|
11.10.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 359/105 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2021/1788 VAN DE COMMISSIE
van 8 oktober 2021
tot schorsing van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1784 ingestelde definitieve antidumpingrechten op gewalste platte aluminiumproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 14, lid 4,
Na raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Op 14 augustus 2020 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek (“het onderzoek”) geopend met betrekking tot de invoer in de Unie van gewalste platte aluminiumproducten (“AFRP’s” (aluminium flat-rolled products) of “het onderzochte product”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“de VRC”, “China” of “het betrokken land”) (2). |
|
(2) |
Op 12 april 2021 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/582 van de Commissie (3) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld. |
|
(3) |
Op 13 juli 2021 heeft de Commissie alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op de invoer van gewalste platte aluminiumproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Verder hebben de belanghebbenden aanvullende mededelingen ontvangen op 13 augustus 2021 (“eerste aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen”) en op 3 september 2021 (“tweede aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de mededeling van de definitieve bevindingen en de aanvullende mededelingen. |
|
(4) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben Airoldi Metalli S.p.a. (“Airoldi”), Valeo Systèmes Thermiques SAS (“Valeo”) en verbonden ondernemingen, en TitanX Engine Cooling AB (“TitanX”) informatie verstrekt over een wijziging van de marktverhoudingen na het onderzoektijdvak (“OT”) (1 juli 2019 t/m 30 juni 2020), en aangevoerd dat dergelijke wijzigingen overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening de schorsing van de maatregelen zouden rechtvaardigen. |
|
(5) |
Op 28 juli 2021 heeft de Commissie op eigen initiatief besloten de belanghebbenden in de Unie te verzoeken uiterlijk op 12 augustus 2021 opmerkingen in te dienen over de mogelijkheid om de definitieve maatregelen te zijner tijd te schorsen. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en hun vereniging werd ook verzocht informatie te verstrekken voor bepaalde schade-indicatoren na het onderzoektijdvak. Er werden opmerkingen ontvangen van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, van European Aluminium (“EA”), van twaalf gebruikers en hun vereniging en van vijf importeurs en hun vereniging. De in desteekproef opgenomen producenten in de Unie en European Aluminium (“EA”) verstrekten ook de gevraagde informatie met betrekking tot bepaalde indicatoren. Na de uiterste datum voor de indiening van opmerkingen heeft EA op 20 augustus 2021 ook een brief aan de Commissie gestuurd waarin zij haar bezwaar uitsprak tegen een mogelijke schorsing van de maatregelen. Euranimi en Airoldi maakten opmerkingen over de brief van EA. |
|
(6) |
Op 1 september 2021 heeft de Commissie haar voornemen bekendgemaakt om de maatregelen met ingang van de datum van de instelling van de maatregelen voor negen maanden te schorsen en heeft zij de partijen verzocht uiterlijk op 6 september 2021 opmerkingen in te dienen. |
|
(7) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA aan dat de termijn om op het in overweging 5 genoemde verzoek om opmerkingen te antwoorden in strijd was met artikel 6, lid 2, van de basisverordening, aangezien de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en EA slechts 15 dagen kregen om te antwoorden in plaats van de in die bepaling vermelde 30 dagen. |
|
(8) |
