het onderzoeksdossier na 4,5 maanden na de opening van het onderzoek en de tweede mededeling na 7,5 maanden toe te voegen, de aantekeningen niet “kort” aan het dossier heeft toegevoegd in overeenstemming met punt 5.3.2 van het bericht van opening en “onverwijld” overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt e), van de basisverordening en dat zij daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. Bovendien werd aangevoerd dat het verzoek geen elementen bevatte met betrekking tot verstoringen van bepaalde specifieke inputs die door Anhui Jinhe in het productieproces worden gebruikt, en dat de Commissie dit bewijsmateriaal niet binnen 37 dagen na de datum van het bericht van opening door de indiener van het verzoek had ontvangen. Ten slotte werd aangevoerd dat de rechten van verdediging van Anhui Jinhe zijn geschonden door de eerste mededeling na de 37 dagen na de inleiding van de procedure in te dienen. |
|
(163) |
De Commissie is het met deze argumenten niet eens. Het doel van de eerste mededeling en de tweede opmerking bij het dossier is de partijen in kennis te stellen van de relevante bronnen die zij voornemens is te gebruiken voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. De opmerkingen bevatten geen beoordeling van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Bovendien was een bijzonderheid van deze zaak het feit dat ace-K, zoals uiteengezet in overweging 129, alleen in de Unie en in de VRC werd vervaardigd. Daarom was de selectieprocedure voor het representatieve land complexer dan gebruikelijk, aangezien de Commissie moest nagaan of er sprake was van productie van een product in dezelfde algemene categorie en/of sector als het betrokken product. Voorts moet een op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening uitgevoerd onderzoek, zoals het huidige, binnen 12 maanden en in elk geval uiterlijk 15 maanden na de datum van bekendmaking van het bericht van opening (zoals vermeld in punt 6 van het bericht van opening) worden afgesloten ten opzichte van een onderzoek dat wij op grond van artikel 5 van de basisverordening hebben uitgevoerd en waarvoor uiterlijk 8 maanden na de opening van het onderzoek voorlopige maatregelen moeten worden ingesteld. Bovendien had Anhui Jinhe voldoende tijd om opmerkingen te maken over de nota’s. Anhui Jinhe heeft echter geen opmerkingen gemaakt over de eerste nota, waarin drie potentiële representatieve landen werden genoemd. Anhui Jinhe heeft ook geen opmerkingen over de tweede nota ingediend. Daarom heeft de Commissie de argumenten inzake schending van de rechten van verdediging van Anhui Jinhe afgewezen. |
|
(164) |
Ten aanzien van het argument dat het verzoek geen elementen bevatte met betrekking tot verstoringen van bepaalde specifieke inputs, zoals vermeld in overweging 22, heeft de Commissie geconcludeerd dat het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevatte om het onderzoek te openen. De indiener van het verzoek hoeft geen aanvullend bewijsmateriaal in te dienen dat specifiek betrekking heeft op verstoringen van bepaalde inputs, zodat de Commissie de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening kan onderzoeken. Derhalve werd het argument afgewezen. |
3.5. Niet-verstoorde kosten en benchmarks
3.5.1. Productiefactoren
|
(165) |
Aan de hand van alle door de belanghebbenden verstrekte en tijdens de kruiselingse controles op afstand verzamelde gegevens zijn voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening de volgende productiefactoren en de bronnen daarvan in kaart gebracht: Tabel 1 Productiefactoren voor optischevezelkabels
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(166) |
De Commissie heeft ook een waarde voor de vaste productiekosten opgenomen om de kosten te bestrijken die niet in de bovengenoemde productiefactoren zijn opgenomen. De methodologie om dit bedrag vast te stellen wordt uitvoerig toegelicht in overweging 186. |
|
(167) |
Met het oog op de vaststelling van de niet-verstoorde prijs van grondstoffen als geleverd aan de fabriekspoort van een producent in het representatieve land, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde invoerprijs voor het representatieve land zoals vermeld in de GTA als basis gebruikt, waarbij invoerrechten en vervoerskosten werden opgeteld. Een invoerprijs in het representatieve land werd vastgesteld als een gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van invoer uit alle derde landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad genoemde landen die geen lid zijn van de WTO (70). De Commissie heeft besloten de invoer uit de VRC in het representatieve land uit te sluiten, aangezien zij in overweging 121 tot de conclusie is gekomen dat het niet passend is om de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC te gebruiken wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. Aangezien er geen bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat dezelfde verstoringen niet gelijkelijk gevolgen hebben voor de voor de uitvoer bestemde producten, was de Commissie van mening dat die verstoringen gevolgen hebben gehad voor de uitvoerprijzen. De Commissie stelde vast dat ook als de invoer uit de VRC en de in bijlage 1 bij Verordening 2015/755 genoemde landen naar Maleisië buiten beschouwing wordt gelaten, de invoer van de belangrijkste grondstoffen uit andere derde landen representatief bleef (meer dan 75 % van het totale naar Maleisië ingevoerde volume). |
|
(168) |
Voor een klein aantal productiefactoren en bijproducten vertegenwoordigden de werkelijk door de medewerkende producent-exporteur gemaakte kosten of gecrediteerde waarden een verwaarloosbaar percentage van de totale grondstofkosten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(169) |
Aangezien de voor deze factoren gebruikte waarde geen merkbare invloed had op de berekeningen van de dumpingmarge, ongeacht de gebruikte bron, besloot de Commissie de nettowaarde van deze kosten bij de hulpstoffen op te nemen. |
|
(170) |
Voor stoom gaf de producent-exporteur aanzienlijke kosten op in de categorie hulpstoffen. Aangezien stoom ook een bijproduct van het productieproces was, heeft de Commissie zowel de kosten voor stoom als de inkomstenwaarde ervan als bijproduct opgenomen, onder hulpstoffen. |
|
(171) |
De Commissie heeft berekend welk percentage de hulpstoffen uitmaakten van de totale grondstofkosten en dat percentage toegepast op de herberekende grondstofkosten met gebruikmaking van de vastgestelde niet-verstoorde prijzen. |
|
(172) |
Teneinde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening de niet-verstoorde prijs van grondstoffen vast te stellen, heeft de Commissie de desbetreffende invoerrechten van het representatieve land toegepast. |
|
(173) |
De Commissie heeft de vervoerskosten van de meewerkende producent-exporteur voor de levering van grondstoffen uitgedrukt als een percentage van de werkelijke kosten van dergelijke grondstoffen, en heeft vervolgens hetzelfde percentage toegepast op de niet-verstoorde kosten van dezelfde grondstoffen, teneinde de niet-verstoorde vervoerskosten te verkrijgen. De Commissie was van oordeel dat, in het kader van dit onderzoek, de ratio tussen de grondstoffen van de producent-exporteur en de gerapporteerde vervoerskosten redelijkerwijs kon worden gebruikt als indicatie voor de schatting van de niet-verstoorde vervoerskosten van grondstoffen bij levering aan de fabriek van de onderneming. |
|
(174) |
In zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Anhui Jinhe aan dat de Commissie geen nauwkeurige benchmark voor kaliumhydroxide heeft opgesteld. Tet bedrijf betoogde dat de Commissie in dit verband gebruik heeft gemaakt van de Maleisische prijs voor GS 281520 en dat bij deze methode geen rekening is gehouden met het feit dat kaliumhydroxide in vloeibare en vaste vorm met verschillende prijzen kon worden ingevoerd. |
|
(175) |
Voor de berekening van de benchmark voor kaliumhydroxide heeft de Commissie gebruikgemaakt van de door Anhui Jinhe ingediende GS-code, die voor zowel vloeibare als vaste vormen gelijk was. De 8-cijferige goederencode in Maleisië voor dit product maakt geen onderscheid tussen vloeibare en vaste producten. Derhalve werd het argument afgewezen. |
|
(176) |
Anhui Jinhe voerde ook aan dat het basisuitgangspunt van het begrip invoerrechten was dat, indien grondstoffen op de binnenlandse markt werden aangekocht, de aankoopprijs onderworpen was aan belasting over de toegevoegde waarde (btw), terwijl wanneer de grondstoffen op buitenlandse markten werden verworven, de landen die de grondstoffen uitvoerden, over het algemeen geen btw heffen. Daarom werden in het stadium van de invoer invoerrechten geheven om de belasting gelijk te trekken, zodat de binnenlandse prijs vergelijkbaar was met de invoerprijs. Wanneer een onderneming echter grondstoffen koopt, is de betaalde btw de voorbelasting die geen deel uitmaakte van de productiekosten, aangezien het om een verrekening van de in rekening gebrachte belasting ging. Anhui Jinhe voerde derhalve aan dat voor de berekening van de normale waarde het invoerrecht niet mocht worden opgeteld. |
