17.11.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/71


BESLUIT (EU) 2022/2255 VAN DE COMMISSIE

van 24 oktober 2022

betreffende de aanvang van het gedetailleerde onderzoek van bepaalde prestatiedoelstellingen in het herziene ontwerpprestatieplan voor de derde referentieperiode dat op het niveau van de functionele luchtruimblokken door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland is ingediend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2022) 7438)

(Slechts de tekst in de Nederlandse, Franse en Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (1) (“de kaderverordening”) en met name artikel 11, lid 3, punt c), tweede alinea,

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 van de Commissie van 11 februari 2019 tot vaststelling van een prestatie- en heffingsregeling in het gemeenschappelijk Europees luchtruim en tot intrekking van Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 390/2013 en (EU) nr. 391/2013 (2), en met name artikel 15, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

ALGEMENE OVERWEGINGEN

(1)

Krachtens artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 van de Commissie moeten de lidstaten, op nationaal niveau of op het niveau van functionele luchtruimblokken (FAB’s), bindende prestatiedoelstellingen vaststellen voor elke referentieperiode van de prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties. Die prestatiedoelstellingen moeten verenigbaar zijn met de Uniewijde prestatiedoelstellingen die door de Commissie zijn vastgesteld voor de betreffende referentieperiode.

(2)

De Uniewijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode (RP3) werden aanvankelijk vastgesteld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/903 (3) van de Commissie. Aangezien die Uniewijde prestatiedoelstellingen en de ontwerpprestatieplannen voor RP3 die in oktober 2019 door de lidstaten werden ingediend, waren opgesteld vóór de uitbraak van de COVID-19-pandemie in maart 2020, werd daarin geen rekening gehouden met de aanzienlijke terugval van het luchtverkeer ten gevolge van de maatregelen die de lidstaten en derde landen hebben genomen om de pandemie in te dammen.

(3)

Als reactie op de impact van de COVID-19-pandemie op de verlening van luchtvaartnavigatiediensten zijn in Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1627 (4) van de Commissie uitzonderlijke maatregelen voor RP3 vastgesteld, die afwijken van de bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317. De Commissie heeft op 2 juni 2021 Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/891 (5) vastgesteld, met herziene Uniewijde prestatiedoelstellingen voor RP3. Op basis hiervan hebben de lidstaten in oktober 2021 bij de Commissie ontwerpprestatieplannen ingediend met herziene lokale prestatiedoelstellingen voor RP3.

(4)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 (6) van de Commissie inzake de inconsistentie van bepaalde prestatiedoelstellingen in de ontwerpen van nationale prestatieplannen en prestatieplannen voor functionele luchtruimblokken was gericht tot België, Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Cyprus, Letland, Luxemburg, Malta, Nederland, Roemenië en Zweden.

(5)

Met betrekking tot het ontwerpprestatieplan voor RP3 dat op het niveau van de functionele luchtruimblokken door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland is vastgesteld (“FABEC-ontwerpprestatieplan”), heeft de Commissie vastgesteld dat de prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie voor de Belgisch-Luxemburgse en-routeheffingszone niet verenigbaar zijn met de Uniewijde prestatiedoelstellingen en heeft zij aanbevelingen gedaan voor de herziening van die doelstellingen.

(6)

In antwoord op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne, die op 24 februari 2022 begon, heeft de Unie beperkende maatregelen vastgesteld waarbij Russische luchtvaartmaatschappijen, alle in Rusland geregistreerde luchtvaartuigen en alle niet in Rusland geregistreerde luchtvaartuigen die eigendom zijn van, worden gecharterd door of anderszins onder zeggenschap staan van Russische natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of organen het verbod krijgen opgelegd om in de Unie te landen of op te stijgen of de Unie te overvliegen. Deze beperkende maatregelen en de door Rusland genomen tegenmaatregelen hebben geleid tot veranderingen in het luchtverkeer in het Europese luchtruim. Sommige lidstaten zijn zwaar getroffen door een aanzienlijke daling van het aantal overvliegende luchtvaartuigen in het luchtruim dat onder hun verantwoordelijkheid valt. Op het niveau van de Unie is de waargenomen impact van die maatregelen op het aantal vluchten echter beperkt gebleven, wat in contrast staat met de sterke afname van het luchtverkeer in heel Europa als gevolg van de uitbraak van de COVID-19-pandemie.

