15.9.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 325/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1474 VAN DE COMMISSIE

van 14 september 2021

tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 is ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van bepaald bladaluminium verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Eerder onderzoek en bestaande maatregelen

(1)

In oktober 2009 heeft de Raad naar aanleiding van een antidumpingonderzoek (“het oorspronkelijke onderzoek”) bij Uitvoeringsverordening (EG) nr. 925/2009 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaald bladaluminium (“jumborollen”) van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China (“de VRC”). De maatregelen bestonden uit een ad-valoremrecht, dat 6,4 % tot 30,0 % bedroeg.

(2)

In december 2015 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 (3) de definitieve maatregelen (“de geldende maatregelen”) ten aanzien van invoer uit de VRC gehandhaafd naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening (“het nieuwe onderzoek”).

(3)

In februari 2017 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 (4) de geldende maatregelen tot de invoer uit de VRC van bepaald enigszins gewijzigd bladaluminium uitgebreid naar aanleiding van een antiontwijkingsonderzoek overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening (“het eerdere antiontwijkingsonderzoek”).

1.2.   Verzoek

(4)

De Commissie heeft een verzoek ontvangen op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de VRC, door invoer verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand, en om deze invoer te registreren.

(5)

Het verzoek werd ingediend op 9 november 2020. De indiener van het verzoek verzocht anoniem te blijven, zowel tijdens de verzoekfase als gedurende het onderzoek. De indiener van het verzoek heeft zijn verzoek naar behoren gemotiveerd en het verzoek is door de Commissie aanvaard, aangezien zij van mening was dat er voldoende gronden waren om vertrouwelijkheid ten aanzien van de identiteit van de indiener van het verzoek toe te kennen.

(6)

In het verzoek werd voldoende aangetoond dat na de instelling van de maatregelen ten aanzien van jumborollen een verandering in de structuur van het handelsverkeer met betrekking tot de uitvoer uit de VRC en Thailand naar de Unie had plaatsgevonden. Deze verandering was kennelijk het gevolg van de verzending van jumborollen via Thailand naar de Unie, nadat zij in Thailand waren geassembleerd. Het verzoek bevatte ook voldoende bewijsmateriaal waaruit blijkt dat die assemblage ontwijking inhield, aangezien de Chinese delen meer dan 60 % van de totale waarde van het geassembleerde product uitmaakten en de tijdens de assemblage toegevoegde waarde minder dan 25 % van de fabricagekosten bedroeg.

(7)

Bovendien bevatte het verzoek voldoende bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de hierboven beschreven praktijk de corrigerende werking van de bestaande antidumpingmaatregelen wat hoeveelheden en prijzen betreft ondermijnde. Daarnaast was er voldoende bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de prijzen van uit Thailand verzonden jumborollen dumpingprijzen waren ten aanzien van de voor jumborollen eerder vastgestelde normale waarde.

1.3.   Betrokken product en onderzocht product

(8)

Het betrokken product is bladaluminium met een dikte van 0,008 mm of meer doch niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg, op de dag van de inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111910), bladaluminium met een dikte van 0,007 mm of meer doch niet meer dan 0,008 mm, ongeacht de breedte van de rollen, al dan niet gegloeid, op de dag van de inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111930), bladaluminium met een dikte van 0,008 mm of meer doch niet meer dan 0,018 mm en in rollen van meer dan 650 mm breed, al dan niet gegloeid, op de dag van de inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111940), bladaluminium met een dikte van 0,018 mm of meer doch niet meer dan 0,021 mm, ongeacht de breedte van de rollen, al dan niet gegloeid, op de dag van de inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 ingedeeld onder GN-code ex 7607 11 19 (Taric-code 7607111950), en/of bladaluminium met een dikte van 0,021 mm of meer doch niet meer dan 0,045 mm, met tenminste twee lagen, ongeacht de breedte van de rollen, al dan niet gegloeid, op de dag van de inwerkingtreding van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 ingedeeld onder GN code ex 7607 11 90 (Taric-codes 7607119045 en 7607119080), en van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken product”). Dit is het product waarop de geldende maatregelen momenteel van toepassing zijn.

(9)

Het onderzochte product is hetzelfde als het in de voorgaande overweging omschreven product, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7607 11 19 (Taric-codes 7607111910, 7607111930, 7607111940, 7607111950) en ex 7607 11 90 (Taric-codes 7607119044, 7607119046, 7607119071, 7607119072), maar verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand (aanvullende Taric-code C601) (“het onderzochte product”).

(10)

Uit het onderzoek is gebleken dat uit de VRC naar de Unie uitgevoerde jumborollen en uit Thailand naar de Unie verzonden jumborollen, al dan niet van oorsprong uit Thailand, dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en dezelfde toepassingen hebben, en daarom moeten worden beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

1.4.   Opening van het onderzoek

(11)

Nadat zij, na de lidstaten te hebben geïnformeerd, had vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was om op grond van artikel 13, lid 3, van de basisverordening een onderzoek te openen, heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2162 van de Commissie van 21 december 2020 (5) (“de openingsverordening”) een onderzoek geopend en de invoer van uit Thailand verzonden jumborollen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand, aan registratie onderworpen overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening.

1.5.   Opmerkingen bij de opening van het onderzoek

(12)

Na de opening van het onderzoek voerden Dingheng New Materials Co., Ltd, Thai Ding Li New Materials Co., Ltd en hun verbonden ondernemingen (hierna samen “de Dingsheng-groep” genoemd) aan dat de opening van het onderzoek ongerechtvaardigd was (6).

(13)

Volgens de Dingsheng-groep bevatte het verzoek dat tot de opening van het onderzoek heeft geleid niet het nodige voorlopige bewijsmateriaal. Zij stelde dat de gegevens in het verzoek achterhaald waren, aangezien zij gebaseerd waren op een tijdvak tot december 2019, terwijl het onderzoek werd geopend in december 2020. De Dingsheng-groep voerde aan dat dit in strijd is met artikel 6, lid 1, van de basisverordening, waarin is bepaald dat het onderzoektijdvak “normaal een onmiddellijk aan de procedure voorafgaande periode van ten minste zes maanden beslaat”.

(14)

Voorts betoogde de Dingsheng-groep dat de in het verzoek gerapporteerde uitvoerstatistieken onjuist en onbetrouwbaar waren. Deze statistieken waren gebaseerd op GN-codes en GS-codes (7), die naast de voor het onderzoek relevante producten ook diverse andere producten omvatten en derhalve niet als voldoende bewijs kunnen worden beschouwd.

(15)

De Commissie was het hier niet mee eens. Wat de referentieperiode in het verzoek betreft, heeft artikel 6, lid 1, van de basisverordening betrekking op het onderzoektijdvak dat tijdens het onderzoek moet worden gebruikt en niet op de periode waarop het verzoek is gebaseerd. De Dingsheng-groep heeft niet aangevoerd dat het gebruik van meer recente gegevens tot een andere conclusie ten aanzien van de vermeende ontwijkingspraktijken zou hebben geleid. Ten aanzien van de douanestatistieken waarop het verzoek was gebaseerd, heeft de indiener van het verzoek de statistieken verstrekt waarover hij redelijkerwijze beschikte voor de doeleinden van het verzoek, zoals voorgeschreven bij artikel 5, lid 2, van de basisverordening. Hoe dan ook heeft de Commissie bij haar analyse van het verzoek de door de indiener verstrekte gegevens getoetst aan de statistieken op het niveau van de 10-cijferige Taric-codes en heeft zij rekening gehouden met gegevens tot september 2020. De analyse bevestigde de beweringen uit het verzoek.

(16)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde de Dingsheng-groep haar stelling dat het verzoek gebaseerd was op achterhaalde gegevens en dat de Commissie op grond van artikel 6, lid 1, van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 3, verplicht is om een algemene beoordeling van de juistheid van het verzoek uit te voeren, waarbij zij tevens moet nagaan of de gegevens in dat verzoek actueel zijn. Volgens de Dingsheng-groep had de Commissie de indiener van het verzoek derhalve moeten vragen om de cijfers in het verzoek bij te werken met recentere informatie. Zo niet, dan “zou het indieners van verzoeken tot opening van een antiontwijkingsonderzoek vrij staan om het verzoek te baseren op het tijdvak dat hun het beste uitkomt, zonder enige beperking”.

(17)

De Dingsheng-groep voerde bovendien aan dat het dossier, hoewel de Commissie de door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens had getoetst aan recentere gegevens op Taric-niveau, geen sporen bevat van een dergelijke toetsing, en die toetsing evenmin is vermeld in de openingsverordening, waarin enkel sprake is van het in het verzoek verstrekte bewijsmateriaal. Volgens de Dingsheng-groep is het feit dat het gebruik van recentere gegevens tot dezelfde conclusie zou hebben geleid irrelevant om te bepalen of het verzoek voldeed aan de bij wet vereiste bewijsvoeringsnorm voor het inleiden van de procedure.

(18)

Zoals uitgelegd in overweging 15, is de verwijzing naar artikel 6, lid 1, van de basisverordening irrelevant voor de in het verzoek gebruikte gegevens, aangezien die bepaling betrekking heeft op tijdvak dat wordt gebruikt tijdens het onderzoek, en niet voor het verzoek. Bovendien schrijft artikel 13, lid 3, van de basisverordening voor dat onderzoeken worden geopend op basis van “voldoende bewijsmateriaal”, waarbij de Commissie over een zekere beoordelingsmarge beschikt om dit beoordelen. In elk geval was, zoals toegelicht in de overwegingen 6 en 7, aan dit criterium voldaan. Artikel 5, lid 2, van de basisverordening schrijft voor dat de indiener van het verzoek dat verzoek baseert op de statistieken waarover hij redelijkerwijze beschikt. Dat betekent niet dat indieners naar eigen inzicht het tijdvak kunnen kiezen dat hun het beste uitkomt, zoals de Dingsheng-groep aanvoert. Uit de door de Commissie uitgevoerde toetsing van iets recentere en specifiekere gegevens vóór de opening van het onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen waren dat de in het verzoek gebruikte gegevens achterhaald waren, integendeel zelfs: recentere gegevens zouden soortgelijke ontwikkelingen hebben vertoond en zouden tot dezelfde conclusies hebben geleid. Daarom heeft de Commissie die argumenten verworpen.