|
(177) |
De Commissie was het niet eens met dit argument. De btw-regeling verschilt van die voor invoerrechten. Voor de btw wordt zelfs voor ingevoerde grondstoffen een verrekening tussen voorbelasting en in rekening gebrachte belasting toegepast, maar bij invoerrechten is van een dergelijke verrekening geen sprake. Bovendien heeft de toevoeging van invoerrechten tot doel de definitieve invoerprijs op de binnenlandse markt te verkrijgen. Derhalve werd het argument afgewezen. |
|
(178) |
In de tweede mededeling gaf de Commissie aan dat zij voornemens was de door het Institute of Labour Market Information and Analysis (ILMIA) (71) gepubliceerde statistieken in Maleisië te gebruiken om de lonen in Maleisië te bepalen op basis van de informatie voor de gemiddelde loonkosten per werknemer in de productiesector voor het onderzoektijdvak. |
|
(179) |
Naar aanleiding van de tweede mededeling merkte de indiener van het verzoek op dat op basis van de door de Commissie vastgestelde kosten voor niet-uitvoerende arbeid voor Ajinomoto (Malaysia) Berhad (38 791 005 RM) en op basis van het feit dat deze kosten betrekking hadden op 452 personen, kon worden geconcludeerd dat Ajinomoto (Malaysia) Berhad elke niet-uitvoerende werknemer gemiddeld 85 820,81 RM/jaar had betaald, wat overeenkomt met 7 151,73 RM/maand (11 952,8 CNY/maand). De indiener van het verzoek gaf aan dat aangezien Ajinomoto (Malaysia) Berhad in dezelfde sector actief was als de producenten van ace-K, het redelijk zou zijn om de benchmark voor arbeid te berekenen op basis van de loonkosten per uur niet-uitvoerende arbeid zoals vermeld in de jaarrekeningen van Ajinomoto (Malaysia) Berhad. |
|
(180) |
De Commissie merkt op dat de cijfers van het Institute of Labour Market Information and Analysis (ILMIA) betrekking hebben op het jaar 2016. Aangezien de door de indiener van het verzoek voorgestelde cijfers voor niet-uitvoerende arbeid betrekking hebben op het boekjaar eindigend op 31 maart 2020 en zijn afgeleid van een onderneming in dezelfde sector als de producenten van ace-K, achtte de Commissie het verzoek van de indiener om de loonkosten op basis daarvan vast te stellen passend. |
|
(181) |
De prijzen voor elektriciteit voor ondernemingen (industriële afnemers) in Maleisië worden door de elektriciteitsmaatschappij Tenaga Nasional Berhad (TNB) op haar website (72) gepubliceerd. De meest recente tarieven werden gepubliceerd op 1 januari 2014 en waren nog steeds van toepassing in het TNO. De Commissie gebruikte de tarieven van de industriële elektriciteitsprijzen in de verbruikscategorie “Tarief E2 — Industrieel piek-/daltarief voor middenspanning” van TNB om de elektriciteitskosten per kWh vast te stellen. |
|
(182) |
Wat het element van de maximale vraag betreft, verstrekte de producent-exporteur geen gegevens over de maximale vraag per half uur, die een element vormt in de berekening. De Commissie heeft dit element daarom conservatief vastgesteld op basis van de gemiddelde vraag per half uur voor de maand met de hoogste vraag. |
|
(183) |
Vervolgens heeft de Commissie het verbruik door de uitvoerende Chinese producent gedurende de piek- en dalperioden in het Maleisische tariefstelsel vastgesteld, die overeenkomen met de piek- en dalperioden (Maleisische piekperiode) en dalperiode (Maleisische dalperiode) in het Chinese tariefstelsel. |
|
(184) |
Daarna heeft de Commissie de Maleisische prijzen per verbruikte eenheid tijdens de Maleisische piek- en dalperioden toegepast op het verbruik van de Chinese producent-exporteur in kWh gedurende die perioden en heeft zij het hierboven vastgestelde tarief voor de maximale vraag en het terugleveringstarief van 1,6 % daarbij opgeteld om de elektriciteitskosten per kWh vast te stellen. |
3.5.2. Vaste productiekosten, VAA-kosten en winst
|
(185) |
Volgens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening geldt het volgende: “De door berekening vastgestelde normale waarde omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst.”. Bovendien moet een waarde voor de vaste productiekosten worden vastgesteld om de kosten te dekken die niet waren opgenomen in de bovengenoemde productiefactoren. |
|
(186) |
De algemene productiekosten van de medewerkende producent-exporteur werden uitgedrukt als aandeel van de werkelijke productiekosten van de producent-exporteur. Dit percentage is op de niet-verstoorde productiekosten toegepast. |
|
(187) |
Om een niet-verstoord en redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst vast te stellen, heeft de Commissie zich gebaseerd op de financiële gegevens voor Ajinomoto (Malaysia) Berhad voor de periode eindigend op 31 maart 2020. De Commissie heeft die gegevens in de tweede mededeling aan de belanghebbenden ter beschikking gesteld. |
|
(188) |
Zoals vermeld in de tweede mededeling heeft de Commissie eerst de gecontroleerde winst- en verliesrekeningen en de toelichting bij de rekeningen van Ajinomoto (Malaysia) Berhad voor het jaar eindigend op 31 maart 2020 geanalyseerd om de kosten van verkopen en de VAA-kosten vast te stellen. Bepaalde soorten kosten werden rechtstreeks toegewezen aan de kosten van verkopen (bv. afschrijving van installaties, machines en uitrusting) of aan de VAA-kosten (bv. salarissen van bestuurders), naargelang van toepassing. Andere kosten werden uitgesplitst naar kosten van verkopen en VAA-kosten op basis van het aantal niet-uitvoerende (toegewezen aan kosten van verkopen) en andere (toegewezen aan VAA-kosten) werknemers. Met deze analyse heeft de Commissie de VAA-kosten uitgedrukt als percentage van de kosten van verkopen. |
|
(189) |
Naar aanleiding van de tweede mededeling merkte de indiener van het verzoek op dat de rentebaten ten belope van 2 894 308 MR niet als negatieve VAA-kosten mochten worden behandeld. |
|
(190) |
De Commissie was het ermee eens dat aangezien Ajinomoto (Malaysia) Berhad aanzienlijke liquide middelen aanhield, waaruit die baten afkomstig zouden zijn geweest, de ontvangen rente niet mocht worden opgenomen om de VAA-kosten in verband met de productie van het onderzochte product te verlagen. De Commissie heeft de VAA-kosten daarom in die zin gecorrigeerd. |
|
(191) |
De indiener van het verzoek stelde voorts dat de Commissie bij de vaststelling van het niveau van winstgevendheid rekening moest houden met de winstgevendheid van Ajinomoto (Malaysia) Berhad op haar industriële verkopen en niet met haar winstgevendheid op haar consumentenverkopen, aangezien zowel de indiener van het verzoek als Anhui Jinhe ace-K “business-to-business” verkopen. Hij gaf aan dat de winstgevendheid van de industriële sector kon worden berekend met behulp van de gesegmenteerde informatie op bladzijde 89 van het jaarverslag van 2020. |
|
(192) |
De Commissie merkte op dat op basis van de cijfers in het jaarverslag wel een winstpercentage voor de industriële verkopen had kunnen worden vastgesteld, maar geen equivalent percentage VAA-kosten voor industriële verkopen. De Commissie verwierp dit argument daarom en stelde de winst en de VAA-kosten vast op basis van de totaalcijfers van Ajinomoto (Malaysia) Berhad voor de gehele onderneming. |
|
(193) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde Anhui Jinhe verder dat de Commissie de VAA-kosten van Ajinomoto overschatte door alle “overige exploitatiekosten” aan te merken als VAA-kosten. De onderneming voerde aan dat delen van de “overige exploitatiekosten” noodzakelijkerwijs verkoopkosten en geen VAA-kosten zijn, aangezien bijvoorbeeld geen van de niet als “overige exploitatiekosten” geclassificeerde uitgaven betrekking lijken te hebben op energiekosten, die ten minste gedeeltelijk als productiekosten en niet als VAA-kosten moeten worden beschouwd. |
|
(194) |
De Commissie merkt op dat het jaarverslag van Ajinomoto geen duidelijke indicatie of uitsplitsing bevat van de kosten die in de categorie zijn opgenomen. De gedetailleerde informatie van de toerekening van de kosten voor de vaststelling van de VAA-kosten werd verstrekt in het kader van de tweede mededeling, en de belanghebbenden kregen tien dagen de tijd om opmerkingen te maken. Anhui Jinhe heeft op dat moment geen opmerkingen over dit aspect gemaakt. Zelfs indien de Commissie dit argument zou aanvaarden, zou dit echter niets afdoen aan de conclusies van het onderzoek dat de dumping (in hoge mate) in het onderzoektijdvak is voortgezet. |
3.5.3. Berekening
|
(195) |
Op basis daarvan heeft de Commissie de normale waarde per productsoort in het stadium af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
|
(196) |