De Commissie was van oordeel dat artikel 6, lid 2, in tegenstelling tot wat van toepassing is in het kader van onderzoeken zoals die bijvoorbeeld worden geopend op grond van artikel 5, artikel 11, lid 2, of artikel 11, lid 3, van de basisverordening, niet van toepassing is in het kader van artikel 14, lid 4, dat betrekking heeft op gevallen waarin de Commissie beoordeelt of rechten moeten worden geschorst. In dit verband bevat artikel 14, lid 4, geen enkele verwijzing naar specifieke termijnen of andere bepalingen van de basisverordening. In elk geval was de Commissie van oordeel dat de termijn voor het verstrekken van de gevraagde informatie redelijk was gezien het beperkte omvang (zes open vragen en slechts een beperkt aantal indicatoren in vergelijking met een standaardvragenlijst) en de periode die deze bestreek (twaalf maanden). Verder heeft de Commissie geprobeerd gevolg te geven aan het verzoek om verlenging van de bedrijfstak van de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie 2 tot 4 extra werkdagen toe te kennen (afhankelijk van de aard van de informatie) om hun volledige antwoorden te verstrekken. Op grond hiervan was de Commissie van oordeel dat de bedrijfstak van de Unie voldoende tijd had om de gevraagde informatie te verstrekken en werd dit argument afgewezen. |
|
(9) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden EA en Elval Halcor SA (“Elval”) aan dat de verzoekende partijen niet representatief waren voor gebruikers en importeurs in de Unie. Zij voerden aan dat een procedure tot schorsing van antidumpingrechten een andere specifieke procedure is, die dezelfde procedurele rechten en waarborgen moet genieten als eerste onderzoeken en nieuwe onderzoeken. Zij voerden met name aan dat het jaarlijkse verbruik van AFRP’s door de twee gebruikers die om schorsing van de maatregelen verzochten, minder dan 5 % van de markt van de Unie uitmaakte en dat een besluit tot schorsing niet in verhouding zou staan tot hun representativiteit op de totale markt van de Unie. |
|
(10) |
Daarnaast voerde EA aan dat de Commissie er niet voor had gezorgd dat EA op de hoogte werd gebracht van de inhoud van deze verzoeken, en dus niet voldeed aan haar verplichting om ervoor te zorgen dat alle partijen tijdig toegang hadden tot dezelfde informatie. Zij voerde met name aan dat de verzoeken te laat waren ingediend of vaag waren, zonder verwijzing naar artikel 14, lid 4 en niet gestaafd met enig bewijs. Op grond hiervan voerde EA aan dat het gebrek aan behoorlijk bestuur door de Commissie partijen uitsloot van de mogelijkheid om de beweringen van bepaalde indieners van het verzoek te weerleggen, en aldus deze laatsten voortrok. Verder voerde EA aan dat de verzoeken om schorsing hadden moeten worden ingediend bij het “Klachtenbureau” om te bepalen of zij aan de criteria voor een onderzoek voldeden. Op grond hiervan voerde EA aan dat zij in strijd met artikel 19, lid 2, op discriminerende wijze werd behandeld, aangezien zij niet op de hoogte was van de verzoeken. |
|
(11) |
De Commissie wees deze argumenten stellig af. In tegenstelling tot artikel 4, lid 1, van de basisverordening voorziet artikel 14, lid 4, van de basisverordening niet in een wettelijk vereiste in de vorm van een representativiteitspercentage of procesbevoegdheid voor een partij om schorsing van definitieve maatregelen aan te vragen. Integendeel, dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat de Commissie een dergelijke aangelegenheid op eigen initiatief onderzoekt. Zoals vermeld in overweging 5 is de Commissie op eigen initiatief begonnen informatie te verzamelen met het oog op het nemen van een besluit over de vraag of schorsing overeenkomstig artikel 14, lid 4, passend was. In ieder geval vertegenwoordigen de betrokken gebruikers en importeurs een veel grotere omvang, zowel over het geheel genomen als qua aandeel van het invoervolume uit het betrokken land, dan door EA werd geschetst. Bovendien verwijst artikel 14, lid 4, niet naar de noodzaak voor belanghebbenden om hun verzoek tot schorsing in te dienen bij het “Klachtenbureau” en voorziet de bepaling evenmin in een specifieke interne procedure voor de diensten van de Commissie om te beoordelen of aan de elementen van artikel 14, lid 4, is voldaan. Op grond hiervan werden deze argumenten afgewezen. |
|
(12) |
