|
19.2.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/23 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/255 VAN DE COMMISSIE
van 18 februari 2021
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), en met name artikel 4, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De COVID-19-pandemie blijft impact hebben op de internationale en Europese burgerluchtvaart, in die zin dat bezoeken ter plaatse voor de aanwijzing en heraanwijzing van luchtvaartmaatschappijen en vrachtvervoerders in derde landen overeenkomstig punt 6.8 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie (2) ernstig worden belemmerd om objectieve redenen die buiten de macht van die luchtvaartmaatschappijen of vrachtvervoerders vallen. |
|
(2) |
Daarom moet de toepasbaarheid van de alternatieve en snelle procedure voor de EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering van door de COVID-19-pandemie getroffen exploitanten in de toeleveringsketen naar de Unie worden verlengd tot na de in punt 6.8.1.7 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 vastgestelde datum. |
|
(3) |
De Unie heeft in het kader van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Werelddouaneorganisatie (WDO) de ontwikkeling gestimuleerd van een internationaal beleidsconcept voor vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen (Pre-Loading Advance Cargo Information, PLACI), dat wordt gebruikt om een specifieke 7 + 1-gegevensverzameling (3) te beschrijven als gedefinieerd in het Safe Framework of Standards (Safe FoS) van de WDO. Gegevens van zendingen die door expediteurs, luchtvaartmaatschappijen, exploitanten van postdiensten, integratoren, erkende agenten of andere entiteiten zo spoedig mogelijk vóór het laden van vracht in een vliegtuig op het laatste vertrekpunt aan de regelgevende instanties moeten worden verstrekt, maken het mogelijk een extra beveiligingsniveau in te voeren dat bestaat uit een dreigings- en risicoanalyse vóór vertrek door de douane bij binnenkomst. |
|
(4) |
Met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart moet daarom vóór het laden van goederen in een luchtvaartuig dat vanuit een derde land vertrekt en zo spoedig mogelijk na ontvangst van de minimale gegevensset van de summiere aangifte bij binnenbrengen als bedoeld in artikel 106, lid 2 en lid 2 bis, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (4), een eerste risicoanalyse worden uitgevoerd van goederen die door de lucht in het douanegebied van de Unie worden binnengebracht. De verplichting om een eerste risicoanalyse uit te voeren, moet van toepassing zijn vanaf 15 maart 2021. |
|
(5) |
In artikel 186 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (5) is een procedure voor risicoanalyse en controle vastgesteld die wordt uitgevoerd door het douanekantoor van eerste binnenkomst, en bij artikel 182 van die verordening is het invoercontrolesysteem (ICS2) ingesteld dat door de Commissie en de lidstaten in onderling overleg is ontworpen als de geharmoniseerde interface voor ondernemers van de EU voor indieningen, verzoeken om wijziging en ongeldigmaking, verwerking en opslag van de gegevens van summiere aangiften bij binnenbrengen en de uitwisseling van daarmee verband houdende informatie met de douaneautoriteiten. |
|
(6) |
Omdat op basis van de resultaten van de risicoanalyse bij vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen vanaf 15 maart 2021 kan worden vereist dat exploitanten in de toeleveringsketen naar de Unie specifieke risicobeperkende maatregelen voor de beveiliging van de luchtvaart treffen tijdens hun activiteiten in een derde land, moeten de uitvoeringsvoorschriften voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dringend dienovereenkomstig worden geïntegreerd. |
|
(7) |
Luchthavens in de Unie ondervinden bij de installatie van apparatuur voor explosievendetectiesystemen van norm 3 ernstige problemen door de COVID-19-pandemie. De Commissie en de lidstaten blijven zich sterk inzetten om de nieuwste technologie voor beveiligingsonderzoeken van ruimbagage in te voeren. Er is een nieuwe routekaart opgesteld waarin extra flexibiliteit is opgenomen om zich aan de huidige situatie te kunnen aanpassen, in overeenstemming met een prioriteitenregeling op basis van categorieën luchthavens, en om zichtbaarheid te geven aan de invoering van hogere detectienormen. |
|
(8) |
Uit de ervaring met de tenuitvoerlegging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie is gebleken dat er behoefte is aan kleine wijzigingen van de uitvoeringsvoorwaarden van bepaalde gemeenschappelijke basisnormen. De uitvoeringsvoorwaarden van sommige van die normen moeten worden aangepast om bepaalde specifieke luchtvaartbeveiligingsmaatregelen te verduidelijken, te harmoniseren, te vereenvoudigen en te versterken, de juridische duidelijkheid te verbeteren, de gemeenschappelijke interpretatie van de wetgeving te standaardiseren en de optimale toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van luchtvaartbeveiliging te waarborgen. |
|
(9) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 300/2008 bedoelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De punten 1 en 22 van de bijlage zijn echter van toepassing vanaf 15 maart 2021, punt 2 van de bijlage is van toepassing vanaf 1 maart 2022 en punt 14 is van toepassing vanaf 1 juli 2021.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie van 5 november 2015 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart (PB L 299 van 14.11.2015, blz. 1).
(3) Naam en adres van de afzender, naam en adres van de geadresseerde, aantal colli, totaal brutogewicht, beschrijving van de lading en de house- of masterluchtvrachtbrief.
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).