Als eerste heeft de Commissie de niet-verstoorde productiekosten vastgesteld (die het verbruik van grondstoffen, arbeid en energie omvatten). De Commissie heeft de niet-verstoorde kosten per eenheid toegepast op het werkelijke verbruik van de individuele productiefactoren van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. De Commissie heeft het gebruik van de factoren vermenigvuldigd met de niet-verstoorde kosten per eenheid zoals die zijn vastgesteld in het representatieve land. |
|
(197) |
Ten tweede heeft de Commissie, om tot de niet-verstoorde productiekosten te komen, de algemene productiekosten erbij opgeteld. De algemene productiekosten van de medewerkende producent-exporteur werden verhoogd met de kosten van grondstoffen en hulpstoffen waarnaar in de overwegingen 168 tot en met 171 wordt verwezen, en vervolgens uitgedrukt als percentage van de werkelijke productiekosten van de medewerkende producent-exporteur. Dit percentage is op de niet-verstoorde productiekosten toegepast. |
|
(198) |
Nadat de niet-verstoorde productiekosten waren vastgesteld, heeft de Commissie de VAA-kosten en de winst toegepast, zoals vermeld in de overwegingen 188 tot en met 192. Zij werden vastgesteld op basis van de jaarrekeningen van Ajinomoto (Malaysia) Berhad zoals uiteengezet in overweging 187. |
|
(199) |
De VAA-kosten, uitgedrukt als percentage van de kosten van de verkochte goederen (“KVG”) en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroegen 32,7 %. De winst, uitgedrukt als percentage van de kosten van verkochte goederen en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroeg 22,8 %. |
|
(200) |
Op basis daarvan heeft de Commissie de normale waarde per productsoort af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
3.6. Uitvoerprijs
|
(201) |
De medewerkende producent-exporteur voerde rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers op de markt van de Unie. |
|
(202) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening was de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het betrokken product dat met het oog op uitvoer naar de Unie werd verkocht. |
3.7. Vergelijking
|
(203) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producent-exporteur vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(204) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. De uitvoerprijs werd gecorrigeerd voor vervoer, laden, overlading en lossing en bijkomende kosten in de VRC, zeevervoer en verzekering, kredietkosten, bankkosten en verpakking. |
3.8. Dumpingmarge
|
(205) |
Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening heeft de Commissie voor de medewerkende producent-exporteur de normale waarde van het soortgelijke product vergeleken met de uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product. |
|
(206) |
Op basis daarvan bedroeg de gewogen gemiddelde dumpingmarge, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, 67,6 %. |
|
(207) |
De gemiddelde prijzen bij invoer uit de VRC uit de officiële statistieken waren in lijn met de prijzen van Anhui Jinhe. Gezien de aanzienlijke dumpingmarge en het gebrek aan medewerking van andere producenten-exporteurs, oordeelde de Commissie dat de overige ondernemingen ook uitvoerden met dumping. |
|
(208) |
Derhalve werd geconcludeerd dat de dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd voortgezet. |
4. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING VAN DUMPING
|
(209) |
Na te hebben vastgesteld dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek sprake was van dumping, is de Commissie, in overeenstemming met artikel 11, lid 2, van de basisverordening, nagegaan of voortzetting van dumping waarschijnlijk zou zijn indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. De volgende bijkomende elementen zijn onderzocht: de productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en de waarschijnlijke prijzen en dumpingmarges indien de maatregelen worden ingetrokken. |
4.1. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC
|
(210) |
De Commissie analyseerde de situatie met betrekking tot de productiecapaciteit en de reservecapaciteit op basis van de informatie in het verzoek, de door Chinese producenten-exporteurs ingediende steekproefformulieren, het van de medewerkende producent-exporteur ontvangen antwoord op de vragenlijst, de ontvangen opmerkingen en websites van producenten in de VRC. |
|
(211) |
In het verzoek gaf de indiener aan dat de bestaande capaciteit in de VRC 39 500 ton bedroeg en dat de bezettingsgraad op basis van de mondiale verkoop minder dan 50 % bedroeg (73). |
|
(212) |
Anhui Jinhe betoogde dat slechts drie ondernemingen, Anhui Jinhe, Vitasweet en Yabang, ace-K produceerden in de VRC en legde bewijsmateriaal over om aan te tonen dat sommige van de in het verzoek vermelde Chinese producenten geen ace-K produceerden. |
|
(213) |
De Commissie aanvaardde het bewijs (74) van Anhui Jinhe, dat leek te suggereren dat Shandong MinghuiFood Co., Ltd, Suzhou PeacockFood Additive Co., Ltd en Suzhou Hope Technology Co., Ltd niet langer ace-K produceerden. Toch was er geen bewijs waaruit bleek dat hun capaciteit niet langer bestond, noch enige informatie over de vraag of de capaciteit op de korte termijn zou kunnen worden hersteld. |
|
(214) |
Met betrekking tot Hangzhou SanheFood Co., Ltd was de Commissie van oordeel dat, bij gebrek aan enig bewijs van het tegendeel, de onderneming nog steeds een producent was en concludeerde zij op basis van de website van de onderneming (75) dat zij een capaciteit van ten minste 5 000 ton heeft, en mogelijk meer. |
|
(215) |
De indiener van het verzoek verstrekte bewijsmateriaal dat een onderneming met de naam Nantong Hongxin capaciteit voor ace-K aan het aanleggen was voor een totaal van 15 000 ton, die in 2021 voltooid zou zijn (76), en dat een onderneming met de naam Ningxia Wanxiangyuan plannen had om een nieuwe productiefaciliteit voor ace-K te bouwen, met een capaciteit van 5 000 ton per jaar, die in oktober 2020 de milieubeoordelingsfase hadden doorstaan (77). De indiener van het verzoek verwees ook naar een aankondiging van Anhui Jinhe in 2017 over een mogelijke verhoging van de productiecapaciteit, maar verschafte geen bewijs van een dergelijke uitbreiding of van het volume van de betrokken productiecapaciteit. |
|
(216) |
Anhui Jinhe betwistte dit bewijs niet. |
|
(217) |
De Commissie heeft ook kennisgenomen van een andere mogelijke producent van ace-K in de VRC, Jiangxi Beiyang, maar heeft geen nadere informatie kunnen vinden over de mogelijke productie of productiecapaciteit van die producent. |
|
(218) |
Gezien al het beschikbare bewijsmateriaal oordeelde de Commissie dat de huidige Chinese capaciteit waarschijnlijk tussen 32 000 en 40 500 ton bedraagt en dat de capaciteit op de korte termijn waarschijnlijk met 20 000 ton zal toenemen tot 52 000 à 60 500 ton. |
|
(219) |
Anhui Jinhe schatte de jaarlijkse mondiale vraag naar ace-K op 18 000 à 20 000 ton en stelde dat die vraag met een jaarlijks groeipercentage van 2,3-4,5 % (waarvoor bewijs werd geleverd door de indiener van het verzoek) de beschikbare reservecapaciteit in de VRC snel zou uitputten. |
|
(220) |
Op basis van de huidige capaciteit in de VRC van 32 000 à 40 500 ton was evenwel duidelijk dat de VRC alleen gemakkelijk aan de bestaande mondiale vraag kon voldoen en dat ook minstens de komende tien jaar zou kunnen blijven doen. |
|
(221) |
De Commissie onderzocht eveneens de situatie op het gebied van reservecapaciteit. |
|
(222) |
Op basis van de beschikbare informatie over de drie ondernemingen waarvan Anhui Jinhe stelde dat zij momenteel ace-K produceren en over Hangzhou SanheFood Co. Ltd, concludeerde de Commissie dat deze vier ondernemingen waarschijnlijk over een reservecapaciteit van ongeveer 5 200 ton beschikken (78). Dit was ongeveer twee keer zoveel als het verbruik in de Unie gedurende het TNO (zie overweging 239). |
|
(223) |
De geraamde huidige reservecapaciteit van ongeveer 5 200 ton, gecombineerd met een aanvullende capaciteit van 20 000 ton die op de korte termijn tot stand zal worden gebracht in de VRC, is hoger dan de raming van Anhui Jinhe van de huidige mondiale vraag en ligt meer dan acht keer hoger dan het totaal verbruik in de Unie. |
|
(224) |
Er zal derhalve een aanzienlijke productiecapaciteit en reservecapaciteit zijn in de VRC om de verkoop aan de markt van de Unie aanzienlijk te verhogen indien de antidumpingmaatregelen zouden vervallen. |
4.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(225) |
De markt van de Unie was duidelijk aantrekkelijk voor Chinese exporteurs, gelet op hun aanhoudende massale aanwezigheid, zelfs met antidumpingmaatregelen — zoals vermeld in overweging 242 hadden zij tijdens het TNO [31 % tot 37 %] van het marktaandeel van de Unie in handen. |
|
(226) |
De Chinese overcapaciteit vormt een krachtige stimulans om uit te voeren in deze van nature op de uitvoer gerichte sector, aangezien er maar één buitenlandse concurrent is (de indiener van het verzoek). De Chinese exporteurs hebben het potentieel van andere uitvoermarkten dan de Unie reeds uitgeput, aangezien zij die markten reeds domineren, met een marktaandeel van gemiddeld meer dan 70 % (79). |