Wat de toegang tot de schorsingsverzoeken betreft, voorziet artikel 14, lid 4, van de basisverordening niet in de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen te maken over verzoeken om schorsing. In elk geval was de Commissie van oordeel dat EA ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om over de mogelijke schorsing van maatregelen opmerkingen te maken na de mededeling van de definitieve bevindingen van de Commissie, waarin naar die mogelijkheid werd verwezen (zie overweging 367 van de mededeling van de definitieve bevindingen) en na het verzoek van de Commissie om opmerkingen in te dienen over de mogelijkheid om de definitieve maatregelen te schorsen, als bedoeld in overweging 5. |
|
(13) |
Verder heeft EA ook de gelegenheid gehad om over de verzoeken tot schorsing opmerkingen te maken naar aanleiding van de opmerkingen van Airoldi van 30 juli 2021 en de herziene opmerkingen van Valeo op 27 augustus 2021, waarin zij om schorsing van de maatregelen verzochten zoals vermeld in overweging 4. Daarnaast was de Commissie van oordeel dat deze schorsingsverzoeken inhoudelijk waren gebaseerd op andere argumenten die reeds in de loop van het onderzoek door de indieners van de verzoeken waren ingediend. EA heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad om opmerkingen te maken over deze argumenten. De Commissie merkte ook op dat deze elementen wezen op tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen, waarmee de bedrijfstak van de Unie zelf tijdens het onderzoek rekening had gehouden, zoals vermeld in overweging 528 van de definitieve verordening. |
|
(14) |
EA voerde verder aan dat het ontbreken van een behoorlijke procedure nog werd verergerd door de termijn van drie werkdagen om opmerkingen te maken, en stelde dat de termijn voor het indienen van opmerkingen over het document met de kennisgeving van schorsing in strijd was met artikel 20, lid 5, van de basisverordening. Bovendien werd het verzoek om verlenging van de termijn zonder goede motivering afgewezen. EA voerde aan dat de termijn voor het indienen van opmerkingen ten minste tien dagen had moeten zijn. |
|
(15) |
De Commissie was van oordeel dat artikel 20, lid 5, van de basisverordening niet van toepassing is in het kader van artikel 14, lid 4. Artikel 14, lid 4, verwijst namelijk niet naar artikel 20, lid 5, voor zover het opmerkingen betreft, en vermeldt, in tegenstelling tot andere artikelen van de basisverordening, niet het aantal dagen dat moet worden gegeven om de bedrijfstak van de Unie te raadplegen. Bovendien bepaalt artikel 14, lid 4, alleen dat de Commissie de bedrijfstak van de Unie een “gelegenheid om opmerkingen te maken” moet bieden, zonder in dit verband een verplichte termijn te specificeren. De drie werkdagen die de bedrijfstak van de Unie ter beschikking had, waren voldoende om zinvolle opmerkingen te maken. |
|
(16) |
De Commissie had in haar vragenlijst van 28 juli al het standpunt van de bedrijfstak van de Unie over de mogelijkheid tot schorsing gevraagd, en had in haar informatiedocument van 1 september een hoofdstuk over de positie van de bedrijfstak van de Unie opgenomen. Tegen deze achtergrond was het niet onredelijk om drie werkdagen te krijgen om opmerkingen te maken over de beoordeling door de Commissie van eerder ingediende informatie en standpunten. Daarom was het ook niet gerechtvaardigd de termijn te verlengen. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen. |
|
(17) |
Op 8 september 2021 herhaalde EA haar bezorgdheid tijdens een hoorzitting voor de raadadviseur-auditeur en vroeg zij haar om een operationele vaststelling dat de Commissie, op grond van aanzienlijke procedurele fouten en tevens van materiële fouten in het ontwerpbesluit, bij wet zou worden belemmerd om in dit stadium een dergelijk schorsingsbesluit te nemen. Na een hoorzitting op tegenspraak concludeerde de raadadviseur-auditeur dat artikel 14, lid 4, van de basisverordening geen specifieke termijnen of procedureregels bevatte die zouden zijn geschonden. Zij merkt op dat de EA sinds de ontvangst van de op 28 juli verzonden vragenlijst duidelijk op de hoogte was van een mogelijke schorsing. Zij raadde de Commissie ook aan een doeltreffend systeem voor toezicht na de besluitvorming op te zetten, zodat de Commissie, als de omstandigheden veranderen, snel kan reageren. |
|
(18) |