(19)

De Dingsheng-groep stelde ook dat het beschikbare bewijs onvoldoende was om het bestaan van ontwijking aan te tonen. Omdat de in overweging 14 vermelde statistieken onbetrouwbaar zouden zijn, stelde de Dingsheng-groep dat zij geen bewijs konden vormen voor een verandering in de structuur van het handelsverkeer in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. Voorts werd aangevoerd dat niet was voldaan aan het vereiste van schade wat betreft zowel hoeveelheden als prijzen die de corrigerende werking van de geldende antidumpingmaatregelen ondermijnen, aangezien de onderliggende analyse was gebaseerd op de voornoemde, naar verluidt onbetrouwbare gegevens, en derhalve geen uitsluitsel gaf. Bovendien waren de berekeningen in het verzoek slechts gebaseerd op één van de twee relevante GN-codes. Tot slot was de in het verzoek berekende schademarge volgens de Dingsheng-groep verwaarloosbaar en vormde zij dus geen overtuigend bewijs dat de werking van de geldende maatregelen zou zijn ondermijnd. Het aanvullende bewijs dat de indiener van het verzoek in het verzoek had verstrekt, waaronder prijsopgaven van producenten in de Unie, zou een ontoereikende basis zijn geweest voor de berekeningen van de schade in het verzoek.

(20)

De Commissie was het hier niet mee eens. Wat de vermeende onbetrouwbaarheid van de voor de analyse gebruikte gegevens betreft, heeft de indiener van het verzoek zijn analyse gebaseerd op de gegevens waarover hij redelijkerwijze beschikte, zoals beschreven in overweging 15, en werd het aldus verstrekte bewijs voldoende geacht om het onderzoek te openen. Het feit dat de berekeningen slechts op één van de twee GN-codes (7607 11 19) waren gebaseerd, heeft de nauwkeurigheid van het verzoek niet ondermijnd. Zoals de indiener van het verzoek in zijn weerlegging van de door de Dingsheng-groep aangevoerde argumenten heeft opgemerkt, heeft het Gerecht verklaard dat “de basisverordening niet voorschrijft dat wanneer het betrokken product meerdere productsoorten omvat, zoals in casu, in de klacht over al die productsoorten informatie wordt verstrekt” (8). De Dingsheng-groep heeft niet betwist dat deze specifieke GN-code de meest representatieve productsoorten omvatte. Uit invoergegevens van Comext op het niveau van de 10-cijferige Taric-code blijkt zelfs dat er tijdens het onderzoektijdvak überhaupt geen invoer had plaatsgevonden van de producten die onder de andere GN-code (7607 11 90) vallen. De opname van die GN-code zou dus niets hebben veranderd aan het resultaat van de analyse in het verzoek.

(21)

Wat het niveau van de schademarge betreft, werd de door de indiener van het verzoek vastgestelde marge van 3,2 % voldoende geacht om bij de opening van het onderzoek tot de conclusie te komen dat de corrigerende werking van het recht werd ondermijnd gezien de prijzen van het soortgelijke product. Zoals de indiener van het verzoek in zijn opmerkingen ten aanzien van de argumenten van de Dingsheng-groep heeft beschreven, is het onderzochte product bijzonder prijsgevoelig en is de mededinging grotendeels gebaseerd op prijs. In die context kan ervan worden uitgegaan dat een schademarge van 3,2 %, gezien de prijzen, de corrigerende werking van de rechten ondermijnt, in het bijzonder in een situatie waarin de ingevoerde hoeveelheden aanzienlijk zijn toegenomen.

(22)

Wat de voor de berekening van prijsonderbieding gebruikte gegevens betreft, heeft de indiener van het verzoek zijn berekeningen gebaseerd op de gegevens waarover hij redelijkerwijs beschikte, in dit geval meerdere prijsopgaven van leveranciers, in combinatie met prijzen van de London Metal Exchange (“LME”). De Dingsheng-groep heeft in haar opmerkingen geen redelijkere berekeningsmethode voorgesteld waarover de indiener van het verzoek had kunnen beschikken. De Commissie heeft derhalve geoordeeld dat de gebruikte methode voldoende betrouwbaar was om de nodige berekeningen in het verzoek uit te voeren.

(23)

Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde de Dingsheng-groep dat de Commissie, door te verklaren dat “de Dingsheng-groep geen redelijkere berekeningsmethode heeft voorgesteld”, heeft geprobeerd de bewijslast om te keren en deze bij de belanghebbende partijen te leggen. In plaats van de juistheid en de toereikendheid van de door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens te onderzoeken, heeft de Commissie “de in het verzoek verstrekte gegevens schijnbaar zonder meer aanvaard, zonder nader onderzoek”.

(24)

De Commissie wees deze argumenten af. Net zoals bij alle verzoeken tot opening van een onderzoek heeft de Commissie alle door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens en ander bewijsmateriaal grondig onderzocht, en geoordeeld dat de gebruikte gegevens redelijk en voldoende juist waren om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. Bovendien maakte de Commissie bezwaar tegen de conclusie van de Dingsheng-groep dat zij de bewijslast had proberen om te keren. De Commissie had eenvoudigweg nota genomen van het feit dat de Dingsheng-groep geen alternatieve methode had aangereikt tot staving van haar stelling dat de door de indiener van het verzoek gebruikte methode onbetrouwbaar was.

(25)

De Dingsheng-groep voerde ook aan dat de normale waarde werd berekend op basis van de normale waarde van het nieuwe onderzoek, en dat er dus geen rekening was gehouden met de ruimere productomschrijving van het eerdere antiontwijkingsonderzoek. Daarnaast verklaarde de groep dat de uitvoerprijs die de indiener in het verzoek had gebruikt, gebaseerd was op statistieken van Eurostat voor een GN-code die geen betrekking had op jumborollen, maar wel op kleine rollen (9). Volgens de Dingsheng-groep was de dumpingmarge in het verzoek dus onbetrouwbaar, aangezien zij op onjuiste cijfers was gebaseerd.

(26)

De Commissie was het hier niet mee eens. Om te bepalen of er sprake is van dumping, moet volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening een vergelijking worden gemaakt met de voor het soortgelijke product eerder vastgestelde normale waarde. De indiener van het verzoek heeft overeenkomstig die bepaling de normale waarde zoals vastgesteld in het nieuwe onderzoek gebruikt. Indien ook de normale waarden van het eerdere antiontwijkingsonderzoek zouden worden opgenomen, zou dat de dumpingmarge bovendien enkel hebben vergroot, aangezien die normale waarden hoger waren dan die welke in het nieuwe onderzoek zijn gebruikt. De Commissie heeft het gebruik van de normale waarde zoals vastgesteld in het nieuwe onderzoek dan ook beschouwd als een voorzichtige raming voor de berekening van de dumpingmarge.

(27)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde de Dingsheng-groep haar argument dat de verruimde productomschrijving in aanmerking had moeten worden genomen bij de berekening van de normale waarde in het verzoek, aangezien in artikel 13, lid 1, van de basisverordening is bepaald dat alle eerder vastgestelde normale waarden in aanmerking moeten worden genomen, en niet alleen die van het laatste nieuwe onderzoek. In artikel 13, lid 1, van de basisverordening wordt evenwel verwezen naar “de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden”. Het is niet verplicht om alle normale waarden van alle eerdere onderzoeken in aanmerking te nemen. Hoe dan ook was er, zoals vermeld in overweging 26, op basis van alleen de normale waarden van het nieuwe onderzoek — die het grootste gedeelte van de invoer vertegenwoordigen (zie overweging 20) — voldoende bewijs om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen. De Commissie wees dit argument derhalve af.

(28)

Het argument van de Dingsheng-groep over het gebruik van Eurostat-statistieken voor kleine rollen om de uitvoerprijzen van jumborollen te berekenen, was feitelijk onjuist. De indiener van het verzoek had in bijlage 10 bij het verzoek inderdaad per vergissing verwezen naar de GN-code voor kleine rollen, maar een nadere beschouwing van de uit Eurostat geëxtraheerde gegevens die in bijlage 3 bij het verzoek waren opgenomen, leerde dat de gebruikte uitvoerprijzen correct gebaseerd waren op de geëxtraheerde gegevens voor GN-code 7607 11 19, te weten jumborollen. Zoals vermeld in overweging 20 omvat deze code de meest representatieve productsoorten.

(29)

Op basis van de redenering in de overwegingen 12 tot en met 28 heeft de Commissie de argumenten van de Dingsheng-groep verworpen en geoordeeld dat het verzoek voldoende bewijs bevatte om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen.

1.6.   Onderzoektijdvak en verslagperiode

(30)

Het onderzoektijdvak liep van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2020 (“het onderzoektijdvak” of “OT”). Er zijn gegevens verzameld voor het OT, onder meer om na te gaan of zich na de instelling van de maatregelen ten aanzien van het betrokken product en na de uitbreiding van de maatregelen tot het enigszins gewijzigde product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 inderdaad een verandering in de structuur van het handelsverkeer heeft voorgedaan en of er sprake is van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 (“de verslagperiode” of “VP”) zijn meer gedetailleerde gegevens verzameld, teneinde te onderzoeken of de invoer de corrigerende werking van de geldende maatregelen wat prijzen en/of hoeveelheden betreft heeft ondermijnd en of dumping heeft plaatsgevonden.

