|
26.9.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 248/46 |
UITVOERINGSRICHTLIJN (EU) 2022/1647 VAN DE COMMISSIE
van 23 september 2022
tot wijziging van Richtlijn 2003/90/EG wat betreft een afwijking voor biologische rassen van landbouwgewassen die geschikt zijn voor biologische teelt
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (1), en met name artikel 7, lid 2, punten a) en b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2003/90/EG van de Commissie (2) heeft tot doel ervoor te zorgen dat de rassen van landbouwgewassen die de lidstaten in hun nationale lijsten opnemen, aan de protocollen voldoen die door het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP/CPVO) zijn vastgesteld. Met die protocollen wordt met name beoogd de naleving te waarborgen van de voorschriften betreffende de kenmerken waartoe het onderzoek van de onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van bepaalde rassen van landbouwwassen zich ten minste moet uitstrekken en de minimumeisen voor dat onderzoek. Voor de gewassen die niet onder de protocollen van het CPVO vallen, wordt met die richtlijn beoogd te waarborgen dat de richtsnoeren van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten (UPOV) worden nageleefd. |
|
(2) |
Rassen van landbouwgewassen moeten onder meer voldoen aan de eisen van bijlage III bij Richtlijn 2003/90/EG betreffende het onderzoek van de cultuur- en gebruikswaarde. |
|
(3) |
Er moet worden gewaarborgd dat producenten biologische rassen kunnen gebruiken die als gevolg van biologische veredeling geschikt zijn voor biologische teelt. Sommige hiervan voldoen aan de vereisten met betrekking tot onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van alle andere rassen van dezelfde soort, maar bij andere voor biologische teelt bestemde rassen zijn de afzonderlijke teelteenheden genetisch en fenotypisch erg divers. |
|
(4) |
Daarom zijn de normen voor homogeniteit in de bestaande protocollen en richtsnoeren voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van het CPVO en de UPOV niet geschikt voor biologische rassen voor biologische teelt die genetisch en fenotypisch erg divers zijn. Bovendien moeten voor het onderzoek van de cultuur- en gebruikswaarde beginselen worden vastgesteld die beantwoorden aan de eisen van de biologische sector. |
|
(5) |
Om die reden moet worden voorzien in de mogelijkheid om af te wijken van de bestaande protocollen voor onderzoek naar onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid en in eisen voor het onderzoeken van de cultuur- en gebruikswaarde die beter op voor biologische productie geschikte biologische rassen zijn afgestemd. |
|
(6) |
Het moet daarom mogelijk zijn de bestaande protocollen voor het onderzoeken van rassen van bepaalde soorten aan te passen om aan de behoeften van de biologische landbouw te voldoen. Het is derhalve passend om van bepaalde bepalingen van artikel 1 van Richtlijn 2003/90/EG af te wijken en specifieke eisen voor het onderzoek van de cultuur- en gebruikswaarde vast te stellen. |
|
(7) |
De lidstaten moeten tot en met 31 december 2030 uiterlijk op 31 december van elk jaar verslag uitbrengen aan de Commissie en de andere lidstaten over het aantal aanvragen en de resultaten van de onderzoeken inzake de onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid en inzake de cultuur- en gebruikswaarde, teneinde te waarborgen dat die vereisten regelmatig worden geëvalueerd en dat wordt nagegaan of de vereisten moeten worden aangepast, geschrapt of ook moeten worden toegepast op andere soorten. |
|
(8) |
Richtlijn 2003/90/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
De bevoegde autoriteiten en de betrokken marktdeelnemers moeten voldoende tijd hebben om zich naar behoren voor te bereiden voordat de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn van toepassing worden. |
|
(10) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Richtlijn 2003/90/EG
Richtlijn 2003/90/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
De tekst in de bijlage bij deze richtlijn wordt toegevoegd als de bijlagen IV en V. |
Artikel 2
Omzetting
1. De lidstaten stellen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, en maken deze bepalingen uiterlijk op 30 juni 2023 bekend. Zij delen de Commissie de tekst van deze bepalingen onverwijld mede.
Zij passen deze bepalingen toe vanaf 1 juli 2023.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten doen de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen aan de Commissie toekomen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 23 september 2022.