(7)

België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland hebben op 13 juli 2022 een herzien FABEC-prestatieplan voor RP3 ingediend ter beoordeling door de Commissie.

(8)

Het prestatiebeoordelingsorgaan, dat de Commissie bijstaat bij de tenuitvoerlegging van de prestatieregeling overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004, heeft een verslag met zijn beoordeling over het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan bij de Commissie ingediend.

(9)

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 heeft de Commissie de verenigbaarheid van de lokale prestatiedoelstellingen in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan beoordeeld op basis van de criteria die zijn vastgesteld in punt 1 van bijlage IV bij die Uitvoeringsverordening, en rekening houdende met lokale omstandigheden. De Commissie heeft de beoordeling voor elk prestatiekerngebied en de bijbehorende prestatiedoelstellingen voltooid door de ontwerpprestatieplannen te toetsen aan de elementen van punt 2 van bijlage IV bij die Uitvoeringsverordening.

(10)

In de in juni 2022 gepubliceerde STATFOR-basisverkeersprognose van Eurocontrol is rekening gehouden met de gewijzigde omstandigheden waarnaar in overweging 6 wordt verwezen. Op basis van die prognose merkt de Commissie op dat België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland naar verwachting niet zullen worden geconfronteerd met grote veranderingen in de luchtverkeersstromen tijdens RP3 als gevolg van de Russische oorlog in Oekraïne. Deze gewijzigde omstandigheden hebben derhalve geen rechtstreekse invloed op de prestatiedoelstellingen in het herziene FABEC-prestatieplan of op de beoordeling van de verenigbaarheid van die doelstellingen met de Uniewijde prestatiedoelstellingen.

REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN EEN GRONDIG ONDERZOEK

Prestatiedoelstellingen die twijfel doen rijzen

(11)

De onderstaande tabel bevat de initiële prestatiedoelstellingen inzake en-routekostenefficiëntie voor RP3 voor de heffingszone België-Luxemburg, zoals opgenomen in het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan, en de overeenkomstige herziene prestatiedoelstellingen in het herziene FABEC-prestatieplan dat in juli 2022 is ingediend.

En-routeheffingszone België en Luxemburg

2014 basis-waarde

2019 basis-waarde

2020-2021

2022

2023

2024

Initiële en-routekostenefficiëntiedoelstellingen (opgenomen in het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan), uitgedrukt als bepaalde en-route-eenheidskosten (in reële termen in prijzen van 2017)

73,13  EUR

83,28  EUR

189,52  EUR

113,26  EUR

108,51  EUR

103,82  EUR

Initiële en-routekostenefficiëntiedoelstellingen (opgenomen in het FABEC-ontwerpprestatieplan), uitgedrukt als bepaalde en-route-eenheidskosten (in reële termen in prijzen van 2017)

81,78  EUR

83,26  EUR

189,52  EUR

104,47  EUR

94,18  EUR

89,87  EUR

(12)

De Commissie merkt op dat de prestatiedoelstellingen voor de kalenderjaren 2022, 2023 en 2024 neerwaarts zijn herzien, terwijl de basiswaarde voor 2014 naar boven is bijgesteld. Voorts is ten aanzien van de basiswaarde voor 2019 een kleine technische aanpassing doorgevoerd, die niet van belang is voor de beoordeling van de prestatiedoelstellingen.