1.7.   Onderzoek

(31)

De Commissie heeft de autoriteiten van de VRC en Thailand, de producenten-exporteurs in die landen, de haar bekende betrokken importeurs in de Unie en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het onderzoek. Er werden vragenlijsten/vrijstellingsaanvraagformulieren ter beschikking gesteld aan de producenten-exporteurs in Thailand en de VRC, alsook aan de importeurs in de Unie die de Commissie bekend waren of die zich binnen de in artikel 3 van de openingsverordening vermelde termijn hadden gemeld.

(32)

Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om binnen de bij de openingsverordening vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle partijen zijn ervan in kennis gesteld dat het niet verstrekken van alle relevante informatie of het verstrekken van onvolledige, onjuiste of misleidende informatie kan leiden tot toepassing van artikel 18 van de basisverordening en tot bevindingen die op de beschikbare gegevens worden gebaseerd.

(33)

Een groep van ondernemingen uit Thailand, vijf niet-verbonden importeurs in de Unie, een niet-verbonden importeur buiten de Unie en de European Aluminium Foil Association hebben contact opgenomen met de Commissie. Er hebben zich tijdens het onderzoek geen niet-verbonden Chinese producenten-exporteurs gemeld.

(34)

De volgende ondernemingen, die deel uitmaken van de in Chinese handen zijnde Dingsheng-groep, hebben een ingevulde vrijstellingsaanvraag ingediend:

Dingheng New Materials Co., Ltd (“Dingheng”, een producent-exporteur in Thailand);

Thai Ding Li New Materials Co. (“Thai Dingli”, een handelaar in Thailand), en

diverse verbonden Chinese entiteiten in de groep.

(35)

De volgende niet-verbonden importeurs in de Unie, die deel uitmaken van de SPHERE-groep, hebben de vragenlijst volledig beantwoord:

SPHERE FRANCE SAS, en

COMSET S.r.l.

(36)

Gezien de uitbraak van COVID-19 en de inperkingsmaatregelen die door verschillende lidstaten en door verschillende derde landen zijn genomen, kon de Commissie geen controlebezoeken op grond van artikel 16 van de basisverordening verrichten bij de medewerkende rechtspersonen. De Commissie heeft de door de partijen verstrekte informatie, zoals antwoorden op vragenlijsten en antwoorden op schriftelijke aanmaningen tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens, bestudeerd overeenkomstig de Mededeling van 16 maart 2020 over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (10). Een toetsing op afstand van de gegevens werd niet noodzakelijk geacht gelet op de in overweging 75 beschreven problemen.

(37)

Twee niet-verbonden importeurs in de Unie, Cofresco Poland sp. z o.o. Manufacturing Sp. k. en Cuki Cofresco Srl., hebben binnen de vastgestelde termijnen een antwoord op de vragenlijst verstrekt dat veel tekortkomingen vertoonde. Geen van beide ondernemingen antwoordde op aanvullende vragen of schriftelijke aanmaningen tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens. Nadat beide ondernemingen ervan in kennis waren gesteld dat hun onvolledige opmerkingen op grond van artikel 18 van de basisverordening buiten beschouwing zouden worden gelaten, hebben de ondernemingen evenwel volledige antwoorden op de vragenlijsten ingediend en gerelateerde follow-upvragen beantwoord. Aangezien die antwoorden pas verschillende maanden na de aanvankelijke termijnen werden ontvangen en de tekortkomingen niet volledig konden worden verholpen en er geen toetsing op afstand kon worden uitgevoerd, werd de verstrekte informatie slechts bij het onderzoek in aanmerking genomen voor zover zij volledig en betrouwbaar werd geacht.

(38)

Een niet-verbonden importeur uit Zwitserland, Transparent Paper Ltd (“TPL”), heeft zich eveneens als belanghebbende geregistreerd en opmerkingen ingediend. De indiener van het verzoek voerde echter aan dat een niet-verbonden importeur buiten de Unie niet als belanghebbende zou moeten worden geregistreerd, en dat eventuele opmerkingen van TPL om twee redenen buiten beschouwing moesten worden gelaten. Ten eerste omdat TPL stelde dat het niet het betrokken of het onderzochte product invoerde, maar wel aluminium converter foil. Ten tweede omdat het volgens de indiener van het verzoek onwaarschijnlijk is dat TPL het betrokken of het onderzochte product niet invoerde, aangezien er een aanzienlijke overlapping bestaat tussen de door TPL ingevoerde producten en het onderzochte product. Volgens de indiener van het verzoek had TPL zijn aankopen derhalve moeten melden.

(39)

De Commissie was het hier niet mee eens. TPL heeft een rechtmatig belang bij het resultaat van de zaak. In het eerdere antiontwijkingsonderzoek was vastgesteld dat de enige manier om het onderscheid te maken tussen aluminium converter foil (het door TPL ingevoerde product) en jumborollen (het onderzochte product) vaak het eindgebruik is, d.w.z. of het wordt gebruikt voor huishoudelijke, dan wel voor andere doeleinden (zoals conversie). Daartoe moeten voor eventuele vrijstellingen van het definitieve antidumpingrecht op jumborollen de voorwaarden gelden die zijn neergelegd in de toepasselijke douanebepalingen van de Unie inzake de regeling bijzondere bestemming, met name artikel 254 van het douanewetboek van de Unie (11). Met de uitbreiding van de bestaande antidumpingrechten ten aanzien van de invoer van jumborollen uit de VRC tot de invoer van uit Thailand verzonden jumborollen wordt ook de toepassing van deze regeling bijzondere bestemming uitgebreid (12). Importeurs van converter foil uit Thailand, waaronder TPL, die hun producten in de Unie aangeven, zullen nu de regeling bijzondere bestemming moeten gebruiken of het uitgebreide antidumpingrecht moeten betalen.

(40)

Als importeur van een ander product dan het onderzochte product was TPL niet verplicht om de informatie te verstrekken waarnaar de indiener van het verzoek in zijn opmerkingen verwees, zoals zijn aankopen van converter foil. De Commissie had die informatie evenmin van TPL gevraagd. TPL had echter het recht om opmerkingen in te dienen in haar hoedanigheid van belanghebbende.

2.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

2.1.   Algemene overwegingen

(41)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening moeten om na te gaan of er sprake is van mogelijke ontwijking achtereenvolgens de volgende elementen worden onderzocht:

of zich een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC, Thailand en de Unie heeft voorgedaan;

of die verandering het gevolg is van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van de geldende antidumpingmaatregelen, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat;

of is bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van de geldende antidumpingmaatregelen, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het onderzochte product, wordt ondermijnd, en

of is bewezen dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor het betrokken product eerder vastgestelde normale waarden.

(42)

Aangezien het door de indiener van het verzoek in zijn verzoek verstrekte bewijsmateriaal wees op assemblagewerkzaamheden in Thailand, heeft de Commissie in het kader van het huidige onderzoek specifieker geanalyseerd of aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de basisverordening is voldaan, met name:

of de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en of de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en

of de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product, en of de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt.

2.2.   Mate van medewerking

(43)

De medewerkende groep ondernemingen in Thailand, de Dingsheng-groep, was goed voor meer dan 95 % van alle uitvoer naar de Unie tijdens de verslagperiode. De mate van medewerking werd daarom als hoog beschouwd. Er was geen medewerking van producenten-exporteurs in de VRC, behalve van die ondernemingen in de VRC die deel uitmaakten van de Dingsheng-groep. De bevindingen met betrekking tot de invoer van jumborollen uit de VRC in de Unie en de uitvoer van de VRC naar Thailand werden derhalve gebaseerd op de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Als zodanig werden de door de medewerkende groep ondernemingen verstrekte gegevens aangevuld met gegevens ontleend aan databanken zoals de databank van artikel 14, lid 6, die gegevens op ondernemingsniveau bevat, de Global Trade Atlas (13), Eurostat en andere publiekelijk beschikbare gegevens.

2.3.   Verandering in de structuur van het handelsverkeer

(44)

Tabel 1 toont de ontwikkeling van de invoer uit de VRC en Thailand in de Unie tijdens het onderzoektijdvak (14).

Tabel 1

Invoer van jumborollen in het onderzoektijdvak (ton)

 

2016

2017

2018

2019

VP

VRC

8 948

7 484

17 982

26 814

26 466

Index (basis = 2016)

100

84

201

300

296

Aandeel in totale invoer

16 %

18 %

33 %

42 %

39 %

Thailand

18

28

1 027

2 659

5 801

Index (basis = 2016)

100

156

5 706

14 772

32 228

Aandeel in totale invoer

0,03 %

0,07 %

1,88 %

4,12 %

8,53 %

Totale invoer

55 887

41 929

54 735

64 531

67 947

Bron: Eurostat

(45)

Tussen 2016 en het einde van de verslagperiode was er een grote toename van de invoer uit Thailand, die van slechts 18 ton naar 5 801 ton ging. Tegelijkertijd steeg het Thaise aandeel in de totale invoer van 0,03 % naar 8,53 %. De invoer uit de VRC nam eveneens toe, zij het veel trager, van 8 948 tot 26 466 ton. Het Chinese aandeel in de totale invoer nam eveneens toe van 16 % tot 39 %.

