|
30.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 469/1 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/2326 VAN DE COMMISSIE
van 30 november 2021
tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2021) 8580)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (1), en met name artikel 13, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties als bedoeld in hoofdstuk II van Richtlijn 2010/75/EU, en de bevoegde autoriteiten moeten emissiegrenswaarden vaststellen die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de besluiten inzake BBT-conclusies. |
|
(2) |
Het bij besluit van de Commissie van 16 mei 2011 opgerichte forum voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (2), dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken industrietakken en niet-gouvernementele organisaties voor bescherming van het milieu, heeft zijn advies omtrent de voorgestelde inhoud van het BBT-referentiedocument voor grote stookinstallaties op 20 oktober 2016 bij de Commissie ingediend. Dat advies is publiek toegankelijk. |
|
(3) |
De belangrijkste elementen van het BBT-referentiedocument zijn bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie (3) als BBT-conclusies bekrachtigd. |
|
(4) |
Bij arrest van 27 januari 2021 in zaak T-699/17 (4) (hierna “het arrest in zaak T-699/17” genoemd) heeft het Gerecht Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 nietig verklaard. |
|
(5) |
In het arrest in zaak T-699/17 heeft het Gerecht ook geoordeeld dat de nietigverklaring van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 met onmiddellijke ingang zou indruisen tegen de doelstellingen om een hoog niveau van milieubescherming te verzekeren en de milieukwaliteit te verbeteren, zoals bepaald in artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in de overwegingen 2 en 44 en in artikel 1 van Richtlijn 2010/75/EU, waaraan dat uitvoeringsbesluit bijdraagt. |
|
(6) |
Bijgevolg heeft het Gerecht gelast dat de gevolgen van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 dienen te worden gehandhaafd totdat, binnen een redelijke termijn van ten hoogste twaalf maanden na de datum van de uitspraak van het arrest in zaak T-699/17, een nieuwe handeling ter vervanging daarvan in werking treedt die wordt vastgesteld volgens de regels van de gekwalificeerde meerderheid die zijn neergelegd in artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 bij de Verdragen. |
|
(7) |
Op 2 april 2021 heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld tegen het arrest in zaak T-699/17 (zaak C-207/21 P). Aangezien de hogere voorziening geen schorsende werking heeft, is het ter uitvoering van het arrest in zaak T-699/17 en ter waarborging van de daadwerkelijke en volledige uitvoering van Richtlijn 2010/75/EU vóór de uitspraak van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-207/21 P noodzakelijk een nieuw uitvoeringsbesluit vast te stellen. Het nieuwe besluit moet worden vastgesteld na advies van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité, dat is uitgebracht volgens de regels van de gekwalificeerde meerderheid die zijn neergelegd in artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 bij de Verdragen. |
|
(8) |
Als gevolg van het arrest in zaak T-699/17 waarbij de gevolgen van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 worden gehandhaafd, moet de juridische continuïteit tussen Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 en dit besluit worden gewaarborgd. Met name de BBT-conclusies in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442, die het belangrijkste element van het BBT-referentiedocument vormen, moeten ongewijzigd opnieuw worden aangenomen. Handhaving van de gevolgen van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 betekent ook dat in de definitie van een “nieuwe installatie” in de BBT-conclusies de verwijzing naar “de bekendmaking van deze BBT-conclusies” moet worden opgevat als de datum van bekendmaking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 op 17 augustus 2017. |
|
(9) |
Met het oog op de rechtszekerheid moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de toepasselijkheid van dit besluit indien het Hof van Justitie besluit het arrest in zaak T-699/17 te herroepen. |
|
(10) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De BBT-conclusies voor grote stookinstallaties zoals in de bijlage uiteengezet, zijn aangenomen.
Artikel 2
Ingeval het Hof van Justitie het arrest in zaak T-699/17 herroept zodat Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 geldig blijft, komt dit besluit op te vervallen op de datum van uitspraak van het arrest in zaak C-207/21 P.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 30 november 2021.
Voor de Commissie
Virginijus SINKEVIČIUS
Lid van de Commissie
(1) PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.
(2) PB C 146 van 17.5.2011, blz. 3.
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties (PB L 212 van 17.8.2017, blz. 1).
(4) Arrest van het Gerecht van 27 januari 2021, Polen/Commissie, T-699/17, ECLI:EU:T:2021:44.
BIJLAGE
CONCLUSIES OVER DE BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT)
TOEPASSINGSGEBIED
Deze BBT-conclusies hebben betrekking op de volgende in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU omschreven activiteiten:
|
— |
1.1: de verbranding van brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, uitsluitend wanneer deze activiteit plaatsvindt in stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer; |
|
— |
1.4: de vergassing van steenkool of andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer, uitsluitend wanneer deze activiteit rechtstreeks verband houdt met een stookinstallatie; |
|
— |
5.2: de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalmeeverbrandingsinstallaties voor ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 t per uur of voor gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 t per dag, uitsluitend wanneer deze activiteit plaatsvindt in onder punt 1.1 hierboven vallende stookinstallaties. |
Deze BBT-conclusies betreffen in het bijzonder de upstream- en downstreamactiviteiten die rechtstreeks verband houden met de bovengenoemde activiteiten, met inbegrip van de toegepaste technieken voor emissiepreventie en -beperking.
Bij de brandstoffen die in deze BBT-conclusies aan de orde komen gaat het om alle vaste, vloeibare en/of gasvormige brandbare materialen, met inbegrip van:
|
— |
vaste brandstoffen (bv. steenkool, bruinkool, turf); |
|
— |
biomassa (zoals omschreven in artikel 3, punt 31, van Richtlijn 2010/75/EU); |
|
— |
vloeibare brandstoffen (bv. zware stookolie en gasolie); |
|
— |
gasvormige brandstoffen (bv. aardgas, waterstofhoudend gas en syngas); |
|
— |
sectorspecifieke brandstoffen (bv. bijproducten van de chemische en de ijzer- en staalindustrie); |
|
— |
afvalstoffen, met uitzondering van ongesorteerd stedelijk afval zoals omschreven in artikel 3, punt 39, en van andere afvalstoffen zoals vermeld in artikel 42, lid 2, punt a), ii) en iii), van Richtlijn 2010/75/EU. |
Deze BBT-conclusies hebben geen betrekking op:
|
— |
de verbranding van brandstoffen in eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW; |
|
— |
stookinstallaties waarvoor een afwijking wegens beperkte levensduur of een afwijking voor stadsverwarming overeenkomstig artikel 33 respectievelijk artikel 35 van Richtlijn 2010/75/EU is verleend, tot het moment waarop de in de desbetreffende vergunningen vermelde afwijkingen aflopen en voor zover het de BBT-GEN’s betreft voor de onder de afwijking vallende verontreinigende stoffen, alsmede voor andere verontreinigende stoffen waarvan de uitstoot zou zijn verminderd dankzij de technische maatregelen die vanwege de afwijking niet hoefden te worden toegepast; |
|
— |
de vergassing van brandstoffen, wanneer deze niet rechtstreeks verband houdt met de verbranding van het resulterende syngas; |
|
— |
de vergassing van brandstoffen met daaropvolgende verbranding van syngas, wanneer deze rechtstreeks verband houdt met het raffineren van aardolie en gas; |
|
— |
de upstream- en downstreamactiviteiten die niet rechtstreeks verband houden met verbrandings of vergassingsactiviteiten; |
|
— |
de verbranding in procesovens of -verhitters; |
|
— |
de verbranding in naverbrandingsinstallaties; |
|
— |
het affakkelen; |
|
— |
de verbranding in terugwinningsketels en TRS-branders (TRS: total reduced sulfur; totaal gereduceerde zwavel) in installaties voor de productie van pulp en papier, aangezien deze valt onder de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton; |
|
— |
de verbranding van raffinagebrandstoffen op de raffinaderij, aangezien deze valt onder de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas; |
|
— |
de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in:
|
aangezien deze vallen onder de BBT-conclusies voor afvalverbranding.
Andere BBT-conclusies en referentiedocumenten die relevant kunnen zijn voor de activiteiten waarop deze BBT-conclusies betrekking hebben:
|
— |
Gemeenschappelijke afvalwater- en afvalgasbehandelings-/beheersystemen in de chemiesector (CWW: Common Waste Water and Waste Gas Treatment/Management Systems in the Chemical Sector) |
|
— |
Chemische BREF-serie (LVOC enz.) |
|
— |
Economische aspecten en cross-media-effecten (ECM) |
|
— |
Emissies uit opslag (EFS: Emissions from Storage) |
|
— |
Energie-efficiëntie (ENE) |
|
— |
Industriële koelsystemen (ICS: Industrial Cooling Systems) |
|
— |
IJzer- en staalproductie (IS: Iron and Steel Production) |
|
— |
Monitoring van emissies naar lucht en water afkomstig van RIE-installaties (ROM: Reference Report on Monitoring of Emissions from IED Installations) |
|
— |
Productie van pulp, papier en karton (PP) |
|
— |
Raffineren van aardolie en gas (REF) |
|
— |
Afvalverbranding (WI: Waste Incineration) |
|
— |
Afvalbehandeling (WT: Waste Treatment) |
DEFINITIES
Voor de toepassing van deze BBT-conclusies zijn de volgende definities van toepassing:
|
Gebruikte term |
Definitie |
||||
|
Algemene termen |
|||||
|
Bedrijfsuren |
De tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een stookinstallatie geheel of gedeeltelijk in bedrijf is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van opstart- en stilleggingsperioden |
||||
|
Continue meting |
Meting met behulp van een geautomatiseerd meetsysteem dat permanent ter plekke is geïnstalleerd |
||||
|
Directe lozing |
Lozing (naar een ontvangend waterlichaam) op het punt waar de emissie de installatie zonder verdere downstreambehandeling verlaat |
||||
|
Eenheid — bestaand |
Een verbrandingseenheid die geen nieuwe eenheid is |
||||
|
Eenheid — nieuw |
Een verbrandingseenheid binnen de stookinstallatie waarvoor de eerste vergunning wordt afgegeven na de bekendmaking van deze BBT-conclusies of een volledige vervanging van een verbrandingseenheid op de bestaande funderingen van de stookinstallatie na de bekendmaking van deze BBT-conclusies |
||||
|
Gasolie |
Een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder GN-code 2710 19 25 , 2710 19 29 , 2710 19 47 , 2710 19 48 , 2710 20 17 of 2710 20 19 valt, dan wel een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, waarvan minder dan 65 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 250 °C overdistilleert, en waarvan ten minste 85 volumeprocent (met inbegrip van verliezen) bij 350 °C overdestilleert, gemeten met de ASTM-methode D86 |
||||
|
Gecombineerde stoom- en gasturbine (STEG) |
Een STEG is een stookinstallatie waarin twee thermodynamische cycli worden gebruikt (nl. de brayton- en de rankinecyclus). In een STEG wordt warmte van het rookgas van een gasturbine (die volgens de braytoncyclus werkt om elektriciteit te produceren) omgezet in nuttige energie in een stoomgenerator met warmteterugwinning (HRSG), waarin zij wordt gebruikt om stoom te produceren die vervolgens expandeert in een stoomturbine (die volgens de rankinecyclus werk om extra elektriciteit te produceren). Voor de toepassing van deze BBT-conclusies worden onder een STEG zowel configuraties met als configuraties zonder aanvullende verbranding in de HRSG verstaan |
||||
|
Geldig (uurgemiddelde) |
Een uurgemiddelde wordt als geldig beschouwd wanneer er geen sprake is van storing of onderhoud van het geautomatiseerde meetsysteem |
||||
|
Installatie — bestaand |
Een stookinstallatie die geen nieuwe installatie is |
||||
|
Installatie — nieuw |
Een stookinstallatie binnen de installatie waarvoor de eerste vergunning wordt afgegeven na de bekendmaking van deze BBT-conclusies of een volledige vervanging van een stookinstallatie op de bestaande funderingen na de bekendmaking van deze BBT-conclusies |
||||
|
Ketel |
Elke stookinstallatie, met uitzondering van motoren, gasturbines en procesovens en -verhitters |
||||
|
Netto elektrisch rendement (verbrandingseenheid en KV-STEG) |
Verhouding tussen de netto elektriciteitsopbrengst (de aan de hoogspanningskant van de hoofdtransformator geproduceerde elektriciteit minus de — bv. voor de voeding van hulpsystemen — toegevoerde energie) en de input van energie uit brandstof/grondstof (uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van de brandstof/grondstof) op de grens van de verbrandingseenheid gedurende een bepaalde periode |
||||
|
Naverbrandingsinstallatie |
Systeem dat is ontworpen voor de zuivering van rookgassen door verbranding, maar niet als zelfstandige stookinstallatie wordt geëxploiteerd, zoals een thermische naverbrander (d.w.z. een restgasverbrander), gebruikt voor de verwijdering van de verontreinigende stof(fen) (bv. VOS) in het rookgas met of zonder terugwinning van de daarbij opgewekte warmte. Getrapte verbrandingstechnieken, waarbij elke verbrandingsfase beperkt is tot een afzonderlijke kamer, die kunnen verschillen wat betreft de kenmerken van het verbrandingsproces (bv. brandstof-luchtverhouding, temperatuurprofiel), worden geacht in het verbrandingsproces te zijn geïntegreerd en worden niet als naverbrandingsinstallaties beschouwd. Ook wanneer de in een procesverhitter/-oven of in een ander verbrandingsproces geproduceerde gassen vervolgens worden geoxideerd in een andere stookinstallatie voor het terugwinnen van de energetische waarde (met of zonder gebruik van aanvullende brandstof) om elektriciteit, stoom, warm water/warme olie of mechanische energie te produceren, wordt de laatstgenoemde installatie niet als een naverbrandingsinstallatie beschouwd |
||||
|
Netto mechanische energie-efficiëntie |
Verhouding tussen het mechanisch vermogen op het belaste koppelpunt en het door de brandstof geleverde thermisch vermogen |
||||
|
Netto totale brandstofbenutting (verbrandingseenheid en KV-STEG) |
Verhouding tussen de netto geproduceerde energie (elektriciteit, warm water, stoom en opgewekte mechanische energie minus de — bv. voor de voeding van hulpsystemen — toegevoerde elektrische en/of thermische energie) en de input van energie uit brandstof (uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van de brandstof) op de grens van de verbrandingseenheid gedurende een bepaalde periode |
||||
|
Netto totale brandstofbenutting (vergassingseenheid) |
Verhouding tussen de netto geproduceerde energie (elektriciteit, warm water, stoom, opgewekte mechanische energie en syngas (uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van het syngas) minus de — bv. voor de voeding van hulpsystemen — toegevoerde elektrische en/of thermische energie) en de input van energie uit brandstof/grondstof (uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van de brandstof/grondstof) op de grens van de vergassingseenheid gedurende een bepaalde periode |
||||
|
Opstart- en stilleggingsperiode |
De periode gedurende welke een installatie in bedrijf is, zoals bepaald overeenkomstig de bepalingen van Uitvoeringsbesluit 2012/249/EU van de Europese Commissie (1), betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies |
||||
|
Periodieke meting |
Bepaling van een te meten grootheid of waarde op bepaalde tijdstippen |
||||
|
Procesbrandstoffen uit de chemische industrie |
Gasvormige en/of vloeibare bijproducten van de (petro)chemische industrie die als niet-commerciële brandstoffen worden gebruikt in stookinstallaties |
||||
|
Procesovens of -verhitters |
Procesovens of -verhitters zijn
Als gevolg van de toepassing van goede praktijken voor energieterugwinning kunnen procesverhitters/-ovens zijn uitgerust met een bijbehorend systeem voor stoom-/elektriciteitsproductie. Dit wordt geacht een integraal aspect van het ontwerp van de procesverhitter/-oven te vormen dat niet afzonderlijk kan worden beschouwd |
||||
|
Raffinagebrandstoffen |
Vast, vloeibaar of gasvormig brandbaar materiaal verkregen uit de destillatie en omzettingsfasen van het raffineren van ruwe aardolie. Voorbeelden zijn raffinagerestgas (RFG: refinery fuel gas), syngas, geraffineerde oliën en petroleumcokes |
||||
|
Residuen |
Stoffen of voorwerpen die als afvalstoffen of bijproducten worden gegenereerd door de binnen het toepassingsgebied van dit document vallende activiteiten |
||||
|
Stookinstallatie |
Elk technisch apparaat waarin brandstoffen worden geoxideerd teneinde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Voor de toepassing van deze BBT-conclusies wordt een combinatie van
Voor de berekening van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een dergelijke combinatie wordt de capaciteit van alle betrokken afzonderlijke stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 15 MW bij elkaar opgeteld |
||||
|
Systeem voor rookgasontzwaveling |
Systeem dat is samengesteld uit één zuiveringstechniek of een combinatie van zuiveringstechnieken die tot doel heeft/hebben het door een stookinstallatie uitgestoten SOX-niveau te verlagen |
||||
|
Systeem voor rookgasontzwaveling — bestaand |
Een systeem voor rookgasontzwaveling dat geen nieuw systeem voor rookgasontzwaveling is |
||||
|
Systeem voor rookgasontzwaveling — nieuw |
Hetzij een systeem voor rookgasontzwaveling in een nieuwe installatie of een systeem voor rookgasontzwaveling dat ten minste één zuiveringstechniek omvat die na de bekendmaking van deze BBT-conclusies in een bestaande installatie is ingevoerd of volledig is vervangen |
||||
|
Verbrandingseenheid |
Afzonderlijke verbrandingseenheid |
||||
|
Voorspellend emissiemonitoringsysteem (PEMS: predictive emissions monitoring system) |
Systeem dat wordt gebruikt om de emissieconcentratie van een verontreinigende stof uit een emissiebron voortdurend te bepalen op hoe deze is gerelateerd aan een aantal karakteristieke, voortdurend gecontroleerde procesparameters (bv. het stookgasverbruik, de lucht-brandstofverhouding) en gegevens over de kwaliteit van de brandstof of grondstof (bv. het zwavelgehalte) |
||||
|
Zware stookolie |
Een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof die onder GN-code 2710 19 51 tot en met 2710 19 68 , 2710 20 31 , 2710 20 35 of 2710 20 39 valt, dan wel een uit aardolie verkregen vloeibare brandstof, met uitzondering van gasolie, die op grond van de distillatiegrenzen ervan behoort tot de categorie zware oliën welke zijn bestemd om als brandstof te worden gebruikt en die (met inbegrip van verliezen) voor minder dan 65 volumeprocent bij 250 °C overdestilleert, gemeten met ASTM-methode D86. Wanneer de destillatie niet met behulp van ASTM-methode D86 kan worden bepaald, wordt het aardolieproduct eveneens als zware stookolie ingedeeld |
||||
|
Gebruikte term |
Definitie |
|
Verontreinigende stoffen/parameters |
|
|
As |
De som van arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als As |
|
C3 |
Koolwaterstoffen met een koolstofgetal gelijk aan drie |
|
C4+ |
Koolwaterstoffen met een koolstofgetal gelijk aan of hoger dan vier |
|
Cd |
De som van cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Cd |
|
Cd+Tl |
De som van cadmium, thallium, en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Cd+Tl |
|
CH4 |
Methaan |
|
CO |
Koolstofmonoxide |
|
CZV |
Chemisch zuurstofverbruik; de hoeveelheid zuurstof die nodig is voor de totale oxidatie van het organisch materiaal tot koolstofdioxide |
|
COS |
Carbonylsulfide |
|
Cr |
De som van chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Cr |
|
Cu |
De som van koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Cu |
|
Stof |
Totaal vaste deeltjes (in lucht) |
|
Fluoride |
Opgeloste fluoride, uitgedrukt als F- |
|
H2S |
Waterstofsulfide |
|
HCI |
Alle anorganische gasvormige chloorverbindingen, uitgedrukt als HCl |
|
HCN |
Waterstofcyanide |
|
HF |
Alle anorganische gasvormige fluorverbindingen, uitgedrukt als HF |
|
Hg |
De som van kwik en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Hg |
|
N2O |
Distikstofoxide (distikstofmonoxide) |
|
NH3 |
Ammoniak |
|
Ni |
De som van nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Ni |
|
NOX |
De som van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt als NO2 |
|
Pb |
De som van lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Pb |
|
PCDD/F |
Polychloordibenzo-p-dioxinen en -furanen |
|
RCR |
Ruwe concentratie in het rookgas; concentratie van SO2 in het ruwe rookgas als jaargemiddelde (onder de bij Algemene overwegingen vermelde standaardomstandigheden) bij de inlaat van het SOX-zuiveringssysteem, uitgedrukt bij een referentiezuurstofgehalte van 6 vol-% O2 |
|
Sb+As+Pb+Cr+Co+Cu+Mn+Ni+V |
De som van antimoon, arseen, lood, chroom, kobalt, koper, mangaan, nikkel, vanadium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Sb+As+Pb+Cr+Co+Cu+Mn+Ni+V |
|
SO2 |
Zwaveldioxide |
|
SO3 |
Zwaveltrioxide |
|
SOX |
De som van zwaveldioxide (SO2) en zwaveltrioxide (SO3), uitgedrukt als SO2 |
|
Sulfaat |
Opgelost sulfaat, uitgedrukt als SO4 2- |
|
Sulfide, gemakkelijk vrijkomend |
De som van opgelost sulfide en van die onopgeloste sulfiden die gemakkelijk kunnen vrijkomen na aanzuring, uitgedrukt als S2- |
|
Sulfiet |
Opgelost sulfiet, uitgedrukt als SO3 2- |
|
TOC |
Totaal aan organische koolstof, uitgedrukt als C (in water) |
|
TSS |
totale hoeveelheid zwevende deeltjes (total suspended solids); de massaconcentratie van alle zwevende deeltjes (in water), gemeten door middel van filtratie door glasvezelfilters en gravimetrie |
|
TVOS |
Totaal aan vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als C (in lucht) |
|
Zn |
De som van zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als Zn |
AFKORTINGEN
Voor de toepassing van deze BBT-conclusies worden de volgende afkortingen gebruikt:
|
Afkorting |
Definitie |
|
ASU |
Luchtscheidingseenheid (air separation unit) |
|
CFB |
Circulerend wervelbed (circulating fluisidised bed) |
|
COG |
Cokesovengas |
|
COS |
Carbonylsulfide |
|
DLN |
Droge lage-NOX-brander (dry low-NOX burners) |
|
DSI |
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal |
|
ESP |
Elektrostatische precipitator |
|
FBC |
Wervelbedverbranding (fluidised bed combustion) |
|
FGD |
Rookgasontzwaveling (flue-gas desulphurisation) |
|
HFO |
Zware stookolie (heavy fuel oil) |
|
HRSG |
Stoomgenerator met warmteterugwinning (heat recovery steam generator) |
|
HO |
Onderste verbrandingswaarde |
|
KV-STEG |
Gecombineerde stoom- en gascyclus met geïntegreerde kolenvergassing |
|
LNB |
Lage-NOX-brander (low-NOX burners) |
|
Lng |
Vloeibaar aardgas (liquefied natural gas) |
|
OCGT |
Gasturbine met open cyclus (open-cycle gas turbine) |
|
OTNOC |
Andere dan normale bedrijfsomstandigheden (other than normal operating conditions) |
|
PC |
Poederverbranding (pulverised combustion) |
|
PEMS |
Voorspellend emissiemonitoringsysteem (predictive emissions monitoring system) |
|
SCR |
Selectieve katalytische reductie (selective catalytic reduction) |
|
SDA |
Sproeidroogadsorptie |
|
SNCR |
Selectieve niet-katalytische reductie (selective non-catalytic reduction) |
|
STEG |
Gecombineerde stoom- en gasturbine, met of zonder aanvullende verbranding |
|
WKK |
Warmte-krachtkoppeling |
ALGEMENE OVERWEGINGEN
Beste beschikbare technieken
De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn prescriptief noch limitatief. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.