(13)

België en Luxemburg hebben de voorgestelde aanpassing van de basiswaarde voor 2014 voornamelijk gerechtvaardigd door de wijzigingen in de kostentoerekeningsmethode tussen en-route- en terminaldiensten, die in RP3 zijn ingevoerd. Een soortgelijke aanpassing is toegepast voor de basiswaarde van 2019 en was reeds opgenomen in het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan.

(14)

De Commissie merkt op dat de herziening van de kostenefficiëntiedoelstellingen voor de periode van 2022 tot en met 2024 leidt tot een algemene verlaging van de bepaalde eenheidskosten met -11,6 % over die drie kalenderjaren en met -8,2 % over RP3 als geheel. Deze verlagingen van de bepaalde eenheidskosten vloeien voort uit zowel de geactualiseerde verkeersaannames die in het herziene ontwerpprestatieplan zijn gebruikt als uit de neerwaartse bijstelling van de bepaalde kosten, uitgedrukt in reële termen in prijzen van 2017.

(15)

De wijzigingen in de verkeersprognose voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2024 zijn weergegeven in de onderstaande tabel. De Commissie merkt op dat de verkeersprognose die in het herziene ontwerpprestatieplan is gebruikt, gebaseerd is op de STATFOR-basisverkeersprognose van Eurocontrol van juni 2022.

En-routeheffingszone België-Luxemburg

2022

2023

2024

Initiële verkeersprognose (opgenomen in het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan), uitgedrukt in duizenden en-routediensteenheden

2 066

2 226

2 387

Geactualiseerde verkeersprognose (opgenomen in het herziene ontwerpprestatieplan), uitgedrukt in duizenden en-routediensteenheden

2 108

2 445

2 542

Verschil

+2,0  %

+9,8  %

+6,5  %

(16)

De herziene bepaalde kosten voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2024, uitgedrukt in reële termen in prijzen van 2017, zijn weergegeven in de onderstaande tabel.

En-routeheffingszone België-Luxemburg

2022

2023

2024

Initiële bepaalde kosten in reële termen in prijzen van 2017 (opgenomen in het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan)

234 miljoen EUR

242 miljoen EUR

248 miljoen EUR

Herziene bepaalde kosten in reële termen in prijzen van 2017 (opgenomen in het herziene ontwerpprestatieplan)

220 miljoen EUR

230 miljoen EUR

228 miljoen EUR

Verschil

-5,9  %

-4,7  %

-7,8  %

(17)

De Commissie merkt op dat de inflatiehypothesen die aan de vaststelling van de bepaalde kosten ten grondslag liggen, aanzienlijk naar boven zijn bijgesteld, zoals blijkt uit onderstaande tabel.

En-routeheffingszone België-Luxemburg

2022

2023

2024

Initiële inflatie-index, met voorspelde jaarlijkse verandering van de inflatie tussen haakjes (gegevens uit het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan)

107,7

1,9  %

109,7

1,8  %

111,6

1,8  %

Herziene inflatie-index, met jaarlijkse verandering van de inflatie tussen haakjes (gegevens uit het herziene ontwerpprestatieplan)

115,6

7,8  %

119,6

3,4  %

121,8

1,9  %

(18)

Als gevolg van de actualisering van de inflatieprognose blijven de herziene nominale bepaalde kosten voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2024, die hieronder worden weergegeven, grotendeels ongewijzigd en stijgen zij zelfs met + 2,9 % voor het kalenderjaar 2023, hoewel zij in reële termen lager zijn, zoals uiteengezet in overweging (16).

En-routeheffingszone België-Luxemburg

2022

2023

2024

Initiële bepaalde kosten in nominale termen (opgenomen in het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan)

250 miljoen EUR

262 miljoen EUR

273 miljoen EUR

Herziene bepaalde kosten in nominale termen (opgenomen in het herziene ontwerpprestatieplan)

250 miljoen EUR

269 miljoen EUR

272 miljoen EUR

Verschil

+0,1  %

+2,9  %

-0,3  %

(19)

De Commissie merkt voorts op dat de bepaalde kosten voor 2024 een eenmalige verlaging van ongeveer 8,3 miljoen EUR in nominale termen omvatten.

