15.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 367/2


VERORDENING (EU) 2021/1814 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 7 oktober 2021

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2157/1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/2021/46)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 132, lid 3,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 34.3 en artikel 19.1,

Gezien Verordening (EG) nr. 2532/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (1), en met name artikel 6, lid 2;

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op het verzekeren van rechtszekerheid en in het belang van transparantie dienen instellingen geïnformeerd te worden over de door de ECB toegepaste methoden om sancties te berekenen voor niet-naleving van de in Verordening (EU) 2021/378 van de Europese Centrale Bank (ECB/2021/1) (2) neergelegde minimumreserveverplichtingen.

(2)

De door de ECB krachtens artikel 7,lid 1, van Verordening (EG) nr. 2531/98 van de Raad (3) toegepaste formule en methode voor het berekenen van sancties voor het geheel of gedeeltelijk niet-nakomen van de minimumreserverplichtingen worden gespecifieerd in een Kennisgeving van de Europese Centrale Bank betreffende het opleggen van sancties voor inbreuken op de verplichting tot het aanhouden van minimumreserves (4). In het belang van rechtszekerheid en met het oog op het voorkomen van verdere fragmentatie van het juridisch kader met betrekking tot het opleggen van sancties in de verschillende gebieden die onder de bevoegdheid van de ECB vallen, is het passend dat de kennisgeving wordt ingetrokken en dat de relevante inhoud wordt overgeheveld naar Besluit (EU) 2021/1815 van de Europese Centrale Bank (ECB/2021/45) (5) en dat verwijzingen in Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank (ECB/1999/4) (6) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Derhalve moet Verordening (EG) nr. 2157/1999 (ECB/1999/4) dienovereenkomstig worden gewijzigd,

(4)

Met het oog op het verzekeren van een geharmoniseerd kader voor de toepassing van minimumreserveverplichtingen is het noodzakelijk dat deze verordening wordt toegepast met ingang van dezelfde datum als Besluit (EU) 2021/1815 (ECB/2021/45),

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen

Verordening (EG) nr. 2157/1999 (ECB/1999/4) wordt als volgt gewijzigd:

1.

In artikel 3, lid 1, artikel 11, lid 5, en artikel 12, lid 1, worden de woorden “verordening van de Raad” vervangen door: “Verordening (EG) nr. 2532/98”;

2.

In artikel 11, leden 1 en 3, worden de woorden “verordening van de Raad betreffende reserveverplichtingen” vervangen door: “Verordening (EG) nr. 2531/98”;

3.

Artikel 11, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   Indien de ECB een sanctie oplegt krachtens artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2531/98, wordt de toepasselijke sanctie berekend aan de hand van de in Besluit (EU) 2021/1815 van de Europese Centrale Bank (ECB/2021/45) (*1) opgenomen formule en methode.

(*1)  Besluit (EU) 2021/1815 van de Europese Centrale Bank van 7 oktober 2021 betreffende de methodologie die wordt toegepast voor de berekening van sancties bij niet-naleving van de verplichting tot het aanhouden van minimumreserves en de daarmee verband houdende minimumreserveverplichtingen (ECB/2021/45) (PB L 367 van 15.10.2021, blz. 4).”."

Artikel 2

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op 3 november 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 7 oktober 2021.

Voor de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 4.

(2)  Verordening (EU) 2021/378 van de Europese Centrale Bank van 22 januari 2021 betreffende de toepassing van minimumreserveverplichtingen (herschikking) (ECB/2021/1) (PB L 73 van 3.3.2021, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 2351/98 van 23 november 1998 met betrekking tot de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank (PB L 318, 27.11.1998, blz. 1).

(4)   PB C 39 van 11.2.2000, blz. 3.

(5)  Besluit (EU) 2021/1815 van de Europese Centrale Bank van 7 oktober 2021 betreffende de methode die wordt toegepast voor de berekening van sancties bij niet-naleving van de verplichting tot het aanhouden van minimumreserves en de daarmee verband houdende minimumreserveverplichtingen (ECB/2021/45) (zie blz. 4 van dit Publicatieblad).

(6)  Verordening (EG) nr. 2157/1999 van de Europese Centrale Bank van 23 september 1999 met betrekking tot de bevoegdheid van de Europese Centrale Bank om sancties op te leggen (ECB/1999/4) PB L 264 van 12.10.1999, blz. 21).