Tenzij anders aangegeven, kunnen deze BBT-conclusies algemeen worden toegepast.
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s)
Wanneer met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) worden gegeven voor verschillende middelingstijden, moet aan al deze BBT-GEN’s worden voldaan.
De BBT-GEN’s in deze BBT-conclusies zijn mogelijk niet van toepassing op met vloeibare brandstof of gas gestookte turbines en motoren voor gebruik in noodgevallen die minder dan 500 h/jaar in bedrijf zijn, indien een dergelijk gebruik in noodgevallen niet verenigbaar is met naleving van de BBT-GEN’s.
BBT-GEN’s voor emissies naar lucht
De met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies naar lucht in deze BBT-conclusies hebben betrekking op concentratieniveaus uitgedrukt als massa uitgestoten stoffen per volume rookgas onder de volgende standaardomstandigheden: droog gas met een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa, uitgedrukt in de eenheden mg/Nm3, μg/Nm3 of ng I-TEQ/Nm3.
De monitoring met betrekking tot de BBT-GEN’s voor emissies naar lucht wordt beschreven in BBT 4.
De referentieomstandigheden voor zuurstof die in dit document worden gebruikt om de BBT-GEN’s uit te drukken, zijn opgenomen in de volgende tabel.
|
Activiteit |
Referentiezuurstofgehalte (OR) |
|
Verbranding van vaste brandstoffen |
6 vol-% |
|
Verbranding van vaste brandstoffen in combinatie met vloeibare en/of gasvormige brandstoffen |
|
|
Afvalmeeverbranding |
|
|
Verbranding van vloeibare en/of gasvormige brandstoffen, wanneer deze niet plaatsvindt in een gasturbine of een motor |
3 vol-% |
|
Verbranding van vloeibare en/of gasvormige brandstoffen, wanneer deze plaatsvindt in een gasturbine of een motor |
15 vol-% |
|
Verbranding in KV-STEG-installaties |
De vergelijking voor het berekenen van de emissieconcentratie bij het referentiezuurstofgehalte is:
waarbij:
|
ER |
: |
emissieconcentratie bij het referentiezuurstofgehalte OR; |
|
OR |
: |
referentiezuurstofgehalte in vol-%; |
|
EM |
: |
gemeten emissieconcentratie; |
|
OM |
: |
gemeten zuurstofgehalte in vol-%. |
Voor de middelingstijden zijn de volgende definities van toepassing:
|
Middelingstijd |
Definitie |
|
Daggemiddelde |
Gemiddelde over een periode van 24 uur van geldige uurgemiddelden verkregen uit continue metingen |
|
Jaargemiddelde |
Gemiddelde over een periode van één jaar van geldige uurgemiddelden verkregen uit continue metingen |
|
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
Gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste 30 minuten elk (2) |
|
Gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters |
Gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen waarden van de periodieke metingen, uitgevoerd met de voor elke parameter vastgestelde monitoringfrequentie |
BBT-GEN’s voor emissies naar water
De met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies naar water in deze BBT-conclusies hebben betrekking op concentratieniveaus uitgedrukt als massa uitgestoten stoffen per volume water, uitgedrukt in μg/l, mg/l, of g/l. De BBT-GEN’s hebben betrekking op daggemiddelden, d.w.z. op debietsproportionele mengmonsters. Tijdsevenredige mengmonsters kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat een toereikende stabiliteit van het debiet kan worden aangetoond.
De monitoring met betrekking tot BBT-GEN’s voor emissies naar water wordt beschreven in BBT 5.
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s)
Een met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-efficiëntieniveau (BBT-GEEN) heeft betrekking op de verhouding tussen de netto energieopbrengst(en) van de verbrandingseenheid en de energietoevoer uit brandstoffen/grondstoffen naar de verbrandingseenheid, bij de daadwerkelijke bouwwijze van die eenheid. De netto energieopbrengst(en) wordt (worden) bepaald op de grenzen van de verbrandings-, vergassings- of KV-STEG-eenheid, met inbegrip van de hulpsystemen (bv. rookgasreinigingssystemen), en wel voor het bij volle belasting in bedrijf zijn van die eenheid.
In het geval van warmte-krachtkoppelingsinstallaties (WKK-installaties):
|
— |
heeft het BBT-GEEN netto totale brandstofbenutting betrekking op de verbrandingseenheid die bij volle belasting draait en die zo is afgesteld dat in eerste instantie de warmtevoorziening wordt gemaximaliseerd en in tweede instantie het resterende vermogen dat kan worden opgewekt; |
|
— |
heeft het BBT-GEEN netto elektrische efficiëntie betrekking op de verbrandingseenheid die alleen elektriciteit produceert bij volle belasting. |
BBT-GEEN’s worden als percentage uitgedrukt. De energietoevoer uit brandstoffen en/of grondstoffen wordt uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde (HO).
De monitoring met betrekking tot BBT-GEEN’s wordt beschreven in BBT 2
Indeling van stookinstallaties/verbrandingseenheden in klassen naargelang van hun totaal nominaal thermisch ingangsvermogen
Voor de toepassing van deze BBT-conclusies moet, wanneer de waarden voor het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen als bereik zijn gegeven, dit worden opgevat als “gelijk aan of groter dan de benedengrens van het bereik en lager dan de bovengrens van het bereik”. De stookinstallatieklasse 100-300 MWth moet bijvoorbeeld worden opgevat als: stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 100 MW en lager dan 300 MW.
Wanneer een deel van een stookinstallatie rookgassen afvoert via een of meer afzonderlijke kanalen binnen een gemeenschappelijke schoorsteen en minder dan 1 500 h/jaar in bedrijf is, mag dat deel van de installatie voor de toepassing van deze BBT-conclusies afzonderlijk worden beschouwd. Voor alle delen van de installatie gelden de BBT-GEN’s met betrekking tot het totaal nominale thermisch ingangsvermogen van de installatie. In dergelijke gevallen worden de emissies door elk van die kanalen afzonderlijk gemonitord.
1. ALGEMENE BBT-CONCLUSIES
De brandstofspecifieke BBT-conclusies in de punten 2 tot en met 7 zijn van toepassing naast de algemene BBT-conclusies in dit punt.
1.1. Milieubeheersystemen
BBT 1. Om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is de BBT om een milieubeheersysteem in te voeren en na te leven waarin de volgende elementen zijn opgenomen:
|
i. |
betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management; |
|
ii. |
uitwerking door het management van een milieubeleid dat de continue verbetering van de milieuprestaties van de installatie omvat; |
|
iii. |
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen; |
|
iv. |
uitvoering van procedures met bijzondere aandacht voor:
|
|
v. |
controle van de prestaties en nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
|
|
vi. |
door het hoger management uit te voeren evaluatie van het milieubeheersysteem en continue controle om na te gaan of het systeem nog steeds geschikt, adequaat en doeltreffend is; |
|
vii. |
volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën; |
|
viii. |
bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan, onder meer door:
|
|
ix. |
op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren. Specifiek voor deze sector is het ook van belang rekening te houden met de volgende aspecten van het milieubeheersysteem, die in voorkomend geval in de desbetreffende BBT worden beschreven: |
|
x. |
kwaliteitsborgings-/kwaliteitscontroleprogramma’s, om te waarborgen dat de kenmerken van alle brandstoffen volledig worden bepaald en gecontroleerd (zie BBT 9); |
|
xi. |
een beheersplan ter beperking van emissies naar lucht en/of water tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals opstart- en stilleggingsperioden (zie BBT 10 en BBT 11); |
|
xii. |
een afvalbeheersplan, om te waarborgen dat afval wordt vermeden, behandeld met het oog op hergebruik, gerecycled of anderszins nuttig wordt toegepast, met inbegrip van het gebruik van de in BBT 16 beschreven technieken; |
|
xiii. |
een systematische methode om eventuele ongecontroleerde en/of ongeplande emissies in het milieu op te sporen en aan te pakken, in het bijzonder:
|
|
xiv. |
een stofbeheersplan om diffuse emissies als gevolg van het laden, het lossen, de opslag en/of de verwerking van brandstoffen, residuen en additieven te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen; |
|
xv. |
een geluidsbeheersplan indien geluidsoverlast voor gevoelige receptoren (zones die speciale bescherming behoeft tegen overlast) wordt verwacht of optreedt, met inbegrip van:
|
|
xvi. |
voor de verbranding, vergassing of meeverbranding van stinkende stoffen, een geurbeheersplan, met inbegrip van:
|
Wanneer uit een evaluatie blijkt dat een of meer van de in de punten x tot en met xvi opgesomde elementen niet nodig zijn, wordt dat besluit, met inbegrip van de argumentatie, geregistreerd.
Toepasbaarheid
Het toepassingsgebied (bv. de mate van gedetailleerdheid) en de aard (bv. gestandaardiseerd of niet-gestandaardiseerd) van het milieubeheersysteem hebben over het algemeen te maken met de aard, omvang en complexiteit van de installatie en de milieueffecten ervan.
1.2. Monitoring
BBT 2. De BBT is om de netto elektrische efficiëntie en/of de netto totale brandstofbenutting en/of de netto mechanische energie-efficiëntie van de vergassings-, KV-STEG- en/of verbrandingseenheden te bepalen door overeenkomstig EN-normen een prestatieonderzoek bij volle belasting (1) uit te voeren na de inbedrijfstelling van de eenheid en na elke wijziging die van significante invloed zou kunnen zijn op de netto elektrische efficiëntie en/of de netto totale brandstofbenutting en/of de netto mechanische energie-efficiëntie van de eenheid. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT om nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen te gebruiken die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd.
|
(1) |
Indien, in het geval van WKK-eenheden, de test om technische redenen niet kan worden uitgevoerd terwijl de eenheid wat betreft de warmtevoorziening bij volle belasting in bedrijf is, kan de test worden aangevuld of vervangen door een berekening op basis van de parameters zoals die bij volle belasting gelden. |
BBT 3. De BBT is om de belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor emissies naar lucht en water te monitoren, met inbegrip van de hieronder vermelde parameters.
|
Stroom |
Parameter(s) |
Monitoring |
|
Rookgas |
Debiet |
Periodieke of continue bepaling |
|
Zuurstofgehalte, temperatuur en druk |
Periodieke of continue meting |
|
|
Waterdampgehalte (3) |
||
|
Afvalwater van rookgasreiniging |
Debiet, pH en temperatuur |
Continue meting |
BBT 4. De BBT is om de emissies naar lucht met ten minste de onderstaande frequentie en overeenkomstig de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT om nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen te gebruiken die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd.
|
Stof/parameter |
Brandstof/procedé/type stookinstallatie |
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie |
Norm(en) (4) |
Minimale monitoringfrequentie (5) |
Monitoring heeft betrekking op |
||||||||||||||||
|
NH3 |
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
BBT 7 |
|||||||||||||||||
|
NOX |
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
BBT 20 BBT 24 BBT 28 BBT 32 BBT 37 BBT 41 BBT 42 BBT 43 BBT 47 BBT 48 BBT 56 BBT 64 BBT 65 BBT 73 |
|||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
EN 14792 |
Eenmaal per jaar (9) |
BBT 53 |
|||||||||||||||||
|
N2O |
|
Alle vermogens |
EN 21258 |
Eenmaal per jaar (10) |
BBT 20 BBT 24 |
||||||||||||||||
|
CO |
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
BBT 20 BBT 24 BBT 28 BBT 33 BBT 38 BBT 44 BBT 49 BBT 56 BBT 64 BBT 65 BBT 73 |
|||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
EN 15058 |
Eenmaal per jaar (9) |
BBT 54 |
|||||||||||||||||
|
SO2 |
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen en EN 14791. |
BBT 21 BBT 25 BBT 29 BBT 34 BBT 39 BBT 50 BBT 57 BBT 66 BBT 67 BBT 74 |
|||||||||||||||||
|
SO3 |
|
Alle vermogens |
Geen EN-norm beschikbaar |
Eenmaal per jaar |
— |
||||||||||||||||
|
Gasvormige chloriden, uitgedrukt als HCl |
|
Alle vermogens |
EN 1911 |
BBT 21 BBT 57 |
|||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
BBT 25 |
||||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
BBT 66 BBT 67 |
||||||||||||||||||
|
HF |
|
Alle vermogens |
Geen EN-norm beschikbaar |
BBT 21 BBT 57 |
|||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
Geen EN-norm beschikbaar |
Eenmaal per jaar |
BBT 25 |
|||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
BBT 66 BBT 67 |
||||||||||||||||||
|
Stof |
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen en EN 13284-1 en EN 13284-2 |
BBT 22 BBT 26 BBT 30 BBT 35 BBT 39 BBT 51 BBT 58 BBT 75 |
|||||||||||||||||
|
Afvalmeeverbranding |
Alle vermogens |
Generieke EN-normen en EN 13284-2 |
Continu |
BBT 68 BBT 69 |
|||||||||||||||||
|
Metalen en metalloïden met uitzondering van kwik (As, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Tl, V, Zn) |
|
Alle vermogens |
EN 14385 |
Eenmaal per jaar (18) |
BBT 22 BBT 26 BBT 30 |
||||||||||||||||
|
< 300 MWth |
EN 14385 |
Eenmaal per zes maanden (13) |
BBT 68 BBT 69 |
|||||||||||||||||
|
≥ 300 MWth |
EN 14385 |
||||||||||||||||||||
|
≥ 100 MWth |
EN 14385 |
Eenmaal per jaar (18) |
BBT 75 |
|||||||||||||||||
|
Hg |
|
< 300 MWth |
EN 13211 |
BBT 23 |
|||||||||||||||||
|
≥ 300 MWth |
Generieke EN-normen en EN 14884. |
||||||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
EN 13211 |
Eenmaal per jaar (22) |
BBT 27 |
|||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
EN 13211 |
Eenmaal per drie maanden (13) |
BBT 70 |
|||||||||||||||||
|
≥ 100 MWth |
EN 13211 |
Eenmaal per jaar (23) |
BBT 75 |
|||||||||||||||||
|
TVOS |
|
Alle vermogens |
EN 12619 |
Eenmaal per zes maanden (13) |
BBT 33 BBT 59 |
||||||||||||||||
|
Alle vermogens |
Generieke EN-normen |
Continu |
BBT 71 |
|||||||||||||||||
|
Formaldehyde |
|
Alle vermogens |
Geen EN-norm beschikbaar |
Eenmaal per jaar |
BBT 45 |
||||||||||||||||
|
CH4 |
|
Alle vermogens |
EN ISO 25139 |
Eenmaal per jaar (24) |
BBT 45 |
||||||||||||||||
|
PCDD/F |
|
Alle vermogens |
EN 1948-1, EN 1948-2, EN 1948-3 |
BBT 59 BBT 71 |
BBT 5. De BBT is om de emissies naar water uit rookgasreiniging met ten minste de onderstaande frequentie en overeenkomstig de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is de BBT om nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen te gebruiken die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd.
|
Stof/parameter |
Norm(en) |
Minimale monitoringfrequentie |
Monitoring heeft betrekking op |
|
|
Totaal aan organische koolstof (TOC) (26) |
EN 1484 |
Eenmaal per maand |
BBT 15 |
|
|
Chemisch zuurstofverbruik (CZV) (26) |
Geen EN-norm beschikbaar |
|||
|
Totale hoeveelheid zwevende deeltjes (TSS) |
EN 872 |
|||
|
Fluoride (F-) |
EN ISO 10304-1 |
|||
|
Sulfaat (SO4 2-) |
EN ISO 10304-1 |
|||
|
Sulfide, gemakkelijk vrijkomend (S2-) |
Geen EN-norm beschikbaar |
|||
|
Sulfiet (SO3 2-) |
EN ISO 10304-3 |
|||
|
Metalen en metalloïden |
As |
Verscheidene EN-normen beschikbaar (bv. EN ISO 11885 of EN ISO 17294-2) |
||
|
Cd |
||||
|
Cr |
||||
|
Cu |
||||
|
Ni |
||||
|
Pb |
||||
|
Zn |
||||
|
Hg |
Verscheidene EN-normen beschikbaar (e.g. EN ISO 12846 or EN ISO 17852) |
|||
|
Chloride (Cl-) |
Verscheidene EN-normen beschikbaar (e.g. EN ISO 10304-1 or EN ISO 15682) |
— |
||
|
Totaal aan stikstof |
EN 12260 |
— |
||
1.3. Algemene milieu- en verbrandingsprestaties
BBT 6. Om de algemene milieuprestaties van stookinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht van CO en onverbrande stoffen te verminderen, is de BBT om te zorgen voor geoptimaliseerde verbranding en een geschikte combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Samenvoegen en mengen van brandstof |
Zorgen voor stabiele verbrandingsomstandigheden en/of verminderen van de uitstoot van verontreinigende stoffen door verschillende kwaliteitsvarianten van hetzelfde brandstoftype met elkaar te mengen |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Onderhoud van het verbrandingssysteem |
Regulier planmatig onderhoud volgens de aanbevelingen van de leveranciers |
|
|
c. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.1 |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
d. |
Goed ontwerp van de verbrandingsapparatuur |
Goed ontwerp van de oven, verbrandingskamers, branders en bijbehorende voorzieningen |
Algemeen toepasbaar op nieuwe stookinstallaties |
|
e. |
Brandstofkeuze |
Selecteren van of geheel of gedeeltelijk overschakelen op (een) andere brandstof(fen) met een beter ecologisch profiel (bv. met een laag zwavel- en/of kwikgehalte) dan de overige beschikbare brandstoffen, ook in opstartsituaties of bij gebruik van reservebrandstoffen |
Toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de beschikbaarheid van geschikte brandstoftypen met een beter algeheel ecologische profiel, die door het energiebeleid van de lidstaat of, in het geval van verbranding van brandstoffen uit industriële processen, door de brandstofbalans van de geïntegreerde locatie kan worden beïnvloed. Voor bestaande stookinstallaties kan het gekozen brandstoftype worden beperkt door de configuratie en het ontwerp van de installatie |
BBT 7. Om de ammoniakemissies naar lucht als gevolg van gebruik van selectieve katalytische reductie (SCR) en/of selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) voor de reductie van NOX-emissies te verminderen, is de BBT om de opzet en/of de werking van het SCR- en/of SNCR-systeem te optimaliseren (bv. geoptimaliseerde verhouding reagens/NOX, homogene verspreiding van het reagens en optimale grootte van de reagensdruppels).
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus
Het met de BBT geassocieerde emissieniveau (BBT-GEN) voor de emissies van NH3 naar lucht als gevolg van het gebruik van SCR en/of SNCR bedraagt < 3-10 mg/Nm3 als jaargemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode. De ondergrens van het bereik kan worden behaald bij gebruik van SCR en de bovengrens van het bereik kan worden behaald bij gebruik van SNCR zonder natte zuiveringstechnieken. In het geval van installaties waarin biomassa wordt verbrand en die bij variabele belastingen in bedrijf zijn, alsmede in het geval van motoren die op zware stookolie en/of op gasolie worden gestookt, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 15 mg/Nm3.
BBT 8. Om de emissies naar lucht tijdens normale bedrijfsomstandigheden te voorkomen of verminderen, is de BBT om door passend ontwerp, gebruik en onderhoud te waarborgen dat de emissiereductiesystemen zo worden gebruikt dat hun capaciteit en beschikbaarheid optimaal worden benut.
BBT 9. Om de algemene milieuprestaties van verbrandings- en/of vergassingsinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht te verminderen, is de BBT om de volgende elementen op te nemen in de kwaliteitsborgings-/kwaliteitscontroleprogramma’s voor alle gebruikte brandstoffen, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1):
|
i. |
initiële volledigekarakterisering van de gebruikte brandstof, die ten minste de onderstaande parameters omvat en in overeenstemming is met de EN-normen. Nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen kunnen worden gebruikt, mits deze waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt; |
|
ii. |
regelmatige tests van de brandstofkwaliteit om na te gaan of deze overeenstemt met de initiële karakteriseringen met de ontwerpspecificaties van de installatie. De frequentie van de tests en de uit de onderstaande tabel gekozen criteria zijn gebaseerd op de variabiliteit van de brandstof en op een beoordeling van de relevantie van de uitstoot van verontreinigende stoffen (bv. concentratie in brandstof, toegepaste rookgasreiniging); |
|
iii. |
latere aanpassing van de instellingen van de installatie als en wanneer nodig en uitvoerbaar (bv. integratie van de brandstofkarakterisering en -controle in het geavanceerde regelsysteem (zie de beschrijving in punt 8.1)). |
Beschrijving
De initiële karakterisering en de regelmatige tests van de brandstof kunnen door de exploitant en/of de brandstofleverancier worden uitgevoerd. Indien de leverancier dit doet, worden de volledige resultaten aan de exploitant verstrekt in de vorm van een productspecificatie (brandstofspecificatie) en/of garantie van de leverancier.
|
Brandstof(fen) |
Stoffen/parameters op basis waarvan wordt gekarakteriseerd |
||||||||
|
Biomassa/turf |
|
||||||||
|
|||||||||
|
Steen-/bruinkool |
|
||||||||
|
|||||||||
|
|||||||||
|
Zware stookolie |
|
||||||||
|
Gasolie |
|
||||||||
|
Aardgas |
|
||||||||
|
Procesbrandstoffen uit de chemische industrie (27) |
|
||||||||
|
Procesgassen ijzer- en staalproductie |
|
||||||||
|
Afvalstoffen (28) |
|
BBT 10. Om de emissies naar lucht en/of water tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden (OTNOC) te verminderen, is de BBT om als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) een beheersplan op te stellen en uit te voeren, dat in verhouding staat tot de relevantie van de mogelijke uitstoot van verontreinigende stoffen en dat de volgende elementen omvat:
|
— |
een geschikt ontwerp van de systemen die als relevant worden beschouwd voor het veroorzaken van OTNOC met mogelijke gevolgen voor de emissies in lucht, water en/of bodem (bv. op geringe belasting gerichte ontwerpideeën voor het verminderen van de voor een stabiele vermogensopwekking in gasturbines benodigde minimale belasting bij het opstarten en stilleggen); |
|
— |
opstelling en uitvoering van een specifiek programma voor preventief onderhoud van deze relevante systemen; |
|
— |
onderzoek naar en registratie van door OTNOC en daarmee verband houdende omstandigheden veroorzaakte emissies en waar nodig uitvoering van corrigerende maatregelen; |
|
— |
periodieke beoordeling van de totale emissies tijdens OTNOC (bv. frequentie van incidenten, duur, kwantificering/raming van de emissies) en waar nodig uitvoering van corrigerende maatregelen. |
BBT 11. De BBT is een adequate monitoring van de emissies naar lucht en/of water tijdens OTNOC.