|
(227) |
In zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen betoogde Anhui Jinhe dat de Commissie niet had aangetoond dat de Unie een aantrekkelijke markt is voor de Chinese producenten van ace-K. In dit verband voerde Anhui Jinhe aan dat de indiener van het verzoek een toenemend aandeel van zijn productie aan derde markten verkocht, wat erop wees dat de markt van de Unie niet eens aantrekkelijk was voor de producent in de Unie. Bovendien voerde Anhui Jinhe aan dat de uitvoerprijs van de Chinese producenten naar de Unie gelijk was, of iets lager was dan hun prijs bij uitvoer naar niet-EU-markten. Op basis van het bovenstaande concludeerde Anhui Jinhe dat de markt van de Unie minder aantrekkelijk was voor Chinese producenten dan enige andere derde markt, als gevolg van de aanwezigheid van een lokale concurrent. |
|
(228) |
In zijn reactie op de opmerkingen van Anhui Jinhe voerde de indiener van het verzoek aan dat de antidumpingrechten de Chinese producenten-exporteurs niet van de markt van de Unie uitsloten. De indiener van het verzoek voerde verder aan dat de markt van de Unie mogelijk minder aantrekkelijk is voor Chinese producenten vanwege de geldende antidumpingrechten, maar dat als deze rechten zouden worden ingetrokken, de Chinese producenten de markt van de Unie als aantrekkelijk zouden beschouwen. |
|
(229) |
In dit verband herinnert de Commissie eraan dat de Chinese producenten-exporteurs zelfs na de instelling van antidumpingrechten een zeer belangrijk marktaandeel op de markt van de Unie hebben behouden, zoals beschreven in overweging 242. Indien de markt niet aantrekkelijk was, zou er van een dergelijke hoge penetratie geen sprake zijn. Dit geldt des te meer wanneer aanvullende antidumpingrechten van toepassing zijn, aangezien de invoerprijzen hoger zijn en de uitvoer naar de EU duurder wordt. In zulke omstandigheden zouden de exporteurs geen aanzienlijke hoeveelheden blijven verkopen op een onaantrekkelijke markt. Op basis van de in overweging 234 samengevatte bevindingen verwerpt de Commissie het bovenstaande argument. Indien de antidumpingrechten zouden vervallen, zouden de Chinese producenten in de gelegenheid worden gesteld hun verkoop en marktaandeel in de Unie te vergroten. |
|
(230) |
De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie werd verder bevestigd door de in de overwegingen 232 en 233 geanalyseerde prijselementen. |
4.3. Waarschijnlijke prijzen en dumpingmarges indien de maatregelen worden ingetrokken
|
(231) |
Anhui Jinhe stelde dat de uitvoerprijzen van ace-K uit de VRC naar derde landen hoger lagen dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie. Daarnaast voerde zij aan dat er geen beperkingen golden voor de verkoop van ace-K aan derde landen. |
|
(232) |
De Commissie stelde vast dat de Chinese prijzen bij uitvoer naar derde landen ongeveer op hetzelfde niveau lagen als de prijzen bij uitvoer naar de Unie. Dat wijst erop dat dumping een structurele strategie is om door te dringen op markten van derde landen en dat de dumping derhalve zal worden voortgezet. |
|
(233) |
Indien de bestaande rechten zouden komen te vervallen, kunnen Chinese producenten mogelijk tegen hogere prijzen verkopen aan de Unie dan aan derde landen, maar het aanzienlijke overaanbod in de VRC zou de prijzen waarschijnlijk doen zakken tot onder de huidige niveaus op de markt van de Unie. De dumpingmarge zal dus waarschijnlijk verder toenemen. |
4.4. Conclusie
|
(234) |
De Commissie stelde vast dat er in de VRC een aanzienlijke reservecapaciteit aanwezig was, die op de korte termijn waarschijnlijk nog verder zal toenemen. De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie bleek duidelijk uit het hoge marktaandeel van de Chinese producenten, ondanks de aanzienlijke bestaande antidumprechten. Voorts waren de prijzen op de markt van de Unie aantrekkelijk, en hoewel de Chinese producenten hun prijzen zouden kunnen verhogen ten opzichte van de huidige niveaus indien de maatregelen zouden vervallen, zou de overmatige reservecapaciteit in de VRC, in combinatie met de gematigde verwachte groeipercentages op de mondiale markt, de prijzen bij gebreke van maatregelen waarschijnlijk verder drukken. |
|
(235) |
De dumpingmarge was bovendien aanzienlijk. |
|
(236) |
Uit de analyse van de Commissie bleek dan ook dat er dumping had plaatsgevonden tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek en dat er waarschijnlijk aanzienlijke invoer met dumping zou blijven plaatsvinden indien de maatregelen zouden vervallen. |
5. SCHADE
5.1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie
|
(237) |
Het soortgelijke product werd in de beoordelingsperiode vervaardigd door één producent in de Unie. Deze producent vormt de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
5.2. Verbruik in de Unie
|
(238) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de verkoop op de vrije markt van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en de invoer uit de VRC en uit andere derde landen, zoals vermeld in invoerstatistieken op basis van de databank van artikel 14, lid 6. |
|
(239) |
Het verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt: Tabel 2 Verbruik in de Unie (in ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(240) |
Het verbruik van ace-K in de Unie is sinds het begin van de beoordelingsperiode met 6 % gestegen vanwege een grotere vraag naar suikervrije producten in de Unie. |
5.3. Invoer uit het betrokken land
5.3.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(241) |
De Commissie heeft het volume van de invoer vastgesteld op basis van de databank van artikel 14, lid 6. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van de databank van artikel 14, lid 6, en door de bedrijfstak van de Unie verstrekte gegevens. |
|
(242) |
De invoer uit het betrokken land ontwikkelde zich als volgt: Tabel 3 Volume en marktaandeel van de invoer
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(243) |
Het volume van de invoer uit de VRC vertoonde enige schommelingen, met een stijging van 4 % in 2018, gevolgd door een daling in 2019. Tijdens het TNO nam het invoervolume aanzienlijk toe, namelijk met 18 %, ten opzichte van het begin van de beoordelingsperiode. Deze toename sinds 2019 viel samen met een lichte afname van het verbruik in de Unie gedurende dezelfde periode. |
|
(244) |
Het marktaandeel van de invoer uit de VRC ontwikkelde zich op vergelijkbare wijze met het invoervolume, met een stijging van 3 % in 2018, gevolgd door een daling in 2019. Die daling kon tijdens het TNO worden goedgemaakt, met een toename van 11 % in vergelijking met het begin van de beoordelingsperiode. De Commissie stelde vast dat het marktaandeel van de invoer uit de VRC ondanks de afname van het verbruik in de Unie toenam gedurende het TNO, ten koste van het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, zoals beschreven in de overwegingen 257 en 258. |
5.3.2. Prijzen van de ingevoerde producten uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(245) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van gegevens uit de databank van artikel 14, lid 6. |
|
(246) |
De gemiddelde prijzen van de invoer uit het betrokken land ontwikkelden zich als volgt: Tabel 4 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(247) |
De gemiddelde prijzen bij invoer uit de VRC vertoonden een sterke stijging met 19 % tijdens de beoordelingsperiode. De invoerprijzen uit de VRC bleven aanzienlijk lager dan de prijzen in de Unie, zoals blijkt uit tabel 8. |
|
(248) |
De Commissie stelde de prijsonderbieding in het tijdvak van het nieuwe onderzoek vast aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(249) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de producent in de Unie in het TNO. Daaruit bleek een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van meer dan 10 %. Wanneer de antidumpingrechten buiten beschouwing worden gelaten, bedroeg de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge meer dan 45 %. |
5.4. Invoer uit andere derde landen dan de VRC
|
(250) |
De invoer van ace-K uit andere derde landen dan de VRC vertegenwoordigt een marktaandeel van slechts 1 à 4 % gedurende de beoordelingsperiode. Aangezien ace-K uitsluitend in de VRC en in de Unie wordt geproduceerd, was de Commissie van oordeel dat deze invoer onterecht als ace-K werd ingedeeld of dat de oorsprong ervan verkeerd werd opgegeven. De Commissie heeft deze invoer daarom niet verder in aanmerking genomen in haar schadeanalyse. |
5.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
5.5.1. Algemene opmerkingen
|
(251) |
De beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie omvatte een evaluatie van alle economische indicatoren die in de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren. |
5.5.1.1.