(46)

Uit een nadere beschouwing van de databank van artikel 14, lid 6 blijkt evenwel dat het overgrote deel van deze invoer het werk was van Chinese producenten-exporteurs die in het eerdere antiontwijkingsonderzoek van de maatregelen waren vrijgesteld. Bij het eerdere antiontwijkingsonderzoek was vastgesteld dat deze producenten-exporteurs geen aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik uitvoerden, maar wel converter foil, wat niet het onderzochte product is (15).

(47)

Als de cijfers worden onderzocht zonder de invoer van die vier ondernemingen, is het invoervolume aanzienlijk gedaald, tot slechts 307 ton in de verslagperiode. Dat wordt ook bevestigd door de antwoorden van een van de medewerkende niet-verbonden importeurs in de Unie, die informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij hun jumborollen vóór 2017 in de VRC kochten. Sinds 2019 werden de jumborollen echter niet langer betrokken uit de VRC, maar uit Thailand. De andere niet-verbonden importeurs begonnen in 2019 en 2020 uit Thailand in te voeren.

(48)

Tabel 2 toont de ontwikkeling van de uitvoer van grondstoffen voor de productie van jumborollen uit de VRC naar Thailand tijdens het onderzoektijdvak.

Tabel 2

Uitvoer van grondstoffen uit de VRC naar Thailand tijdens het onderzoektijdvak  (16) (ton)

 

2016

2017

2018

2019

VP

Basisfolie (ton)

50 111

52 950

62 799

68 755

71 668

Index (basis = 2016)

100

106

125

137

143

Bron: Global Trade Atlas

(49)

De belangrijkste grondstof voor de productie van aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik is primair aluminium. Het ruwe aluminium wordt vervolgens verwerkt om basisfolie te produceren, dat op zijn beurt verder wordt verwerkt tot jumborollen. Het bewijs waarover de Commissie beschikte uit het verzoek en van de medewerkende Thaise producent-exporteur toont dat de uit Thailand naar de Unie uitgevoerde jumborollen worden geproduceerd op basis van basisfolie.

(50)

In tabel 2 is te zien dat de uitvoer van basisfolie van de VRC naar Thailand sinds 2016 voortdurend is gestegen. De Commissie heeft in dat verband opgemerkt dat basisfolie mogelijk niet alleen werd gebruikt voor de productie van jumborollen in Thailand, maar bijvoorbeeld ook voor de productie van kleine rollen. Daarnaast wordt basisfolie als grondstof gebruikt in een aantal andere sectoren, waaronder de verpakkingsindustrie, of voor isolatiedoeleinden. Slechts een gedeelte van deze invoer van basisfolie wordt dus daadwerkelijk gebruikt in het productieproces van jumborollen.

(51)

De aanzienlijke toename van de invoervolumes van basisfolie uit de VRC naar Thailand gaf desalniettemin aan dat de vraag naar dergelijke grondstoffen in Thailand stijgt. Dat is op zijn minst ten dele te verklaren door de toename van de productie en de uitvoer van jumborollen in en uit Thailand. Dit wordt ook bevestigd door de informatie die is verstrekt door de medewerkende Thaise ondernemingen.

(52)

De medewerkende Dingsheng-groep was goed voor nagenoeg alle invoer (meer dan 95 %) van het onderzochte product uit Thailand tijdens de verslagperiode. De Thaise entiteiten bestaan uit één producent-exporteur (Dingheng) en één handelaar (Thai Dingli), die beweerde alleen de door Dingheng geproduceerde producten aan de Unie te verkopen. Dingheng is een onderneming in Chinese handen, die in 2018 productiefaciliteiten heeft opgezet in Thailand en in de eerste helft van 2019 haar eerste producten aan de Unie verkocht. In haar vragenlijst gaf zij aan dat zij alle grondstoffen (basisfolie) uit de VRC betrok.

(53)

De toename van de Thaise uitvoer van jumborollen naar de Unie, de gelijktijdige daling van de invoer uit de VRC naar de Unie en de toename van de uitvoer van basisfolie uit de VRC naar Thailand gedurende datzelfde tijdvak vormt een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC, Thailand en de Unie in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. Dat geldt met name voor de medewerkende Thaise ondernemingen, die pas na de uitbreiding van de maatregelen naar aanleiding van het eerdere antiontwijkingsonderzoek grondstoffen uit de VRC begonnen in te voeren en jumborollen begonnen te produceren en uit te voeren naar de Unie.

2.4.   Soort ontwijkingspraktijken waarvoor onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond

(54)

Artikel 13, lid 1, van de basisverordening bepaalt dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten het via derde landen verzenden van het product waarop de bestaande maatregelen van toepassing zijn alsmede assemblage-/voltooiingswerkzaamheden in een derde land als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de basisverordening.

(55)

Dingheng produceert jumborollen op basis van basisfolie. Volgens het verzoek om vrijstelling van de onderneming bestaat het productieproces uit bewerkingen zoals verder walsen, slitten, gloeien en verpakken. De Commissie was van oordeel dat het daarbij om betrekkelijk kleine bewerkingen gaat.

(56)

De Dingsheng-groep voerde aan dat het bij de voornoemde bewerkingen niet om kleine bewerkingen gaat, aangezien de basisfolie diverse processen ondergaat waarvoor verschillende specifieke machines nodig zijn, en stelde dat haar argument verder werd gestaafd door het feit dat de door Dingheng vervaardigde producten onder een andere tariefpost moeten worden ingedeeld dan het uitgangsmateriaal.

(57)

De Commissie erkende dat het uitgangsmateriaal verschillende processen ondergaat alvorens het door Dingheng als het onderzochte product wordt verkocht. Die processen kunnen echter niet als grote bewerkingen worden beschouwd, althans niet in vergelijking met het productieproces dat plaatsvindt voordat het uitgangsmateriaal in de productiefaciliteit van Dingheng aankomt. Het productieproces van basisaluminiumfolie omvat het smelten van aluminiumingots, het gieten, het zagen, het wegnemen van de buitenlaag, het verhitten, diverse stadia van warm en koud walsen en het gloeien. De daaropvolgende stappen om de basisfolie om te vormen tot jumborollen zijn dus betrekkelijk klein in omvang en voegen, zoals in overweging 82 te lezen is, relatief weinig waarde toe, wat in dit verband het relevante criterium is. Verder kan de wijziging van de tariefpost niet worden gezien als bewijs van het effect van de bewerkingen die het uitgangsmateriaal ondergaat. In artikel 13, lid 1, punt a), van de basisverordening wordt “het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn” zelfs uitdrukkelijk genoemd als ontwijkingspraktijk. Derhalve werden de argumenten van de Dingsheng-groep afgewezen.

(58)

Zoals beschreven in overweging 34 is Dingheng een dochteronderneming van een Chinese onderneming en maakt zij als zodanig deel uit van de Dingsheng-groep, die in Chinese handen is. Die groep bestaat onder meer uit ondernemingen die aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik en aanverwante producten produceren, grondstoffen voor dergelijke producten leveren en/of dergelijke grondstoffen of eindproducten verhandelen. Bij eerdere onderzoeken naar jumborollen bleek dat bepaalde Chinese entiteiten binnen de Dingsheng Group jumborollen tegen dumpingprijzen uitvoerden (17) en de bij het oorspronkelijke en het nieuwe onderzoek ingestelde rechten ontweken door het product enigszins te wijzigen (18). Volgens de databank van artikel 14, lid 6 heeft er sinds het eerdere antiontwijkingsonderzoek geen invoer van de desbetreffende Chinese producent-exporteur in de Dingsheng-groep plaatsgevonden, wat samenvalt met het moment waarop Dingheng vanuit Thailand naar de Unie is beginnen uitvoeren. De door de Chinese entiteiten in de Dingsheng-groep verstrekte informatie bevestigde dat deze ondernemingen tijdens deze periode niet uitvoerden naar de Unie.

(59)

Dingheng legde uit dat de redenering achter het opstarten van de productie van jumborollen in Thailand erin bestond een vestiging van de Dingsheng-groep op te zetten in het buitenland, in overeenstemming met “haar mondialiseringsmissie en transnationale blauwdruk”. De beursgang van de moederonderneming van Dingheng in 2018 zorgde voor de nodige financiële middelen om de uitbreiding naar Thailand mogelijk te maken. Door in Thailand een nieuwe productiefaciliteit op te zetten, zou de groep zich bovendien tegen metaalrisico’s op internationale markten kunnen indekken, de aankoop van aluminiumgrondstoffen tegen de LME-prijs in plaats van de marktprijs in Shanghai mogelijk kunnen maken en haar activiteiten kunnen verruimen op andere, meer winstgevende markten dan die van de VRC. Dingheng legde ook uit dat hoewel het tijdens het onderzoektijdvak jumborollen produceerde op basis van basisaluminiumfolie, het volgens zijn investeringsplan de bedoeling was om een gietlijn op te zetten voor de productie op basis van alumuniumingots. Zodra de gietlijn operationeel zou zijn, zou Dingheng aluminiumingots wereldwijd betrekken en het percentage Chinese grondstoffen aanzienlijk afbouwen en zo het risico van grondstoffenvolatiliteit beperken.

(60)

De Commissie merkte op dat de situatie tijdens de verslagperiode niet strookte met het voornemen van de onderneming zoals beschreven in het investeringsplan. In de praktijk betrok Dingheng zijn grondstoffen tijdens de verslagperiode volledig uit de VRC en produceerde het alle jumborollen op basis van ingevoerde basisaluminiumfolie. Bovendien vulde Dingheng de eigen productie van jumborollen aan met jumborollen die het kocht bij de verbonden ondernemingen in de VRC, aangezien de eigen productie tijdens de verslagperiode niet voldoende was om in de vraag van zijn afnemers te voorzien. Hoewel Dingheng bewijs leverde waaruit bleek dat de geplande gietlijn in aanleg was, werd de lijn tijdens de verslagperiode niet voltooid of gebruikt.