Beschrijving
De monitoring kan worden uitgevoerd door rechtstreekse emissiemeting of door monitoring van vervangende parameters indien dit blijkt te zorgen voor dezelfde of een betere wetenschappelijke kwaliteit dan directe emissiemeting. De emissies bij het opstarten en stilleggen kunnen worden beoordeeld aan de hand van een ten minste eenmaal per jaar voor een typische opstart- en stillegprocedure uitgevoerde gedetailleerde emissiemeting, en door de resultaten van die meting te gebruiken voor het ramen van de emissies voor alle opstart- en stillegprocedures die gedurende het hele jaar plaatsvinden.
1.4. Energie-efficiëntie
BBT 12. Om de energie-efficiëntie te verbeteren van verbrandings-, vergassings- en/of KV-STEG-eenheden die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, is de BBT om een geschikte combinatie van onderstaande technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|||||||
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijving in punt 8.2 Door de verbranding te optimaliseren, wordt het gehalte aan onverbrande stoffen in de rookgassen en in vaste verbrandingsresiduen tot een minimum beperkt |
Algemeen toepasbaar |
||||||
|
b. |
Optimalisering van de toestand van het werkmedium |
Werking bij de hoogst mogelijke druk en temperatuur van het gas dat of de stoom die als werkmedium dient, binnen de beperkingen in verband met, bijvoorbeeld, de beheersing van NOX-emissies of de kenmerken van de gevraagde energie |
|||||||
|
c. |
Optimalisering van de stoomcyclus |
Werking bij lagere uitlaatdruk van de turbine door gebruik van de laagst mogelijke temperatuur van het koelwater van de condensor, met inachtneming van de ontwerpcondities |
|||||||
|
d. |
Minimalisering van het energieverbruik |
Minimaliseren van het interne energieverbruik (bv. grotere doelmatigheid van de voedingswaterpomp) |
|||||||
|
e. |
Voorverwarming van de verbrandingslucht |
Gedeeltelijk hergebruik van teruggewonnen warmte uit de verbranding van rookgas voor het voorverwarmen van voor verbranding gebruikte lucht |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de noodzaak om NOX-emissies te beheersen |
||||||
|
f. |
Voorverwarming van de brandstof |
Voorverwarming van de brandstof door middel van teruggewonnen warmte |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen in verband met het ontwerp van de ketel en de noodzaak om NOX-emissies te beheersen |
||||||
|
g. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.2 Computergestuurde regeling van de belangrijkste verbrandingsparameters maakt verbetering van het verbrandingsrendement mogelijk |
Algemeen toepasbaar op nieuwe eenheden. De toepasbaarheid op oude eenheden is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
||||||
|
h. |
Voorverwarming van voedingswater met behulp van teruggewonnen warmte |
Voorverwarmen van het water dat uit de stoomcondensor komt met teruggewonnen warmte alvorens het opnieuw in de ketel te gebruiken |
Alleen toepasbaar op stoomcircuits en niet op heetwaterketels. De toepasbaarheid op bestaande eenheden is mogelijk beperkt als gevolg van beperkingen in verband met de configuratie van de installatie en de hoeveelheid terugwinbare warmte |
||||||
|
i. |
Warmteterugwinning door middel van warmte-krachtkoppeling (WKK) |
Terugwinning van warmte (hoofdzakelijk uit het stoomsysteem) voor de productie van warm water/stoom voor gebruik in industriële processen/activiteiten of in een openbaar net voor stadsverwarming. Aanvullende warmteterugwinning is mogelijk uit:
|
Toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de plaatselijke vraag naar warmte en elektriciteit. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van gascompressoren met een onvoorspelbare operationeel warmteprofiel |
||||||
|
j. |
WKK-gereedheid |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Alleen toepasbaar op nieuwe eenheden als er sprake is van een realistisch potentieel voor het toekomstige gebruik van warmte in de nabijheid van de eenheid |
||||||
|
k. |
Rookgascondensator |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar op WKK-eenheden mits er voldoende vraag is naar lagetemperatuur-warmte |
||||||
|
l. |
Warmteaccumulatie |
Opslag van warmte door accumulatie in WKK-modus |
Alleen toepasbaar op WKK-installaties. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van een geringe vraag naar warmtebelasting |
||||||
|
m. |
Natte schoorsteen |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar op nieuwe en bestaande eenheden die met natte rookgasontzwaveling zijn uitgerust |
||||||
|
n. |
Uitstoot via koeltoren |
De uitstoot van emissies naar lucht via een koeltoren en niet via een speciale schoorsteen |
Alleen toepasbaar op eenheden die met natte rookgasontzwaveling zijn uitgerust wanneer het rookgas moet worden herverwarmd alvorens te worden uitgestoten, en wanneer het koelsysteem van de eenheid een koeltoren is |
||||||
|
o. |
Voordroging van brandstof |
De verlaging van het vochtgehalte van de brandstof vóór verbranding om de verbrandingsomstandigheden te verbeteren |
Toepasbaar op de verbranding van biomassa en/of turf binnen de beperkingen in verband met het risico op zelfontbranding (bv. het vochtgehalte van turf wordt in de gehele leveringsketen op meer dan 40 % gehouden). Het aanpassen van bestaande installaties kan worden beperkt door de extra calorische waarde die door het drogen kan worden verkregen en door de beperkte mogelijkheden tot aanpassing van bepaalde ketelontwerpen of installatiesconfiguraties |
||||||
|
p. |
Minimalisering van warmteverliezen |
Verliezen van restwarmte tot een minimum beperken, bv. de warmteverliezen via de slakken of verliezen die kunnen worden verminderd door stralingsbronnen te isoleren |
Alleen toepasbaar op met vaste brandstoffen gestookte verbrandingseenheden en vergassings-/KV-STEG-eenheden |
||||||
|
q. |
Geavanceerde materialen |
Gebruik van geavanceerde materialen waarvan is aangetoond dat zij bestand zijn tegen hoge bedrijfstemperaturen en tegen een hoge bedrijfsdruk, om aldus efficiëntieverbeteringen te verwezenlijken in het stoom-/verbrandingsproces |
Alleen toepasbaar op nieuwe installaties |
||||||
|
r. |
Upgraden van stoomturbines |
Dit omvat technieken zoals verhoging van de temperatuur en druk van middelhogedrukstoom, toevoeging van een lagedrukturbine en wijzigingen in de geometrie van de rotorbladen van de turbine |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de vraag, stoomtoestand en/of beperkte levensduur van installaties |
||||||
|
s. |
Superkritisch en ultrasuperkritisch stoomproces |
Het gebruik van een stoomcircuit, met inbegrip van systemen voor herverwarming van stoom, waarin stoom een druk van meer dan 220,6 bar en temperaturen van meer dan 374 °C kan bereiken onder superkritische omstandigheden, en een druk van meer dan 250-300 bar en temperaturen van meer dan 580-600 °C onder ultrasuperkritische omstandigheden |
Alleen toepasbaar op nieuwe eenheden van ≥ 600 MWth die > 4 000 h/jaar in bedrijf zijn. Niet toepasbaar als de eenheid tot doel heeft lage stoomtemperaturen en/of lage stoomdruk in de procesindustrie te produceren. Niet toepasbaar op gasturbines en stoom producerende motoren in WKK-modus. Voor eenheden waarin biomassa wordt verbrand, is de toepasbaarheid mogelijk beperkt door hogetemperatuur-corrosie in het geval van bepaalde soorten biomassa |
||||||
1.5. Waterverbruik en emissies naar het water
BBT 13. Om het waterverbruik en de hoeveelheid geloosd verontreinigd afvalwater te verminderen, is de BBT om één of beide onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Waterrecycling |
Resterende waterige stromen, met inbegrip van afstromend water, uit de installatie worden hergebruikt voor andere doeleinden. De mate van recycling wordt beperkt door de kwaliteitseisen van de ontvangende waterloop en door de waterbalans van de installatie |
Niet toepasbaar op afvalwater uit koelsystemen indien er chemische stoffen voor waterbehandeling en/of hoge concentraties aan zouten uit zeewater aanwezig zijn |
|
b. |
Verwerking van droge bodemas |
Droge hete bodemas valt uit de oven op een mechanisch transportsysteem en wordt afgekoeld door omgevingslucht. Bij dit procedé wordt geen water gebruikt |
Alleen toepasbaar op installaties waarin vaste brandstoffen worden verbrand. Er kan sprake zijn van technische beperkingen waardoor retrofit op bestaande stookinstallaties niet mogelijk is |
BBT 14. Om verontreiniging van niet-verontreinigd afvalwater te voorkomen en de emissies naar water te beperken, is de BBT om afvalwaterstromen te scheiden en apart te behandelen, afhankelijk van het gehalte aan verontreinigende stoffen.
Beschrijving
Afvalwaterstromen die doorgaans worden gescheiden en behandeld zijn onder meer afstromend water, koelwater en afvalwater van rookgasreiniging.
Toepasbaarheid
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt voor bestaande installaties als gevolg van de configuratie van de drainagesystemen.
BBT 15. Om de emissies naar water uit rookgasreiniging te verminderen, is de BBT om een geschikte combinatie van onderstaande technieken te gebruiken, en om secundaire technieken zo dicht mogelijk bij de bron te gebruiken om verdunning te voorkomen.
|
Techniek |
Typisch gebruikt voor het voorkomen/verminderen van emissies van deze verontreinigende stoffen |
Toepasbaarheid |
|
|
|
Primaire technieken |
||
|
a. |
Geoptimaliseerde verbranding (zie BBT 6) en rookgasreinigingssystemen (bv. SCR/SNCR, zie BBT 7) |
Organische stoffen, ammoniak (NH3) |
Algemeen toepasbaar |
|
|
Secundaire technieken (29) |
||
|
b. |
Adsorptie op actieve kool |
Organische verbindingen, kwik (Hg) |
Algemeen toepasbaar |
|
c. |
Aerobe biologische behandeling |
Biologisch afbreekbare organische stoffen, ammoniak (NH4 +) |
Algemeen toepasbaar voor de behandeling van organische stoffen. Aerobe biologische behandeling van ammonium (NH4 +) is mogelijk niet toepasbaar bij hoge chlorideconcentraties (d.w.z. rond de 10 g/l) |
|
d. |
Anoxische/anaerobe biologische behandeling |
Kwik (Hg), nitraat (NO3 -), nitriet (NO2 -) |
Algemeen toepasbaar |
|
e. |
Coagulatie en flocculatie |
Zwevende deeltjes |
Algemeen toepasbaar |
|
f. |
Kristallisatie |
Metalen en metalloïden, sulfaat (SO4 2-), fluoride (F-) |
Algemeen toepasbaar |
|
g. |
Filtratie (bv. zandfiltratie, microfiltratie, ultrafiltratie) |
Zwevende deeltjes, metalen |
Algemeen toepasbaar |
|
h. |
Flotatie |
Zwevende deeltjes, vrije olie |
Algemeen toepasbaar |
|
i. |
Ionenwisseling |
Metalen |
Algemeen toepasbaar |
|
j. |
Neutralisatie |
Zuren, basen |
Algemeen toepasbaar |
|
k. |
Oxidatie |
Sulfide (S2-), sulfiet (SO3 2-) |
Algemeen toepasbaar |
|
l. |
Neerslag |
Metalen en metalloïden, sulfaat (SO4 2-), fluoride (F-) |
Algemeen toepasbaar |
|
m. |
Sedimentatie |
Zwevende deeltjes |
Algemeen toepasbaar |
|
n. |
Stripping |
Ammoniak (NH3) |
Algemeen toepasbaar |
De BBT-GEN’s hebben betrekking op rechtstreekse lozingen in een ontvangend waterlichaam op het punt waar de emissie de installatie verlaat.
Tabel 1
BBT-GEN’s voor directe lozingen uit rookgasreiniging naar een ontvangend waterlichaam
|
Stof/parameter |
BBT-GEN’s |
|
|
Daggemiddelde |
||
|
Totaal aan organische koolstof (TOC) |
||
|
Chemisch zuurstofverbruik (CZV) |
||
|
Totale hoeveelheid zwevende deeltjes (TSS) |
10 -30 mg/l |
|
|
Fluoride (F-) |
10 -25 mg/l (32) |
|
|
Sulfaat (SO4 2-) |
||
|
Sulfide (S2-), gemakkelijk vrijkomend |
0,1 -0,2 mg/l (32) |
|
|
Sulfiet (SO3 2-) |
1 -20 mg/l (32) |
|
|
Metalen en metalloïden |
As |
10 -50 μg/l |
|
Cd |
2 -5 μg/l |
|
|
Cr |
10 -50 μg/l |
|
|
Cu |
10 -50 μg/l |
|
|
Hg |
0,2 -3 μg/l |
|
|
Ni |
10 -50 μg/l |
|
|
Pb |
10 -20 μg/l |
|
|
Zn |
50 -200 μg/l |
|
1.6. Afvalbeheer
BBT 16. Om de hoeveelheid ter verwijdering verzonden afval afkomstig van verbrandings- en/of vergassingsprocessen en reductietechnieken te verminderen, is de BBT om de werkzaamheden zo te organiseren dat, in volgorde van prioriteit en rekening houdend met het levenscyclusperspectief, wordt gezorgd voor maximalisering van:
|
a. |
afvalpreventie, bv. het aandeel van residuen die als bijproducten ontstaan zo groot mogelijk te maken; |
|
b. |
voorbereiding van afvalstoffen voor hergebruik, bv. overeenkomstig de specifieke kwaliteitscriteria die worden verlangd; |
|
c. |
recycling van afvalstoffen; |
|
d. |
andere nuttige toepassing van afvalstoffen (bv. energieterugwinning), |
door toepassing van een geschikte combinatie van technieken zoals:
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Productie van gips als bijproduct |
Optimalisering van de kwaliteit van de reactieresiduen op calciumbasis die door natte rookgasontzwaveling worden geproduceerd, zodat zij kunnen worden gebruikt als vervanging voor gewonnen gips (bv. als grondstof in de gipsplaatsector). De kwaliteit van de in natte rookgasontzwaveling gebruikte kalksteen is van invloed op de zuiverheid van het geproduceerde gips |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de vereiste kwaliteit van het gips, de gezondheidsvoorschriften in verband met ieder specifieke gebruik, en de marktomstandigheden |
|
b. |
Recycling of nuttige toepassing van residuen in de bouwsector |
Recycling of nuttige toepassing van residuen (bv. uit halfdroge ontzwavelingsprocessen, vliegas, bodemas) als bouwmateriaal (bv. in de wegenbouw, ter vervanging van zand bij de betonproductie, of in de cementindustrie) |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de vereiste kwaliteit van het materiaal (bv. fysische eigenschappen, gehalte aan schadelijke stoffen) in verband met ieder specifieke gebruik, en de marktomstandigheden |
|
c. |
Energieterugwinning door toepassing van afvalstoffen in de brandstofmix |
De restenergie-inhoud van koolstofrijke as en slib, afkomstig van de verbranding van steenkool, bruinkool, zware stookolie, turf of biomassa kan worden teruggewonnen, bijvoorbeeld door vermenging met de brandstof |
Algemeen toepasbaar wanneer installaties afval als bestanddeel van de brandstofmix kunnen aanvaarden en technisch in staat zijn om de brandstoffen in de verbrandingskamer te brengen |
|
d. |
Voorbereiding van afgewerkte katalysatoren voor hergebruik |
Bij de voorbereiding van katalysatoren voor hergebruik (bv. maximaal vier keer voor SCR-katalysatoren) wordt de oorspronkelijke capaciteit geheel of gedeeltelijk hersteld, waardoor de nuttige levensduur van de katalysator wordt opgerekt tot meerdere decennia. Voorbereiding van afgewerkte katalysatoren voor hergebruik maakt deel uit van een regeling voor katalysatorbeheer |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de mechanische staat van de katalysator en de vereiste prestaties met betrekking tot beheersing van NOX- en NH3-emissies |
1.7. Geluidsemissies
BBT 17. Om de geluidsemissies te beperken, is de BBT om één of een combinatie van de volgende technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|||||||||||
|
a. |
Operationele maatregelen |
Hierbij gaat het onder meer om:
|
Algemeen toepasbaar |
||||||||||
|
b. |
Geluidsarme apparatuur |
Dit omvat mogelijk compressoren, pompen en schijven |
Algemeen toepasbaar als de apparatuur nieuw is of wordt vervangen |
||||||||||
|
c. |
Geluidsdemping |
De verspreiding van lawaai kan worden verminderd door obstakels tussen zender en ontvanger te plaatsen. Geschikte obstakels zijn beschermingswanden, taluds en gebouwen |
Algemeen toepasbaar op nieuwe installaties. In bestaande installaties kan het plaatsen van obstakels beperkt zijn wegens ruimtegebrek |
||||||||||
|
d. |
Apparatuur voor geluidsbeheersing |
Het gaat hierbij onder meer om:
|
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door ruimtegebrek |
||||||||||
|
e. |
Een goede locatie van apparatuur en gebouwen |
Het geluidsniveau kan worden verminderd door de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger te vergroten en door gebouwen te gebruiken als geluidsschermen |
Algemeen toepasbaar op nieuwe installaties. In bestaande installaties kan de verplaatsing van apparatuur en productie-eenheden worden beperkt door het gebrek aan ruimte of door buitensporige kosten |
||||||||||
2. BBT-CONCLUSIES VOOR DE VERBRANDING VAN VASTE BRANDSTOFFEN
2.1. BBT-conclusies voor de verbranding van steen- en/of bruinkool
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van steen- en/of bruinkool. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
2.1.1. Algemene milieuprestaties
BBT 18. Om de algemene milieuprestaties van de verbranding van steen- en/of bruinkool te verbeteren, is, in aanvulling op BBT 6, de BBT om de hieronder beschreven techniek toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Geïntegreerd verbrandingsproces dat een hoog rendement van de ketel waarborgt en primaire technieken omvat voor NOX-reductie (bv. getrapte verbrandingsluchttoevoer, getrapte brandstoftoevoer, lage-NOX-brander (LNB) en/of rookgasrecirculatie) |
Verbrandingsprocessen zoals poederverbranding, wervelbedverbranding of een bewegend verbrandingsrooster maken deze integratie mogelijk |
Algemeen toepasbaar |
2.1.2. Energie-efficiëntie
BBT 19. Om de energie-efficiëntie van de verbranding van steen- en/of bruinkool te verbeteren, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 12 en hieronder beschreven technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Verwerking van droge bodemas |
Droge hete bodemas valt uit de oven op een mechanisch transportsysteem en wordt, na nogmaals door de oven te zijn geleid voor naverbranding, afgekoeld door omgevingslucht. Zowel uit de naverbranding als uit de afkoeling van de as wordt nuttige energie teruggewonnen |
Er kan sprake zijn van technische beperkingen waardoor retrofitten op bestaande verbrandingseenheden niet mogelijk is |
Tabel 2
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor verbranding van steen- en/of bruinkool
|
Type verbrandingseenheid |
|||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) (38) |
|||
|
Nieuwe of bestaande eenheid |
|||
|
Met steenkool gestookt, ≥ 1 000 MWth |
45 -46 |
33,5 -44 |
75 -97 |
|
Met bruinkool gestookt, ≥ 1 000 MWth |
42 -44 (44) |
33,5 -42,5 |
75 -97 |
|
Met steenkool gestookt, < 1 000 MWth |
36,5 -41,5 (45) |
32,5 -41,5 |
75 -97 |
|
Met bruinkool gestookt, < 1 000 MWth |
36,5 -40 (46) |
31,5 -39,5 |
75 -97 |
2.1.3. NOX-, N2O- en CO-emissies naar lucht
BBT 20. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen en tegelijkertijd de CO- en N2O-emissies naar lucht te beperken die afkomstig zijn van de verbranding van steen- en/of bruinkool, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Doorgaans gebruikt in combinatie met andere technieken |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Combinatie van andere primaire technieken voor NOX-reductie (bv. getrapte verbrandingsluchttoevoer, getrapte brandstoftoevoer, rookgasrecirculatie, lage-NOX-brander (LNB)) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 voor elke afzonderlijke techniek. De keuze voor en prestaties van een geschikte (combinatie van) primaire techniek(en) kan worden beïnvloed door het ketelontwerp |
|
|
c. |
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Kan worden toegepast met “slip-SCR” |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van ketels met een grote oppervlakte van de dwarsdoorsnede die het homogeen mengen van NH3 en NOX verhindert. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van stookinstallaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen |
|
d |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Niet toepasbaar op stookinstallaties van < 300 MWth die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet algemeen toepasbaar op stookinstallaties van < 100 MWth. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en voor bestaande stookinstallaties van ≥ 300 MWth die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
e. |
Gecombineerde technieken voor NOX- en SOX-reductie |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Van geval tot geval toepasbaar, afhankelijk van de brandstofeigenschappen en het verbrandingsproces |
Tabel 3
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (47) |
Nieuwe installatie |
||
|
< 100 |
100 -150 |
100 -270 |
155 -200 |
165 -330 |
|
100 -300 |
50 -100 |
100 -180 |
80 -130 |
155 -210 |
|
≥ 300, FBC-ketel waarin steen- en/of bruinkool wordt verbrand en met bruinkool gestookte PC-ketel |
50 -85 |
80 -125 |
140 -165 (52) |
|
|
≥ 300, met kool gestookte PC-ketel |
65 -85 |
65 -150 |
80 -125 |
< 85 -165 (53) |
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus voor bestaande stookinstallaties die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn of voor nieuwe stookinstallaties zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
indicatief CO-emissieniveau (mg/Nm3) |
|
< 300 |
< 30 -140 |
|
≥ 300, FBC-ketel waarin steen- en/of bruinkool wordt verbrand en met bruinkool gestookte PC-ketel |
< 30 -100 (54) |
|
≥ 300, met kool gestookte PC-ketel |
< 5 -100 (54) |
2.1.4. SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht
BBT 21. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Injectie van sorptiemiddel in de ketel (in de oven of in het wervelbed) |
Zie de beschrijving in punt 8.4 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI) |
Zie de beschrijving in punt 8.4 De techniek kan worden toegepast voor HCl- en HF-verwijdering wanneer geen specifieke nageschakelde techniek (“end-of-pipetechniek”) voor rookgasontzwaveling wordt gebruikt |
|
|
c. |
Sproeidroogadsorptie (SDA) |
Zie de beschrijving in punt 8.4 |
|
|
d. |
Droge gaswasser met circulerend wervelbed (CFB) |
||
|
e. |
Natte gaswassing |
Zie de beschrijving in punt 8.4 De technieken kunnen worden toegepast voor HCl- en HF-verwijdering wanneer geen specifieke nageschakelde techniek (“end-of-pipetechniek”) voor rookgasontzwaveling wordt gebruikt |
|
|
f. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie de beschrijving in punt 8.4 |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de toepassing van de techniek op stookinstallaties van < 300 MWth en op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
g. |
Rookgasontzwaveling met zeewater |
||
|
h. |
Gecombineerde technieken voor NOX- en SOX-reductie |
Van geval tot geval toepasbaar, afhankelijk van de brandstofeigenschappen en het verbrandingsproces |
|
|
i. |
Vervanging of verwijdering van de stroomafwaarts van de natte rookgasontzwaveling gelegen gas-gas-warmtewisselaar |
Vervanging van de stroomafwaarts van de natte rookgasontzwaveling gelegen gas-gas-warmtewisselaar door een pijpen-warmtewisselaar, of afvoer en uitstoot van het rookgas via een koeltoren of een natte schoorsteen |
Alleen toepasbaar wanneer de warmtewisselaar moet worden gewijzigd of vervangen in stookinstallaties die met natte rookgasontzwaveling en een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar is uitgerust |
|
j. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijving in punt 8.4 Gebruik van brandstof met een laag gehalte aan zwavel (bv. slechts 0,1 massaprocent op droge basis), chloor of fluor |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door het ontwerp in het geval van stookinstallaties waarin zeer specifieke inheemse brandstoffen worden verbrand |
Tabel 4
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (55) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (56) |
|
|
< 100 |
150 -200 |
150 -360 |
170 -220 |
170 -400 |
|
100 -300 |
80 -150 |
95 -200 |
135 -200 |
135 -220 (57) |
|
≥ 300 , PC-ketel |
10 -75 |
10 -130 (58) |
25 -110 |
25 -165 (59) |
|
≥ 300 , wervelbedketel (60) |
20 -75 |
20 -180 |
25 -110 |
50 -220 |
Voor een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MW, die specifiek is ontworpen om met inheemse bruinkoolbrandstoffen te worden gestookt en waarvan kan worden aangetoond dat zij om technisch-economische redenen de in tabel 4 vermelde BBT-GEN’s niet kan halen, zijn de daggemiddelde BBT-GEN’s van tabel 4 niet van toepassing, en wordt de bovengrens van het jaargemiddelde BBT-GEN-bereik als volgt vastgesteld:
|
i) |
voor een nieuw systeem voor rookgasontzwaveling: RCR × 0,01 met een maximum van 200 mg/Nm3; |
|
ii) |