(20)

De Commissie merkt op dat drie verleners van luchtvaartnavigatiediensten, namelijk skeyes, MUAC en ANA Luxembourg, onder het toepassingsgebied van de en-routeheffingszone België-Luxemburg vallen. Wat de kosten van dienstverlening in de heffingszone betreft, wordt 62 % van de bepaalde kosten van 2024 gedragen door skeyes, terwijl MUAC 35 % van de kostenbasis voor datzelfde jaar vertegenwoordigt. Slechts 3 % van de totale kosten van dienstverlening in de heffingszone wordt toegerekend aan ANA Luxembourg en deze kosten worden uitsluitend gemaakt voor het verlenen van naderingsdiensten in het luchtruim rond de luchthaven van Luxemburg.

Bevindingen

(21)

De Commissie heeft de verenigbaarheid van de herziene kostenefficiëntiedoelstellingen die zijn voorgesteld voor de en-routeheffingszone België-Luxemburg beoordeeld op basis van de criteria van punt 1.4, a), b) en c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317.

(22)

Wat betreft het criterium dat is vastgesteld in punt 1.4, a), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, merkt de Commissie op dat de tendens van de bepaalde en-route-eenheidskosten op het niveau van de heffingszone, namelijk +1,9 % in de loop van RP3, slechter is dan de Uniewijde tendens van +1,0 % in diezelfde periode. De Commissie merkt op dat dit een verbetering betekent ten opzichte van de tendens van de bepaalde eenheidskosten van +5,7 %, die berekend is op basis van het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan van FABEC.

(23)

Wat betreft het criterium dat is vastgesteld in punt 1.4, b), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, merkt de Commissie op dat de langetermijntendens van de bepaalde en-route-eenheidskosten in de tweede referentieperiode (RP2) en RP3, namelijk +1,1 %, slechter is dan de Uniewijde langetermijntendens van -1,3 % in diezelfde periode. De Commissie merkt op dat dit een verbetering betekent ten opzichte van de langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten van +4,0 %, berekend op basis van het in 2021 ingediende ontwerpprestatieplan van FABEC. Verwijzende naar overweging (13) is deze verbetering gedeeltelijk toe te schrijven aan de aanpassing van de basiswaarde voor 2014 voor de heffingszone.

(24)

Wat betreft het criterium in punt 1.4, c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, merkt de Commissie op dat de basiswaarde voor de DUC van 83,26 EUR in prijzen van 2017 (EUR2017) 13,2 % hoger ligt dan de gemiddelde basiswaarde van de vergelijkingsgroep (73,53 EUR in EUR2017). De Commissie merkt op dat het verschil nog groter wordt tijdens RP3: de bepaalde en-route-eenheidskosten van België en Luxemburg voor 2024 liggen 29,8 % boven het gemiddelde van de vergelijkingsgroep.

(25)

Voorts moet worden onderzocht of de in overwegingen (22), 23 en (24) vastgestelde afwijkingen van de criteria in punt 1.4, a), b) en c), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 noodzakelijk en evenredig kunnen worden geacht overeenkomstig punt 1.4, d), van die bijlage; dit is het geval indien de waargenomen afwijkingen van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten en van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten uitsluitend te wijten zijn aan extra bepaalde kosten in verband met maatregelen om de prestatiedoelstellingen te bereiken op het prestatiekerngebied capaciteit of aan herstructureringsmaatregelen in de zin van artikel 2, lid 18, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317.

(26)

De Commissie merkt op dat het door het prestatiebeoordelingsorgaan geraamde verschil tussen de bepaalde en-routekosten voor RP3 die door België en Luxemburg zijn gerapporteerd in het herziene ontwerpprestatieplan van FABEC en de bepaalde kosten die nodig zouden zijn om de tendens van de Uniewijde bepaalde eenheidskosten in RP3 te bereiken, ongeveer 8,2 miljoen EUR bedraagt in EUR2017, terwijl de overeenkomstige afwijking van de Uniewijde langetermijntendens op ongeveer 43,7 miljoen EUR in EUR2017 wordt geraamd.