(61)

Bovendien is het investeringsplan van de onderneming in feite het verslag van een haalbaarheidsstudie, waarin werd geanalyseerd of het economisch haalbaar zou zijn om productiecapaciteit toe te voegen aan de productiefaciliteit van Dingheng, onder meer via de toevoeging van een gietlijn. Het verslag dateert van augustus 2019, d.w.z. nadat Dingheng was gestart met de productie van jumborollen op basis van ingevoerde basisaluminiumfolie. Voorts wordt in het verslag vermeld dat ook in de toekomst grondstoffen (aluminiumingots) zouden worden ingevoerd uit de VRC, hetgeen ingaat tegen het argument van de onderneming dat de productie buiten de VRC werd opgezet om grondstoffen tegen een lagere prijs te kunnen inkopen. Hoewel de onderneming zijn grondstoffen in de praktijk inderdaad buiten de VRC zou kunnen gaan inkopen, kon de Commissie op basis van de gegevens die tijdens de verslagperiode beschikbaar waren geen conclusies formuleren over een onbekende situatie in de toekomst.

(62)

Bovendien kon de onderneming, afgezien van de voornoemde plannen voor of voornemens van toekomstige investeringen of productie, geen andere bewijzen voorleggen betreffende het bestaan van voldoende reden of economische rechtvaardiging voor de uitvoer van jumborollen uit Thailand naar de Unie. Het haalbaarheidsverslag dat als investeringsplan werd voorgesteld, dateert van na de oprichting van de productiefaciliteit in Thailand en kan dus niet worden aangevoerd als economische rechtvaardiging voor de uitvoer van jumborollen uit Thailand naar de Unie tijdens de verslagperiode. Daarnaast heeft een zoekopdracht op het internet aan het licht gebracht dat het vermijden van antidumpingrechten door Dingheng als argument is gebruikt om klanten te winnen; zo stond op een website te lezen: “We can provide you alu foil from our Thailand or Italy factory to avoid anti-dumping tax” (“Wij kunnen u aluminiumfolie uit onze fabriek in Thailand of Italië aanbieden om antidumpingrechten te vermijden”) (19).

(63)

Na de mededeling van feiten en overwegingen diende de Dingsheng-groep een verslag van 2018 in (“het verslag van 2018”) waarvan het beweerde dat dit een eerste versie was van het verslag van de haalbaarheidsstudie van 2019 (“het verslag van 2019”). De Dingsheng-groep benadrukte ook dat het verslag, hoewel het een haalbaarheidsstudie en geen investeringsplan werd genoemd, door de raad van bestuur van de hoofdaandeelhouder van Dingsheng was geanalyseerd in het kader van de goedkeuring van de investering in Thailand.

(64)

De Commissie heeft het verslag van 2018 onderzocht en vastgesteld dat het weliswaar erg lijkt op het verslag van 2019, maar dat de erin voorgestelde activiteiten veel beperkter van omvang zijn. Terwijl in het verslag van 2018 alleen sprake is van een walserij en bij de benodigde uitrusting alleen machines voor het walsen, het wikkelen, het slitten en het gloeien worden genoemd, wordt in het verslag van 2019 verwezen naar een wals- en een gietlijn. De gietlijn is van cruciaal belang, aangezien de opzet ervan het volgens de door de onderneming eerder ingediende informatie overbodig zou maken om basisfolie uit de VRC aan te kopen, aangezien met deze lijn basisfolie in Thailand zou kunnen worden geproduceerd op basis van wereldwijd aangekochte grondstoffen (aluminiumingots) (zie ook overweging 59).

(65)

Zoals uitgelegd in overweging 61 dateert het verslag van 2019 van vóór de oprichting van de productiefaciliteit van Dingheng. De Dingsheng-groep voerde evenwel aan dat het verslag van 2019 “niets meer was dan een integratie en herziening van het eerste plan, dat in 2018 was opgesteld en niet kon worden uitgevoerd door de Dingsheng-groep”. Bovendien verklaarde de Dingsheng-groep dat in het verslag van 2019 werd voorgesteld om het aanvankelijke project af te slanken, waarbij een productiecapaciteit van [40 000 — 60 000] ton per jaar werd beoogd in plaats van [50 000 — 70 000] ton per jaar. Volgens de Commissie was dat argument echter feitelijk onjuist, aangezien in het verslag van 2019 meermaals uitdrukkelijk is vermeld dat het verslag een aanvullende productiecapaciteit van [40 000 — 60 000] ton mogelijk moet maken om zo tot een jaarlijkse productie van [90 000 — 130 000] ton te komen. De titel van het verslag luidt zelfs “Add [40 000 — 60 000] tons of aluminum foil production capacity project” (“Project om een productiecapaciteit van [40 000 — 60 000] ton bladaluminium toe te voegen”).

(66)

De Dingsheng-groep heeft geen informatie verstrekt waaruit zou blijken dat het ten tijde van het verslag van 2018 en de investeringsbeslissing de bedoeling was om een productiefaciliteit op te zetten in Thailand waarvoor geen basisaluminiumfolie uit de VRC zou hoeven te worden ingevoerd. Integendeel, de verstrekte informatie geeft blijk van een voornemen om een faciliteit op te zetten voor de productie van jumborollen op basis van ingevoerde basisfolie, door slechts betrekkelijk kleine bewerkingen uit te voeren. De situatie tijdens de verslagperiode sloot ook aan bij de productiefaciliteit zoals die in het verslag van 2018 werd voorzien. Het enige verstrekte document waarin wordt gesproken over de mogelijkheid om een gietlijn op te zetten, dateert van 2019, dus na de oprichting van de productiefaciliteit van Dingheng.

(67)

De Dingsheng-groep voerde ook aan dat het feit dat in het verslag van 2019 sprake is van het invoeren van grondstoffen (aluminiumingots) uit de VRC (zoals vermeld in overweging 61), niet mag worden opgevat als een gebrek aan economische rechtvaardiging voor het opzetten van activiteiten in Thailand. In dat verband wees de Dingsheng-groep op informatie die aan de Commissie was verstrekt in een antwoord op een schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens, waarin de groep stelde dat het “economisch gezien onlogisch” zou zijn om grondstoffen in te voeren uit de VRC, aangezien op aluminiumingots uit de VRC een uitvoerheffing van 30 % wordt toegepast. De Dingsheng-groep voerde dus aan dat deze grondstof uit andere landen zou worden betrokken. Voorts stelde de groep dat het met de invoering van de geplande gietlijn niet langer nodig zou zijn om basisfolie in de VRC aan te kopen.

(68)

Zowel in het verslag van 2018 als in dat van 2019 wordt echter gesproken over het betrekken van grondstoffen uit de VRC, of het nu basisfolie of ingots betreft. De uitvoerheffing van 30 % op ingots uit de VRC werd in het verslag nergens vermeld, hoewel deze (of een soortgelijke) heffing al zou hebben bestaan ten tijde van de studies. Bovendien volstaat de beoogde productie van basisaluminiumfolie in de productiefaciliteit van Dingheng niet om de geplande productie van bladaluminium af te dekken. In het verslag van 2019 staat immers: “Voor de jaarlijkse productie van basisaluminiumfolie is [70 000 — 90 000] ton nodig, waarvan een gedeelte wordt geproduceerd door de nieuwe gieterij en walserij en de rest wordt ingevoerd uit de VRC.”.

(69)

Of Dingheng in de toekomst grondstoffen zal aankopen uit de VRC of uit andere landen en of die keuzen economisch gezien al dan niet logisch zouden zijn, is hoe dan ook niet doorslaggevend voor het huidige onderzoek. De Commissie moet haar conclusies baseren op de feiten en cijfers die betrekking hebben op het onderzoektijdvak. Zoals reeds vermeld in overweging 61 kunnen op basis van de gegevens die tijdens de verslagperiode beschikbaar waren onmogelijk conclusies worden geformuleerd over een onbekende situatie in de toekomst.

(70)

De Dingsheng-groep voerde ook aan dat reclame waarin het vermijden van antidumpingrechten wordt vermeld als een manier om afnemers aan te trekken (zie overweging 62), in essentie “het gevolg van zakelijke beslissingen” en “louter een beschrijving van de feiten” is. Dergelijke reclame kan derhalve “geen opheldering brengen in verband met het vermeende gebrek aan economische rechtvaardiging”. De Dingsheng-groep merkt terecht op dat de reclame als dusdanig niet als sluitend bewijs kan worden gezien van de reden voor het opzetten van een productiefaciliteit in Thailand. Deze reclameboodschap geeft echter wel aan dat het vermijden van antidumpingrechten een rol heeft gespeeld in de economische (marketing)beslissingen van de Dingsheng-groep; bijvoorbeeld beslissingen over de vraag hoe ervoor kon worden gezorgd dat potentiële klanten producten van de Dingsheng-groep bij een van haar productiefaciliteiten zouden aanschaffen. Er werden geen andere argumenten aangehaald om de afnemers ervan te overtuigen de Thaise productiefaciliteit, en niet een van de andere productiefaciliteiten, als leverancier te kiezen, zoals de kwaliteit of de prijs van het product. In de reclame, die in de periode na de mededeling van feiten en overwegingen is verwijderd, werd alleen gesproken over het vermijden van de antidumpingrechten.