BIJLAGE
De bijlage wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende punt 6.0.4 wordt toegevoegd:
(*) Omdat IJsland geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, wordt IJsland voor de toepassing van punt 6.8.7 van deze bijlage als een derde land beschouwd.”." |
|
2) |
De volgende punten 6.1.4, 6.1.5 en 6.1.6 worden toegevoegd:
|
|
3) |
Punt 6.3.1.2, b), wordt vervangen door:
(*) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).”." |
|
4) |
Punt 6.3.1.4, derde alinea, wordt vervangen door: “Met uitzondering van de in punt 6.2 vastgestelde eisen voor beveiligingsonderzoeken wordt een onderzoek van de locatie van de erkende agent dat door de desbetreffende douaneautoriteit wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, beschouwd als een controle ter plaatse.”. |
|
5) |
Punt 6.3.1.5 wordt vervangen door:
(*) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).”." |
|
6) |
Punt 6.3.1.8 wordt vervangen door:
|
|
7) |
Punt 6.3.2.6, g), wordt vervangen door:
|
|
8) |
Aan punt 6.3.2.6 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Transfervracht of -post waarvoor de luchtvaartmaatschappij, of de erkende agent die namens haar optreedt, niet in de begeleidende documentatie kan bevestigen dat de krachtens dit punt of punt 6.3.2.7, naargelang het geval, vereiste informatie zal worden gecontroleerd alvorens aan boord van een luchtvaartuig te worden geladen voor de volgende vlucht.”; |
|
9) |
punt 6.4.1.2, c), wordt vervangen door:
|
|
10) |
Punt 6.4.1.4, derde alinea, wordt vervangen door: “Een onderzoek van de locatie van de bekende afzender, uitgevoerd door de desbetreffende douaneautoriteit overeenkomstig artikel 29 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, wordt beschouwd als een controle ter plaatse.”. |
|
11) |
Punt 6.4.1.5 wordt vervangen door:
|
|
12) |
punt 6.4.1.7 wordt vervangen door:
|
|
13) |
punt 6.5.1 wordt vervangen door:
|
|
14) |
De volgende punten 6.6.1.3, 6.6.1.4 en 6.6.1.5 worden toegevoegd:
|
|
15) |
In punt 6.8.1.7 worden de inleidende zinnen vervangen door: “Tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2021 mag de bevoegde autoriteit afwijken van het in punt 6.8.2 vastgestelde proces en tijdelijk een luchtvaartmaatschappij aanwijzen als ACC3, in het geval een EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering niet kon plaatsvinden om objectieve redenen die verband houden met de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis en die buiten de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij vallen. Die aanwijzing vindt plaats onder de volgende voorwaarden:”. |
|
16) |
De punten 6.8.3.6 en 6.8.3.7 worden vervangen door:
|
|
17) |
Punt 6.8.3.9 wordt vervangen door:
|
|
18) |
In punt 6.8.4.11 worden de inleidende zinnen vervangen door: “Tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2021 mag de bevoegde autoriteit afwijken van het in punt 6.8.5 vastgestelde proces en tijdelijk een entiteit uit een derde land aanwijzen als RA3 of KC3, in het geval een EU-luchtvaartbeveiligingsvalidering niet kon plaatsvinden om objectieve redenen die verband houden met de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte crisis en die buiten de verantwoordelijkheid van de entiteit vallen. Die aanwijzing vindt plaats onder de volgende voorwaarden:”. |
|
19) |
Punt 6.8.4.12, d), wordt vervangen door:
|
|
20) |
De punten 6.8.5.5, 6.8.5.6 en 6.8.5.7 worden geschrapt. |
|
21) |
Punt 1 van punt 6.8.6.1 wordt vervangen door:
|
|
22) |
het volgende punt 6.8.7 wordt toegevoegd: “6.8.7. Vroegtijdige uitwisseling van informatie over ladingen (Pre-Loading Advance Cargo Information (PLACI))
(*) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1)." (**) Luchtvaartmaatschappijen, exploitanten en entiteiten in IJsland passen de punten 6.7.3 en 6.7.4 van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit C(2015) 8005 toe.”." |
|
23) |
Aan punt 11.6.3.6 wordt de volgende zin toegevoegd: “De bevoegde autoriteit stelt de relevante delen van de niet-openbare wetgeving en nationale programma’s die betrekking hebben op de te valideren concrete acties en gebieden, ter beschikking van de validateurs die zij goedkeurt.”. |
|
24) |
Punt 11.6.3.8 wordt vervangen door:
|
|
25) |
Het volgende punt 11.6.3.11 wordt toegevoegd:
|
|
26) |
Punt 11.6.4.1 wordt vervangen door:
|
|
27) |
Punt 11.6.5.6 wordt vervangen door:
|
|
28) |
Punt 12.0.2.1 wordt vervangen door:
|
|
29) |
Punt 12.0.2.3 wordt vervangen door:
|
|
30) |
Punt 12.0.5.3 wordt vervangen door:
|
|
31) |
Het volgende punt 12.3.1 wordt toegevoegd:
|
|
32) |
Punt 12.4.2 wordt vervangen door: “12.4.2. Normen voor EDS
|
(*) Omdat IJsland geen deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, wordt IJsland voor de toepassing van punt 6.8.7 van deze bijlage als een derde land beschouwd.”.
(*) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).”.
(*) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).”.
(*) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).
(**) Luchtvaartmaatschappijen, exploitanten en entiteiten in IJsland passen de punten 6.7.3 en 6.7.4 van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit C(2015) 8005 toe.”.”