(27)

Net als in het FABEC-ontwerpprestatieplan dat in 2021 is ingediend, blijven België en Luxemburg beweren dat de complexiteit van het luchtruim een van de belangrijkste factoren is achter het verschil tussen het herziene ontwerpprestatieplan en de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten. In het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan wordt nog steeds benadrukt dat de complexiteit van het Belgisch-Luxemburgse luchtruim een factor is die de relatieve werklast van de luchtverkeersleiders vergroot en dus een negatieve invloed heeft op de productiviteit van de luchtverkeersleiders en op de en-routekostenbasis.

(28)

De Commissie merkt echter op dat België en Luxemburg in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan niet hebben aangetoond dat de complexiteit van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in de heffingszone zou zijn toegenomen ten opzichte van RP2 of dat in RP3 extra kosten zouden worden gemaakt als gevolg van een verandering in de complexiteit van de activiteiten.

(29)

Wat betreft het criterium van punt 1.4, d), i), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 merkt de Commissie op dat België en Luxemburg in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan verwijzen naar aanvullende bepaalde kosten die de verleners van en-routeluchtvaartnavigatiediensten skeyes en MUAC in de loop van RP3 hebben gemaakt voor maatregelen om de capaciteit te vergroten.

(30)

De Commissie merkt op dat zeven capaciteitsgerelateerde maatregelen voor skeyes en MUAC in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan worden gebruikt als rechtvaardiging voor de waargenomen afwijking van de Uniewijde tendensen op het gebied van kostenefficiëntie. Vier van deze maatregelen waren reeds in detail uiteengezet in het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan, terwijl er drie aanvullende maatregelen zijn opgenomen die specifiek zijn voor MUAC.

(31)

Wat skeyes betreft, zijn in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan maatregelen uiteengezet om de capaciteit aan luchtverkeersleiders (ATCO) op een passend niveau te houden teneinde de vergrijzing van het personeelsbestand en het daaruit voortvloeiende hoge aantal pensioneringen dat in de loop van RP3 en de vierde referentieperiode (RP4) wordt verwacht, op te vangen.

(32)

Dergelijke maatregelen omvatten met name de aanwerving en opleiding van nieuwe luchtverkeersleiders om de geplande pensioneringen op te vangen en te voorzien in de voor het verwachte verkeer vereiste capaciteit. Bovendien zou skeyes aanzienlijke kosten moeten maken in verband met de “DISPO-regeling” die, overeenkomstig de Belgische wetgeving (7), vereist dat luchtverkeersleiders vijf jaar vóór hun pensioneringsdatum uit actieve dienst worden genomen. Tijdens die vijf jaar komen zij in aanmerking voor vervroegde pensionering en ontvangen zij een vergoeding van 75 % tot 85 % van hun laatste salaris. Volgens de informatie in het ontwerpprestatieplan worden luchtverkeersleiders momenteel in de DISPO-regeling geplaatst op de leeftijd van 56 jaar en zal deze leeftijdsgrens vanaf 2025 worden opgetrokken tot 57 jaar. De Commissie merkt op dat België geen verzachtende maatregelen heeft voorgesteld om de aanzienlijke en toenemende financiële impact van de DISPO-regeling op de RP3-kostenbasis te beperken.

(33)

De Commissie merkt voorts op dat de totale kosten die in het herziene ontwerpprestatieplan zijn gepresenteerd met betrekking tot de in de overwegingen (31) en (32) beschreven maatregelen, opnieuw zijn geëvalueerd voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2024, wat heeft geleid tot een stijging van 22,4 % in 2022, 49,0 % in 2023 en 36,8 % in 2024.