voor een bestaand systeem voor rookgasontzwaveling: RCR × 0,03 met een maximum van 320 mg/Nm3, waarbij RCR staat voor de concentratie van SO2 in het ruwe rookgas als jaargemiddelde (onder de bij algemene overwegingen vermelde standaardomstandigheden) bij de inlaat van het SOX-zuiveringssysteem, uitgedrukt bij een referentiezuurstofgehalte van 6 vol-% O2. |
|
iii) |
indien als onderdeel van het systeem voor rookgasontzwaveling injectie van sorptiemiddel in de ketel (BSI: boiler sorbent injection) wordt toegepast, kan de RCR als volgt worden aangepast door rekening te houden met het rendement van de SO2-reductie bij deze techniek (ηΒSI): RCR (aangepast) = RCR (gemeten)/(1-ηΒSI). |
Tabel 5
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool
|
Verontreinigende stof |
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|
|
Jaargemiddelde of gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters) |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (61) |
||
|
HCI |
< 100 |
1 -6 |
2 -10 (62) |
|
≥ 100 |
1 -3 |
||
|
HF |
< 100 |
< 1 -3 |
< 1 -6 (64) |
|
≥ 100 |
< 1 -2 |
< 1 -3 (64) |
|
2.1.5. Emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht
BBT 22. Om de emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Doekfilter |
||
|
c. |
Injectie van sorptiemiddel in de ketel (in de oven of in het wervelbed) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 De technieken worden hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
|
|
d. |
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
||
|
e. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 21 |
|
Tabel 6
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (65) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (66) |
|
|
< 100 |
2 -5 |
2 -18 |
4 -16 |
4 -22 (67) |
|
100 -300 |
2 -5 |
2 -14 |
3 -15 |
4 -22 (68) |
|
300 -1 000 |
2 -5 |
2 -10 (69) |
3 -10 |
3 -11 (70) |
|
≥ 1 000 |
2 -5 |
2 -8 |
3 -10 |
3 -11 (71) |
2.1.6. Kwikemissies naar lucht
BBT 23. Om de kwikemissies naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en/of bruinkool te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
Positief neveneffect van technieken die hoofdzakelijk worden gebruikt voor vermindering van de emissie van andere verontreinigende stoffen |
|||
|
a. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijving in punt 8.5 Een hoger kwikverwijderingsrendement wordt behaald bij rookgastemperaturen van minder dan 130 °C De techniek wordt hoofdzakelijk gebruikt voor stofbestrijding |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Doekfilter |
Zie de beschrijving in punt 8.5 De techniek wordt hoofdzakelijk gebruikt voor stofbestrijding |
|
|
c. |
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 De technieken worden hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
|
|
d. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 21 |
|
|
e. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Alleen gebruikt in combinatie met andere technieken om de kwikoxidatie te versnellen of tegen te gaan, voorafgaand aan het afvangen door rookgasontzwaveling of een ontstoffingssysteem De techniek wordt hoofdzakelijk gebruikt voor NOX-beheersing |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 20 |
|
Specifieke technieken voor het verminderen van de kwikemissies |
|||
|
f. |
Injectie van sorptiemiddel op koolstofbasis (bv. actieve kool of gehalogeneerde actieve kool) in het rookgas |
Zie de beschrijving in punt 8.5 Wordt doorgaans gebruikt in combinatie met een ESP/doekfilter. Bij gebruik van deze techniek kunnen aanvullende behandelingsstappen nodig zijn om de kwikhoudende koolstoffractie verder te scheiden voorafgaand aan hergebruik van de vliegas |
Algemeen toepasbaar |
|
g. |
Het gebruik van gehalogeneerde additieven in de brandstof via injectie in de oven |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Algemeen toepasbaar in het geval van een gering gehalte aan halogenen in de brandstof |
|
h. |
Voorbehandeling van brandstoffen |
Wassen, samenvoegen en mengen van brandstoffen ter beperking/vermindering van het kwikgehalte of verbetering van het afvangen van kwik met behulp van apparatuur voor verontreiningsbeheersing |
De toepasbaarheid is afhankelijk van een eerder onderzoek ter karakterisering van de brandstof en raming van de potentiële doeltreffendheid van de techniek |
|
i. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
Tabel 7
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor kwikemissies naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- en bruinkool
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (μg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde of gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters) |
||||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (72) |
|||
|
steenkool |
bruinkool |
steenkool |
bruinkool |
|
|
< 300 |
< 1 -3 |
< 1 -5 |
< 1 -9 |
< 1 -10 |
|
≥ 300 |
< 1 -2 |
< 1 -4 |
< 1 -4 |
< 1 -7 |
2.2. BBT-conclusies voor de verbranding van vaste biomassa en/of turf
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van vaste biomassa en/of turf. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1
2.2.1. Energie-efficiëntie
Tabel 8
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van vaste biomassa en/of turf
|
Type verbrandingseenheid |
||||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) (75) |
||||
|
Nieuwe eenheid (78) |
Bestaande eenheid |
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
|
|
Ketel voor vaste biomassa en/of turf |
33,5 tot > 38 |
28 -38 |
73 -99 |
73 -99 |
2.2.2. NOX-, N2O- en CO-emissies naar lucht
BBT 24. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen en tegelijkertijd de CO- en N2O-emissies naar lucht te beperken die afkomstig zijn van de verbranding van vaste biomassa en/of turf, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
||
|
c. |
Getrapte verbrandingsluchttoevoer |
||
|
d |
Getrapte brandstoftoevoer |
||
|
e. |
Rookgasrecirculatie |
||
|
f. |
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Kan worden toegepast met “slip-SCR” |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen. Voor bestaande stookinstallaties toepasbaar binnen de beperkingen in verband met het vereiste temperatuurbereik en de verblijftijd van de geïnjecteerde reagentia |
|
g. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Bij gebruik van brandstoffen met een hoog alkaligehalte (bv. stro) kan het nodig zijn de SCR stroomafwaarts van het stofverwijderingssysteem te installeren |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties van < 300 MWth. Niet algemeen toepasbaar op bestaande stookinstallaties van < 100 MWth |
Tabel 9
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (79) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (80) |
|
|
50 -100 |
70 -150 (81) |
70 -225 (82) |
120 -200 (83) |
120 -275 (84) |
|
100 -300 |
50 -140 |
50 -180 |
100 -200 |
100 -220 |
|
≥ 300 |
40 -140 |
40 -150 (85) |
65 -150 |
95 -165 (86) |
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
— |
< 30-250 mg/Nm3 voor bestaande stookinstallaties van 50-100 MWth die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of nieuwe stookinstallaties van 50-100 MWth; |
|
— |
< 30-160 mg/Nm3 voor bestaande stookinstallaties van 100-300 MWth die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of nieuwe stookinstallaties van 100-300 MWth; |
|
— |
< 30-80 mg/Nm3 voor bestaande stookinstallaties van ≥ 300 MWth die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of nieuwe stookinstallaties van ≥ 300 MWth. |
2.2.3. SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht
BBT 25. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Injectie van sorptiemiddel in de ketel (in de oven of in het wervelbed) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.4 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI) |
||
|
c. |
Sproeidroogadsorptie (SDA) |
||
|
d. |
Droge gaswasser met circulerend wervelbed (CFB) |
||
|
e. |
Natte gaswassing |
||
|
f. |
Rookgascondensator |
||
|
g. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
|
h. |
Brandstofkeuze |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidst2aat |
|
Tabel 10
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor SO2 (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (87) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (88) |
|
|
< 100 |
15 -70 |
15 -100 |
30 -175 |
30 -215 |
|
100 -300 |
< 10 -50 |
< 10 -70 (89) |
< 20 -85 |
< 20 -175 (90) |
|
≥ 300 |
< 10 -35 |
< 10 -50 (89) |
< 20 -70 |
< 20 -85 (91) |
Tabel 11
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor HF (mg/Nm3) |
|||||
|
Jaargemiddelde of gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
||||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (96) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (96) |
|
|
< 100 |
1 -7 |
1 -15 |
1 -12 |
1 -35 |
< 1 |
< 1,5 |
|
100 -300 |
1 -5 |
1 -9 |
1 -12 |
1 -12 |
< 1 |
< 1 |
|
≥ 300 |
1 -5 |
1 -5 |
1 -12 |
1 -12 |
< 1 |
< 1 |
2.2.4. Emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht
BBT 26. Om de emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Doekfilter |
||
|
c. |
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 De technieken worden hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
|
|
d. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 25 |
|
|
e. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
Tabel 12
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor stof (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (97) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (98) |
|
|
< 100 |
2 -5 |
2 -15 |
2 -10 |
2 -22 |
|
100 -300 |
2 -5 |
2 -12 |
2 -10 |
2 -18 |
|
≥ 300 |
2 -5 |
2 -10 |
2 -10 |
2 -16 |
2.2.5. Kwikemissies naar lucht
BBT 27. Om de kwikemissies naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa en/of turf te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
Specifieke technieken voor het verminderen van de kwikemissies |
|||
|
a. |
Injectie van sorptiemiddel op koolstofbasis (bv. actieve kool of gehalogeneerde actieve kool) in het rookgas |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Het gebruik van gehalogeneerde additieven in de brandstof via injectie in de oven |
Algemeen toepasbaar in het geval van een gering gehalte aan halogenen in de brandstof |
|
|
c. |
Brandstofkeuze |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
|
|
Positief neveneffect van technieken die hoofdzakelijk worden gebruikt voor vermindering van de emissie van andere verontreinigende stoffen |
|||
|
d. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 De technieken worden hoofdzakelijk gebruikt voor stofbestrijding |
Algemeen toepasbaar |
|
e. |
Doekfilter |
||
|
f. |
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 De technieken worden hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
|
|
g. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 25 |
|
Het met de BBT geassocieerde emissieniveau (BBT-GEN) voor de kwikemissies naar lucht als gevolg van de verbranding van vaste biomassa en/of turf bedraagt < 1-5 μg/Nm3als gemiddelde over de bemonsteringsperiode.
3. BBT-CONCLUSIES VOOR DE VERBRANDING VAN VLOEIBARE BRANDSTOFFEN
De BBT-conclusies in dit punt zijn niet van toepassing op stookinstallaties op offshore-platforms; deze worden behandeld in punt 4.3.
3.1. Met zware stookolie en/of gasolie gestookte ketels
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
3.1.1. Energie-efficiëntie
Tabel 13
Met de BBT geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels
|
Type verbrandingseenheid |
||||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) |
Netto totale brandstofbenutting (%) (101) |
|||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
|
|
Met zware stookolie en/of gasolie gestookte ketel |
> 36,4 |
35,6 -37,4 |
80 -96 |
80 -96 |
3.1.2. NOX- en CO-emissies naar lucht
BBT 28. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen en tegelijkertijd de CO-emissies naar lucht te beperken die afkomstig zijn van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Getrapte verbrandingsluchttoevoer |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Getrapte brandstoftoevoer |
||
|
c. |
Rookgasrecirculatie |
||
|
d. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
||
|
e. |
Toevoeging van water/stoom |
Toepasbaar binnen de beperkingen van de beschikbaarheid van water |
|
|
f. |
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen |
|
|
g. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet algemeen toepasbaar op stookinstallaties van < 100 MWth |
|
h. |
Geavanceerd regelsysteem |
Algemeen toepasbaar op nieuwe stookinstallaties. De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
|
i. |
Brandstofkeuze |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
|
Tabel 14
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (102) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (103) |
|
|
< 100 |
75 -200 |
150 -270 |
100 -215 |
210 -330 (104) |
|
≥ 100 |
45 -75 |
45 -100 (105) |
85 -100 |
|
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
— |
10-30 mg/Nm3 voor bestaande stookinstallaties van < 100 MWth die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of nieuwe stookinstallaties van < 100 MWth; |
|
— |
10-20 mg/Nm3 voor bestaande stookinstallaties van ≥ 100 MWth die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of nieuwe stookinstallaties van ≥ 100 MWth. |
3.1.3. SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht
BBT 29. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI) |
Zie de beschrijving in punt 8.4 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Sproeidroogadsorptie (SDA) |
||
|
c. |
Rookgascondensator |
||
|
d. |
Natte rookgasontzwaveling FGD(nat) |
Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de toepasbaarheid van de techniek op stookinstallaties van < 300 MWth. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
|
e. |
Rookgasontzwaveling met zeewater |
Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de toepasbaarheid van de techniek op stookinstallaties van < 300 MWth. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
|
f. |
Brandstofkeuze |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
|
Tabel 15
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor SO2 (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (108) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (109) |
|
|
< 300 |
50 -175 |
50 -175 |
150 -200 |
150 -200 (110) |
|
≥ 300 |
35 -50 |
50 -110 |
50 -120 |
|
3.1.4. Emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht
BBT 30. Om de emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Doekfilter |
||
|
c. |
Multicyclonen |
Zie de beschrijving in punt 8.5 Multicyclonen kunnen worden toegepast in combinatie met andere ontstoffingstechnieken |
|
|
d. |
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 De techniek wordt hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
|
|
e. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie de beschrijving in punt 8.5 De techniek wordt hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 29 |
|
f. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
Tabel 16
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in ketels
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor stof (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (113) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (114) |
|
|
< 300 |
2 -10 |
2 -20 |
7 -18 |
7 -22 (115) |
|
≥ 300 |
2 -5 |
2 -10 |
7 -10 |
7 -11 (116) |
3.2. Met zware stookolie en/of gasolie gestookte motoren
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
Wat met zware stookolie en/of gasolie gestookte motoren betreft, zijn secundaire emissiereductietechnieken voor NOx, SO2 en stof om technische, economische en logistieke/infrastructuurbeperkingen mogelijk niet toepasbaar op motoren op eilanden die deel uitmaken van een klein geïsoleerd systeem (1) of een geïsoleerd microsysteem (2), in afwachting van hun interconnectie met het elektriciteitsnet van het vasteland of toegang tot aardgasvoorziening. De BBT-GEN’s voor dergelijke motoren moeten daarom pas met ingang van 1 januari 2025 van toepassing zijn voor nieuwe motoren in kleine geïsoleerde systemen en geïsoleerde microsystemen, en met ingang van 1 januari 2030 voor bestaande motoren.
|
(1) |
Zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 26, van Richtlijn 2009/72/EG. |
|
(2) |
Zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 27, van Richtlijn 2009/72/EG. |
3.2.1. Energie-efficiëntie
BBT 31. Om de energie-efficiëntie van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren te verbeteren, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 12 en hieronder beschreven technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Gecombineerde stoom- en gascyclus |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar op nieuwe eenheden die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Toepasbaar op bestaande eenheden binnen de beperkingen in verband met het ontwerp van de stoomcyclus en de beschikbare ruimte. Niet toepasbaar op bestaande eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
Tabel 17
Met de BBT geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren
|
Type verbrandingseenheid |
BBT-GEEN’s (117) |
|
|
Netto elektrische efficiëntie (%) (118) |
||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
|
|
Met zware stookolie en/of gasolie gestookte zuigermotor — single-cyclus |
41,5 -44,5 (119) |
38,3 -44,5 (119) |
|
Met zware stookolie en/of gasolie gestookte zuigermotor — gecombineerde cyclus |
> 48 (120) |
Geen BBT-GEEN |
3.2.2. Emissies van NOX, CO en vluchtige organische stoffen naar lucht
BBT 32. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Verbranding met lage NOX-uitstoot toegepast in dieselmotoren |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Uitlaatgasrecirculatie (EGR:exhaust-gas recirculation) |
Niet toepasbaar op viertaktmotoren |
|
|
c. |
Toevoeging van water/stoom |
Toepasbaar binnen de beperkingen van de beschikbaarheid van water. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt wanneer er geen retrofitpakket beschikbaar is |
|
|
d. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte |
|
BBT 33. Om de emissies van CO en vluchtige organische stoffen naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of beide onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
|
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Oxidatiekatalysatoren |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. De toepasbaarheid kan worden beperkt door het zwavelgehalte van de brandstof |
Tabel 18
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (121) |
Nieuwe installatie |
||
|
≥ 50 |
115 —190 (124) |
125 —625 |
145 —300 |
150 —750 |
Ter indicatie: voor bestaande stookinstallaties waarin alleen zware stookolie wordt verbrand en die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of voor nieuwe stookinstallaties waarin alleen zware stookolie wordt verbrand,
|
— |
zal het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus doorgaans 50-175 mg/Nm3 bedragen; |
|
— |
zal het gemiddelde over de bemonsteringsperiode voor TVOS-emissieniveaus doorgaans 10-40 mg/Nm3 bedragen. |
3.2.3. SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht
BBT 34. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijvingen in punt 8.4 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
|
b. |
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI) |
Er kan sprake zijn van technische beperkingen in het geval van bestaande stookinstallaties. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
|
c. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de toepasbaarheid van de techniek op stookinstallaties van < 300 MWth. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
Tabel 19
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor SO2 (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (125) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (126) |
|
|
Alle vermogens |
45 -100 |
100 -200 (127) |
60 -110 |
105 -235 (127) |
3.2.4. Emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht
BBT 35. Om de emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
|
b. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
|
c. |
Doekfilter |
||
Tabel 20
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de uitstoot van vaste deeltjes (stof) naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie en/of gasolie in zuigermotoren
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor stof (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (128) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (129) |
|
|
≥ 50 |
5 -10 |
5 -35 |
10 -20 |
10 -45 |
3.3. Met gasolie gestookte gasturbines
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van gasolie in gasturbines. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
3.3.1. Energie-efficiëntie
BBT 36. Om de energie-efficiëntie van de verbranding van gasolie in gasturbines te verbeteren, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 12 en hieronder beschreven technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Gecombineerde stoom- en gascyclus |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar op nieuwe eenheden die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Toepasbaar op bestaande eenheden binnen de beperkingen in verband met het ontwerp van de stoomcyclus en de beschikbare ruimte. Niet toepasbaar op bestaande eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
Tabel 21
Met de BBT geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor met gasolie gestookte gasturbines
|
Type verbrandingseenheid |
BBT-GEEN’s (130) |
|
|
Netto elektrische efficiëntie (%) (131) |
||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
|
|
Met gasolie gestookte gasturbines met open cyclus |
> 33 |
25 -35,7 |
|
met gasolie gestookte gecombineerde stoom- en gasturbine |
> 40 |
33 -44 |
3.3.2. NOX- en CO-emissies naar lucht
BBT 37. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasolie in gasturbines te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Toevoeging van water/stoom |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van water |
|
b. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
Alleen toepasbaar op turbinemodellen waarvoor lage-NOX-branders op de markt beschikbaar zijn |
|
|
c. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte |
|
BBT 38. Om de CO-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasolie in gasturbines te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Oxidatiekatalysatoren |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte |
|
Ter indicatie: het emissieniveau voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasolie in dualfuelgasturbines voor gebruik in noodgevallen die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zal doorgaans 145-250 mg/Nm3 bedragen als daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode.
3.3.3. SOX- en stofemissies naar lucht
BBT 39. Om de SOX- en stofemissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasolie in gasturbines te voorkomen of te verminderen, is de BBT om de onderstaande techniek te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijving in punt 8.4 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen, die kan worden beïnvloed door het energiebeleid van de lidstaat |
Tabel 22
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus voor SO2- en stofemissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasolie in gasturbines, met inbegrip van dualfuelgasturbines
|
Type stookinstallatie |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
SO2 |
Stof |
|||
|
Jaargemiddelde (132) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode (133) |
Jaargemiddelde (132) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode (133) |
|
|
Nieuwe en bestaande installaties |
35 -60 |
50 -66 |
2 -5 |
2 -10 |
4. BBT-CONCLUSIES VOOR DE VERBRANDING VAN GASVORMIGE BRANDSTOFFEN
4.1. BBT-conclusies voor de verbranding van aardgas
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van aardgas. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1. Zij gelden niet voor stookinstallaties op offshore-platforms; deze worden behandeld in punt 4.3.