|
(252) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 5 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(253) |
Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie is tijdens de beoordelingsperiode gestegen met 14 %. Die stijging houdt ten eerste verband met de algemene stijging van de vraag naar ace-K, en ten tweede met het effect van de antidumpingrechten, waardoor de bedrijfstak zich kon herstellen en haar productie kon opvoeren. |
|
(254) |
De productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie is in de beoordelingsperiode op hetzelfde niveau gebleven. Hoewel de bedrijfstak van de Unie zich dankzij de antidumpingrechten kon herstellen, rechtvaardigde de ontwikkeling van de markt geen uitbreiding van de capaciteit. |
|
(255) |
De bezettingsgraad steeg in lijn met de in overweging 253 beschreven jaarlijkse productie en nam toe met 14 % vanwege de antidumpingrechten en de algemene stijging van de vraag naar ace-K. |
5.5.1.2.
|
(256) |
De verkoophoeveelheden en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Verkoopvolume en marktaandeel in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(257) |
Gedurende de beoordelingsperiode schommelde het verkoopvolume van de producent in de Unie. Het verkoopvolume nam in 2018 met 3 % af, gevolgd door een sterke stijging met 11 % in 2019 in vergelijking met het begin van de beoordelingsperiode. Tijdens het TNO liep het verkoopvolume terug tot het aanvankelijke niveau aan het begin van de beoordelingsperiode. |
|
(258) |
Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie schommelde tijdens de beoordelingsperiode en nam met 5 % af tijdens het TNO. |
5.5.1.3.
|
(259) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld in de Unie: Tabel 7 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(260) |
Van 2017 tot het einde van het onderzoektijdvak heeft de bedrijfstak van de Unie zijn personeelsbestand met 14 % verhoogd, in lijn met de toename van de productie. |
|
(261) |
Tegelijkertijd nam de productiviteit in dezelfde periode met 10 % toe. |
5.5.1.4.
|
(262) |
De dumpingmarge voor de medewerkende producent-exporteur zoals vermeld in overweging 206 lag aanzienlijk boven de de-minimisdrempel, en het volume en het marktaandeel van de invoer uit de VRC zoals beschreven in de overwegingen 243 en 244 waren tijdens de beoordelingsperiode nog steeds significant. |
|
(263) |
Hoewel er nog steeds dumping plaatsvond vanuit de VRC, slaagde de bedrijfstak van de Unie er evenwel in om zich te herstellen van eerdere dumpingpraktijken. |
5.5.1.5.
|
(264) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de enige producent in de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 8 Verkoopprijzen in de Unie
|
|||||||||||||||||||||||||
|
(265) |
De gemiddelde prijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Unie bij verkoop aan niet-verbonden afnemers nam tijdens de beoordelingsperiode met 35 % toe na instelling van de antidumpingmaatregelen. |
|
(266) |
De productiekosten bleven in de beoordelingsperiode stabiel. |
5.5.1.6.
|
(267) |
De gemiddelde loonkosten van de producent in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||
|
(268) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer in de bedrijfstak van de Unie stegen in de beoordelingsperiode met 11 %. |
5.5.1.7.
|
(269) |
De voorraden van de enige producent in de Unie ontwikkelden zich in de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 10 Voorraden
|
||||||||||||||||||||
|
(270) |
De voorraden namen in de beoordelingsperiode met 11 % toe. |
5.5.1.8.
|
(271) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de producent in de Unie hebben zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(272) |
De winstgevendheid van de producent in de Unie werd vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de omzet. De winstgevendheid vertoonde een sterke stijging met 93 % gedurende de beoordelingsperiode. De antidumpingrechten stelden de producent in de Unie in staat om opnieuw hoge winsten te behalen. |
|
(273) |
Uit het onderzoek bleek dat het TNO werd gekenmerkt door uitzonderlijke omstandigheden, die verband hielden met de uitbraak van de COVID-19-pandemie. Zo kochten grote afnemers van ace-K van levensmiddelen- en van farmaceutische kwaliteit in de eerste helft van 2020 grotere volumes ace-K van de bedrijfstak van de Unie om de toelevering van dit ingrediënt veilig te stellen. Ook werd het jaarlijkse onderhoud van de bedrijfstak van de Unie, waarbij de productie gedurende een bepaalde periode wordt stilgelegd, in 2020 uitgesteld ten opzichte van wanneer het gewoonlijk plaatsvindt, wat tot een hogere productie gedurende het TNO heeft geleid. Deze uitzonderlijke marktontwikkelingen leidden tot een stijging van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie ten opzichte van 2019 en tot een toename van de winst van de bedrijfstak van de Unie in het TNO. In het onderzoek werd vastgesteld dat als deze eenmalige effecten buiten beschouwing worden gelaten, de winst van de bedrijfstak van de Unie van dezelfde grootteorde zou zijn als vóór de uitzonderlijke omstandigheden, te weten in 2019. |
|
(274) |
De netto kasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De nettokasstroom liet een vergelijkbare stijging zien als de winstgevendheid, met 80 %, die opnieuw het positieve effect van de antidumpingrechten en de uitzonderlijke omstandigheden tijdens het TNO zoals beschreven in overweging 273 weerspiegelt. |
|
(275) |
Tijdens de beoordelingsperiode zijn de investeringen met 13 % afgenomen. Zoals beschreven in overweging 272 maakten de antidumpingrechten het mogelijk om de bedrijfsvoering opnieuw gezond te maken, maar rechtvaardigden zij geen investeringen in aanvullende productiecapaciteit. |
|
(276) |
Het rendement van investeringen is tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk gestegen, met 124 %. |
5.5.1.9.