(34)

Voorts wordt in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan verwezen naar extra kosten die skeyes zal maken om zijn systeem voor luchtverkeersbeheer (ATM) te vervangen door één luchtruimbeheersysteem dat geïntegreerd en geharmoniseerd is met MUAC en de Belgische Defensie, met als doel de integratie van civiele en militaire ATM-diensten te ondersteunen en de capaciteit en operationele efficiëntie te vergroten. De Commissie merkt op dat de kosten in verband met die maatregel lager worden geraamd dan aangegeven in het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan, namelijk -9,5 % in 2023 en -11,9 % in 2024.

(35)

Wat MUAC betreft, rapporteren België en Luxemburg, net als in het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan, dat de in 2019 gesloten collectieve overeenkomst een maatregel is om capaciteitsdoelstellingen te bereiken, aangezien zij in wezen tot doel heeft de beschikbaarheid van ATCO’s te vergroten om aan de verkeersvraag te voldoen. De in de overeenkomst opgenomen flexibiliteitsbepalingen gaan gepaard met een verhoging van de salarisschalen met bijna 11 %, hetgeen gevolgen heeft voor de kostenbasis over de gehele referentieperiode. De Commissie merkt op dat de kosten die in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan zijn gepresenteerd met betrekking tot deze maatregel, zijn herzien voor de kalenderjaren 2022 tot en met 2024, wat heeft geleid tot een stijging van 7,4 % in 2022, 9,0 % in 2023 en 9,2 % in 2024.

(36)

Gezien de omvang van de wijzigingen in de kosten, als bedoeld in overwegingen(33), (34) en (35), is de Commissie van mening dat België en Luxemburg de aannames die aan de berekening van die kosten ten grondslag liggen, nader moeten toelichten.

(37)

In het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan wordt herhaald dat de verwezenlijking van de capaciteitsdoelstellingen door MUAC een verbetering van het postoperationele analyseproces, de bijbehorende instrumenten en de “business intelligence facilities” vereist om de planning van dagelijkse activiteiten verder te optimaliseren. België en Luxemburg geven aan dat deze reeks maatregelen, het zogenaamde “PABI”-project, naar verwachting zal zorgen voor een “een beetje extra capaciteit” en zal leiden tot enige afname in de ATFM-vertraging door onnodige operationele beperkingen voor luchtruimgebruikers te vermijden (“overregulering” genoemd). De geraamde kosten van dit project blijven ongewijzigd ten opzichte van het in 2021 ingediende FABEC-ontwerpprestatieplan. De Commissie is van mening dat de bijdrage van het PABI-initiatief aan de verwezenlijking van lokale capaciteitsdoelstellingen verder moet worden onderbouwd om te beoordelen of de bijbehorende extra kosten kunnen worden beschouwd als noodzakelijk en evenredig om af te wijken van de Uniewijde kostenefficiëntietendensen.

(38)

Voorts bevat het herziene ontwerpprestatieplan drie aanvullende maatregelen van MUAC, die volgens België en Luxemburg extra kosten met zich meebrengen die nodig zijn om de capaciteitsdoelstellingen te halen. Deze maatregelen omvatten de opleiding ab initio van luchtverkeersleiders, de indienstneming van extra luchtverkeersleiders voor de Brusselse sector van MUAC en een nieuw systeem voor personeelsplanning.

(39)

Volgens de evaluatie door het prestatiebeoordelingsorgaan zijn de door België en Luxemburg gerapporteerde extra totale kosten met betrekking tot de in de overwegingen (30) tot en met (38) bedoelde capaciteitsverhogende maatregelen aanzienlijk lager dan de in de overwegingen (23) en (26) vastgestelde afwijking van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten. Zelfs indien zou worden aanvaard dat al deze maatregelen noodzakelijk en evenredig zijn om de lokale capaciteitsdoelstellingen te bereiken, is het dus duidelijk dat de afwijking van de langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten in monetaire termen de extra kosten in verband met die maatregelen overstijgt. Die afwijking is dus niet uitsluitend toe te schrijven aan aanvullende bepaalde kosten in verband met maatregelen die nodig zijn om de prestatiedoelstellingen op het prestatiekerngebied capaciteit te bereiken.