4.1.1. Energie-efficiëntie
BBT 40. Om de energie-efficiëntie van de verbranding van aardgas te verbeteren, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 12 en hieronder beschreven technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Gecombineerde stoom- en gascyclus |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar op nieuwe gasturbines en motoren, behalve wanneer deze < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Toepasbaar op bestaande gasturbines en motoren binnen de beperkingen in verband met het ontwerp van de stoomcyclus en de beschikbare ruimte. Niet toepasbaar op bestaande gasturbines en motoren die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet toepasbaar op gasturbines voor gasturbines met mechanische aandrijving die op niet-continue wijze met grote variaties in de belasting in bedrijf zijn en frequent worden opgestart en stilgelegd. Niet toepasbaar op ketels |
Tabel 23
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van aardgas
|
Type verbrandingseenheid |
|||||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) |
|||||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
||
|
Gasmotor |
39,5 -44 (139) |
35 -44 (139) |
56 -85 (139) |
Geen BBT-GEEN |
|
|
Met gas gestookte ketel |
39 -42,5 |
38 -40 |
78 -95 |
Geen BBT-GEEN |
|
|
Gasturbine met open cyclus, ≥ 50 MWth |
36 -41,5 |
33 -41,5 |
Geen BBT-GEEN |
36,5 -41 |
33,5 -41 |
|
Gecombineerde stoom- en gasturbine (STEG) |
|||||
|
STEG, 50-600 MWth |
53 -58,5 |
46 -54 |
Geen BBT-GEEN |
Geen BBT-GEEN |
|
|
STEG, ≥ 600 MWth |
57 -60,5 |
50 -60 |
Geen BBT-GEEN |
Geen BBT-GEEN |
|
|
WKK-STEG, 50-600 MWth |
53 -58,5 |
46 -54 |
65 -95 |
Geen BBT-GEEN |
|
|
WKK-STEG, ≥ 600 MWth |
57 -60,5 |
50 -60 |
65 -95 |
Geen BBT-GEEN |
|
4.1.2. NOX-, CO-, NMVOS- en CH4-emissies naar lucht
BBT 41. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in ketels te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Getrapte verbrandingslucht- en/of brandstoftoevoer |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 Getrapte verbrandingsluchttoevoer gaat vaak vergezeld van lage-NOX-branders |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Rookgasrecirculatie |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
|
|
c. |
Lage NOX-branders (LNB) |
||
|
d. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Deze techniek wordt vaak in combinatie met andere technieken gebruikt, maar kan ook op zichzelf worden gebruikt voor stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
e. |
Verlaging van de temperatuur van de verbrandingslucht |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de procesbehoeften |
|
f. |
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn met zeer variabele ketelbelastingen |
|
|
g. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet algemeen toepasbaar op stookinstallaties van < 100 MWth. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
BBT 42. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in gasturbines te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Deze techniek wordt vaak in combinatie met andere technieken gebruikt, maar kan ook op zichzelf worden gebruikt voor stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
b. |
Toevoeging van water/stoom |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van water |
|
c. |
Droge lage-NOX-branders (DLN) |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van turbines waarvoor geen retrofitpakket beschikbaar is of indien er systemen voor toevoeging van water/stoom zijn geïnstalleerd |
|
|
d. |
Op geringe belasting gerichte ontwerpideeën |
Aanpassing van de procesregeling en aanverwante apparatuur om een goed verbrandingsrendement te handhaven bij schommelingen in de energievraag, bv. door verbetering van de mogelijkheden voor het regelen van de inlaatluchtstroom of door opsplitsing van het verbrandingsproces in ontkoppelde verbrandingsfasen |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door het ontwerp van de gasturbine |
|
e. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar op aanvullende verbranding voor stoomgeneratoren met warmteterugwinning (HRSG’s) in het geval van STEG-stookinstallaties (gecombineerde stoom- en gasturbines) |
|
f. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Niet van toepassing in het geval van stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet algemeen toepasbaar op bestaande stookinstallaties van < 100 MWth. De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
BBT 43. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in motoren te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Deze techniek wordt vaak in combinatie met andere technieken gebruikt, maar kan ook op zichzelf worden gebruikt voor stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
b. |
Armmengseltechniek |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Doorgaans gebruikt in combinatie met SCR |
Alleen toepasbaar op nieuwe met gas gestookte motoren |
|
c. |
Geavanceerde armmengseltechniek |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Alleen toepasbaar op nieuwe motoren met vonkontsteking |
|
d. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
BBT 44. Om de CO-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas te voorkomen of te verminderen, is de BBT om te zorgen voor geoptimaliseerde verbranding en/of oxidatiekatalysatoren te gebruiken.
Beschrijving
Zie de beschrijvingen in punt 10.8.3.
Tabel 24
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in gasturbines
|
Type stookinstallatie |
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
||
|
Nieuwe OCGT |
≥ 50 |
15 -35 |
25 -50 |
|
Bestaande OCGT (met uitzondering van gasturbines voor mechanische aandrijvingstoepassingen) — Alle behalve installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
≥ 50 |
15 -50 |
25 -55 (146) |
|
Nieuwe STEG |
≥ 50 |
10 -30 |
15 -40 |
|
Bestaande STEG met een netto totale brandstofbenutting van < 75 % |
≥ 600 |
10 -40 |
18 -50 |
|
Bestaande STEG met een netto totale brandstofbenutting van ≥ 75 % |
≥ 600 |
10 -50 |
18 -55 (148) |
|
Bestaande STEG met een netto totale brandstofbenutting van < 75 % |
50 -600 |
10 -45 |
35 -55 |
|
Bestaande STEG met een netto totale brandstofbenutting van ≥ 75 % |
50 -600 |
25 -50 (149) |
35 -55 (150) |
|
Gasturbines met open cyclus en gecombineerde stoom- en gasturbines |
|||
|
Gasturbine die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf is gesteld, of bestaande gasturbine voor gebruik in noodgevallen die < 500 h/jaar in bedrijf is |
≥ 50 |
Geen BBT-GEN |
|
|
Bestaande gasturbine voor mechanische aandrijvingstoepassingen — Alle behalve installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
≥ 50 |
15 -50 (153) |
25 -55 (154) |
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus voor elke soort bestaande stookinstallatie die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf is en voor elk soort nieuwe stookinstallatie zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
— |
nieuwe OCGT van ≥ 50 MWth: < 5-40 mg/Nm3. Voor installaties met een netto elektrische efficiëntie (EE) van meer dan 39 % kan een correctiefactor worden toegepast op de bovengrens van dit bereik, die overeenkomt met [bovengrens] × EE/39, waarbij EE de netto elektrische energie-efficiëntie of de netto mechanische energie-efficiëntie van de installatie is, zoals bepaald bij ISO-basisbelastingsomstandigheden; |
|
— |
bestaande OCGT van ≥ 50 MWth (met uitzondering van gasturbines voor mechanische aandrijvingstoepassingen): < 5-40 mg/Nm3. De bovengrens van dit bereik ligt doorgaans bij 80 mg/Nm3 in het geval van bestaande installaties die niet met droge technieken voor de vermindering van NOX kunnen worden uitgerust, of bij 50 mg/Nm3 voor installaties die bij geringe belasting in bedrijf zijn; |
|
— |
nieuwe STEG van ≥ 50 MWth: < 5-30 mg/Nm3. Voor installaties met een netto elektrische efficiëntie (EE) van meer dan 55 % kan een correctiefactor worden toegepast op de bovengrens van het bereik, die overeenkomt met [bovengrens] × EE/55, waarbij EE de netto elektrische energie-efficiëntie van de installatie is, zoals bepaald bij ISO-basisbelastingsomstandigheden; |
|
— |
bestaande STEG van ≥ 50 MWth: < 5-30 mg/Nm3. De bovengrens van dit bereik ligt doorgaans bij 50 mg/Nm3 voor installaties die bij een geringe belasting in bedrijf zijn; |
|
— |
bestaande gasturbines van ≥ 50 MWth voor mechanische aandrijvingstoepassingen: < 5-40 mg/Nm3. De bovengrens van het bereik ligt doorgaans bij 50 mg/Nm3 wanneer installaties bij een geringe belasting in bedrijf zijn. |
In het geval van een met DLN-branders uitgeruste gasturbine stemmen deze indicatieve niveaus overeen met de situatie waarin de DLN doeltreffend werkt.
Tabel 25
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in ketels en motoren
|
Type stookinstallatie |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde (155) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (156) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (157) |
|
|
Ketel |
10 -60 |
50 -100 |
30 -85 |
85 -110 |
|
Motor (158) |
20 -75 |
20 -100 |
55 -85 |
55 -110 (159) |
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
— |
< 5-40 mg/Nm3 voor bestaande ketels die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn; |
|
— |
< 5-15 mg/Nm3 voor nieuwe ketels; |
|
— |
30-100 mg/Nm3 voor bestaande motoren die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en voor nieuwe motoren. |
BBT 45. Om de emissies van methaan (CH4) en van vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS) naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in armmengsel-gasmotoren met vonkontsteking te voorkomen of te verminderen, is de BBT om te zorgen voor geoptimaliseerde verbranding en/of oxidatiekatalysatoren te gebruiken.
Beschrijving
Zie de beschrijvingen in punt 10.8.3. Oxidatiekatalysatoren zijn niet doeltreffend voor het verminderen van de emissies van verzadigde koolwaterstoffen met minder dan vier koolstofatomen.
Tabel 26
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor formaldehyde- en CH4-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in een armmengsel-gasmotor met vonkontsteking
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
||
|
Formaldehyde |
CH4 |
||
|
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe of bestaande installatie |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie |
|
|
≥ 50 |
5 -15 (160) |
215 -500 (161) |
|
4.2. BBT-conclusies voor de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie (hoogovengas, cokesovengas, oxystaalovengas), afzonderlijk of in combinatie, of gelijktijdig met andere gasvormige en/of vloeibare brandstoffen. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
4.2.1. Energie-efficiëntie
BBT 46. Om de energie-efficiëntie van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie te verbeteren, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 12 en hieronder beschreven technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Procesgasbeheersysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Alleen toepasbaar op geïntegreerde staalfabrieken |
Tabel 27
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie in ketels
|
Type verbrandingseenheid |
||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) |
Netto totale brandstofbenutting (%) (164) |
|
|
Bestaande met verschillende brandstoffen gestookte gasketel |
30 -40 |
50 -84 |
|
Nieuwe met verschillende brandstoffen gestookte gasketel (165) |
36 -42,5 |
50 -84 |
Tabel 28
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie in STEG’s
|
Type verbrandingseenheid |
|||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) |
Netto totale brandstofbenutting (%) (168) |
||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
||
|
WKK-STEG |
> 47 |
40 -48 |
60 -82 |
|
STEG |
> 47 |
40 -48 |
Geen BBT-GEEN |
4.2.2. NOX- en CO-emissies naar lucht
BBT 47. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie in ketels te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Speciaal ontworpen branders met lage NOX-uitstoot, per brandstoftype over meerdere rijen verdeeld of met specifieke kenmerken voor het stoken op verschillende brandstoffen (bv. meerdere specifieke sproeiers voor de verbranding van verschillende brandstoffen, of voormenging van brandstoffen) |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Getrapte verbrandingsluchttoevoer |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
|
|
c. |
Getrapte brandstoftoevoer |
||
|
d. |
Rookgasrecirculatie |
||
|
e. |
Procesgasbeheersysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen die verband houden met de beschikbaarheid van verschillende brandstoftypen |
|
f. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Deze techniek wordt gebruikt in combinatie met andere technieken |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
g. |
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
h. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet algemeen toepasbaar op stookinstallaties van < 100 MWth. De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte en door de configuratie van de stookinstallatie |
|
BBT 48. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie in STEG’s te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Procesgasbeheersysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.2 |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen die verband houden met de beschikbaarheid van verschillende brandstoftypen |
|
b. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijving in punt 8.3 Deze techniek wordt gebruikt in combinatie met andere technieken |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
c. |
Toevoeging van water/stoom |
Zie de beschrijving in punt 8.3 In dualfuelgasturbines met DLN voor de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie wordt doorgaans gebruikgemaakt van het toevoegen van water/stoom bij de verbranding van aardgas |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van water |
|
d. |
Droge lage-NOX-branders (DLN) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 DLN voor de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie verschillen van DLN die alleen aardgas verbranden |
Toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de reactiviteit van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie, zoals cokesovengas. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van turbines waarvoor geen retrofitpakket beschikbaar is of indien er systemen voor toevoeging van water/stoom zijn geïnstalleerd |
|
e. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Alleen toepasbaar op aanvullende verbranding voor stoomgeneratoren met warmteterugwinning (HRSG’s) van STEG-stookinstallaties (gecombineerde stoom- en gasturbines) |
|
f. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte |
|
BBT 49. Om de CO-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Oxidatiekatalysatoren |
Alleen toepasbaar op STEG’s. De toepasbaarheid kan worden beperkt door ruimtegebrek, de belastingsvereisten en het zwavelgehalte van de brandstof |
Tabel 29
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van 100 % procesgassen uit de ijzer- en staalproductie
|
Type stookinstallatie |
O2-referentieniveau (vol-%) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) (169) |
|
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
||
|
Nieuwe ketel |
3 |
15 -65 |
22 -100 |
|
Bestaande gasketel |
3 |
||
|
Nieuwe STEG |
15 |
20 -35 |
30 -50 |
|
Bestaande STEG |
15 |
||
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
— |
< 5-100 mg/Nm3 voor bestaande ketels die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn; |
|
— |
< 5-35 mg/Nm3 voor nieuwe ketels; |
|
— |
< 5-20 mg/Nm3 voor bestaande STEG’s die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn of nieuwe STEG’s. |
4.2.3. SOX-emissies naar lucht
BBT 50. Om de SOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie te voorkomen of te verminderen, is de BBT om een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|||||||||||||||
|
a. |
Procesgasbeheersysteem en keuze van aanvullende brandstof |
Zie de beschrijving in punt 8.2 Voor zover de ijzer- en staalfabriek het toelaat, optimalisering van het gebruik van:
Gebruik van een beperkte hoeveelheid brandstof met een hoger zwavelgehalte |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen die verband houden met de beschikbaarheid van verschillende brandstoftypen |
||||||||||||||
|
b. |
Voorbehandeling van cokesovengas in de ijzer- en staalfabriek |
Het gebruik van een van de volgende technieken:
|
Alleen toepasbaar op stookinstallaties waarin cokesovengas wordt verbrand |
||||||||||||||
Tabel 30
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van 100 % procesgassen uit de ijzer- en staalproductie
|
Type stookinstallatie |
O2-referentieniveau (%) |
BBT-GEN’s voor SO2 (mg/Nm3) |
|
|
Jaargemiddelde (175) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode (176) |
||
|
Nieuwe of bestaande ketel |
3 |
25 -150 |
50 -200 (177) |
|
Nieuwe of bestaande STEG |
15 |
10 -45 |
20 -70 |
4.2.4. Emissies van stof naar lucht
BBT 51. Om de emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Brandstofkeuze/-beheer |
Het gebruik van een combinatie van procesgassen en aanvullende brandstoffen met een laag gemiddeld stof- of asgehalte |
Algemeen toepasbaar binnen de beperkingen die verband houden met de beschikbaarheid van verschillende brandstoftypen |
|
b. |
Voorbehandeling van hoogovengas in de ijzer- en staalfabriek |
Het gebruik van één of een combinatie van droge ontstoffingsapparaten (bv. deflectoren, stofvangers, cyclonen, elektrostatische precipitatoren) en/of verdere stofverwijdering (venturiwassers, hordenwassers, ringwassers, natte elektrostatische precipitatoren, desintegratoren) |
Alleen toepasbaar indien er hoogovengas wordt verbrand |
|
c. |
Voorbehandeling van oxystaalovengas in de ijzer- en staalfabriek |
De toepassing van droge (bv. ESP of doekfilter) of natte (bv. natte ESP of gaswassers) ontstoffing Nadere omschrijvingen worden gegeven in het BREF ijzer- en staalproductie |
Alleen toepasbaar indien er oxystaalovengas wordt verbrand |
|
d. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 |
Alleen toepasbaar op stookinstallaties waarin een aanzienlijk aandeel aanvullende brandstoffen met hoog asgehalte wordt verbrand |
|
e. |
Doekfilter |
||
Tabel 31
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van 100 % procesgassen uit de ijzer- en staalproductie
|
Type stookinstallatie |
BBT-GEN’s voor stof (mg/Nm3) |
|
|
Jaargemiddelde (178) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode (179) |
|
|
Nieuwe of bestaande ketel |
2 -7 |
2 -10 |
|
Nieuwe of bestaande STEG |
2 -5 |
2 -5 |
4.3. BBT-conclusies voor de verbranding van gasvormige en/of vloeibare brandstoffen op offshore-platforms
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van gasvormige en/of vloeibare brandstoffen op offshore-platforms. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
BBT 52. Om de algemene milieuprestaties van de verbranding van gasvormige en/of vloeibare brandstoffen op offshore-platforms te verbeteren, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Technieken |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Procesoptimalisering |
Optimalisering van het proces ter beperking van het vereiste mechanisch vermogen |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Beheersing van drukverliezen |
De in- en uitlaatsystemen optimaliseren en onderhouden op een wijze die de drukverliezen zo veel mogelijk beperkt |
|
|
c. |
Regeling van de belading |
Groepen van meerdere generatoren of compressoren inzetten op belastingspunten waardoor de emissies worden geminimaliseerd |
|
|
d. |
Minimalisering van de “draaiende reserve” |
Wanneer met een draaiende reserve wordt gewerkt om redenen van operationele betrouwbaarheid, wordt het aantal extra turbines tot een minimum beperkt, behalve in uitzonderlijke omstandigheden |
|
|
e. |
Brandstofkeuze |
Zorgen voor een brandstofgastoevoer vanuit een punt in het olie- en gasverwerkingsproces boven de waterlijn dat een minimaal bereik aan brandstofgasverbrandingsparameters biedt, bv. wat betreft de calorische waarde, alsmede minimale concentraties van zwavelhoudende verbindingen om de vorming van SO2 zo veel mogelijk te beperken. Wat betreft vloeibare destillaatbrandstoffen worden bij voorkeur brandstoffen met laag zwavelgehalte gebruikt |
|
|
f. |
Inspuittiming |
Optimalisering van de inspuittiming in motoren |
|
|
g. |
Warmteterugwinning |
Benutting van uitlaatgaswarmte van de gasturbine/motor voor de verwarming van het platform |
Algemeen toepasbaar op nieuwe stookinstallaties. In bestaande stookinstallaties is de toepasbaarheid mogelijk beperkt door het niveau van de warmtevraag en de opzet van de stookinstallatie (ruimte) |
|
h. |
Vermogensintegratie van meerdere gas-/olievelden |
Het gebruik van een centrale energiebron voor levering aan een aantal deelnemende platforms op verschillende gas-/olievelden |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt afhankelijk van de locatie van de verschillende gas-/olievelden en de organisatie van de verschillende deelnemende platforms, onder meer wat betreft de afstemming van tijdschema’s voor planning, opstarten en stopzetten van de productie |
BBT 53. Om de NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasvormige en/of vloeibare brandstoffen op offshore-platforms te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Geavanceerd regelsysteem |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
b. |
Droge lage-NOX-branders (DLN) |
Toepasbaar op nieuwe gasturbines (standaarduitrusting) binnen de beperkingen in verband met variabele brandstofkwaliteit. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt voor bestaande gasturbines, en wel door: beschikbaarheid van een retrofitpakket (voor de werking bij lage belasting), de complexiteit van de organisatie van het platform en de beschikbare ruimte |
|
|
c. |
Armmengseltechniek |
Alleen toepasbaar op nieuwe met gas gestookte motoren |
|
|
d. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
Alleen toepasbaar op ketels |
|
BBT 54. Om de CO-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasvormige en/of vloeibare brandstoffen in gasturbines op offshore-platforms te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Oxidatiekatalysatoren |
Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. De aanpassing van bestaande stookinstallaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte en door beperkingen met betrekking tot het gewicht |
|
Tabel 32
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van gasvormige brandstoffen in gasturbines met open cyclus op offshore-platforms
|
Type stookinstallatie |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) (180) |
|
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|
|
Nieuwe gasturbine waarin gasvormige brandstoffen worden verbrand (181) |
15 -50 (182) |
|
Bestaande gasturbine waarin gasvormige brandstoffen worden verbrand (181) |
< 50 -350 (183) |
Ter indicatie: het gemiddelde van de CO-emissieniveaus over de bemonsteringsperiode zal doorgaans met de volgende waarden overeenstemmen:
|
— |
< 100 mg/Nm3 voor bestaande gasturbines waarin gasvormige brandstoffen worden verbrand op offshore-platforms en die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn; |
|
— |
< 75 mg/Nm3 voor nieuwe gasturbines waarin gasvormige brandstoffen worden verbrand op offshore-platforms. |
5. BBT-CONCLUSIES VOOR MET VERSCHILLENDE BRANDSTOFFEN GESTOOKTE INSTALLATIES
5.1. BBT-conclusies voor de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie, afzonderlijk of in combinatie, of gelijktijdig met andere gasvormige en/of vloeibare brandstoffen. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
5.1.1. Algemene milieuprestaties
BBT 55. Om de algemene milieuprestaties van de verbranding van procesgassen uit de chemische industrie in ketels te verbeteren, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 6 en hieronder beschreven technieken toe te passen.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Voorbehandeling van procesbrandstof uit de chemische industrie |
Een voorbehandeling van de brandstof uitvoeren, op en/of buiten de locatie van de stookinstallatie, om de milieuprestaties van de verbranding van de brandstof te verbeteren |
Toepasbaar binnen de beperkingen in verband met de kenmerken van de procesbrandstoffen en de beschikbare ruimte |
5.1.2. Energie-efficiëntie
Tabel 33
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor de verbranding van procesgassen uit de chemische industrie in ketels
|
Type verbrandingseenheid |
||||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) |
||||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
|
|
Ketel waarin vloeibare procesbrandstoffen uit de chemische industrie worden gebruikt, ook indien gemengd met zware stookolie, gasolie en/of andere vloeibare brandstoffen |
> 36,4 |
35,6 -37,4 |
80 -96 |
80 -96 |
|
Ketel waarin gasvormige procesbrandstoffen uit de chemische industrie worden gebruikt, ook indien gemengd met aardgas en/of andere gasvormige brandstoffen |
39 -42,5 |
38 -40 |
78 -95 |
78 -95 |
5.1.3. NOX- en CO-emissies naar lucht
BBT 56. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen en tegelijkertijd de CO-emissies naar lucht te beperken die afkomstig zijn van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Lage-NOX-branders (LNB) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Getrapte verbrandingsluchttoevoer |
||
|
c. |
Getrapte brandstoftoevoer |
Zie de beschrijving in punt 8.3. Voor het toepassen van getrapte brandstoftoevoer bij het gebruik van vloeibare brandstofmengsels is mogelijk een specifiek ontwerp van de brander vereist |
|
|
d. |
Rookgasrecirculatie |
Zie de beschrijvingen in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar op nieuwe stookinstallaties. Toepasbaar op bestaande stookinstallaties binnen de beperkingen in verband met de veiligheid van de chemische installaties |
|
e. |
Toevoeging van water/stoom |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van water |
|
|
f. |
Brandstofkeuze |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen en/of een alternatief gebruik van de procesbrandstof |
|
|
g. |
Geavanceerd regelsysteem |
De toepasbaarheid op oude stookinstallaties is mogelijk beperkt door de noodzaak van aanpassing van het verbrandingssysteem en/of besturings- en regelsysteem |
|
|
h. |
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Toepasbaar op bestaande stookinstallaties binnen de beperkingen in verband met de veiligheid van de chemische installaties. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en die gekenmerkt worden door frequente brandstofwisselingen en belastingsschommelingen |
|
|
i. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Toepasbaar op bestaande stookinstallaties binnen de beperkingen in verband met de configuratie van de kanalen, de beschikbare ruimte en de veiligheid van de chemische installaties. Niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Niet algemeen toepasbaar op stookinstallaties van < 100 MWth |
|
Tabel 34
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor NOX-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van 100 % procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels
|
In de stookinstallatie gebruikte brandstoffase |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (188) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (189) |
|
|
Mengsel van gassen en vloeistoffen |
30 -85 |
80 -290 (190) |
50 -110 |
100 -330 (190) |
|
Alleen gassen |
20 -80 |
70 -100 (191) |
30 -100 |
85 -110 (192) |
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus voor bestaande installaties die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en voor nieuwe installaties zal doorgaans < 5-30 mg/Nm3 bedragen.