Op 11 oktober 2021 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1784 (4) (“de definitieve verordening”) een definitief antidumpingrecht ingesteld op gewalste platte aluminiumproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken product”). De antidumpingrechten variëren van 14,3 % tot 24,6 %. |
|
(19) |
Na op basis van de beschikbare informatie te hebben vastgesteld dat de instelling van antidumpingrechten gerechtvaardigd was, heeft de Commissie verder onderzocht of de schorsing van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van het betrokken product gerechtvaardigd was in het licht van de voorwaarden van artikel 14, lid 4, van de basisverordening. |
2. ONDERZOEK VAN GEWIJZIGDE MARKTVERHOUDINGEN
|
(20) |
In artikel 14, lid 4, van de basisverordening is bepaald dat antidumpingmaatregelen in het belang van de Unie mogen worden geschorst wanneer de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat ten gevolge van de schorsing opnieuw schade zal ontstaan. |
|
(21) |
Uit het onderzoek dat tot de definitieve verordening heeft geleid, bleek dat de invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode (2017-juni 2020) met 70 % was toegenomen en voor de bedrijfstak van de Unie had geleid tot aanzienlijke verliezen aan productie (- 11 %), verkoop (- 14 %), marktaandeel (- 3 %) en winstgevendheid (van 3,1 % in 2017 tot - 1,8 % in het onderzoektijdvak). Op basis hiervan concludeerde de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade had geleden als gevolg van de invoer met dumping. |
|
(22) |
De tweede helft van het onderzoektijdvak viel ook samen met de COVID-pandemie, die gepaard ging met een vertraging van de economie, wat leidde tot een daling van de vraag en een daaruit voortvloeiende daling van de capaciteit, productie en verkoop door de bedrijfstak van de Unie. De Commissie stelde echter vast dat dit element het oorzakelijk verband tussen de aanmerkelijke schade en de invoer met dumping niet afzwakte, omdat de invoer met dumping van oorsprong uit China tussen 2017 en 2019, vóór de COVID-pandemie, reeds aanzienlijk was toegenomen en tot de verslechtering van de overgrote meerderheid van de schade-indicatoren had geleid. In de context van dat onderzoek is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen waren om aan te nemen dat de instelling van definitieve rechten ten aanzien van de invoer van AFRP’s van oorsprong uit China niet in het belang van de Unie was. De Commissie merkte met name op dat de destijds beschikbare elementen erop wezen dat er na COVID een tijdelijke situatie zou ontstaan met gevolgen voor de prijzen, dat het herstel daarvan niet kon worden voorzien en dat de markt enige tijd nodig zou hebben om zich aan te passen totdat het economisch herstel en de groei zich zouden normaliseren en de vraag en het aanbod weer in evenwicht zouden zijn. |
|
(23) |
Uit de analyse van de door de Commissie gevraagde aanvullende informatie om te zijner tijd de mogelijkheid van een schorsing van de rechten te onderzoeken, is gebleken dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie na het onderzoektijdvak aanzienlijk is verbeterd. In het eerste halfjaar van 2021 steeg de verkoop van de producenten in de Unie aan niet-verbonden partijen in de Unie met meer dan 55 % in vergelijking met het onderzoektijdvak en met 34 % in vergelijking met 2017, het beste jaar in de beoordelingsperiode. Ook het productievolume en de productiecapaciteit ontwikkelden zich in dezelfde periode positief, met een toename van respectievelijk 11 % en 25 % ten opzichte van 2017. De gemiddelde prijzen bij verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie stegen in het eerste halfjaar van 2021 met 2,4 % ten opzichte van 2017 en met 6,5 % ten opzichte van het onderzoektijdvak. Het eerste halfjaar van 2021 bedroeg de winstgevendheid 1,9 %, terwijl de bedrijfstak van de Unie in het OT verlies leed (- 1,8 %). Ook hebben verscheidene belanghebbenden bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de producenten in de Unie de gevraagde producten niet konden leveren omdat zij voor bestellingen in 2021 en ten minste de eerste helft van 2022 hun maximumcapaciteit hadden bereikt. Op basis hiervan merkte de Commissie op dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie na het onderzoektijdvak in zijn geheel is verbeterd. |