(40)

België en Luxemburg voldoen derhalve niet aan het criterium van punt 1.4, d), i), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317.

(41)

Wat betreft het criterium van punt 1.4, d), ii), van bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317, volstaat het te vermelden dat België en Luxemburg in het ontwerpprestatieplan geen herstructureringsmaatregelen hebben gepresenteerd die een afwijking van de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten of van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten zouden rechtvaardigen. België en Luxemburg voldoen derhalve niet aan het criterium van punt 1.4, d), ii).

CONCLUSIES

(42)

Op basis van de bevindingen in de overwegingen (11) tot en met (41) is de Commissie in dit stadium van de beoordeling van het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan van oordeel dat er twijfel blijft bestaan over de verenigbaarheid van de voor de en-routeheffingszone België-Luxemburg voorgestelde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie.

(43)

De Commissie merkt derhalve op dat in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan niet op passende wijze rekening is gehouden met de aanbevelingen in artikel 3 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 met betrekking tot die prestatiedoelstellingen.

(44)

De Commissie merkt met name op dat de herziene prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie die zijn voorgesteld voor de heffingszone België-Luxemburg niet in overeenstemming zijn met de Uniewijde tendens van de bepaalde eenheidskosten in RP3, noch met de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten. De Commissie merkt ook op dat de bepaalde kosten voor de heffingszone niet in voldoende mate zijn verlaagd om te zorgen voor samenhang met de EU-wijde prestatiedoelstellingen.

(45)

Bovendien heeft de Commissie op basis van de elementen en motiveringen in het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan niet vastgesteld dat de significante afwijking van de Uniewijde langetermijntendens van de bepaalde eenheidskosten uitsluitend kon worden toegeschreven aan extra kosten die zijn gemaakt voor het bereiken van de lokale capaciteitsprestatiedoelstellingen.

(46)

Voorts merkt de Commissie op dat het herziene FABEC-ontwerpprestatieplan geen belangrijke structurele maatregelen bevat die de geplande kostenstijgingen in de loop van RP3 zouden verzachten en zouden bijdragen tot kostenefficiëntie op middellange en lange termijn.

(47)

De Commissie heeft daarom besloten te beginnen met het in artikel 15, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 bedoelde gedetailleerde onderzoek naar de prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie voor de en-routeheffingszone België-Luxemburg,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende prestatiedoelstellingen op het gebied van kostenefficiëntie die zijn voorgesteld voor de en-routeheffingszone België-Luxemburg en die zijn opgenomen in het herziene ontwerpprestatieplan voor RP3 dat op het niveau van het functionele luchtruimblok door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland is vastgesteld, doen twijfel rijzen over de verenigbaarheid ervan met de Uniewijde prestatiedoelstellingen:

PRESTATIEKERNGEBIED KOSTENEFFICIËNTIE

Bepaalde eenheidskost voor en-routeluchtvaartnavigatiediensten

En-routeheffingszone België-Luxemburg

2014 basis-waarde

2019 basis-waarde

2020-2021

2022

2023

2024

Herziene ontwerpdoelstellingen inzake en-routekostenefficiëntie, uitgedrukt als bepaalde en-route-eenheidskosten (in reële termen in prijzen van 2017)

81,78  EUR

83,26  EUR

189,52  EUR

104,47  EUR

94,18  EUR

89,87  EUR

Artikel 2

1.   De in artikel 15, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/317 bedoelde gedetailleerde onderzoeksprocedure wordt hierbij ingeleid met betrekking tot de in artikel 1 bedoelde prestatiedoelstellingen inzake kostenefficiëntie.