5.1.4. SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht
BBT 57. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijvingen in punt 8.4 |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen en/of een alternatief gebruik van de procesbrandstof |
|
b. |
Injectie van sorptiemiddel in de ketel (in de oven of in het wervelbed) |
Toepasbaar op bestaande stookinstallaties binnen de beperkingen in verband met de configuratie van de kanalen, de beschikbare ruimte en de veiligheid van de chemische installaties. Natte rookgasontzwaveling en rookgasontzwaveling met zeewater zijn niet toepasbaar op stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de toepassing van natte rookgasontzwaveling of rookgasontzwaveling met zeewater op stookinstallaties van < 300 MWth en op de aanpassing voor natte rookgasontzwaveling van stookinstallaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
|
|
c. |
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI) |
||
|
d. |
Sproeidroogadsorptie (SDA) |
||
|
e. |
Natte gaswassing |
Zie de beschrijving in punt 8.4. Natte gaswassing wordt voor de verwijdering van HCl en HF gebruikt als er geen natte rookgasontzwaveling wordt gebruikt om de SOX-emissies te verminderen |
|
|
f. |
Natte rookgasontzwaveling FGD(nat) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.4 |
|
|
g. |
Rookgasontzwaveling met zeewater |
||
Tabel 35
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van 100 % procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels
|
Type stookinstallatie |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|
|
Jaargemiddelde (193) |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode (194) |
|
|
Nieuwe en bestaande ketels |
10 -110 |
90 -200 |
Tabel 36
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
HCI |
HF |
|||
|
Gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters |
||||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (195) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (195) |
|
|
< 100 |
1 -7 |
2 -15 (196) |
< 1 -3 |
< 1 -6 (197) |
|
≥ 100 |
1 -5 |
1 -9 (196) |
< 1 -2 |
< 1 -3 (197) |
5.1.5. Emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht
BBT 58. Om de emissies naar lucht van stof, deeltjesgebonden metalen en spoorelementen afkomstig van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Doekfilter |
||
|
c. |
Brandstofkeuze |
Zie de beschrijving in punt 8.5. Het gebruik van een combinatie van procesbrandstoffen uit de chemische industrie en aanvullende brandstoffen met een laag gemiddeld stof- of asgehalte |
Afhankelijk van de beschikbaarheid van de verschillende brandstoftypen en/of een alternatief gebruik van de procesbrandstof. |
|
d. |
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
Zie de beschrijvingen in punt 8.5. De techniek wordt hoofdzakelijk gebruikt voor SOX-, HCl- en/of HF-beheersing |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 57 |
|
e. |
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
||
Tabel 37
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van mengsels van gassen en vloeistoffen die bestaan uit 100 % procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s voor stof (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (198) |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie (199) |
|
|
< 300 |
2 -5 |
2 -15 |
2 -10 |
2 -22 (200) |
|
≥ 300 |
2 -5 |
2 -10 (201) |
2 -10 |
2 -11 (200) |
5.1.6. Emissies van vluchtige organische stoffen en polychloordibenzodioxinen en -furanen naar lucht
BBT 59. Om de emissies naar lucht van vluchtige organische stoffen en polychloordibenzodioxinen en -furanen afkomstig van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 6 en hieronder beschreven technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Injectie van actieve kool |
Zie de beschrijving in punt 8.5 |
Alleen toepasbaar op stookinstallaties waarin brandstoffen worden gebruikt uit chemische processen waarbij chloorverbindingen zijn betrokken. Voor de toepasbaarheid van SCR en snelle afschrikking, zie BBT 56 en BBT 57 |
|
b. |
Snelle afschrikking met behulp van natte gaswassing/rookgascondensor |
Zie de beschrijving van natte gaswassing/rookgascondensor in punt 8.4 |
|
|
c. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3. Het SCR-systeem is aangepast en groter dan een SCR-systeem dat alleen voor NOX-reductie wordt gebruikt |
|
Tabel 38
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor PCDD/PCDF- en TVOS-emissies naar lucht afkomstig van de verbranding van 100 % procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels
|
Verontreinigende stof |
Eenheid |
BBT-GEN’s |
|
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
||
|
PCDD’s/PCDF’s (202) |
ng I-TEQ/Nm3 |
< 0,012 -0,036 |
|
TVOS |
mg/Nm3 |
0,6 -12 |
6. BBT-CONCLUSIES VOOR DE MEEVERBRANDING VAN AFVAL
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op de meeverbranding van afval in stookinstallaties. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
Wanneer afval wordt meeverbrand, zijn de BBT-GEN’s in dit punt van toepassing op het geproduceerde volume rookgas als geheel.
Wanneer afval wordt meeverbrand samen met de in punt 2 behandelde brandstoffen, zijn daarnaast de BBT-GEN’s in punt 2 ook van toepassing i) op het geproduceerde volume rookgas als geheel, en ii) op het volume rookgas ten gevolge van de verbranding van de in dat punt behandelde brandstoffen, met gebruikmaking van de mengregelformule van bijlage VI, deel 4, bij Richtlijn 2010/75/EU, waarin de BBT-GEN’s voor het volume rookgas ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen moeten worden vastgesteld op basis van BBT 61.
6.1.1. Algemene milieuprestaties
BBT 60. Om de algemene milieuprestaties van de meeverbranding van afval in stookinstallaties te verbeteren, stabiele verbrandingsomstandigheden te waarborgen en de emissies naar lucht te verminderen, is de BBT om techniek BBT 60 a) hieronder en een combinatie van de in BBT 6 beschreven technieken en/of de andere technieken hieronder te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Preacceptatie en acceptatie van afval |
Implementeren van een procedure voor het in ontvangst nemen van afvalstoffen op de stookinstallatie overeenkomstig de desbetreffende BBT in het BREF Afvalbehandeling. Er worden acceptatiecriteria vastgesteld voor kritieke parameters zoals de verwarmingswaarde en het gehalte aan water, as, chloor en fluor, zwavel, stikstof, PCB’s, metalen (vluchtig (bv. Hg, Tl, Pb, Co, Se) dan wel niet-vluchtig (bv. V, Cu, Cd, Cr, Ni)), fosfor en alkali (bij gebruik van dierlijke bijproducten). Toepassing van kwaliteitsborgingssystemen voor elke lading afval om de kenmerken van de meeverbrande afvalstoffen te waarborgen en de waarden van de gedefinieerde kritische parameters onder controle te houden (bv. EN 15358 voor niet-gevaarlijke vaste teruggewonnen brandstof) |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Afvalselectie/-beperking |
Zorgvuldige selectie van het soort afval en de massastroom, gecombineerd met beperking van het percentage van het meest verontreinigde afval dat mag worden meeverbrand. Beperking van het aandeel as, zwavel, fluor, kwik en/of chloor in het afval dat de stookinstallatie binnenkomt. Beperking van de hoeveelheid mee te verbranden afval |
Toepasbaar binnen de beperkingen in verband met het afvalbeheersbeleid van de lidstaat |
|
c. |
Vermenging van het afval met de hoofdbrandstof |
Effectieve vermenging van het afval en de hoofdbrandstof, aangezien een heterogene of slecht gemengde brandstofstroom of een onevenwichtige verdeling van invloed kan zijn op de ontsteking en verbranding in de ketel en derhalve moet worden voorkomen |
Vermenging is slechts mogelijk wanneer de hoofdbrandstof en het afval vergelijkbare vermalingseigenschappen hebben, of wanneer de hoeveelheid afval zeer klein is in verhouding tot de hoofdbrandstof |
|
d. |
Drogen van afval |
Voordroging van het afval voordat het in de verbrandingskamer wordt gebracht, om ervoor te zorgen dat de ketel goed blijft presteren |
De toepasbaarheid kan worden beperkt door een gebrek aan terugwinbare warmte uit het proces, door de vereiste verbrandingsomstandigheden, of door het vochtgehalte van het afval |
|
e. |
Voorbehandeling van afval |
Zie de in de BREF’s Afvalbehandeling en Afvalverbranding beschreven technieken, waaronder vermaling, pyrolyse en vergassing |
Zie voor de toepasbaarheid het BREF Afvalbehandeling en het BREF Afvalverbranding |
BBT 61. Om toename van de emissies afkomstig van de meeverbranding van afval in stookinstallaties te voorkomen, is de BBT om passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de uitstoot van verontreinigende stoffen in het deel van het rookgassen dat voortvloeit uit meeverbranding van afval niet hoger is dan de uitstoot die voortvloeit uit de toepassing van de BBT-conclusies voor afvalverbranding.
BBT 62. Om de effecten op de recycling van residuen als gevolg van de meeverbranding van afval in stookinstallaties zo veel mogelijk te beperken, is de BBT om een goede kwaliteit van gips, slakken, as en andere residuen te blijven garanderen die overeenstemt met de eisen die aan de recycling ervan worden gesteld wanneer de installatie geen afval meeverbrand, door één of een combinatie van de in BBT 60 beschreven technieken te gebruiken en/of door de meeverbranding te beperken tot afvalfracties met concentraties van verontreinigende stoffen die vergelijkbaar zijn met die van de andere brandstoffen die worden verbrand.
6.1.2. Energie-efficiëntie
BBT 63. Om de energie-efficiëntie van de meeverbranding van afval te vergroten, is de BBT om een geschikte combinatie van de in BBT 12 en BBT 19 beschreven technieken te gebruiken, afhankelijk van het gebruikte brandstoftype en de configuratie van de installatie.
De met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) zijn opgenomen in tabel 8 voor de meeverbranding van afval met biomassa en/of turf, en in tabel 2 voor het meeverbranden van afval met steen- en/of bruinkool.
6.1.3. NOX- en CO-emissies naar lucht
BBT 64. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen en tegelijkertijd de CO- en N2O-emissies te beperken die afkomstig zijn van de meeverbranding van afval met steen- en/of bruinkool, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 20 beschreven technieken te gebruiken.
BBT 65. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen of te verminderen en tegelijkertijd de CO- en N2O-emissies te beperken die afkomstig zijn van de meeverbranding van afval met biomassa en/of turf, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 24 beschreven technieken te gebruiken.
6.1.4. SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht
BBT 66. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met steen- en/of bruinkool te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 21 beschreven technieken te gebruiken.
BBT 67. Om de SOX-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa en/of turf te voorkomen of te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 25 beschreven technieken te gebruiken.
6.1.5. Stof- en deeltjesgebonden metaalemissies naar lucht
BBT 68. Om de emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met steen- en/of bruinkool te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 22 beschreven technieken te gebruiken.
Tabel 39
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de metaalemissies naar lucht afkomstig van meeverbranding van afval met steen- en/of bruinkool
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie (MWth) |
BBT-GEN’s |
Middelingstijd |
|
|
Sb+As+Pb+Cr+Co+Cu+Mn+Ni+V (mg/Nm3) |
Cd+Tl (μg/Nm3) |
||
|
< 300 |
0,005 -0,5 |
5 -12 |
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|
≥ 300 |
0,005 -0,2 |
5 -6 |
Gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters |
BBT 69. Om de emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa en/of turf te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 26 beschreven technieken te gebruiken.
Tabel 40
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de metaalemissies naar lucht afkomstig van meeverbranding van afval met biomassa en/of turf
|
BBT-GEN’s (gemiddelde van de gedurende één jaar verkregen monsters) |
|
|
Sb+As+Pb+Cr+Co+Cu+Mn+Ni+V (mg/Nm3) |
Cd+Tl (μg/Nm3) |
|
0,075 -0,3 |
< 5 |
6.1.6. Kwikemissies naar lucht
BBT 70. Om de kwikemissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa, turf, steen- en/of bruinkool te verminderen, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 23 en BBT 27 beschreven technieken te gebruiken.
6.1.7. Emissies van vluchtige organische stoffen en polychloordibenzodioxinen en -furanen naar lucht.
BBT 71. Om de emissies naar lucht van vluchtige organische stoffen en polychloordibenzodioxinen en -furanen afkomstig van de meeverbranding afval met biomassa, turf, steen- en/of bruinkool te verminderen, is de BBT om een combinatie van de in BBT 6, BBT 26 en hieronder beschreven technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Injectie van actieve kool |
Zie de beschrijving in punt 8.5. Dit procedé is gebaseerd op de adsorptie van moleculen van verontreinigende stoffen door de actieve kool |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Snelle afschrikking met behulp van natte gaswassing/rookgascondensor |
Zie de beschrijving van natte gaswassing/rookgascondensor in punt 8.4 |
|
|
c. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3. Het SCR-systeem is aangepast en groter dan een SCR-systeem dat alleen voor NOX-reductie wordt gebruikt |
Zie voor de toepasbaarheid BBT 20 en BBT 24 |
Tabel 41
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de emissies naar lucht van PCDD’s/PCDF’s en TVOS afkomstig van meeverbranding van afval met biomassa, turf, steenkool en/of bruinkool
|
Type stookinstallatie |
BBT-GEN’s |
||
|
PCDD’s/PCDF’s (ng I-TEQ/Nm3) |
TVOS (mg/Nm3) |
||
|
Gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde |
|
|
met biomassa-, turf-, steenkool en/of bruinkool gestookte stookinstallatie |
< 0,01 -0,03 |
< 0,1 -5 |
0,5 -10 |
7. BBT-CONCLUSIES VOOR VERGASSING
Tenzij anders aangegeven, zijn de BBT-conclusies in dit punt algemeen toepasbaar op alle vergassingsinstallaties die rechtstreeks verband houden met stookinstallaties, en op KV-STEG-installaties. Zij gelden in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.
7.1.1. Energie-efficiëntie
BBT 72. Om de energie-efficiëntie van KV-STEG- en vergassingseenheden te verbeteren, is de BBT om één of een combinatie van de in BBT 12 en hieronder beschreven technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|||||
|
a. |
Warmteterugwinning uit het vergassingsproces |
Als het syngas moeten worden afgekoeld om verder te worden gereinigd, kan energie worden teruggewonnen voor het opwekken van extra stoom om aan de stoomturbinecyclus toe te voegen, waardoor extra elektriciteit geproduceerd kan worden |
Alleen toepasbaar op KV-STEG-eenheden en vergassingseenheden die rechtstreeks verband houden met ketels met syngasvoorbehandeling waarvoor de afkoeling van het syngas vereist is |
||||
|
b. |
Integratie van vergassings- en verbrandingsprocessen |
De eenheid kan zijn ontworpen met volledige integratie van de luchtscheidingseenheid (ASU) en de gasturbine, waarbij alle lucht die in de ASU wordt gebracht afkomstig is van (wordt onttrokken aan) de gasturbinecompressor |
De toepasbaarheid is beperkt tot KV-STEG-eenheden aangezien de geïntegreerde installatie voldoende flexibel moet zijn om snel elektriciteit aan het net te kunnen leveren wanneer er geen elektrische centrales beschikbaar zijn die energie uit duurzame bronnen leveren |
||||
|
c. |
Droog systeem voor de toevoer van grondstoffen |
Het gebruik van een droog systeem voor het inbrengen van de brandstof in de vergasser, teneinde de energie-efficiëntie van het vergassingsproces te verbeteren |
Alleen toepasbaar op nieuwe eenheden |
||||
|
d. |
Vergassing bij hoge temperatuur en druk |
Het gebruik van een vergassingstechniek die bij hoge temperatuurs- en drukparameters verloopt, teneinde een zo groot mogelijke efficiëntie van de energieomzetting te behalen |
Alleen toepasbaar op nieuwe eenheden |
||||
|
e. |
Conceptuele verbeteringen |
Conceptuele verbeteringen, zoals:
|
Algemeen toepasbaar op KV-STEG-eenheden |
||||
Tabel 42
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiëntieniveaus (BBT-GEEN’s) voor vergassings- en KV-STEG-eenheden
|
Type configuratie van de verbrandingseenheid |
BBT-GEEN’s |
||
|
Netto elektrische efficiëntie (%) van een KV-STEG-eenheid |
Netto totale brandstofbenutting (%) van een nieuwe of bestaande vergassingseenheid |
||
|
Nieuwe eenheid |
Bestaande eenheid |
||
|
Vergassingeenheid die rechtstreeks verband houdt met een ketel zonder voorafgaande syngasbehandeling |
Geen BBT-GEEN |
> 98 |
|
|
Vergassingeenheid die rechtstreeks verband houdt met een ketel met voorafgaande syngasbehandeling |
Geen BBT-GEEN |
> 91 |
|
|
KV-STEG-eenheid |
Geen BBT-GEEN |
34 -46 |
> 91 |
7.1.2. NOX- en CO-emissies naar lucht
BBT 73. Om de NOX-emissies naar lucht te voorkomen en/of te verminderen en tegelijkertijd de CO-emissies naar lucht te beperken die afkomstig zijn van KV-STEG-installaties, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Optimalisering van de verbranding |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Toevoeging van water/stoom |
Zie de beschrijving in punt 8.3. Een beperkte hoeveelheid middelhogedrukstoom uit de stoomturbine wordt voor dit doel hergebruikt |
Alleen toepasbaar op het gasturbinedeel van de KV-STEG-installatie. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van water |
|
c. |
Droge lage-NOX-branders (DLN) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Alleen toepasbaar op het gasturbinedeel van de KV-STEG. Algemeen toepasbaar op nieuwe KV-STEG-installaties. Toepasbaar per geval voor bestaande KV-STEG-installaties, afhankelijk van de beschikbaarheid van een retrofitpakket. Niet van toepassing voor van syngas met een waterstofgehalte van > 15 % |
|
d. |
Syngasverdunning met stikstofafval uit de luchtscheidingseenheid (ASU) |
De ASU scheidt de zuurstof van de stikstof in de lucht om hoogwaardige zuurstof aan de vergasser te kunnen leveren. Het stikstofval uit de ASU wordt hergebruikt voor het verlagen van de verbrandingstemperatuur in de gasturbine, doordat het voorafgaand aan de verbranding wordt voorgemengd met het syngas |
Alleen toepasbaar wanneer een ASU wordt gebruikt voor het vergassingsproces |
|
e. |
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Zie de beschrijving in punt 8.3 |
Niet toepasbaar op KV-STEG-installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn. De aanpassing van bestaande KV-STEG-installaties is mogelijk beperkt door de beschikbaarheid van voldoende ruimte. Er kan sprake zijn van technische en economische beperkingen op de aanpassing van bestaande KV-STEG-installaties die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn |
Tabel 43
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor de NOX-emissies naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de KV-STEG-installatie (MWth) |
BBT-GEN’s (mg/Nm3) |
|||
|
Jaargemiddelde |
Daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode |
|||
|
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie |
Nieuwe installatie |
Bestaande installatie |
|
|
≥ 100 |
10 -25 |
12 -45 |
1 -35 |
1 -60 |
Ter indicatie: het jaargemiddelde van de CO-emissieniveaus voor bestaande installaties die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en voor nieuwe installaties zal doorgaans < 5-30 mg/Nm3 bedragen.
7.1.3. SOX-emissies naar lucht
BBT 74. Om de SOX-emissies naar lucht te verminderen die afkomstig zijn uit KV-STEG-installaties, is de BBT om de onderstaande techniek te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Verwijdering van zuur gas |
Zwavelverbindingen uit de grondstoffen van een vergassingsproces worden uit het syngas verwijderd door middel van verwijdering van zure gassen, bv. met behulp van een COS- (en HCN-) hydrolysereactor en de absorptie van H2S met behulp van een oplosmiddel, zoals methyldiëthanolamine. Het zwavel wordt vervolgens ofwel als vloeibaar of vast elementair zwavel teruggewonnen (bv. via een Clauseenheid), ofwel als zwavelzuur, afhankelijk van marktbehoefte |
De toepasbaarheid is mogelijk beperkt in het geval van biomassa- KV-STEG-installaties ten gevolge van het zeer lage zwavelgehalte van biomassa |
Het met de BBT geassocieerde emissieniveau (BBT-GEN) voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties van ≥ 100 MWth is 3-16 mg/Nm3, uitgedrukt als een jaargemiddelde.