|
(24) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA op basis van het in 2021 behaalde winstniveau aan dat de bedrijfstak van de Unie nog steeds aanmerkelijke schade leed. Ook verwezen EA en Elval naar de prestaties van de Valeo-groep (5) voor het eerste halfjaar van 2021 (in termen van ebitda, verkoop, kasstroom, orderopname) en naar haar vooruitzichten voor het jaar 2021. Op basis hiervan voerden zij aan dat de verwerkende industrie in gezonde staat verkeert, wat contrasteert met de bedrijfstak van de Unie en zijn veel kwetsbaardere situatie. |
|
(25) |
In dit verband was de Commissie van oordeel dat de beoordeling van de schadesituatie van de bedrijfstak van de Unie na het OT was gebaseerd op een beoordeling van de verschillende schade-indicatoren waarnaar in overweging 23 wordt verwezen, niet alleen op het winstniveau. In het onderhavige geval vertoonden alle indicatoren waarvoor de Commissie om informatie over de periode na het OT had verzocht, een aanzienlijke verbetering bij een vergelijking tussen het eerste semester van 2021 en het OT. Hetzelfde geldt voor een vergelijking van de gegevens over het eerste halfjaar van 2021 met die van 2017, met uitzondering van de bezettingsgraad en de winstgevendheid. De Commissie merkte op dat de winstgevendheid van de verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie sinds het einde van het onderzoektijdvak een positieve trend had ingezet, dat deze boven het niveau van 2018 lag en geleidelijk aan het winstniveau van 2017 benaderde, het hoogste niveau in de beoordelingsperiode. Tegen deze achtergrond is het onwaarschijnlijk dat de positieve trend op het gebied van de winst zou worden belemmerd door de schorsing van de maatregelen. |
|
(26) |
De Commissie was van oordeel dat de verwijzing naar de prestaties en vooruitzichten van de Valeo-groep niet passend was, aangezien de desbetreffende gegevens niet uitsluitend betrekking hadden op de sector die het onderzochte product verwerkt, noch op de activiteiten binnen de EU. Bovendien was de Commissie niet van mening dat de prestaties van de Valeo-groep representatief waren voor de verwerkende industrie, waartoe ook marktdeelnemers uit vele andere sectoren behoren (bouw, verpakking en andere industriële toepassingen). De Commissie merkte ook op dat het voorstel om de Valeo-groep als representatief voor de verwerkende industrie te beschouwen, in tegenspraak was met het argument van EA in overweging 9. Op grond daarvan heeft de Commissie dit argument afgewezen. |
|
(27) |
Uit de analyse van de opmerkingen die de Commissie na haar verzoek van de verschillende partijen heeft ontvangen, bleek dat deze ontwikkelingen na het OT door verschillende factoren werden verklaard. |
|
(28) |
De vraag in en buiten de Unie nam toe als gevolg van het economisch herstel na COVID. Bovendien richtten de gebruikers die gewoon waren producten uit de VRC te kopen zich na de opening van het onderzoek tot de bedrijfstak van de Unie, wat leidde tot een verdere toename van de vraag. |
|
(29) |
Hoewel de bedrijfstak van de Unie zijn capaciteit na het onderzoektijdvak heeft vergroot, was hij de afgelopen maanden niet in staat om aan de toegenomen vraag te voldoen, deels als gevolg van de eerder ondernomen inkrimping van zijn capaciteit. Bovendien werd de periode na het OT gekenmerkt door een tijdelijk tekort aan halfbewerkt en primair aluminium (staking, productieproblemen binnen of buiten de Unie, hoge vraag naar Russische aluminiumslabs). |
|
(30) |
Al met al leidde de tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen in de eerste helft van 2021 tot een gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod. In de praktijk leidde dit tot aanzienlijk langere doorlooptijden (van 4 tot twaalf weken in normale tijden tot 6 à tien maanden) en tot een aanzienlijke prijsstijging voor gewalste aluminiumproducten als gevolg van de stijging van de LME-aluminiumprijs (meer dan 10 % tussen het OT en de daaropvolgende periode van twaalf maanden), de meerprijs voor aluminium (meer dan 13 % tussen het OT en de daaropvolgende periode van twaalf maanden) en de wisselkosten. De stijging van de aluminiumpremie werd ook beïnvloed door de aankondiging van een uitvoerheffing van 15 % op Russisch primair aluminium. |