(71)

Daarnaast voerde de Dingsheng-groep argumenten aan met betrekking tot het bestaan van voldoende reden of economische rechtvaardiging voor de uitbreiding van haar activiteiten van China naar Thailand in 2018. Tot die argumenten behoorden onder meer het vermogen om de productiecapaciteit op te voeren, de soepelere milieuregelgeving in Thailand, de noodzaak zich op andere markten te vestigen aangezien de Chinese markt voor folie verzadigd is en de noodzaak om recente schommelingen op de futuresmarkten voor aluminium te ondervangen. Zoals de Dingsheng-groep zelf ook erkende, verklaren die argumenten de huidige situatie van de productie echter niet en zijn zij mogelijk slechts relevant voor de toekomstige situatie, wanneer Dingheng naar verluidt jumborollen zal gaan produceren op basis van wereldwijd betrokken aluminiumingots.

(72)

Tot slot voerde de Dingsheng-groep aan dat de Commissie haar analyse niet zou mogen baseren op een tijdelijke situatie, maar dat zij ook rekening moet houden met de toekomstige situatie. Zoals reeds vermeld in overweging 69, is de Commissie echter wettelijk verplicht om haar analyse te baseren op feiten en cijfers die betrekking hebben op het onderzoektijdvak. Uit die feiten is gebleken dat Dingheng jumborollen produceerde op basis van uit de VRC ingevoerde basisfolie en die rollen hoofdzakelijk aan internationale afnemers verkocht. Pas in 2019, na de oprichting van de productiefaciliteit, was er voor het eerst sprake van een wijziging van het productieproces in Thailand en de toevoeging van een gietlijn aan de productiefaciliteit. De meeste van voornoemde redenen voor de opzet van een vestiging buiten de VRC zijn derhalve nog niet tot wasdom gekomen en kunnen niet worden aanvaard als economische rechtvaardiging voor de oprichting van de huidige productiefaciliteit in Thailand.

(73)

Gelet op het bovenstaande, werden de argumenten van de Dingsheng-groep afgewezen. Uit het onderzoek is niet gebleken dat er voldoende reden of economische rechtvaardiging bestond voor het opzetten van een productiefaciliteit in Thailand zoals hierboven beschreven, behalve om betaling van de geldende antidumpingrechten te ontwijken (20).

2.5.   Aanvang of aanmerkelijke toename van de werkzaamheden

(74)

In artikel 13, lid 2, van de basisverordening is bepaald dat de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek moeten zijn aangevangen of aanmerkelijk moeten zijn toegenomen, en dat de betrokken delen afkomstig moeten zijn uit het land waarop de antidumpingmaatregelen van toepassing zijn.

(75)

Hoewel de informatie die de ondernemingen in het verzoek om vrijstelling en in twee latere antwoorden op schriftelijke aanmaningen tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens hebben verstrekt, niet in alle opzichte perfect was, achtte de Commissie de informatie voldoende om te bepalen of aan de criteria van artikel 13 was voldaan.

(76)

Zoals te zien is in tabel 2, was de invoer van jumborollen uit Thailand in 2016 en 2017 verwaarloosbaar. Na de uitbreiding van het antidumpingrecht naar het enigszins gewijzigde product uit de VRC in het kader van het eerdere antiontwijkingsonderzoek in 2017, begon de invoer uit Thailand in 2018 aanzienlijk toe te nemen, waarbij het invoervolume sindsdien elk jaar verdubbelde. Zoals reeds is vermeld, was meer dan 95 % van de tijdens de verslagperiode ingevoerde jumborollen afkomstig van Dingheng en Thai Dingli, die werden opgericht in 2018.

(77)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de Dingsheng-groep aan dat het argument van Commissie dat de invoer uit Thailand in 2018 was toegenomen en dat meer dan 95 % van de tijdens de verslagperiode ingevoerde jumborollen van Dingheng en Thai Dingli afkomstig was, feitelijk onjuist was. Volgens de Dingsheng-groep begon Dingheng pas in 2019 met de commerciële productie en kon het dus niet verantwoordelijk zijn voor 95 % van de invoer in 2018.

(78)

De Commissie merkte op dat het argument van de Dingsheng-groep was gebaseerd op een verkeerde interpretatie van wat in overweging 76 was vermeld. Dingheng en Thai Dingli waren goed voor 95 % van de invoer tijdens de verslagperiode, te weten van 1 juli 2019 tot 30 juni 2020, en niet in 2018. Tijdens de verslagperiode voerden zowel Dingheng als Thai Dingli jumborollen uit naar de Unie, zoals blijkt uit het verzoek om vrijstelling en zoals de Dingsheng-groep ook in haar opmerkingen heeft bevestigd. De gegevens waarover de Commissie op basis van het verzoek beschikte, statistische databanken en door de Dingsheng-groep zelf verstrekte informatie gaven aan dat andere ondernemingen niet verantwoordelijk kunnen zijn voor meer dan 5 % van de invoer in de Unie tijdens de verslagperiode. Het argument werd derhalve afgewezen.

(79)

Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat tijdens de verslagperiode alleen de door Dingheng zelf geproduceerde jumborollen (en dus niet de van de VRC aangekochte jumborollen) naar de Unie werden uitgevoerd, zou volgens de door Dingheng verstrekte informatie 100 % van alle grondstoffen (basisaluminiumfolie) zijn aangekocht bij (verbonden en niet-verbonden) Chinese ondernemingen. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de assemblagewerkzaamheden sinds de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen, terwijl de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn.

2.6.   Waarde van de delen en toegevoegde waarde

(80)

In artikel 13, lid 2, punt b), van de basisverordening is met betrekking tot assemblagewerkzaamheden bepaald dat er ook sprake kan zijn van ontwijking wanneer de delen (in dit geval van Chinese oorsprong) 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product, en de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd minder dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt.

(81)

Zoals vermeld in overweging 79 produceerde Dingheng de aan de Unie verkochte jumborollen op basis van grondstoffen die voor 100 % in de VRC werden aangekocht, dus ruim meer dan de drempel van 60 % van de totale waarde van de delen. Er werd daarom geconcludeerd dat aan het eerste criterium van artikel 13, lid 2, punt b), van de basisverordening was voldaan.

(82)

Om na te gaan of was voldaan aan het criterium inzake de toegevoegde waarde van 25 % werd de aan de ingevoerde delen toegevoegde waarde bepaald als zijnde het totaal van de arbeidskosten en de overheadkosten die het assemblagebedrijf ten aanzien van die delen heeft gemaakt. De verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en de winst werden niet in aanmerking genomen voor deze berekening. De aldus vastgestelde toegevoegde waarde werd vervolgens uitgedrukt als een percentage van de fabricagekosten die bestaan uit de waarde van alle delen, gebaseerd op de aankoopprijzen franco fabriek, tegen zakelijke en objectieve prijsstelling van deze delen, plus de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de delen werd toegevoegd. De aldus vastgestelde gemiddelde toegevoegde waarde tijdens de verslagperiode bleek aanzienlijk lager te liggen dan de drempel van 25 % die is vastgesteld bij artikel 13, lid 2, punt b), van de basisverordening. Er werd daarom geconcludeerd dat eveneens aan het tweede criterium van artikel 13, lid 2, punt b), van de basisverordening was voldaan.

2.7.   Ondermijning van de corrigerende werking van het recht

(83)

De Commissie heeft overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening onderzocht of de invoer van het onderzochte product, zowel wat hoeveelheden als wat prijzen betreft, de corrigerende werking van de thans geldende maatregelen ondermijnde.

(84)

De toename van de invoer van jumborollen uit Thailand was aanzienlijk, zoals uiteengezet in de overwegingen 44 en 45. De invoer steeg van minder dan 1 % van het totale invoervolume van jumborollen in 2016 tot bijna 9 % tijdens de verslagperiode. Ter vergelijking: de invoer van Chinese ondernemingen die tijdens het eerdere antiontwijkingsonderzoek niet waren vrijgesteld, nam af van 13 % in 2016 tot minder dan 1 % tijdens de verslagperiode.

(85)

Wat de prijzen betreft, heeft de Commissie de gemiddelde geen schade veroorzakende prijs zoals vastgesteld bij het eerdere nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (21), vergeleken met de gewogen gemiddelde cif-uitvoerprijzen, zoals bepaald op basis van de door de medewerkende producent verstrekte informatie, met de nodige correcties voor conventionele douanerechten en kosten na inklaring. Uit die vergelijking van de prijzen bleek dat er sprake was van een prijsbederf van 49 % en een prijsonderbieding van 40 %.

(86)

De Commissie concludeerde dat de bestaande maatregelen wat hoeveelheden en prijzen betreft werdenondermijnd door de invoer uit Thailand waarop dit onderzoek betrekking heeft.

(87)

Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de Dingsheng-groep aan dat zij onvoldoende informatie had gekregen om de juistheid van de berekeningen na te gaan, aangezien de geen schade veroorzakende prijs en de streefwinstmarge die werden gebruikt om het prijsbederf en de prijsonderbieding te berekenen, niet waren meegedeeld.

(88)

De Commissie heeft dit argument verworpen en geoordeeld dat de aan de Dingsheng-groep meegedeelde informatie voldoende was om de groep in staat te stellen doeltreffend opmerkingen te maken bij de bevindingen van de Commissie zoals uiteengezet in de informatiedocumenten. In dat verband wees de Commissie erop dat de analyse in antiontwijkingsonderzoeken ertoe beperkt is vast te stellen of de corrigerende werking van het recht wat prijzen en/of hoeveelheden betreft wordt ondermijnd. Die analyse wordt verricht door gebruik te maken van de informatie over het geen schade veroorzakende prijspeil zoals vastgesteld bij het eerdere onderzoek, in dit geval het nieuwe onderzoek. Het geen schade veroorzakende prijspeil was in de specifieke mededeling van 24 juni 2021 aan de Dingsheng-groep meegedeeld en werd daarbij in orden van grootte weergegeven. Op basis van de informatie in de specifieke mededeling kon tevens eenvoudig worden bepaald dat de streefwinst 6 % bedroeg. De verstrekte informatie werd derhalve voldoende geacht om de juistheid en de toereikendheid van de berekeningen van de Commissie te controleren. Voorts zij erop gewezen dat een medewerkende onderneming in het nieuwe onderzoek eveneens deel uitmaakt van de Dingsheng-groep en dat de groep op dat moment dus nadere gegevens heeft ontvangen. De argumenten werden daarom afgewezen.