7.1.4. Emissies van stof, deeltjesgebonden metalen, ammoniak en halogenen naar lucht
BBT 75. Ter voorkoming of beperking van de emissies van stof, deeltjesgebonden metalen, ammoniak en halogenen naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
Techniek |
Beschrijving |
Toepasbaarheid |
|
|
a. |
Filtratie van syngas |
Ontstoffing met behulp van vliegascyclonen, doekfilters, ESP’s en/of kaarsenfilters voor het verwijderen van vliegas en ongeconverteerde koolstof. Doekfilters en ESP’s worden gebruikt in het geval van syngastemperaturen tot maximaal 400 °C |
Algemeen toepasbaar |
|
b. |
Recirculatie van teer en as uit het syngas naar de vergasser |
In het ruwe syngas gevormde teer en as met een hoog koolstofgehalte worden in cyclonen gescheiden en teruggeleid naar de vergasser, in het geval dat de temperatuur van het syngas aan de uitlaat van de vergasser laag is (< 1 100 °C) |
|
|
c. |
Syngaswassing |
Het syngas stroomt door een natte gaswasser die stroomafwaarts is geplaatst van andere ontstoffingstechniek(en), waarbij chloriden, ammoniak, deeltjes en halogeniden worden gescheiden |
|
Tabel 44
Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties
|
Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de KV-STEG-installatie (MWth) |
BBT-GEN’s |
||
|
Sb+As+Pb+Cr+Co+Cu+Mn+Ni+V (mg/Nm3) (Gemiddelde over de bemonsteringsperiode) |
Hg (μg/Nm3) (Gemiddelde over de bemonsteringsperiode) |
Stof (mg/Nm3) (jaargemiddelde) |
|
|
≥ 100 |
< 0,025 |
< 1 |
< 2,5 |
8. BESCHRIJVING VAN DE TECHNIEKEN
8.1. Algemene technieken
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Geavanceerd regelsysteem |
Het gebruik van een computerondersteund automatisch systeem voor het regelen van het verbrandingsrendement en ter ondersteuning van emissiepreventie en/of -reductie. Dit omvat ook het gebruik van geavanceerde monitoring. |
|
Optimalisering van de verbranding |
Maatregelen gericht op een maximale efficiëntie van de energieomzetting, bv. in de oven/ketel, bij minimale emissies (in het bijzonder van CO). Dit wordt bereikt door een combinatie van technieken, waaronder een goed ontwerp van de verbrandingsuitrusting, de optimalisering van de temperatuur (bv. efficiënte menging van de brandstof en verbrandingslucht) en doorgebrachte tijd in de verbrandingszone, alsmede het gebruik van een geavanceerd regelsysteem. |
8.2. Technieken ter verhoging van de energie-efficiëntie
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Geavanceerd regelsysteem |
Zie punt 8.1. |
|
Gecombineerde stoom- en gascyclus |
Combinatie van twee of meer thermodynamische cycli, bv. een braytoncyclus (gasturbine/verbrandingsmotor) met een rankinecyclus (stoomturbine/ketel) om het warmteverlies van het rookgas van de eerste cyclus om te zetten in de nuttige energie voor een of meer volgende cycli. |
|
Natte schoorsteen |
Het zo ontwerpen van de schoorsteen dat waterdamp uit het verzadigde rookgas kan condenseren, zodat het gebruik van een rookgasherverwarmer na de natte rookgasontzwaveling wordt vermeden. |
|
Optimalisering van de verbranding |
Zie punt 8.1. |
|
Procesgasbeheersysteem |
Een systeem dat het mogelijk maakt de procesgassen uit de ijzer- en staalproductie die als brandstof kunnen worden gebruikt (bv. hoogovengassen, cokesovengassen, oxystaalovengassen) naar de stookinstallaties te leiden, afhankelijk van de beschikbaarheid van deze brandstoffen en het soort stookinstallaties in een geïntegreerde staalfabriek. |
|
Rookgascondensor |
Een warmtewisselaar waarin water wordt voorverwarmd door het rookgas voordat het in de stoomcondensor wordt verwarmd. De waterdamp in het rookgas condenseert aldus doordat het wordt gekoeld door het verwarmen van het water. De rookgascondensor wordt zowel gebruikt om de energie-efficiëntie van de verbrandingseenheid te verbeteren als om verontreinigende stoffen, zoals stof, SOX, HCl en HF uit het rookgas te verwijderen. |
|
Superkritisch stoomproces |
Het gebruik van een stoomcircuit, met inbegrip van systemen voor herverwarming van stoom, waarin stoom een druk van meer dan 220,6 bar en temperaturen van > 540 °C kan bereiken. |
|
Ultrasuperkritisch stoomproces |
Het gebruik van een stoomcircuit, met inbegrip van herverwarmingssystemen, waarin stoom een druk van meer dan 250-300 bar en temperaturen van meer dan 580-600 °C kan bereiken. |
|
WKK-gereedheid |
Maatregelen om de latere uitvoer van een nuttige hoeveelheid warmte naar een externe warmtebelasting mogelijk te maken, op een manier die een vermindering van het primaire energieverbruik van ten minste 10 % oplevert in vergelijking met de gescheiden opwekking van de geproduceerde warmte en elektriciteit. Het gaat hierbij onder meer om het vaststellen en waarborgen van de toegang tot specifieke punten in het stoomsysteem van waaruit stoom kan worden onttrokken, alsook het scheppen van voldoende ruimte om het later aanbrengen van voorzieningen als leidingen, warmtewisselaars, extra waterdemineralisatiecapaciteit, standby-ketelinstallaties en tegendrukturbines mogelijk te maken. Balance-of-plant-systemen (BoP-systemen) en regel-/meetinstrumentsystemen zijn geschikt om te worden bijgewerkt. Latere aansluiting van een of meer tegendrukturbines is eveneens mogelijk. |
8.3. Technieken ter vermindering van NOX en/of CO-emissies naar lucht
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Armmengseltechniek en geavanceerde armmengseltechniek |
Het regelen van de piektemperatuur van de vlam door middel van armmengselomstandigheden is de primaire verbrandingsmethode ter beperking van de vorming van NOX in gasmotoren. Door verbranding bij armmengselomstandigheden daalt de brandstof-luchtverhouding in de zones waar NOX wordt gevormd, zodat de piektemperatuur van de vlam lager is dan de stoïchiometrische adiabatische vlamtemperatuur en de vorming van thermische NOX aldus wordt beperkt. De optimalisering van dit concept wordt aangeduid als “geavanceerde armmengseltechniek”. |
|
Brandstofkeuze |
Het gebruik van brandstoffen met een laag stikstofgehalte. |
|
Droge lage-NOX-branders (DLN) |
Gasturbinebranders waarbij lucht en brandstof worden voorgemengd voordat zij de verbrandingszone binnenkomen. Door lucht en brandstof vóór de verbranding te mengen, worden een homogene temperatuurspreiding en een lagere vlamtemperatuur bereikt, wat leidt tot lagere NOX-emissies. |
|
Geavanceerd regelsysteem |
Zie punt 8.1. |
|
Gecombineerde technieken voor NOX- en SOX-reductie |
Het gebruik van complexe en geïntegreerde reductietechnieken voor de gecombineerde vermindering van NOX, SOX en vaak ook andere verontreinigende stoffen uit het rookgas, bv. actieve kool en DeSONOX-processen. Zij kunnen ofwel op zichzelf, ofwel in combinatie met andere primaire technieken worden toegepast in met kolen gestookte PC-ketels. |
|
Getrapte brandstoftoevoer |
De techniek is gebaseerd op de reductie van de vlamtemperatuur of op plaatselijke hete punten door het creëren van meerdere verbrandingszones in de verbrandingskamer waarin verschillende concentraties brandstof en de lucht worden gespoten. De benodigde aanpassingen zijn daardoor mogelijk minder efficiënt voor kleinere dan voor grotere installaties. |
|
Getrapte verbrandingsluchttoevoer |
Het creëren van verschillende verbrandingszones in de verbrandingskamer met verschillende zuurstofgehalten om de NOX-emissies te verminderen en te zorgen voor een geoptimaliseerde verbranding. Bij deze techniek is er een primaire verbrandingszone met substoïchiometrische verbranding (d.w.z. met een tekort aan lucht) en een tweede naverbrandingszone (met een overmaat aan lucht) om de verbranding te verbeteren. Bij sommige oude, kleine ketels kan er een capaciteitsvermindering nodig zijn om ruimte te maken voor getrapte verbrandingsluchttoevoer. |
|
Lage-NOX-branders (LNB) |
Deze techniek (die ook ultralage-NOX-branders of geavanceerde lage-NOX-branders omvat) berust op het beginsel van het verlagen van de piektemperaturen van de vlam; ketelbranders worden zo ontworpen dat de verbranding trager maar beter verloopt. Dat verbetert de warmteoverdracht (verhoogd emissievermogen van de vlam). Door lucht en brandstof te mengen, vermindert de beschikbaarheid van zuurstof en daalt de piektemperatuur van de vlam, waardoor de omzetting van brandstofgebonden NOX in stikstof en de vorming van thermische NOX wordt vertraagd, terwijl het verbrandingsrendement wel hoog blijft. Dit kan gepaard gaan met een gewijzigd ontwerp van de verbrandingskamer van de ovenkamer. Het ontwerp van branders met ultralage NOX-uitstoot (ULNB’s: ultra-low-NOX burners) omvat een getrapte verbranding (lucht/brandstof) en recirculatie van verbrandingsgassen (interne rookgasrecirculatie). De prestaties van de techniek kunnen door het ontwerp van de ketel worden beïnvloed bij retrofitten op oude installaties. |
|
Optimalisering van de verbranding |
Zie punt 8.1. |
|
Oxidatiekatalysatoren |
Het gebruik van katalysatoren (die gewoonlijk edele metalen zoals palladium of platina bevatten) om koolstofmonoxide en onverbrande koolwaterstoffen met zuurstof te oxideren zodat CO2 en waterdamp worden gevormd. |
|
Rookgas- of uitlaatgasrecirculatie (FGR/EGR: flue-gas/exhaust-gas recirculation) |
Recirculatie van een deel van het rookgas naar de verbrandingskamer ter vervanging van een deel van de verse verbrandingslucht, met een tweeledig effect: verlaging van de temperatuur en beperking van het O2-gehalte voor stikstofoxidatie, waardoor de vorming van NOX wordt beperkt. Dit omvat de aanvoer van rookgas afkomstig van de oven naar de vlam om het zuurstofgehalte en bijgevolg de vlamtemperatuur te verlagen. De werking van speciale branders of andere voorzieningen stoelt op interne recirculatie van de verbrandingsgassen, die de temperatuur in de kern van de vlammen doet dalen en het zuurstofgehalte in het heetste deel van de vlammen vermindert. |
|
Selectieve katalytische reductie (SCR) |
Selectieve reductie van stikstofoxiden met ammoniak of ureum in de aanwezigheid van een katalysator. Deze techniek is gebaseerd op de reductie van NOX tot stikstof in een katalytisch bed door middel van een reactie met ammoniak (doorgaans waterige oplossing) bij een optimale bedrijfstemperatuur van ongeveer 300 tot 450 °C. Er kunnen meerdere lagen van de katalysator worden aangebracht. Een grotere NOX-reductie wordt behaald door meerdere katalysatorlagen te gebruiken. De techniek kan modulair zijn opgezet, en er kan gebruik worden gemaakt van speciale katalysatoren en/of voorverwarming om te compenseren voor geringe belastingen of een breed rookgastemperatuurbereik. “In-duct-SCR” (“SCR in het rookkanaal”) of “slip-SCR” is een techniek waarbij SNCR met stroomafwaartse SCR wordt gecombineerd, waardoor de ammoniakslip uit de SNCR-eenheid wordt verminderd. |
|
Selectieve niet-katalytische reductie (SNCR) |
Selectieve reductie van stikstofoxiden met ammoniak of ureum zonder katalysator. De techniek is gebaseerd op de reductie van NOX tot stikstof door een reactie met ammoniak of ureum bij een hoge temperatuur. Het bedrijfstemperatuurbereik wordt gehandhaafd tussen 800 °C en 1 000 °C voor een optimale reactie |
|
Toevoeging van water/stoom |
Water of stoom wordt als verdunningsmiddel gebruikt om de verbrandingstemperatuur in gasturbines, motoren of ketels te verlagen en aldus de vorming van thermische NOX te verminderen. Het water of de stoom wordt ofwel vóór de verbranding met de brandstof gemengd (emulsie, bevochtiging of verzadiging van brandstof) of rechtstreeks in de verbrandingskamer gespoten (injectie van water/stoom). |
|
Verbranding met lage NOX-uitstoot toegepast in dieselmotoren |
De techniek bestaat uit een combinatie van interne wijzigingen in de motor, bv. optimalisering van de verbranding en de brandstofinjectie (zeer late brandstofinjectie in combinatie met vroegtijdige sluiting van de luchtinlaatklep), turbodrukvulling of millercyclus. |
|
Verlaging van de temperatuur van de verbrandingslucht |
Het gebruik van verbrandingslucht bij omgevingstemperatuur. De verbrandingslucht wordt niet voorverwarmd in een regeneratieve luchtvoorverwarmer. |
8.4. Technieken ter vermindering van SOX-, HCl- en/of HF-emissies naar lucht
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Brandstofkeuze |
Het gebruik van een brandstof met een laag zwavel-, fluor- en/of chloorgehalte. |
|
Droge gaswasser met circulerend wervelbed (CFB) |
Rookgas uit de luchtvoorverwarmer van de ketel komt onderaan binnen in de CFB-absorptiekolom en stroomt verticaal naar boven door een Venturi-sectie waar een vast sorptiemiddel en water afzonderlijk in de rookgasstroom worden gespoten. Wordt voornamelijk gebruikt in combinatie met een stofverwijderingstechniek. |
|
Gecombineerde technieken voor NOX- en SOX-reductie |
Zie punt 8.3. |
|
Injectie van sorptiemiddel in de ketel (in de oven of in het wervelbed) |
De directe injectie van een droog sorptiemiddel in de verbrandingskamer of de toevoeging van adsorptiemiddelen op magnesium- of calciumbasis aan het wervelbed van een wervelbedketel. Het oppervlak van het sorptiemiddeldeeltjes reageert met de SO2 in het rookgas of in de wervelbedketel. Wordt voornamelijk gebruikt in combinatie met een stofverwijderingstechniek. |
|
Injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI) |
De injectie en dispersie van een droog poedervormig sorptiemiddel in de rookgasstroom. Het sorptiemiddel (bv. natriumcarbonaat, natriumbicarbonaat, gebluste kalk) reageert met zure gassen (bv. de gasvormige zwavelspecies en HCl) en vormt een vaste stof, die met stofreductietechnieken (doekfilter of elektrostatische precipitator) wordt verwijderd. DSI wordt voornamelijk gebruikt in combinatie met een doekfilter. |
|
Natte gaswassing |
Gebruik van een vloeistof, doorgaans water of een waterige oplossing, om de zure verbindingen uit het rookgas af te vangen door middel van absorptie. |
|
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Techniek of combinatie van technieken voor gaswassing waarbij zwaveloxiden uit rookgassen worden verwijderd door middel van verschillende processen waarbij doorgaans een alkalisch sorptiemiddel wordt gebruikt voor het afvangen van gasvormig SO2 en het omzetten daarvan in vaste stoffen. Bij natte gaswassing worden gasverbindingen opgelost in een daarvoor geschikte vloeistof (water of een alkalische oplossing). Gelijktijdige verwijdering van vaste en gasvormige verbindingen kan worden bereikt. Stroomafwaarts van de natte gaswasser worden de rookgassen verzadigd met water. Daar is scheiding van de druppels vereist voordat de rookgassen kunnen worden afgevoerd. De uit de natte gaswassing afkomstige vloeistof wordt naar een waterzuiveringsinstallatie gestuurd en de onoplosbare bestanddelen worden verzameld door middel van sedimentatie of filtratie. |
|
Procesgasbeheersysteem |
Zie punt 8.2. |
|
Rookgascondensator |
Zie punt 8.2. |
|
Rookgasontzwaveling met zeewater |
Een specifieke vorm van niet-regeneratieve natte gaswassing waarbij de natuurlijke alkaliteit van het zeewater wordt gebruikt om de zure verbindingen in het rookgas te absorberen. Doorgaans moet vóór deze fase stof worden verwijderd. |
|
Sproeidroogadsorptie (SDA) |
Een suspensie/oplossing van een alkalische reagens wordt aan de rookgasstroom toegevoegd en daarin gedispergeerd. Het materiaal reageert met de gasvormige zwavelspecies en vormt een vaste stof, die met behulp van stofverwijderingstechnieken (doekfilter of elektrostatische precipitator) wordt verwijderd. SDA wordt voornamelijk gebruikt in combinatie met een doekfilter. |
8.5. Technieken ter vermindering van emissies van stof, metalen met inbegrip van kwik, en/of PCDD’s/PCDF’s naar lucht
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Brandstofkeuze |
Het gebruik van een brandstof met een laag gehalte aan as of metalen (bv. kwik). |
|
Doekfilter |
Doek- of zakfilters bestaan uit poreus of vervilt doek waar gassen doorheen worden geleid om deeltjes tegen te houden. Wanneer een doekfilter wordt gebruikt, moet een stof worden geselecteerd die geschikt is voor de kenmerken van het rookgas en de maximale bedrijfstemperatuur. |
|
Elektrostatische precipitator (ESP) |
Elektrostatische precipitatoren geven een lading aan deeltjes zodat ze onder invloed van een elektrisch veld worden gescheiden. Elektrostatische precipitatoren kunnen in zeer uiteenlopende omstandigheden werken. De efficiëntie van de emissiebeperking hangt doorgaans af van het aantal velden, de verblijftijd (omvang), de eigenschappen van de katalysator en de zich vóór de ESP bevindende deeltjesverwijderingsinstallaties. ESP’s hebben doorgaans tussen de twee en vijf velden. De modernste (geavanceerde) ESP’s hebben tot zeven gebieden. |
|
Het gebruik van gehalogeneerde additieven in de brandstof via injectie in de oven |
Toevoeging van halogeenverbindingen (bv. gebromeerde additieven) in de oven om elementair kwik te oxideren tot oplosbare of deeltjesspecies, waardoor kwik beter verwijderd kan worden in downstreamzuiveringssystemen. |
|
Injectie van sorptiemiddel in de ketel (in de oven of in het wervelbed) |
Zie de algemene beschrijving in punt 10.8.4. Er zijn positieve neveneffecten in de vorm van verminderde emissies van stof en metalen. |
|
Injectie van sorptiemiddel op koolstofbasis (bv. actieve kool of gehalogeneerde actieve kool) in het rookgas |
Adsorptie van kwik en/of PCDD’s/PCDF’s door sorptiemiddelen op koolstofbasis, zoals (gehalogeneerde) actieve kool, met of zonder chemische behandeling. Het systeem voor sorptiemiddelinjectie kan worden verbeterd door toevoeging van een aanvullende doekfilter. |
|
Multicyclonen |
Een samenstel van stofbestrijdingssystemen op basis van de middelpuntvliedende kracht, waardoor de deeltjes worden gescheiden van het dragergas, gemonteerd in een of meer omhullingen. |
|
Natte rookgasontzwaveling (FGD(nat)) |
Zie de algemene beschrijving in punt 8.4. Er zijn positieve neveneffecten in de vorm van verminderde uitstoot van stof en metalen. |
|
Systeem voor droge of halfdroge rookgasontzwaveling |
Zie de algemene beschrijving van de verschillende technieken (d.w.z. sproeidroogadsorptie (SDA), injectie van sorptiemiddel in het kanaal (DSI), circulerend wervelbed (CFB), droge gaswasser) in punt 8.4 Er zijn positieve neveneffecten in de vorm van verminderde emissies van stof en metalen. |
8.6. Technieken ter vermindering van emissies naar water
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Adsorptie op actieve kool |
Het vastgehouden worden van oplosbare verontreinigende stoffen op het oppervlak van vaste, zeer poreuze deeltjes (het adsorptiemiddel). Actieve kool wordt doorgaans gebruikt voor de adsorptie van organische stoffen en kwik. |
|
Aerobe biologische behandeling |
De biologische oxidatie van opgeloste verontreinigende organische stoffen met zuurstof via het metabolisme van micro-organismen. In aanwezigheid van opgeloste zuurstof — geïnjecteerd als lucht of zuivere zuurstof — worden de organische bestanddelen gemineraliseerd tot koolstofdioxide, water of andere metabolieten en biomassa. Onder bepaalde omstandigheden vindt ook aerobe nitrificatie plaats waarbij micro-organismen ammonium (NH4 +) oxideren tot het tussenproduct nitriet (NO2 -), dat vervolgens verder wordt geoxideerd tot nitraat (NO3 -). |
|
Anoxische/anaerobe biologische behandeling |
De biologische reductie van verontreinigende stoffen met behulp van het metabolisme van micro-organismen (bv. nitraat (NO3 -) wordt gereduceerd tot elementair gasvormig stikstof, geoxideerde kwikspecies worden gereduceerd tot elementair kwik). De anoxische/anaerobe behandeling van afvalwater afkomstig van het gebruik van natte zuiveringssystemen wordt doorgaans uitgevoerd in fixed-film-bioreactoren met actieve kool als dragermateriaal. De anoxische/anaerobe biologische behandeling voor de verwijdering van kwik wordt in combinatie met andere technieken toegepast. |
|
Coagulatie en flocculatie |
Coagulatie en flocculatie worden gebruikt om zwevende deeltjes van afvalwater te scheiden en worden vaak in achtereenvolgende stappen uitgevoerd. Coagulatie wordt uitgevoerd door toevoeging van coaguleermiddelen met een lading die tegengesteld is aan die van de zwevende deeltjes. Flocculatie wordt uitgevoerd door polymeren toe te voegen, zodat de botsingen van kleine vlokjes ervoor zorgen dat deze zich met elkaar verbinden waardoor grotere vlokken ontstaan. |
|
Filtratie |
Vaste stoffen scheiden van afvalwater door het door een poreus medium te laten lopen. Dit omvat verschillende soorten technieken, bijvoorbeeld zandfiltratie, microfiltratie en ultrafiltratie. |
|
Flotatie |
De scheiding van vaste of vloeibare deeltjes uit afvalwater door deze aan fijne gasbelletjes, meestal lucht, te hechten. De drijvende deeltjes verzamelen zich op het wateroppervlak en worden met afschuimers verzameld. |
|
Ionenwisseling |
Het vasthouden van ionische verontreinigende stoffen uit afvalwater en het vervangen ervan door aanvaardbaardere ionen met behulp van een ionenwisselaarhars. De verontreinigende stoffen worden tijdelijk vastgehouden en komen daarna vrij in een regeneratie- of terugspoelvloeistof. |
|
Kristallisatie |
De verwijdering van ionische verontreinigende stoffen uit afvalwater door ze te laten kristalliseren op een entmateriaal zoals zand of mineralen, door middel van een wervelbedprocedé. |
|
Neerslag |
De omzetting van opgeloste verontreinigende stoffen in onoplosbare verbindingen door toevoeging van chemische neerslagmiddelen. De gevormde vaste neerslag wordt vervolgens gescheiden middels sedimentatie, flotatie of filtratie. Stoffen die doorgaans voor het laten neerslaan van metalen worden gebruikt zijn kalk, dolomiet, natriumhydroxide, natriumcarbonaat, natriumsulfide en organische sulfiden. Calciumzouten (anders dan kalk) worden gebruikt voor het laten neerslaan van sulfaten of fluoriden. |
|
Neutralisatie |
De pH van het afvalwater op het neutrale niveau (ongeveer 7) brengen door chemische stoffen toe te voegen. Doorgaans wordt natriumhydroxide (NaOH) of calciumhydroxide (Ca(OH)2) gebruikt om de pH te verhogen, terwijl zwavelzuur (H2SO4), zoutzuur (HCl) of koolstofdioxide (CO2) doorgaans wordt gebruikt om de pH te verlagen. Tijdens de neutralisatie kan neerslag van sommige stoffen optreden. |
|
Oxidatie |
De omzetting door chemische oxidatiemiddelen van verontreinigende stoffen in soortgelijke verbindingen die minder gevaarlijk en/of gemakkelijker te verminderen zijn. In het geval van afvalwater afkomstig van het gebruik van natte zuiveringssystemen kan lucht worden gebruikt om sulfiet (SO3 2-) tot sulfaat (SO4 2-) te oxideren. |
|
Scheiding van olie en water |
De verwijdering van vrije olie uit afvalwater door scheiding onder invloed van de zwaartekracht met behulp van apparaten zoals de separator van het American Petroleum Institute, een golfplaatolieafscheider (corrugated plate interceptor) of een lamellenafscheider (parallel plate interceptor). De scheiding van olie en water wordt gewoonlijk gevolgd door flotatie, ondersteund door coagulatie/flocculatie. In sommige gevallen kan het nodig zijn voorafgaand aan de scheiding van olie en water de emulsie te breken. |
|
Sedimentatie |
Het scheiden van zwevende deeltjes door bezinking onder invloed van de zwaartekracht. |
|
Strippen |
De verwijdering van purgeerbare verontreinigende stoffen (bijvoorbeeld ammoniak) uit afvalwater door ze in contact te brengen met een snelle gasstroom en aldus in de gasvormige fase over te laten gaan. De verontreinigende stoffen worden in een downstreambehandeling uit het stripgas verwijderd en kunnen mogelijkerwijs worden hergebruikt. |
(1) Uitvoeringsbesluit 2012/249/EU van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (PB L 123 van 9.5.2012, blz. 44).
(2) Voor parameters waarvoor metingen van 30 minuten vanwege beperkingen op het vlak van bemonstering of analyse niet geschikt zijn, wordt een geschikte bemonsteringsperiode gebruikt. Voor PCDD’s/PCDF’s wordt een bemonsteringsperiode van 6 tot 8 uur gebruikt.
(3) Continue meting van het waterdampgehalte van het rookgas is niet nodig indien het bemonsterde rookgas voorafgaand aan de analyse wordt gedroogd.