|
(31) |
De Commissie heeft echter de volgende feiten in overweging genomen:
|
|
(32) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA aan dat de gegevens waarop het schorsingsbesluit was genomen, niet waren geverifieerd en niet waren gevonden in het dossier dat voor inzage door belanghebbenden openstond. |
|
(33) |
De Commissie was van oordeel dat de informatie in het dossier, met inbegrip van de opmerkingen over de mogelijkheid tot schorsing van de definitieve maatregelen die naar aanleiding van het in overweging 5 vermelde verzoek om informatie van de Commissie waren ingediend, geen twijfel liet bestaan over de situatie na het OT op de markt van de Unie en de tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen. Deze opmerkingen en het daaraan gehechte bewijsmateriaal, zoals een verklaring van een qua verkoopvolume grote producent in de Unie dat hij tijdelijk niet aan zijn contractuele verplichtingen kon voldoen, ondersteunden de argumenten van de medewerkende partijen. Zij bevestigden immers alleen de bevindingen van het onderzoek die wezen op een tijdelijk gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod in de periode na het OT, zoals verwacht door de bedrijfstak van de Unie (zie overweging 528 van de definitieve verordening). Op grond hiervan was de Commissie van oordeel dat haar besluit op betrouwbare feiten gebaseerd was, en verwierp zij dit argument. Er is hoe dan ook geen absolute verplichting om controles ter plaatse uit te voeren om verstrekte gegevens te kunnen aanvaarden, mits de Commissie zich ervan kan vergewissen dat deze betrouwbaar zijn. |
|
(34) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden EA en Elval aan dat er geen sprake was van een gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod. In dit verband voerden EA en Elval aan dat de toename van de productie, de capaciteit en de verkoop in de Unie in de periode na het OT aantoonde dat de bedrijfstak van de Unie in staat was geweest de markt te bevoorraden. Ook voerde EA aan dat dergelijke cijfers een kwantificatie vormden van de toename van het aanbod en de capaciteit die beschikbaar was voor een nog groter aanbod. Op grond hiervan voerde EA aan dat de conclusie van de Commissie in overweging 29 dat de bedrijfstak van de Unie „de afgelopen maanden niet in staat [was] om aan de toegenomen vraag te voldoen” niet werd gestaafd door de feiten in het dossier waarop het schorsingsbesluit is gebaseerd. |
|
(35) |
EA voerde met name aan dat de in overweging 29 vermelde stelling van de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie zijn capaciteit eerder had ingekrompen, in tegenspraak was met de bevindingen in tabel 6 van de definitieve verordening, die wezen op een lichte daling van de capaciteit tussen 2018 en het OT. Op basis hiervan voerde EA aan dat de bevinding van de Commissie was gebaseerd op een kennelijk onjuiste beoordeling van de ontwikkeling van de productiecapaciteit in de Unie en dat de productiecapaciteit na het onderzoektijdvak met nog eens 15 % was toegenomen, met als resultaat een reservecapaciteit van 490 000 ton op jaarbasis. Bovendien voerde EA aan dat er veel andere leveringsbronnen zijn dan China. |
|
(36) |
De Commissie was het om verschillende redenen niet eens met de beweringen van EA. Ten eerste had de gerapporteerde capaciteit voor de beoordelingsperiode, en met name voor het onderzoektijdvak, betrekking op de theoretische capaciteit. De theoretische capaciteit was hoger dan de actieve/bemande capaciteit, aangezien de theoretische capaciteit geen rekening hield met verminderingen van de feitelijke capaciteit als gevolg van bijvoorbeeld de daling van de werkgelegenheid veroorzaakt door de lockdowns van de COVID-19-pandemie, en zoals gemeld door bepaalde grote producenten in de Unie. De bedrijfstak van de Unie meldde met name dat het aantal