2.8.   Bewijs van dumping

(89)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of er bewijs was van dumping ten aanzien van de voor het soortgelijke product eerder vastgestelde normale waarden.

(90)

Daartoe werden de uitvoerprijzen van de medewerkende producent-exporteur bepaald zoals beschreven in overweging 85 en werden zij vergeleken met de normale waarden zoals die waren vastgesteld bij het laatste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen (voor het oorspronkelijke soortgelijke product) en bij het antiontwijkingsonderzoek (voor het enigszins gewijzigde product), met de nodige correcties voor schommelingen van de London Metal Exchange (LME). Net als bij de berekeningen in het kader van het laatste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en het eerdere antiontwijkingsonderzoek waren deze correcties nodig doordat de prijzen van aluminiumproducten afhankelijk zijn van prijsschommelingen van de basisgrondstof, primair aluminium. LME-prijzen worden beschouwd als de wereldwijde referentie voor primair aluminium.

(91)

Na de mededeling van feiten en overwegingen stelde de Dingsheng-groep dat de LME-correctie onjuist was. Volgens de groep had de correctie naar boven een correctie naar beneden moeten zijn, aangezien de LME-prijs tussen het nieuwe onderzoek en de verslagperiode een neerwaartse trend had vertoond.

(92)

Zoals voorgeschreven bij artikel 13, lid 1, van de basisverordening waren de berekeningen gebaseerd op de voor het soortgelijke product eerder vastgestelde normale waarden. Dit omvat de LME-waarden die bij die onderzoeken werden gebruikt. De LME-waarden voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek die de Dingsheng-groep in haar opmerkingen noemt, komen niet overeen met de waarden die bij eerdere onderzoeken zijn gebruikt en kunnen dus niet als basis voor een vergelijking dienen. Uit een vergelijking van de bij de eerdere onderzoeken vastgestelde waarden met de LME-gegevens voor de verslagperiode uit dezelfde gegevensbron als die welke oorspronkelijk was gebruikt (Bloomberg) — d.w.z. door dezelfde methode toe te passen als bij de eerdere onderzoeken — bleek dat de door de Commissie toegepaste correctie naar boven juist was. De Commissie wees dit argument derhalve af.

(93)

Na de mededeling van feiten en overwegingen verzochten twee niet-verbonden importeurs in de Unie de Commissie om na te gaan of er momenteel nog steeds jumborollen met dumping worden ingevoerd, en verstrekten zij enige informatie over de huidige prijzen bij invoer van jumborollen uit de VRC in het Verenigd Koninkrijk. De analyse van de Commissie was ingevolge artikel 6, lid 1, van de basisverordening evenwel beperkt tot de informatie die betrekking had op het onderzoektijdvak en de verslagperiode, en behelsde geen informatie met betrekking tot een latere periode. Bovendien heeft de door de niet-verbonden importeurs verstrekte informatie betrekking op de huidige prijzen bij invoer uit de VRC, dat niet het betrokken land is, naar het Verenigd Koninkrijk, dat geen lidstaat is van de Unie. De Commissie heeft dit verzoek derhalve afgewezen.

(94)

Uit de vergelijking van de normale waarden met de uitvoerprijzen op het niveau van de productsoort blijkt dat tijdens de verslagperiode jumborollen door de medewerkende ondernemingen tegen dumpingprijzen werden ingevoerd.

3.   VERZOEKEN OM VRIJSTELLING

(95)

Eén producent-exporteur in Thailand heeft overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening verzocht om vrijstelling van de eventuele uitgebreide maatregelen en heeft een antwoord op de vragenlijst ingediend.

(96)

Zoals hierboven uiteengezet, heeft het onderzoek evenwel bevestigd dat deze producent de geldende maatregelen ontweek. Daarom werd besloten het verzoek af te wijzen.

4.   MAATREGELEN

(97)

Op basis van de bovenstaande bevindingen concludeerde de Commissie dat het antidumpingrecht dat is ingesteld op jumborollen van oorsprong uit de VRC, wordt ontweken door de invoer van het uit Thailand verzonden onderzochte product. Aangezien de uitvoer van de medewerkende onderneming meer dan 95 % van de totale invoer van het onderzochte product uitmaakt en er geen andere producenten-exporteurs meewerkten, geldt deze conclusie voor het gehele land.

(98)

Daarom moeten overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening de geldende antidumpingmaatregelen worden uitgebreid tot de invoer van het onderzochte product.

(99)

Overeenkomstig artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening moet de uit te breiden maatregel de maatregel zijn die in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 is vastgesteld voor “alle andere ondernemingen” en die eerder bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 is uitgebreid, dat wil zeggen een definitief antidumpingrecht van 30 %, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring.

(100)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening, volgens welke uitgebreide maatregelen moeten worden toegepast op goederen waarvoor bij invoer in de Unie een door de openingsverordening opgelegde registratieplicht geldt, moeten de rechten worden geïnd op die geregistreerde invoer in de Unie van het onderzochte product.

(101)

Zoals toegelicht in overweging 39 was bij het eerdere antiontwijkingsonderzoek een regeling bijzondere bestemming ingesteld, die echte importeurs van aluminium converter foil de mogelijkheid moest bieden om een vrijstelling van betaling van de antidumpingrechten aan te vragen. TPL, een niet-verbonden importeur van aluminium converter foil, voerde aan dat de keuze om echte importeurs van aluminium converter foil in het kader van dit onderzoek te verplichten een dergelijke regeling bijzondere bestemming toe te passen, een oneerlijke benadeling zou inhouden voor importeurs van een product dat buiten het toepassingsgebied van het onderzoek valt. TPL wees in dat verband op de recent aangemaakte specifieke Taric-codes voor converter foil, die werden aangemaakt na het eerdere antiontwijkingsonderzoek.

(102)

Een beslissing om al dan niet een regeling bijzondere bestemming toe te passen voor de invoer van jumborollen uit Thailand valt echter niet binnen het toepassingsgebied van het huidige onderzoek. Dit antiontwijkingsonderzoek strekt ertoe te bepalen of de geldende maatregelen al dan niet moeten worden uitgebreid tot de invoer uit Thailand van het soortgelijke product. Het onderzoek kan niets veranderen aan het niveau of de vorm van de maatregelen en dus ook niet aan het bestaan van de regeling bijzondere bestemming.

(103)

Hoe dan ook is de mogelijkheid om converter foil te onderscheiden van huishoudfolie momenteel nog steeds afhankelijk van de door de betrokken importeur aangegeven bijzondere bestemming, ook al zijn er nu specifieke Taric-codes voor converter foil. Zo bevat de omschrijving van Taric-code 7607111960 de bewoordingen “voor ander gebruik dan als aluminium huishoudfolie”. Invoer onder deze code, die specifiek voor converter foil is aangemaakt, is onderworpen aan bepalingen betreffende bijzondere bestemming zodat de invoer daadwerkelijk onder deze code kan worden aangegeven. De aanmaak van specifieke codes voor converter foil en huishoudfolie heeft de regeling bijzondere bestemming dus niet overbodig gemaakt. De bestaande regeling bijzondere bestemming lijkt dus nog steeds noodzakelijk.

(104)

Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde TPL zijn verzoek om de bij het eerdere antiontwijkingsonderzoek ingestelde regeling bijzondere bestemming niet uit te breiden. Volgens TPL is de regeling bijzondere bestemming niet noodzakelijk, aangezien zij enkel werd ingesteld om te verzekeren dat importeurs van converter foil echt converter foil invoerden en niet enigszins gewijzigde aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik. TPL voerde aan dat dit onderscheid in het huidige onderzoek niet nodig is, aangezien het nu zaak is te bepalen of het uit Thailand uitgevoerde product van Thaise, dan wel van Chinese oorsprong is.

(105)

De Commissie was het niet eens met dat argument. Een uitbreiding van de antidumpingmaatregelen behelst onvermijdelijk ook de uitbreiding van de eerder ingestelde regeling bijzondere bestemming. Het feit dat de regeling bijzondere bestemming geen maatregel is, maar een bijzondere douaneregeling, zoals TPL stelt, doet niets af aan het feit dat de toepassing van de maatregelen in het eerdere antiontwijkingsonderzoek uitdrukkelijk werd gecombineerd met deze regeling bijzondere bestemming. Aangezien het huidige onderzoek ook het enigszins gewijzigde product behelst, blijft het onderscheid tussen converter foil en huishoudfolie relevant, ook voor uit Thailand ingevoerde producten. Zoals uitgelegd in overweging 103 is het verschil tussen beide productsoorten nog steeds afhankelijk van de door de importeur aangegeven bijzondere bestemming. Een dergelijke aangifte is een onmisbaar element om te bepalen of het product onder de specifieke Taric-code voor converter foil kan worden ingevoerd, dan wel onder een van de Taric-codes voor aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik. De Commissie heeft het verzoek van TPL derhalve afgewezen.