|
(277) |
De meeste schade-indicatoren, zoals de productie, werkgelegenheid, bezettingsgraad, productiviteit, winstgevendheid en kasstroom ontwikkelden zich in positieve zin. Hoewel de ontwikkeling van de financiële indicatoren zoals het investeringsniveau, en het rendement van investeringen negatief is, zijn de absolute niveaus bevredigend en duiden zij niet op schade. |
|
(278) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie zich heeft hersteld van eerdere schade en in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
6. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE
|
(279) |
Zoals de Commissie heeft geconcludeerd in overweging 278, heeft de bedrijfstak van de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek geen aanmerkelijke schade geleden. Daarom heeft de Commissie overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening beoordeeld of herhaling van de oorspronkelijk door de invoer met dumping uit de VRC veroorzaakte schade waarschijnlijk is, mochten de maatregelen tegen invoer uit de VRC komen te vervallen. |
|
(280) |
De Commissie heeft de productiecapaciteit en reservecapaciteit in de VRC, de waarschijnlijke prijsniveaus van de invoer uit de VRC zonder antidumpingmaatregelen en de gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Unie, met inbegrip van het niveau van prijsonderbieding zonder antidumpingmaatregelen, onderzocht. |
|
(281) |
Zoals toegelicht in de overwegingen 210 tot en met 223 zal er derhalve een aanzienlijke productiecapaciteit en reservecapaciteit zijn in de VRC om de uitvoer naar de markt van de Unie snel te verhogen indien de antidumpingmaatregelen zouden vervallen. |
|
(282) |
Die aanzienlijke overcapaciteit en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie zoals beschreven in de overwegingen 225 tot en met 229 zouden waarschijnlijk leiden tot een massale extra uitvoer naar de Unie tegen dumpingprijzen, die vlot in het volledige verbruik in de Unie zou kunnen voorzien. |
|
(283) |
Op de wereldmarkt buiten de Unie, waar geen handelsbeschermingsmaatregelen gelden, hebben de Chinese producenten een dominant marktaandeel (gemiddeld meer dan 70 %). |
|
(284) |
Bij gebrek aan maatregelen zou het marktaandeel van Chinese producenten waarschijnlijk minstens even hoog worden als hun wereldwijde marktaandeel. |
|
(285) |
In haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Anhui Jinhe aan dat er geen machtspositie van de VRC op derde markten was, aangezien het beweerde marktaandeel van 70 % van de Chinese producenten op derde markten overeenkwam met hun aandeel in de totale productiecapaciteit in de wereld, en dit marktaandeel daarom een evenwichtige verdeling van de wereldmarkt tussen concurrerende producenten weerspiegelde. |
|
(286) |
In zijn reactie op de opmerkingen van Anhui Jinhe betoogde de indiener van het verzoek dat het argument van Anhui Jinhe was gebaseerd op een vergelijking van de totale Chinese productiecapaciteit met de totale productiecapaciteit van de indiener van het verzoek, en dat dit argument ongeldig was omdat er in de VRC sprake was van aanzienlijke overcapaciteit. |
|
(287) |
Het argument van Anhui Jinhe weerspiegelt de stapsgewijze benadering van de VRC van het industriebeleid: er wordt grote overcapaciteit opgebouwd op basis van verstoringen onder leiding van de staat; een groot deel van deze overcapaciteit wordt wereldwijd uitgevoerd; de concurrenten in de EU (en elders) worden gedecimeerd, niet op basis van echt concurrentievermogen, maar op basis van oneerlijke handel; Chinese ondernemingen bereiken in de hele wereld een belangrijke, zelfs dominante positie. Dit wordt dan als de “normale verdeling” gepresenteerd. De markten moeten echter niet worden gestuurd door de omvang van de concurrenten, maar veeleer door hun vermogen om op eerlijke basis onder gelijke voorwaarden te concurreren. Deze argumentatie geeft een Chinees betoog over de redenen achter de massale aanwezigheid van de VRC in de wereld. Dit neemt echter niet weg dat een dergelijke massale aanwezigheid aanzienlijke gevolgen heeft voor de mededinging en leidt tot de bevindingen van de Commissie dat het marktaandeel van de Chinese producenten op de markt van de Unie zonder antidumpingmaatregelen zeer waarschijnlijk aanzienlijk zou toenemen en dat dit een aanzienlijk verlies van marktaandeel voor de producent in de Unie met zich mee zou brengen. Derhalve werd het argument afgewezen. |
|
(288) |
Zonder de antidumpingrechten zouden de prijzen na inklaring van ace-K uit de VRC tussen 6,20 en 6,75 EUR/kg liggen. Wanneer deze prijzen worden vergeleken met de productiekosten per eenheid van de bedrijfstak van de Unie, exclusief de kosten voor vervoer en opslag, gedurende het TNO en de gemiddelde prijzen af fabriek voor de verkoop van ace-K van levensmiddelenkwaliteit in de Unie aan afnemers en aan handelaren, bleek uit de analyse dat de prijzen van de invoer uit de VRC de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie met meer dan 45 % zouden onderbieden. |
|
(289) |
Wanneer Chinese producenten-exporteurs in de EU dezelfde marktpenetratie zouden kennen als op andere wereldmarkten (gemiddeld ongeveer 70 %) (80), zou het verlies aan verkoop en de daaruit voortvloeiende stijging van de kosten van de bedrijfstak van de Unie bij gebreke van maatregelen aanzienlijke financiële verliezen met zich brengen, gelet op de waarschijnlijke prijsniveaus, en zou de winstgevendheid negatief worden. De schade zou dus binnen een korte periode aanmerkelijk worden en het voortbestaan van de bedrijfstak van de Unie in gevaar brengen. |
|
(290) |
Dit waarschijnlijke scenario wordt gestaafd door het bewijs dat de indiener van het verzoek heeft geleverd voor een aanzienlijk verlies van verkoop en van marktaandeel in het VK na de brexit en de daaruit voortvloeiende afschaffing van antidumpingmaatregelen voor ace-K. Zonder maatregelen zal zich op de markt van de Unie naar verwachting een soortgelijke situatie voordoen. |
|
(291) |
In zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Anhui Jinhe aan dat de indiener van het verzoek geen aanzienlijk verlies van omzet en marktaandeel in het Verenigd Koninkrijk heeft geleden door de afschaffing van antidumpingrechten als gevolg van de brexit. Bovendien voerde Anhui Jinhe aan dat er geen bewijs was opgenomen in het niet-vertrouwelijke dossier met betrekking tot de verkoop in het Verenigd Koninkrijk door de indiener van het verzoek en een toename van de Chinese uitvoer naar het VK. |
|
(292) |
In antwoord op de opmerkingen van Anhui Jinhe voerde de indiener van het verzoek aan dat Anhui Jinhe toegang had tot Chinese uitvoerstatistieken, en dat hij dergelijke uitvoergegevens ook in de loop van het onderzoek had verstrekt. Bovendien wees de indiener van het verzoek erop dat hij reeds verliezen leed vóór de opheffing van de antidumpingrechten in het VK. |
|
(293) |
In dit verband herinnert de Commissie eraan dat de indiener van het verzoek eerst zijn antwoorden op de vragenlijst heeft ingediend met gegevens waarin het VK in de verkopen in de EU was inbegrepen, en vervolgens een nieuwe versie met gegevens zonder het VK. De niet-vertrouwelijke versies van de twee antwoorden op de vragenlijst staan in het niet-vertrouwelijke dossier. De Commissie heeft ook de invoerstatistieken van het onderzochte product uit de VRC naar het VK geanalyseerd. In antwoord op de opmerkingen van Anhui Jinhe is in dit verband een notitie toegevoegd aan het niet-vertrouwelijke dossier van het onderzoek. Zowel de antwoorden op de vragenlijst als de statistieken bevestigden de bevindingen over het verlies van marktaandeel van de indiener van het verzoek vóór de intrekking van antidumpingrechten als gevolg van de brexit. Het bovenstaande argument van Anhui Jinhe is derhalve ongegrond. |
|
(294) |
Uit bovenstaande analyse is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie baat heeft gehad bij de instelling van rechten en dat zij van haar schadesituatie is hersteld nadat de maatregelen werden ingesteld. Bij gebrek aan maatregelen zou de verwachte enorme stijging van de invoer uit de VRC tegen schadeveroorzakende prijzen echter snel tot een achteruitgang van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie leiden, met aanmerkelijke schade tot gevolg. |
|
(295) |
Derhalve concludeerde de Commissie dat het ontbreken van maatregelen naar alle waarschijnlijkheid zou leiden tot een aanzienlijke toename van invoer met dumping tegen schadeveroorzakende prijzen uit het betrokken land en dat zich waarschijnlijk opnieuw aanmerkelijke schade zou voordoen. |
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(296) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen in strijd zou zijn met het belang van de Unie. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs en gebruikers. |
|
(297) |
Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld hun standpunten kenbaar te maken. |
|
(298) |
Op basis hiervan heeft de Commissie onderzocht of er, ondanks haar conclusie dat een voortzetting van dumping en herhaling van schade waarschijnlijk is, dwingende redenen bestonden om te concluderen dat de handhaving van de bestaande maatregelen niet in het belang van de Unie was. |
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(299) |
Zoals vermeld in overweging 278 heeft de bedrijfstak van de Unie zich hersteld van de schade als gevolg van de dumping in het verleden en zijn de activiteiten van de bedrijfstak levensvatbaar wanneer zij niet te lijden hebben onder onbillijke concurrentie door invoer met dumping. |
|
(300) |
Indien de maatregelen zouden komen te vervallen, zal de situatie van de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk snel achteruitgaan, zoals toegelicht in de overwegingen 279 tot en met 294. |
|
(301) |
Derhalve wordt geconcludeerd dat verlenging van de geldende maatregelen ten aanzien van de VRC in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs
|
(302) |
Zoals vermeld in overweging 29 heeft er geen niet-verbonden importeur aan het onderzoek meegewerkt. |