ploegendiensten tijdens de COVID-19-pandemie werd beperkt, terwijl het de ondernemingen, toen de vraag weer aantrok, meer tijd kostte om het benodigde personeel opnieuw in dienst te nemen en op te leiden zodat de beschikbare capaciteit kon worden gebruikt. Ten tweede is het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod, zoals vermeld in overweging 31, ook te wijten aan het tekort aan halfbewerkt en primair aluminium, waardoor de feitelijk beschikbare capaciteit afneemt. Ten derde heeft de bedrijfstak van de Unie zelf erkend dat er sprake was van een tijdelijk gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod, zoals vermeld in overweging 528 van de definitieve verordening. Dit tijdelijke gebrek aan evenwicht werd ook bevestigd door verschillende belanghebbenden in hun antwoorden op de verzoeken om informatie over de schorsing, en in hun opmerkingen over de mededeling van feiten en overwegingen, waaruit bleek dat de aanlooptijden na het onderzoektijdvak aanzienlijk waren toegenomen en dat de producenten in de Unie in 2021 en ten minste in de eerste helft van 2022 hun maximumcapaciteit voor bestellingen hadden bereikt (zie de overwegingen 23 en 30). Sommige van de bovenstaande elementen, zoals de langere aanlooptijden, worden ook bevestigd door onafhankelijke marktbronnen (6). Ten vierde wijst de informatie in het dossier niet op het bestaan van beschikbare reservecapaciteit in andere landen en heeft EA in dit verband geen bewijsmateriaal verstrekt. Op grond hiervan was de Commissie van oordeel dat haar conclusie met betrekking tot het gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod juist was, en wees zij het argument van EA af. |
|
(37) |
EA betwistte ook de bevinding van de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie de afgelopen maanden niet in staat was geweest om aan de toegenomen vraag te voldoen. EA verwees met name naar de toename in ontvangen bestellingen voor alle AFRP’s (met inbegrip van producten die buiten de werkingssfeer van het onderzoek vallen) eind 2020/begin 2021, en naar de toename van het productievolume en de leveringen voor het onderzochte product in het eerste en tweede kwartaal van 2021. Zij voerde ook aan dat het niveau van ontvangen bestellingen sinds het tweede kwartaal van 2021 was gedaald tot een niveau dat dicht bij het eerste kwartaal van 2020 lag, wat zou wijzen op een stabilisatie van de vraag, en dat deze indicator de beste raming in het dossier vormde van de snelle verandering in de vraag na het OT. Op basis hiervan stelde EA dat de bedrijfstak van de Unie in staat was geweest snel te reageren op het economisch herstel na COVID en aan de toegenomen vraag te voldoen. |
|
(38) |
In dit verband moet er allereerst aan worden herinnerd dat de door de EA genoemde ontvangen bestellingen een veel ruimere productomschrijving en een veel ruimer geografisch bereik omvatten dan die van dit onderzoek. Daarom kan dit niet rechtstreeks worden vergeleken met de ontwikkelingen bij de productie en verkoop van het onderzochte product. Met name vertegenwoordigen de desbetreffende bestellingen qua omvang ongeveer twee keer de totale verkoop binnen de Unie van het onderzochte product door de bedrijfstak van de Unie. Op basis hiervan was de Commissie van mening dat het niet zinvol was indicatoren te vergelijken die zo sterk van elkaar verschillen wat betreft productomschrijving, geografisch bereik en omvang. Om dezelfde redenen van verschillen in productomschrijving, geografisch bereik en omvang werd de verwijzing naar de ontwikkeling van de ontvangen bestellingen in het tweede kwartaal van 2021 — d.w.z. een toekomstgerichte indicator van toekomstige productie en leveringen — als rechtvaardiging van het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om het onderzochte product in de periode na het eind van het OT te leveren, niet passend geacht. |
|
(39) |