(106)

Na de mededeling van feiten en overwegingen verstrekten twee niet-verbonden importeurs in de Unie bewijsmateriaal van een recente stijging van de kosten van grondstoffen en de verwerkingskosten voor fabrikanten van huishoudfolie in de Unie en verzochten zij om het belang van producenten in de Unie van jumborollen af te wegen tegen dat van producenten in de Unie van huishoudfolie en eindafnemers. De door die importeurs in de Unie verstrekte gegevens hadden evenwel betrekking op de periode na het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek en werden derhalve niet in aanmerking genomen. Een analyse van de werking van de maatregelen valt bovendien niet onder het toepassingsgebied van een antiontwijkingsonderzoek, waarbij alleen moet worden vastgesteld of de corrigerende werking van de oorspronkelijke maatregelen door de ontwijkingspraktijken wordt ondermijnd. Een volledige analyse, ook van het effect van de maatregelen op het belang van de Unie, kan echter wel worden verricht in andere soorten onderzoeken, zoals een tussentijds nieuw onderzoek of een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen (22). De Commissie heeft dit verzoek derhalve afgewezen.

5.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(107)

Op 24 juni 2021 heeft de Commissie aan alle belanghebbenden de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld die tot voornoemde conclusies hebben geleid, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen in te dienen. Zij heeft opmerkingen ontvangen van de medewerkende producent in Thailand, twee niet-verbonden importeurs in de Unie en één niet-verbonden importeur in Zwitserland, TPL. Met de schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden is in voorkomend geval rekening gehouden, zoals hiervoor beschreven.

(108)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het definitieve antidumpingrecht dat is ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 van de Commissie van 17 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Brazilië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad, en dat bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 van 16 februari 2017 is uitgebreid tot de invoer van bepaald enigszins gewijzigd bladaluminium, wordt uitgebreid tot de invoer van:

bladaluminium met een dikte van minstens 0,008 mm en hoogstens 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van hoogstens 650 mm en een gewicht van meer dan 10 kg,

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,007 mm en minder dan 0,008 mm, ongeacht de breedte van de rollen, al dan niet gegloeid,

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, op rollen met een breedte van meer dan 650 mm, al dan niet gegloeid,

bladaluminium met een dikte van meer dan 0,018 mm en minder dan 0,021 mm, ongeacht de breedte van de rollen, al dan niet gegloeid,

bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,021 mm en niet meer dan 0,045 mm, indien aangeboden met ten minste twee lagen, ongeacht de breedte van de rollen, al dan niet gegloeid,

momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7607 11 19 (Taric-codes 7607111910, 7607111930, 7607111940, 7607111950) en ex 7607 11 90 (Taric-codes 7607119044, 7607119046, 7607119071, 7607119072), en verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand (aanvullende Taric-code C601).

2.   Het in lid 1 van dit artikel omschreven product wordt vrijgesteld van het definitieve antidumpingrecht indien het voor andere doeleinden dan gebruik als huishoudfolie wordt ingevoerd. Voor vrijstelling gelden de voorwaarden die zijn neergelegd in de douanebepalingen van de Unie inzake de regeling bijzondere bestemming, en met name artikel 254 van het douanewetboek van de Unie.

3.   Het bij lid 1 van dit artikel uitgebreide recht wordt geïnd op ingevoerde producten verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand, die zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2162 en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1036, met uitzondering van die waarvoor overeenkomstig lid 2 kan worden aangetoond dat zij voor andere doeleinden dan gebruik als huishoudfolie zijn gebruikt.

4.   Het bedrag van de antidumpingrechten die met terugwerkende kracht moeten worden geïnd, is het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het antidumpingrecht van 30,0 % dat op “alle andere ondernemingen” van toepassing is.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2162 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.

Artikel 3

Het door Dingheng New Materials Co., Ltd ingediende verzoek om vrijstelling wordt afgewezen.

Artikel 4

1.   Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Unie en zijn ondertekend door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om de vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat G

Kamer CHAR 04/39

1049 Brussel

BELGIË

2.   Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1036 kan de Commissie de invoer van ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordeningen (EU) 2015/2384 en (EU) 2017/271 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken, bij besluit vrijstellen van het bij artikel 1 uitgebreide recht.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 september 2021.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit Armenië, Brazilië en de Volksrepubliek China (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 van de Commissie van 17 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit Brazilië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 63).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 van de Commissie van 16 februari 2017 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad is ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van bepaald enigszins gewijzigd bladaluminium (PB L 40 van 17.2.2017, blz. 51) en gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2213 van de Commissie van 30 november 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 van de Commissie tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad is ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van bepaald enigszins gewijzigd bladaluminium (PB L 316 van 1.12.2017, blz. 17).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2162 van de Commissie van 18 december 2020 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaald bladaluminium van oorsprong uit de Volksrepubliek China, door de invoer van uit Thailand verzonden bladaluminium, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand, en tot registratie van deze invoer (PB L 431 van 21.12.2020, blz. 48).

(6)  Op 15 maart 2021 heeft de Dingsheng-groep bij het Gerecht tevens een verzoek tot nietigverklaring van de openingsverordening ingesteld, dat deels gebaseerd was op dezelfde redenering die in punt 1.5 van de onderhavige verordening is uiteengezet. Die zaak voor het Gerecht was nog in behandeling tijdens het lopende onderzoek.

(7)  GS-codes (d.w.z. codes van het Geharmoniseerd Systeem), die worden ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie, zijn internationale gestandaardiseerde productindelingen die door meer dan 200 landen overal ter wereld worden toegepast. De eerste zes cijfers van een gemeenschappelijk tariefnummer (goederencode) zijn in al die landen dezelfde. GN-codes (d.w.z. codes van de Gemeenschappelijke Nomenclatuur) zijn de goederencodes die door de Unie worden gebruikt voor het indelen van producten. Deze codes bestaan uit acht cijfers en de eerste zes cijfers zijn identiek aan de GS-code. Een Taric-code is gebaseerd op de GN-code, met twee extra cijfers waarmee informatie wordt gegeven over antidumping- en andere rechten of contingenten.

(8)  Arrest van het Gerecht van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, T-199/04 RENV, ECLI:EU:T:2016:740, punt 100.

(9)  Onder kleine rollen wordt verstaan aluminiumfolie met een dikte van 0,007 mm of meer, maar minder dan 0,021 mm, niet op een drager, enkel gewalst, al dan niet gegaufreerd, op kleine rollen met een gewicht van maximum 10 kg. Ten aanzien van de invoer van kleine rollen uit de VRC gelden antidumpingmaatregelen (die oorspronkelijk zijn ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 217/2013 van de Raad van 11 maart 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde aluminiumfolie op rollen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB L 69 van 13.3.2013, blz. 11). Naar de invoer van kleine rollen uit Thailand loopt eveneens een antiontwijkingsonderzoek (Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2161 van de Commissie van 18 december 2020 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/915 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde aluminiumfolie op rollen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, door de invoer van uit Thailand verzonden bepaalde aluminiumfolie op rollen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand, en tot registratie van deze invoer (PB L 431 van 21.12.2020, blz. 42)).

(10)  Mededeling over de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 voor antidumping- en antisubsidieonderzoeken (PB C 86 van 16.3.2020, blz. 6).

(11)  Overweging 72 en artikel 1, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 (PB L 40 van 17.2.2017, blz. 51).

(12)  Zie voor de toepassing van de regeling bijzondere bestemming op invoer uit Thailand ook de overwegingen 76-78.

(13)  https://www.gtis.com/gta/

(14)  De invoergegevens in deze verordening kunnen niet zonder meer worden vergeleken met de gegevens die naar aanleiding van het oorspronkelijke of het nieuwe onderzoek in de verordeningen zijn gepubliceerd. Bij het eerdere onderzoek zijn gegevens gebruikt met betrekking tot de EU-28, waar het Verenigd Koninkrijk deel van uitmaakte, terwijl het huidige onderzoek, na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie in 2020, slechts betrekking heeft op de EU-27.

(15)  Overwegingen 73-80 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 (PB L 40 van 17.2.2017, blz. 51). Zie ook overweging 33.

(16)  De hoeveelheden basisfolie zijn in de mate van het mogelijke — op basis van de specifieke productomschrijvingen in Global Trade Atlas — aangepast om de basisfolie weer te geven die daadwerkelijk voor de productie van aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik kan worden gebruikt, en niet voor bijvoorbeeld de drukkerijsector.

(17)  Punt 4.4 van Verordening (EG) nr. 925/2009 van de Raad (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 1) en overwegingen 80-82 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2384 van de Commissie (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 63).

(18)  Overwegingen 46-49 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/271 van de Commissie (PB L 40 van 17.2.2017, blz. 51).

(19)  Zie https://www.europages.co.uk/DING-HENG-NEW-MATERIALS-COLTD/00000005395623-719214001.html (laatst geraadpleegd op 26 april 2021).

(20)  TPL voerde eveneens een aantal argumenten aan om uit te leggen waarom zijn (vertrouwelijke) Thaise leverancier naar zijn oordeel van de maatregelen zou moeten worden vrijgesteld, en voerde daarbij naar eigen zeggen voldoende economische rechtvaardiging aan voor het opzetten van productie in Thailand. TPL is echter geen importeur van het onderzochte product, maar wel van converter foil, en kan hoe dan ook geen vrijstelling bepleiten namens zijn leverancier. Bovendien waren de desbetreffende verklaringen gebaseerd op “de beste kennis en marktinzichten” van TPL en werd er geen verder bewijs geleverd om de argumenten te staven. De argumenten die TPL aanvoerde, zijn evenwel ten dele vergelijkbaar met de argumenten van Dingheng, en komen derhalve ook in deze verordening aan bod.

(21)  Bijgewerkt voor de verslagperiode om rekening te houden met schommelingen van de LME-prijzen.

(22)  Op 17 december 2020 werd een nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van de bestaande antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van jumborollen uit de VRC (PB C 436 van 17.12.2020, blz. 10).