Voor de Commissie
Stella KYRIAKIDES
Lid van de Commissie
(1) PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1.
(2) Richtlijn 2003/90/EG van de Commissie van 6 oktober 2003 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PB L 254 van 8.10.2003, blz. 7).
BIJLAGE
“BIJLAGE IV
DEEL A
Lijst van de in artikel 1, lid 2, tweede alinea, bedoelde gewassen
Gerst
Maïs
Rogge
Tarwe
DEEL B
Specifieke bepalingen met betrekking tot tests inzake onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van biologische rassen van landbouwgewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
1. Algemene regel
Het volgende is van toepassing op biologische rassen van landbouwgewassen die geschikt zijn voor de biologische teelt:
|
1.1. |
wat betreft onderscheidbaarheid en bestendigheid moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven; |
|
1.2. |
wat betreft homogeniteit moeten alle kenmerken van de in de bijlagen I en II genoemde protocollen en richtsnoeren worden nageleefd en beschreven, en is het volgende van toepassing voor de in punt 2 genoemde kenmerken:
|
2. Afwijking van technische protocollen
2.1. Gerst
Voor de rassen van het gewas gerst (Hordeum vulgare L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-019/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
|
CPVO nr. 5 |
— |
vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes |
|
CPVO nr. 8 |
— |
vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt |
|
CPVO nr. 9 |
— |
kafnaalden: anthocyaankleuring van de toppen |
|
CPVO nr. 10 |
— |
aar: mate van bedekking met een waas |
|
CPVO nr. 12 |
— |
graankorrel: anthocyaankleuring van de nerven van de lemma’s |
|
CPVO nr. 16 |
— |
steriel aartje: stand |
|
CPVO nr. 17 |
— |
aar: vorm |
|
CPVO nr. 20 |
— |
kafnaald: lengte |
|
CPVO nr. 21 |
— |
aarspil: lengte van het eerste segment |
|
CPVO nr. 22 |
— |
aarspil: kromming van het eerste segment |
|
CPVO nr. 23 |
— |
middelste aartje: lengte van het kelkkafje en de kafnaald in verhouding tot de graankorrel |
|
CPVO nr. 25 |
— |
graankorrel: vertakking van de zijnerven aan de binnenkant van de dorsale zijde van de lemma’s |
2.2. Maïs
Voor de rassen van het gewas maïs (Zea mays L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP-002/3 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
|
CPVO nr. 1 |
— |
eerste blad: anthocyaankleuring van de bladschede |
|
CPVO nr. 2 |
— |
eerste blad: vorm van de top |
|
CPVO nr. 8 |
— |
pluim: anthocyaankleuring van het kelkkafje, met uitzondering van de basis |
|
CPVO nr. 9 |
— |
pluim: anthocyaankleuring van de helmknoppen |
|
CPVO nr. 10 |
— |
pluim: de hoek tussen de hoofdtak en de zijtakken |
|
CPVO nr. 11 |
— |
pluim: kromming van zijtakken |
|
CPVO nr. 15 |
— |
stengel: anthocyaankleuring van de steunwortels |
|
CPVO nr. 16 |
— |
pluim: dichtheid van de aartjes |
|
CPVO nr. 17 |
— |
blad: anthocyaankleuring van de bladschede |
|
CPVO nr. 18 |
— |
stengel: anthocyaankleuring van de stengelleden |
|
CPVO nr. 19 |
— |
pluim: lengte van de hoofdtak boven de laagste zijtak |
|
CPVO nr. 20 |
— |
pluim: lengte van de hoofdtak boven de hoogste zijtak |
|
CPVO nr. 21 |
— |
pluim: lengte van de zijtak |
2.3. Rogge
Voor de rassen van het gewas rogge (Secale cereale L.) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/058/1 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
|
CPVO nr. 3 |
— |
pluimschede (coleoptiel): anthocyaankleuring |
|
CPVO nr. 4 |
— |
pluimschede: lengte |
|
CPVO nr. 5 |
— |
eerste blad: lengte van de bladschede |
|
CPVO nr. 6 |
— |
eerste blad: lengte van de bladschijf |
|
CPVO nr. 8 |
— |
vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt |
|
CPVO nr. 10 |
— |