(4) Generieke EN-normen voor continue meting zijn EN 15267-1, EN 15267-2, EN 15267-3 en EN 14181. EN-normen voor periodieke metingen zijn opgenomen in de tabel.
(5) De monitoringfrequentie geldt niet indien de installatie alleen in bedrijf zou worden gesteld met als enige doel een emissiemeting uit te voeren.
(6) In het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 100 MW die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, is een minimale monitoringfrequentie van eenmaal per zes maanden mogelijk. Voor gasturbines wordt de periodieke monitoring uitgevoerd bij een belasting van de stookinstallatie van > 70 %. Voor meeverbranding van afval met steenkool, bruinkool, vaste biomassa en/of turf moet voor de monitoringfrequentie tevens rekening worden gehouden met bijlage VI, deel 6, bij de richtlijn inzake industriële emissies.
(7) Indien SCR wordt toegepast, is een minimale monitoringfrequentie van eenmaal per jaar mogelijk, mits is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn.
(8) In het geval van met aardgas gestookte turbines met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 100 MW die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of in het geval van bestaande OCGT’s, kan in plaats daarvan een PEMS worden gebruikt.
(9) In plaats daarvan kan een PEMS worden gebruikt.
(10) Er worden twee reeksen metingen uitgevoerd, één terwijl de installatie in bedrijf is bij belastingen van > 70 %, en de andere bij belastingen van < 70 %.
(11) Als alternatief voor de continue meting in installaties waarin olie met een bekend zwavelgehalte wordt verbrand en die niet met een systeem voor rookgasontzwaveling zijn uitgerust, kunnen voor de bepaling van de SO2-emissies ten minste eenmaal per drie maanden uitgevoerde periodieke metingen en/of andere procedures die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd, worden gebruikt.
(12) In het geval van procesbrandstoffen uit de chemische industrie kan de monitoringfrequentie voor installaties van < 100 MWth na een initiële karakterisering van de brandstof (zie BBT 5) op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen (bv. concentratie in brandstof, toegepaste rookgasreiniging) voor de emissies naar lucht worden aangepast, maar in elk geval minimaal bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(13) Mits is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn, kunnen de periodieke metingen worden uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstof- en/of afvalstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies, maar in elk geval ten minste eenmaal per jaar. Voor meeverbranding van afval met steenkool, bruinkool, vaste biomassa en/of turf moet voor de monitoringfrequentie tevens rekening worden gehouden met bijlage VI, deel 6, bij de richtlijn inzake industriële emissies.
(14) In het geval van procesbrandstoffen uit de chemische industrie kan de monitoringfrequentie na een initiële karakterisering van de brandstof (zie BBT 5) op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen (bv. concentratie in brandstof, toegepaste rookgasreiniging) voor de emissies naar lucht worden aangepast, maar in elk geval minimaal bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(15) In het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 100 MW die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, is een minimale monitoringfrequentie van eenmaal per jaar mogelijk. In het geval van installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 100 MW die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, kan de minimale monitoringfrequentie tot eenmaal per zes maanden worden teruggebracht.
(16) Mits is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn, kunnen de periodieke metingen worden uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstof- en/of afvalstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies, maar in elk geval ten minste eenmaal per zes maanden.
(17) In het geval van installaties waarin procesgassen uit de ijzer- en staalproductie worden verbrand, is een minimale monitoringfrequentie van eenmaal per zes maanden mogelijk, mits is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn.
(18) De lijst van gemonitorde verontreinigende stoffen en de monitoringfrequentie kunnen na een initiële karakterisering van de brandstof (zie BBT 5) op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen (bv. concentratie in brandstof, toegepaste rookgasreiniging) voor de emissies naar lucht worden aangepast, maar in elk geval minimaal bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(19) In het geval van installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, is een minimale monitoringfrequentie van ten minste eenmaal per zes maanden mogelijk.
(20) In het geval van installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, is een minimale monitoringfrequentie van ten minste eenmaal per jaar mogelijk.
(21) continue bemonstering in combinatie met frequente analyse van over de tijd geïntegreerde monsters, bv. door middel van een gestandaardiseerde methode voor monitoring met sorbentvallen, kan als alternatief voor continue meting dienen.
(22) Mits is aangetoond dat de emissieniveaus vanwege het lage kwikgehalte van de brandstof voldoende stabiel zijn, hoeven de periodieke metingen slechts te worden uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(23) De minimale monitoringfrequentie is niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(24) De metingen worden uitgevoerd terwijl de installatie bij belastingen van meer dan 70 % in bedrijf is.
(25) In het geval van procesbrandstoffen uit de chemische industrie is monitoring alleen van toepassing wanneer de brandstoffen chloorverbindingen bevatten.
(26) TOC-monitoring en CZV-monitoring zijn alternatieven. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt.
(27) De lijst van stoffen/parameters op basis waarvan wordt gekarakteriseerd, kan worden beperkt tot slechts die stoffen/parameters waarvan op basis van informatie over de grondstoffen en productieprocessen redelijkerwijs kan worden verwacht dat ze in de brandstof(fen) aanwezig zijn.
(28) Deze karakterisering wordt uitgevoerd onverminderd de preacceptatie- en acceptatieprocedure voor afval in BBT 60 a), die kan leiden tot karakterisering op basis van en/of controle op andere dan de hier vermelde stoffen/parameters.
(29) De technieken worden beschreven in punt 8.6.
(30) Het BBT-GEN voor TOC of het BBT-GEN voor CZV is van toepassing. TOC is de voorkeursoptie omdat bij de monitoring daarvan geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt.
(31) Dit BBT-GEN geldt na aftrek van de toegevoerde belasting.
(32) Dit BBT-GEN geldt alleen voor afvalwater afkomstig van de toepassing van natte rookgasontzwaveling.
(33) Dit BBT-GEN geldt alleen voor stookinstallaties waarin calciumverbindingen worden gebruikt voor rookgasreiniging.
(34) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik geldt mogelijk niet in het geval van zeer zout afvalwater (bv. chlorideconcentraties ≥ 5 g/l) als gevolg van de hogere oplosbaarheid van calciumsulfaat.
(35) Dit BBT-GEN geldt niet voor lozingen in zee of brakke waterlichamen.
(36) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(37) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(38) De ondergrens van het bereik kan overeenstemmen met gevallen waarin de behaalde energie-efficiëntie negatief wordt beïnvloed (met maximaal vier procentpunten) door het gebruikte type koelsysteem of de geografische locatie van de eenheid.
(39) Deze niveaus zijn mogelijk niet haalbaar indien de potentiële vraag naar warmte te klein is.
(40) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(41) De ondergrenzen van de BBT-GEEN-bereiken worden gehaald in het geval van ongunstige weersomstandigheden, met laagwaardige bruinkool gestookte eenheden en/of oude eenheden (vóór 1985 voor het eerst in bedrijf gesteld).
(42) De bovengrens van het BBT-GEEN-bereik kan worden behaald met hoge stoomparameters (druk, temperatuur).
(43) De verbetering van de elektrische efficiëntie die kan worden behaald, hangt af van de specifieke eenheid, maar een stijging van meer dan drie procentpunten wordt beschouwd als passend bij het gebruik van BBT voor bestaande eenheden, afhankelijk van het oorspronkelijke ontwerp van de eenheid en de aanpassingen die al zijn verricht.
(44) In het geval van eenheden waarin bruinkool wordt verbrand met een onderste verwarmingswaarde van minder dan 6 MJ/kg ligt de ondergrens van het BBT-GEEN-bereik bij 41,5 %.
(45) De bovengrens van het BBT-GEEN-bereik kan bij maximaal 46 % liggen in het geval van eenheden van ≥ 600 MWth die een superkritisch of ultrasuperkritisch stoomproces gebruiken.
(46) De bovengrens van het BBT-GEEN-bereik kan bij maximaal 44 % liggen in het geval van eenheden van ≥ 600 MWth die een superkritisch of ultrasuperkritisch stoomproces gebruiken.
(47) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(48) Voor met steenkool gestookte PC-ketelinstallaties die uiterlijk op 1 juli 1987 in bedrijf zijn genomen, die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en waarvoor SCR en/of SNCR niet van toepassing zijn, ligt de bovengrens van het bereik bij 340 mg/Nm3.
(49) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(50) De ondergrens van het bereik wordt haalbaar geacht bij gebruik van SCR.
(51) De bovengrens van het bereik ligt bij 175 mg/Nm3 voor FBC-ketels die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld en voor met bruinkool gestookte PC-ketels.
(52) De bovengrens van het bereik ligt bij 220 mg/Nm3 voor FBC-ketels die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld en voor met bruinkool gestookte PC-ketels.
(53) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld, ligt de bovengrens van het bereik bij 200 mg/Nm3 voor installaties die ≥ 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, en bij 220 mg/Nm3 voor installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(54) De bovengrens van het bereik kan bij maximaal 140 mg/Nm3 liggen in het geval van beperkingen in verband met het ketelontwerp en/of in het geval van wervelbedketels die niet zijn uitgerust met secundaire reductietechnieken voor de vermindering van de NOX-emissies.
(55) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(56) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(57) In het geval van bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 250 mg/Nm3.
(58) De ondergrens van het bereik kan worden behaald door zwavelarme brandstoffen te gebruiken in combinatie met de meest geavanceerde systeemontwerpen voor natte zuivering.
(59) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 220 mg/Nm3 in het geval van installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld en die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. Voor overige bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 205 mg/Nm3.
(60) Voor ketels met circulerend wervelbed kan de ondergrens van het bereik worden behaald met behulp van rookgasontzwaveling met hoog rendement. De bovengrens van het bereik kan worden gehaald door gebruik te maken van injectie van sorptiemiddel in het wervelbed in de ketel.
(61) De ondergrens van deze BBT-GEN-bereiken is mogelijk moeilijk haalbaar in het geval van installaties die met natte rookgasontzwaveling en een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar zijn uitgerust.
(62) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 20 mg/Nm3 in de volgende gevallen: installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld chloorgehalte van 1 000 mg/kg (droog) of hoger; installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn; FBC-ketels. Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(63) In het geval van installaties die met natte rookgasontzwaveling met een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar zijn uitgerust, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 7 mg/Nm3.
(64) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 7 mg/Nm3 in de volgende gevallen: installaties die met natte rookgasontzwaveling met een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar zijn uitgerust; installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn; FBC-ketels. Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(65) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(66) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(67) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 28 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(68) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 25 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(69) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 12 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(70) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 20 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(71) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 14 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(72) De ondergrens van het BBT-GEN-bereik kan worden behaald met specifieke.kwikemissiereductietechnieken.
(73) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(74) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(75) De ondergrens van het bereik kan overeenstemmen met gevallen waarin de behaalde energie-efficiëntie negatief wordt beïnvloed (met maximaal vier procentpunten) door het gebruikte type koelsysteem of de geografische locatie van de eenheid.
(76) Deze niveaus zijn mogelijk niet haalbaar indien de potentiële vraag naar warmte te klein is.
(77) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(78) De ondergrens van het bereik kan bij minimaal 32 % liggen in het geval van eenheden van < 150 MWth waarin brandstoffen uit biomassa worden verbrand die een hoge vochtigheidsgraad hebben.
(79) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(80) Voor stookinstallaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(81) Voor installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan kalium van 2 000 mg/kg (droog) of hoger, en/of een gemiddeld gehalte aan natrium van 300 mg/kg of hoger, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 200 mg/Nm3.
(82) Voor installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan kalium van 2 000 mg/kg (droog) of hoger, en/of een gemiddeld gehalte aan natrium van 300 mg/kg of hoger, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 250 mg/Nm3.
(83) Voor installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan kalium van 2 000 mg/kg (droog) of hoger, en/of een gemiddeld gehalte aan natrium van 300 mg/kg of hoger, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 260 mg/Nm3.
(84) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, en waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan kalium van 2 000 mg/kg (droog) of hoger, en/of een gemiddeld gehalte aan natrium van 300 mg/kg of hoger, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 310 mg/Nm3.
(85) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 160 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(86) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 200 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(87) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(88) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(89) Voor bestaande installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan zwavel van 0,1 massaprocent (droog) of hoger ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 100 mg/Nm3.
(90) Voor bestaande installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan zwavel van 0,1 massaprocent (droog) of hoger ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 215 mg/Nm3.
(91) Voor bestaande installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan zwavel van 0,1 massaprocent (droog) of hoger ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 165 mg/Nm3, of bij 215 mg/Nm3 indien die installaties uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen en/of zij FBC-ketels zijn waarin turf wordt verbrand.
(92) Voor installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan chloor van ≥ 0,1 massaprocent (droog), of voor bestaande installaties waarin biomassa wordt meeverbrand met een zwavelrijke brandstof (bv. turf) of additieven (bv. elementair zwavel) worden gebruikt die alkalichloriden omzetten, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik voor het jaargemiddelde voor nieuwe installaties bij 15 mg/Nm3; de bovengrens van het BBT-GEN-bereik voor het jaargemiddelde voor bestaande installaties ligt bij 25 mg/Nm3. Het daggemiddelde BBT-GEN-bereik is niet van toepassing op deze installaties.
(93) Het BBT-GEN-bereik voor het daggemiddelde is niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn. De bovengrens van het BBT-GEN-bereik voor het jaargemiddelde voor nieuwe installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn ligt bij 15 mg/Nm3.
(94) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(95) De ondergrens van deze BBT-GEN-bereiken is mogelijk moeilijk haalbaar in het geval van installaties die met natte rookgasontzwaveling en een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar zijn uitgerust.
(96) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(97) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(98) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(99) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(100) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(101) Deze niveaus zijn mogelijk niet haalbaar indien de potentiële vraag naar warmte te klein is.
(102) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(103) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(104) Voor industriële ketels en stadsverwarmingsinstallaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen, die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en waarvoor SCR en/of SNCR niet van toepassing zijn, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 450 mg/Nm3.
(105) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 110 mg/Nm3 voor installaties van 100-300 MWth en installaties van ≥ 300 MWth die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(106) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 145 mg/Nm3 voor installaties van 100-300 MWth en installaties van ≥ 300 MWth die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(107) Voor industriële ketels en stadsverwarmingsinstallaties van > 100 MWth die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen, die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en waarvoor SCR en/of SNCR niet van toepassing zijn, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 365 mg/Nm3.
(108) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(109) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(110) Voor industriële ketels en stadsverwarmingsinstallaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen en die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 400 mg/Nm3.
(111) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 175 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(112) Voor industriële ketels en stadsverwarmingsinstallaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen, die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en waarvoor natte rookgasontzwaveling niet van toepassing is, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 200 mg/Nm3.
(113) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(114) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(115) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 25 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(116) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 15 mg/Nm3 voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld.
(117) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(118) De BBT-GEEN’s voor netto elektrische efficiëntie zijn van toepassing op WKK-eenheden die waarvan het ontwerp met name op het produceren van elektriciteit is gericht, en op eenheden die alleen elektriciteit produceren.
(119) Deze niveaus zijn mogelijk moeilijk haalbaar in het geval van motoren die met energie-intensieve secundaire emissiereductietechnieken zijn uitgerust.
(120) Dit niveau is mogelijk moeilijk haalbaar in het geval van motoren met een radiator als koelsysteem op droge en warme geografische locaties.
(121) Deze BBT-GEN’s gelden niet voor installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, of voor installaties die niet met secundaire emissiereductietechnieken kunnen worden uitgerust.
(122) Het BBT-GEN-bereik is 1 150-1 900 mg/Nm3 voor installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn en voor installaties die niet met secundaire emissiereductietechnieken kunnen worden uitgerust.
(123) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(124) Voor installaties met eenheden van < 20 MWth waarin zware stookolie wordt verbrand, ligt de bovengrens van het voor die eenheden geldende BBT-GEN-bereik bij 225 mg/Nm3.
(125) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(126) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(127) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 280 mg/Nm3 indien er geen secundaire emissiereductietechniek kan worden toegepast. Dit komt overeen met een zwavelgehalte van de brandstof van 0,5 massaprocent (droog).
(128) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(129) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(130) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(131) De BBT-GEEN’s voor netto elektrische efficiëntie zijn van toepassing op WKK-eenheden die waarvan het ontwerp met name op het produceren van elektriciteit is gericht, en op eenheden die alleen elektriciteit produceren.
(132) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(133) Voor bestaande installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(134) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(135) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(136) De BBT-GEEN’s voor netto totale brandstofbenutting zijn mogelijk niet haalbaar indien de potentiële vraag naar warmte te klein is.
(137) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(138) Deze BBT-GEEN’s zijn van toepassing op eenheden die voor mechanische aandrijvingstoepassingen worden gebruikt.
(139) Deze niveaus zijn mogelijk moeilijk haalbaar in het geval van motoren die zo zijn afgeregeld dat zij NOX-niveaus van minder dan 190 mg/Nm3 behalen.
(140) Deze BBT-GEN’s zijn ook van toepassing op de verbranding van aardgas in dualfuelturbines.
(141) In het geval van een met DLN uitgeruste gasturbine, zijn deze BBT-GEN’s alleen van toepassing als de DLN doeltreffend werkt.
(142) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(143) Verdere optimalisering van de werking van een bestaande techniek voor de vermindering van NOX-emissies kan leiden tot CO-emissieniveaus die in de buurt van de bovengrens van het indicatieve bereik voor de CO-emissies liggen zoals dat aansluitend op deze tabel is vermeld.
(144) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op bestaande turbines voor mechanische aandrijvingstoepassingen of op installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(145) Voor installaties met een netto elektrische efficiëntie (EE) van meer dan 39 % kan een correctiefactor worden toegepast op de bovengrens van het bereik, die overeenkomt met [bovengrens] × EE/39, waarbij EE de netto elektrische energie-efficiëntie of de netto mechanische energie-efficiëntie van de installatie is, zoals bepaald bij ISO-basisbelastingsomstandigheden.
(146) De bovengrens van het bereik ligt bij 80 mg/Nm3 in het geval van installaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn gesteld en die tussen 500 en 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(147) Voor installaties met een netto elektrische efficiëntie (EE) van meer dan 55 % kan een correctiefactor worden toegepast op de bovengrens van het BBT-GEN-bereik, die overeenkomt met [bovengrens] × EE/55, waarbij EE de netto elektrische efficiëntie van de installatie is, zoals bepaald bij ISO-basisbelastingsomstandigheden.
(148) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 65 mg/Nm3.
(149) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 55 mg/Nm3.
(150) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 80 mg/Nm3.
(151) De ondergrens van het BBT-GEN-bereik voor NOX kan worden behaald met DLN-branders.
(152) Deze niveaus zijn indicatief.
(153) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 60 mg/Nm3.
(154) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 65 mg/Nm3.
(155) Verdere optimalisering van de werking van een bestaande techniek voor de vermindering van NOX-emissies kan leiden tot CO-emissieniveaus die in de buurt van de bovengrens van het indicatieve bereik voor de CO-emissies liggen zoals dat aansluitend op deze tabel is vermeld.
(156) Deze BBT-GEN’s zijn niet van toepassing op installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(157) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(158) Deze BBT-GEN’s zijn alleen van toepassing op motoren met vonkontsteking en dualfuelmotoren. Zij zijn niet van toepassing op gas-dieselmotoren.
(159) In het geval van motoren voor gebruik in noodgevallen die < 500 h/jaar in bedrijf zijn en waarop noch de armmengseltechniek, noch SCR zou kunnen worden toegepast, ligt de bovengrens van het indicatieve bereik bij 175 mg/Nm3.
(160) Voor bestaande installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(161) Dit BBT-GEN wordt uitgedrukt als C bij het bij volle belasting in bedrijf zijn.
(162) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(163) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(164) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(165) Het brede spectrum van energie-efficiënties in WKK-eenheden hangt grotendeels samen met de lokale vraag naar elektriciteit en warmte.
(166) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(167) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(168) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(169) Bij installaties waarin een gasmengsel met een gelijkwaardige HO van > 20 MJ/Nm3 wordt verbrand, wordt uitgegaan van emissies aan de bovengrens van de BBT-GEN-bereiken.
(170) De ondergrens van het BBT-GEN-bereik kan worden behaald bij gebruik van SCR.
(171) Voor installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze BBT-GEN’s niet van toepassing.
(172) In het geval van bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 160 mg/Nm3. Daarnaast kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik worden overschreden wanneer geen SCR kan worden toegepast en wanneer een groot aandeel cokesovengas (bv. > 50 %) wordt gebruikt, en/of bij het verbranden van cokesovengas met een relatief hoog gehalte aan H2. In dat geval ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 220 mg/Nm3.
(173) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(174) In het geval van bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 70 mg/Nm3.
(175) Voor bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze BBT-GEN’s niet van toepassing.
(176) Voor bestaande installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(177) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik mag worden overschreden wanneer een groot aandeel cokesovengas (bv. > 50 %) wordt gebruikt. In dat geval ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 300 mg/Nm3.
(178) Voor bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze BBT-GEN’s niet van toepassing.
(179) Voor bestaande installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(180) Deze BBT-GEN’s zijn gebaseerd op een beschikbaarheid op de desbetreffende dag van > 70 % van het vermogen bij basisbelasting.
(181) Dit omvat zowel singlefuel- als dualfuelgasturbines.
(182) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik ligt bij 250 mg/Nm3 als DLN-branders niet toepasbaar zijn.
(183) De ondergrens van het BBT-GEN-bereik kan worden behaald met DLN-branders.
(184) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op eenheden die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn.
(185) In het geval van WKK-eenheden, is slechts één van beide BBT-GEEN’s “netto elektrische efficiëntie” of “netto totale brandstofbenutting” van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de WKK-eenheid (d.w.z. of deze meer gericht is op het opwekken van elektriciteit, of op het opwekken van warmte).
(186) Deze BBT-GEEN’s zijn mogelijk niet haalbaar indien de potentiële vraag naar warmte te klein is.
(187) Deze BBT-GEEN’s zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(188) Voor installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze BBT-GEN’s niet van toepassing.
(189) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(190) Voor bestaande installaties van ≤ 500 MWth die uiterlijk op 7 november 2003 in bedrijf zijn gesteld en waarin vloeibare brandstoffen worden gebruikt met een gehalte aan stikstof van meer dan 0,6 massaprocent, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 380 mg/Nm3.
(191) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 180 mg/Nm3.
(192) Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 210 mg/Nm3.
(193) Voor bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze BBT-GEN’s niet van toepassing.
(194) Voor bestaande installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(195) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(196) In het geval van bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zij, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 20 mg/Nm3.
(197) In het geval van bestaande installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zij, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 7 mg/Nm3.
(198) Voor installaties die < 1 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze BBT-GEN’s niet van toepassing.
(199) Voor installaties die < 500 h/jaar in bedrijf zijn, zijn deze niveaus indicatief.
(200) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 25 mg/Nm3.
(201) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, ligt de bovengrens van het BBT-GEN-bereik bij 15 mg/Nm3.
(202) Deze BBT-GEN’s zijn alleen toepasbaar op installaties waarin brandstoffen worden gebruikt uit chemische processen waarbij chloorverbindingen zijn betrokken.