2.   Ter ondersteuning van de verdere beoordeling van de in artikel 1 bedoelde prestatiedoelstellingen verstrekken België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland op verzoek van de Commissie relevante aanvullende gegevens en informatie met betrekking tot de in de bijlage bij dit besluit vermelde elementen.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 24 oktober 2022.

Voor de Commissie

Adina-Ioana VĂLEAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(2)   PB L 56 van 25.2.2019, blz. 1.

(3)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/903 van de Commissie van 29 mei 2019 tot vaststelling van de EU-wijde prestatiedoelen voor het netwerk voor luchtverkeersbeheer voor de derde referentieperiode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 (PB L 144 van 3.6.2019, blz. 49).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1627 van de Commissie van 3 november 2020 inzake uitzonderlijke maatregelen voor de derde referentieperiode (2020-2024) van de prestatie- en heffingsregeling voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim ten gevolge van de COVID-19-pandemie (PB L 366 van 4.11.2020, blz. 7).

(5)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/891 van de Commissie van 2 juni 2021 tot vaststelling van herziene EU-wijde prestatiedoelstellingen voor het netwerk voor luchtverkeersbeheer voor de derde referentieperiode (2020-2024) en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/903 (PB L 195 van 3.6.2021, blz. 3).

(6)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/728 van de Commissie van 13 april 2022 inzake de onverenigbaarheid van bepaalde prestatiedoelstellingen in de krachtens Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad door België, Duitsland, Griekenland, Frankrijk, Cyprus, Letland, Luxemburg, Malta, Nederland, Roemenië en Zweden ingediende ontwerpen van nationale plannen of plannen voor functionele luchtruimblokken met de Uniewijde prestatiedoelstellingen voor de derde referentieperiode, en inzake de vaststelling van aanbevelingen voor de herziening van die doelstellingen (PB L 135 van 12.5.2022, blz. 4).

(7)  Koninklijk besluit van 23 april 2017.


BIJLAGE

NIET-UITPUTTENDE LIJST VAN ELEMENTEN VOOR VERDERE ANALYSE MET BETREKKING TOT DE PRESTATIEDOELSTELLINGEN INZAKE KOSTENEFFICIËNTIE VOOR DE EN-ROUTEHEFFINGSZONE BELGIË-LUXEMBURG

1.   

Maatregelen waarop België en Luxemburg zich beroepen om de vastgestelde afwijkingen van de Uniewijde kostenefficiëntietendensen te rechtvaardigen op grond van extra kosten voor de verwezenlijking van capaciteitsdoelstellingen.

2.   

De complexiteit van de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in de heffingszone en de ontwikkeling ervan in de loop van de tijd.

3.   

Gedetailleerde aannames en parameters die ten grondslag liggen aan de bepaalde kosten van skeyes en MUAC, voor elk jaar van RP3 en uitgesplitst naar kostencategorie en dienst.

4.   

In de heffingszone geregistreerde en voorspelde diensteenheden, uitgesplitst per verlener van luchtvaartnavigatiediensten.

5.   

Verdeling van de kosten- en diensteneenheden van MUAC tussen de Brusselse sector en de andere sectoren binnen het gebied waarvoor MUAC verantwoordelijk is.

6.   

Capaciteitsplanning van skeyes en MUAC, ook met betrekking tot het geplande aantal ATCO’s, de opleiding van ATCO’s en geplande investeringen in vaste activa.

7.   

Kostenverdeling tussen en-route- en terminaldiensten, en tussen diensten die binnen het toepassingsgebied van het prestatieplan vallen en andere diensten.

8.   

“DISPO”-regeling voor vervroegde pensionering van luchtverkeersleiders in België.

9.   

Regelingen voor grensoverschrijdende dienstverlening met buurlanden en de operationele en financiële gevolgen daarvan.

10.   

Kosten die in RP2 aan luchtruimgebruikers in rekening worden gebracht in verband met uitgestelde of vertraagde investeringen in vaste activa.