blad naast het vlagblad: lengte van de bladschijf |
|
CPVO nr. 11 |
— |
blad naast het vlagblad: breedte van de bladschijf |
|
CPVO nr. 12 |
— |
aar: mate van bedekking met een waas |
|
CPVO nr. 13 |
— |
stengel: beharing onder de aar |
2.4. Tarwe
Voor de rassen van het gewas tarwe (Triticum aestivum L. subsp. aestivum) mogen de volgende kenmerken wat betreft onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid van CPVO-protocol CPVO/TP/003/5 van het geteste ras voor homogeniteit afwijken van de volgende eisen voor onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid:
|
CPVO nr. 3 |
— |
pluimschede: anthocyaankleuring |
|
CPVO nr. 6 |
— |
vlagblad: anthocyaankleuring van de oortjes |
|
CPVO nr. 8 |
— |
vlagblad: mate waarin de bladschede met een waas is bedekt |
|
CPVO nr. 9 |
— |
vlagblad: mate waarin de bladspiegel met een waas is bedekt |
|
CPVO nr. 10 |
— |
aar: mate van bedekking met een waas |
|
CPVO nr. 11 |
— |
halm: mate waarin de nek met een waas is bedekt |
|
CPVO nr. 20 |
— |
aar: vorm in zijaanzicht |
|
CPVO nr. 21 |
— |
bovenste segment aarspil: behaarde gebied op het convexe oppervlak |
|
CPVO nr. 22 |
— |
onderste kelkkafje: breedte van de schouder |
|
CPVO nr. 23 |
— |
onderste kelkkafje: vorm van de schouder |
|
CPVO nr. 24 |
— |
onderste kelkkafje: lengte van de punt |
|
CPVO nr. 25 |
— |
onderste kelkkafje: vorm van de punt |
|
CPVO nr. 26 |
— |
onderste kelkkafje: behaarde gebied op het binnenoppervlak |
BIJLAGE V
DEEL A
Lijst van de in artikel 1, lid 3, tweede alinea, bedoelde gewassen
Gerst
Maïs
Rogge
Tarwe
DEEL B
Voorwaarden waaraan moet worden voldaan — cultuur- en gebruikswaarde van biologische rassen die geschikt zijn voor de biologische teelt
|
1. |
Het onderzoek naar cultuur- en gebruik wordt onder biologische omstandigheden uitgevoerd, overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EU) 2018/848, en met name de algemene beginselen van artikel 5, punten d), e), f) en g), en de voorschriften voor de plantaardige productie uit hoofde van artikel 12. |
|
2. |
Bij het rassenonderzoek en bij de evaluatie van de onderzoeksresultaten wordt rekening gehouden met de specifieke behoeften en doelstellingen van biologische landbouw. Er wordt onderzoek gedaan naar de weerstand tegen of de tolerantie voor ziekten en naar de aanpassing aan de verschillende plaatselijke bodem- en klimaatomstandigheden. |
|
3. |
Indien de bevoegde autoriteiten niet in staat zijn te voorzien in een onderzoek onder biologische omstandigheden of in het onderzoek van bepaalde kenmerken — waaronder de vatbaarheid voor ziekten — kunnen tests worden uitgevoerd overeenkomstig een van de volgende punten:
Een ras bezit voldoende cultuur- of gebruikswaarde wanneer het ten opzichte van de andere in de lijst van de betrokken lidstaat opgenomen voor biologische teelt geschikte biologische rassen door het geheel van zijn hoedanigheden, ten minste voor de productie in een bepaald gebied, een duidelijke verbetering betekent, hetzij voor de teelt, hetzij voor de valorisatie van de oogst of van de daaruit verkregen producten. Voor het onderzoek naar de cultuur- en gebruikswaarde worden superieure kenmerken voor de landbouwproductie — wat betreft landbouwpraktijken en de productie van levensmiddelen of diervoeders, die voordelen bieden voor biologische landbouw — als bijzonder waardevol beschouwd. |
|
4. |
De bevoegde autoriteit voorziet in verschillende onderzoeksomstandigheden die op de specifieke behoeften van de biologische landbouw zijn afgestemd, en onderzoekt afhankelijk van haar capaciteit, op verzoek van de aanvrager, specifieke eigenschappen en kenmerken, indien reproduceerbare methoden beschikbaar zijn. |