|
(303) |
Uit het onderhavige onderzoek bleek geen significant negatief effect van de geldende maatregelen op importeurs. |
|
(304) |
Bij het vorige onderzoek werd vastgesteld dat de importeurs negatieve gevolgen van de maatregelen zouden kunnen ondervinden, zij het in zeer beperkte mate. Ace-K maakt slechts een klein deel uit van de activiteiten van de importeurs, die over een ruimer productassortiment beschikken. |
|
(305) |
Derhalve komt uit de beschikbare informatie duidelijk naar voren dat de instelling van maatregelen voor de importeurs slechts een zeer beperkt effect zou hebben, indien hier überhaupt al sprake van zou zijn, en dat dit effect duidelijk te verwaarlozen zou zijn in vergelijking met de voordelen die de maatregelen voor de bedrijfstak van de Unie zouden kunnen meebrengen. |
7.3. Belang van de gebruikers
|
(306) |
Ace-K wordt hoofdzakelijk gebruikt als suikervervanger in de levensmiddelen- en drankensector, bijvoorbeeld in frisdrank of zuivelproducten. Ace-K wordt in beperktere mate gebruikt in de farmaceutische sector. |
|
(307) |
Geen van de gebruikers heeft medewerking aan het onderzoek verleend. |
|
(308) |
Uit het onderhavige onderzoek bleek geen significant negatief effect van de geldende maatregelen. Uit het vorige onderzoek tegen de VRC is gebleken dat ace-K voor het eindproduct een onbeduidende kostenpost betekent. Uit dat onderzoek bleek echter ook dat het gebruik van ace-K van essentieel belang is voor producten die reeds in de handel zijn. Er zouden nieuwe producten met alternatieve zoetstoffen kunnen worden ontwikkeld, maar het zou riskant en duur zijn om de formule van bestaande producten te wijzigen. Daarom werd het van groot belang geacht dat de gebruikers voor ace-K toegang tot alternatieve bronnen hebben. |
|
(309) |
Om deze redenen is de Commissie tot de conclusie gekomen dat, indien de maatregelen zouden worden verlengd, de impact op de economische situatie van de gebruikers waarschijnlijk niet significant zou zijn. |
7.4. Anderen factoren
7.4.1. Bevoorradingszekerheid
|
(310) |
De producent in de Unie stelde dat de bevoorradingszekerheid van ace-K van cruciaal belang is voor producenten van levensmiddelen en dranken en dat het niet in het belang van de Unie was om afhankelijk te worden van productleveringen uit slechts één land. De producent was voorts van mening dat zodra producenten van een drankproduct of levensmiddel ervoor hebben gekozen om ace-K als caloriearme zoetstof te gebruiken, zij niet naar een andere zoetstof kunnen overschakelen zonder de smaak van het product aanmerkelijk te veranderen en het beeld dat de consument heeft van het product te beïnvloeden. |
7.5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(311) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er, wat het belang van de Unie betreft, geen dwingende redenen zijn om de bestaande maatregelen ten aanzien van de invoer van ace-K van oorsprong uit de VRC niet te handhaven. |
|
(312) |
In de opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Anhui Jinhe aan dat voortzetting van de maatregelen niet in het belang van de Unie was. In dit verband betoogde Anhui Jinhe dat de indiener van het verzoek een beperkte productiecapaciteit en een hoge bezettingsgraad had en daarom niet in staat was de gehele markt te bevoorraden zonder zich van de exportmarkten te distantiëren. Bovendien was Anhui Jinhe van mening dat de gebruikers van ace-K afhankelijk waren van alternatieve bevoorradingsbronnen en dus geen andere keuze hadden dan de antidumpingrechten te betalen en deze door te berekenen aan de consumenten, waardoor de prijzen van levensmiddelen werden opgedreven. Ten slotte stelde Anhui Jinhe dat de strategie van gebruikers met meerdere leveranciers hoe dan ook voldoende bescherming zou bieden voor de indiener van het verzoek, omdat hierdoor wordt voorkomen dat de Chinese invoer aanzienlijke marktaandelen van de producent in de Unie zou opslokken. |
|
(313) |
In zijn reactie op de opmerkingen van Anhui Jinhe voerde de indiener van het verzoek aan dat hij over voldoende productiecapaciteit beschikte om de gehele markt van de Unie en zijn huidige uitvoer naar derde landen te bevoorraden. De indiener van het verzoek betoogde ook dat het effect van antidumpingrechten op de kosten van de eindproducten verwaarloosbaar was als gevolg van de zeer geringe dosering ace-K in dranken en voedingsmiddelen. Bovendien voerde de indiener van het verzoek aan dat, anders dan Anhui Jinhe beweert, de strategie van dubbele inkoop van gebruikers van ace-K er niet aan in de weg stond dat Chinese invoer in de periode voorafgaand aan het oorspronkelijke onderzoek aanzienlijke marktaandelen verwierf ten nadele van de producent in de Unie. |
|
(314) |
Met betrekking tot deze argumenten herinnert de Commissie eraan dat geen importeurs, gebruikers of consumentenorganisaties aan dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen hebben meegewerkt. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat er in de EU voldoende productiecapaciteit voor ace-K was om het verbruik te dekken, zoals vermeld in de overwegingen 239 en 252, naast de reservecapaciteit in China, zoals beschreven in de overwegingen 210 tot en met 223, en er derhalve geen risico bestond dat het onderzochte product onvoldoende zou worden geleverd. Ook heeft de Commissie geconstateerd dat het effect van ace-K op eindproducten in termen van kosten minimaal was, zoals beschreven in overweging 308. De Commissie wees de argumenten van FTT dan ook af. |
8. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(315) |
Op basis van de conclusies van de Commissie inzake voortzetting van dumping, herhaling van schade en belang van de Unie moeten de antidumpingmaatregelen ten aanzien van ace-K uit de VRC worden gehandhaafd. |
|
(316) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (81) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(317) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op acesulfaamkalium (kaliumzout van 6-methyl- 1,2,3-oxathiazin-4(3H) -on- 2,2-dioxide; CAS-nummer 55589-62-3) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2934 99 90 (Taric-code 2934999021).
2. De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, zijn als volgt:
|
Onderneming |
Antidumpingrecht — EUR per kg netto |
Aanvullende Taric-code |
|
Anhui Jinhe Industrial Co., Ltd |
4,58 |
C046 |
|
Suzhou Hope Technology Co., Ltd |
4,47 |
C047 |
|
Anhui Vitasweet Food Ingredient Co., Ltd |
2,64 |
C048 |
|
Alle andere ondernemingen |
4,58 |
C999 |
3. De toepassing van het individuele antidumpingrecht dat voor de in lid 2 vermelde ondernemingen is vastgesteld, is afhankelijk van de overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur die naast naam en functie volgende, door een medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld gedateerde en ondertekende verklaring bevat: “Ondergetekende verklaart dat [de hoeveelheid] acesulfaamkalium die naar de Europese Unie is uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door [naam en adres van de onderneming] [aanvullende Taric-code] in de Volksrepubliek China. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor “alle andere ondernemingen” geldt.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 januari 2022.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1963 van de Commissie van 30 oktober 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op acesulfaamkalium van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 287 van 31.10.2015, blz. 1).
(3) Bericht van het naderend vervallen van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 46 van 11.2.2020, blz. 8).
(4) Aangezien er slechts één producent van Ace-K in de Unie is, worden sommige gegevens in deze verordening gepresenteerd in de vorm van een bereik of in geïndexeerde vorm om de vertrouwelijkheid van de gegevens van de producent in de Unie te waarborgen.
(5) Bericht van opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van acesulfaamkalium (ace-K) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C 366 van 30.10.2020, blz. 13).
(6) Op 31 januari 2020 heeft het Verenigd Koninkrijk de Unie verlaten. De Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk zijn het eens geworden over een overgangsperiode waarin het Verenigd Koninkrijk onderworpen bleef aan het recht van de Unie en die op 31 december 2020 afliep. Het Verenigd Koninkrijk is niet langer een lidstaat van de Unie en wordt daarom in de cijfers, bevindingen en conclusies in deze verordening behandeld als derde land.
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/787 van de Commissie van 19 mei 2015 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op acesulfaamkalium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en acesulfaamkalium van oorsprong uit de Volksrepubliek China in bepaalde preparaten en/of mengsels (PB L 125 van 21.5.2015, blz. 15).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/765 van de Commissie van 14 mei 2019 tot intrekking van het antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van deze invoer, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad, overweging 89 (PB L 126 van 15.5.2019, blz. 4).
(9) Verordening (EG) nr. 240/2008 van de Raad van 17 maart 2008 tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad, overweging 76 (PB L 75 van 18.3.2008, blz. 33).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 135/2014 van de Raad van 11 februari 2014 tot intrekking van het antidumpingrecht op dicyaandiamide van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009, overweging 70 (PB L 43 van 13.2.2014, blz. 1).
(11) Verordening (EG) nr. 240/2008 van de Raad van 17 maart 2008 tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad, overweging 102 (PB L 75 van 18.3.2008, blz. 33).
(12) Besluit 2001/230/EG van de Commissie van 21 februari 2001 tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Brazilië, de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela (PB L 84 van 23.3.2001, blz. 36).
(13) https://trade.ec.europa.eu/tdi/case_details.cfm?id=2491
(14) Mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6).
(15) Werkdocument van de diensten van de Commissie, “Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the purposes of Trade Defence Investigations”, 20 december 2017, SWD(2017) 483 final/2.
(16) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/546 van de Commissie van 29 maart 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op elektrische fietsen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 109 van 30.3.2021, blz. 1).
(17) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 6-7.
(18) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 10.
(19) Beschikbaar op http://www.fdi.gov.cn/1800000121_39_4866_0_7.html (laatst geraadpleegd op 15 juli 2019).
(20) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 20-21.
(21) Rapport — hoofdstuk 3, blz. 41, 73-74.
(22) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 120-121.
(23) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 122-135.
(24) Rapport — hoofdstuk 7, blz. 167-168.
(25) Rapport — hoofdstuk 8, blz. 169-170, 200-201.
(26) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 15-16, rapport — hoofdstuk 4, blz. 50, blz. 84, rapport — hoofdstuk 5, blz. 108-109.
(27) Rapport — hoofdstuk 3, blz. 22-24, en hoofdstuk 5, blz. 97-108.
(28) Rapport — hoofdstuk 5, blz. 104-109.
(29) Rapport — hoofdstuk 5, blz. 100-101.
(30) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 26.
(31) Rapport — hoofdstuk 2, blz. 31-32.
(32) Beschikbaar op https://www.reuters.com/article/us-china-congress-companies-idUSKCN1B40JU (laatst geraadpleegd op 15 juli 2019).
(33) Beschikbaar op www.gov.cn/zhengce/2020-09/15/content_5543685.htm (laatst geraadpleegd op 10 maart 2021).
(34) Financial Times (2020) “Chinese Communist Party asserts greater control over private enterprise” (“Chinese Communistische Partij vergroot controle over particuliere ondernemingen”), beschikbaar op: https://on.ft.com/3mYxP4j
(35) Website van Anhui Jinhe Industrial (jinheshiye.com).
(36) Rapport — hoofdstukken 14.1 tot en met 14.3.
(37) Rapport — hoofdstuk 4, blz. 41-42, 83.
(38) Analyse van Anhui Jinhe Industrial door Zhongtai Securities, februari 2020 (dfcfw.com).
(39) Dertiende vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de petrochemische en de chemische industrie 2016-2020, te lezen op de website van de NDRC.
(40) Aankondiging van Anhui Jinhe Industrial bij de ondertekening van een raamovereenkomst met het district Dingyuan inzake het project voor een industriepark voor de circulaire economie — 24 november 2017, zoals gepubliceerd op de website voor financiële informatie cninfo.com.cn
(41) Jaarverslag 2020 van Anhui Jinhe Industrial (dfcfw.com).
(42) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 138-149.
(43) Rapport — hoofdstuk 9, blz. 216.
(44) Rapport — hoofdstuk 9, blz. 213-215.
(45) Rapport — hoofdstuk 9, blz. 209-211.
(46) Rapport — hoofdstuk 13, blz. 332-337.
(47) Rapport — hoofdstuk 13, blz. 336.
(48) Rapport — hoofdstuk 13, blz. 337-341.
(49) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 114-117.
(50) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 119.
(51) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 120.
(52) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 121-122, 126-128, 133-135.
(53) Zie het officiële beleidsdocument van de Chinese regelgevende commissie voor het bank- en verzekeringswezen (CBIRC, China Banking and Insurance Regulatory Commission) van 28 augustus 2020: Three-year action plan for improving corporate governance of the banking and insurance sectors (2020-2022), http://www.cbirc.gov.cn/cn/view/pages/ItemDetail.html?docId=925393&itemId=928 (laatst geraadpleegd op 3 april 2021). In het plan wordt opgedragen “ aan de geest van de keynote speech van secretaris-generaal Xi Jinping over de te boeken vooruitgang bij de hervorming van de corporate governance in de financiële sector verder uitvoering te geven ”. Bovendien is afdeling II van het plan gericht op het bevorderen van de organische integratie van de partijleiding in corporate governance: “ wij laten de integratie van het leiderschap van de Partij in het ondernemingsbestuur systematischer, gestandaardiseerder en meer op basis van procedures verlopen [...] Belangrijke operationele en beheersaangelegenheden moeten door het partijcomité zijn besproken voordat de raad van bestuur of de directie hierover een besluit neemt. ”.
(54) Zie de Mededeling over de evaluatiemethode voor de prestaties van commerciële banken van de CBIRC, bekendgemaakt op 15 december 2020 http://jrs.mof.gov.cn/gongzuotongzhi/202101/t20210104_3638904.htm (laatst geraadpleegd op 12 april 2021).
(55) Zie IMF Working Paper “Resolving China’s Corporate Debt Problem”, door Wojciech Maliszewski, Serkan Arslanalp, John Caparusso, José Garrido, Si Guo, Joong Shik Kang, W. Raphael Lam, T. Daniel Law, Wei Liao, Nadia Rendak, Philippe Wingender, Jiangyan, oktober 2016, WP/16/203.
(56) Rapport — hoofdstuk 6, blz. 121-122, 126-128, 133-135.
(57) Zie OESO (2019), OECD Economic Surveys: China 2019, OECD Publishing, Parijs, blz. 29.
https://doi.org/10.1787/eco_surveys-chn-2019-en
(58) Zie: http://www.xinhuanet.com/fortune/2020-04/20/c_1125877816.htm (laatst geraadpleegd op 12 april 2021).
(59) World Bank Open Data — Upper Middle Income, https://data.worldbank.org/income-level/upper-middle-income
(60) Als het onderzochte product in geen enkel land met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau wordt geproduceerd, kan de productie van een product in dezelfde algemene categorie en/of sector als van het onderzochte product in aanmerking worden genomen.
(61) https://globalfinancials.com/index-admin.html
(62) https://www.ajinomoto.com.my/investors/annual-reports
(63) http://qdd.oecd.org/subject.aspx?Subject=ExportRestrictions_IndustrialRawMaterials
(64) https://www.globaltradealert.org/data_extraction
(65) Aangezien antidumpingrechten niet worden herzien bij nieuwe onderzoeken bij het vervallen van maatregelen, zou het gebruik van deze twee grondstoffen om de normale waarde te berekenen in beginsel geen gevolgen hebben voor de algemene bevindingen van dit nieuwe onderzoek. In dit specifieke geval zouden eventuele effecten zelfs in het voordeel van de producenten-exporteurs uitpakken, aangezien de door berekening vastgestelde normale waarde en de eruit voortvloeiende dumpingmarge mogelijk hoger zouden zijn bij gebreke van dergelijke vergunningseisen.
(66) Financiële staten Ajinomoto (Maleisië) Berhad over het per 31 maart 2020 afgesloten jaar, blz. 84.
(67) Financiële staten Ajinomoto (Maleisië) Berhad over het per 31 maart 2020 afgesloten jaar, blz. 45.
(68) https://www.ilmia.gov.my/index.php/my/labour-cost
(69) https://www.tnb.com.my/commercial-industrial/pricing-tariffs1
https://www.tnb.com.my/assets/files/Tariff_Rate_Final_01.Jan.2014.pdf
(70) Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33).
(71) https://www.ilmia.gov.my/index.php/my/labour-cost
(72) https://www.tnb.com.my/commercial-industrial/pricing-tariffs1
https://www.tnb.com.my/assets/files/Tariff_Rate_Final_01.Jan.2014.pdf
(73) Open versie van het verzoek, blz. 41.
(74) Certificaat dat op 2 maart 2021 werd uitgegeven door de China Food Additives and Ingredients Association, verstrekt door Anhui Jinhe op dia 16 van haar open bijdrage van 4 maart 2021, en aankondiging van de volksrechtbank ter bevestiging van het faillissement van Hope, verstrekt door Anhui Jinhe op dia 17 van haar open bijdrage van 4 maart 2021.
(75) http://www.hzsanhe.com/default2.asp
(76) http://www.cninfo.com.cn/new/disclosure/detail?plate=sse&orgId=9900023704&stockCode=603968&announcementId=1209844300&announcementTime=2021-04-27%2018:00, blz. 30.
(77) Open opmerkingen van de indiener van het verzoek van 8 juni 2021, bijlage I.
(78) Dit omvat beste ramingen van de potentiële reservecapaciteit voor twee ondernemingen op basis van informatie in ontvangen opmerkingen en/of een van een Chinese producent-exporteur ontvangen steekproefformulier.
(79) Niet-vertrouwelijke versie van het verzoek, blz. 41.
(80) Zie overweging 255.
(81) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).