Daarnaast was de Commissie van oordeel dat het argument van EA dat de bedrijfstak van de Unie de afgelopen maanden in staat was om aan de huidige vraag te voldoen, in tegenspraak was met de verklaring van EA in overweging 528 van de definitieve verordening dat er sprake was van een tijdelijk gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod, en met het overvloedige bewijsmateriaal in het dossier dat wijst op langere aanlooptijden, de onmogelijkheid om verder te gaan dan contractuele overeenkomsten en het feit dat bepaalde producenten in de Unie in 2021 en de eerste helft van 2022 hun maximumcapaciteit voor bestellingen hadden bereikt. Op deze gronden wees de Commissie het argument van EA af. |
|
(40) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen uitte EA twijfels over de bevinding van de Commissie dat de aanlooptijden waren toegenomen, zoals vermeld in overweging 30, en vroeg zij om de bron waarop deze conclusie was gebaseerd. EA voerde ook aan dat de bedrijfstak van de Unie niet was verzocht dergelijke informatie te verstrekken en niet in de gelegenheid werd gesteld om over deze beweringen opmerkingen te maken. |
|
(41) |
In dit verband wezen de opmerkingen — open voor inzage door belanghebbenden — van bepaalde gebruikers en importeurs naar aanleiding van het in overweging 5 vermelde verzoek van de Commissie op langere aanlooptijden. Sommige daarvan werden ook ondersteund met gevoelig bewijsmateriaal in de vorm van e-mailuitwisselingen, en werden bevestigd door de publicatie van CRU van 5 augustus 2021 over aluminiumproducten. Op grond hiervan was de Commissie van oordeel dat de bedrijfstak van de Unie de gelegenheid had gehad opmerkingen te maken over de opmerkingen van andere partijen. De bedrijfstak van de Unie heeft echter geen ondersteunend bewijsmateriaal verstrekt dat pleitte tegen deze langere aanlooptijden. Integendeel: zoals vermeld in overweging 528 van de definitieve verordening had de bedrijfstak van de Unie het bestaan ervan reeds erkend. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen. |
|
(42) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden EA en Elval aan dat de ontwikkeling van de aluminiumprijs en de meerprijs voor aluminium slechts gedeeltelijk tot uiting was gekomen in de gemiddelde prijs bij verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie, dat de bedrijfstak van de Unie een deel van de prijsstijging had geabsorbeerd en dat een stijging met 2,4 % als resultaat van een vergelijking tussen 2017 en het eerste halfjaar van 2021 redelijk was en geen rechtvaardiging kon vormen voor de bevinding van gewijzigde marktverhoudingen. |
|
(43) |
De Commissie was het ermee eens dat de bedrijfstak van de Unie de stijging van de aluminiumprijs en de meerprijs voor aluminium niet volledig aan zijn afnemers had doorberekend. Om de prijzen na het OT op zinvolle wijze te kunnen vergelijken met de prijzen tijdens het OT, was de Commissie echter van mening dat de vergelijking met name moest worden gemaakt tussen het einde van het onderzoek en de meest recente periode. Op basis hiervan kwam de Commissie, zoals vermeld in overweging 23, uit op een prijsstijging van 6,5 % tussen het onderzoektijdvak en het eerste halfjaar van 2021. Aangezien het gemiddelde van het OT, gezien de ontwikkeling van de LME, hoger was dan de prijs aan het eind van het OT, werd de conservatieve prijsstijging met 6,5 % als aanzienlijk beschouwd. Omdat het grootste deel van de verkopen plaatsvindt op basis van langlopende contracten, werd bovendien geoordeeld dat een dergelijke prijsstijging de omvang van de te verwachten prijsstijging niet volledig weerspiegelde, gezien het bewijsmateriaal over prijsverhogingen dat door verschillende belanghebbenden was verstrekt. Op grond hiervan was de Commissie van oordeel dat de berekende prijsverhoging de bevinding van tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen rechtvaardigde en wees zij het argument van EA af. |
|
(44) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA aan dat de Commissie de vraag- en aanbodsituatie inzake AFRP’s voor warmtewisselaars voor de automobielindustrie voor de periode 2021-2026 had beoordeeld, en dat een dergelijke beoordeling a fortiori een onderzoek omvatte van de situatie na het OT waarbij de verwachte vraag kon worden geabsorbeerd door de geraamde capaciteit van de bedrijfstak van de Unie en de verwachte invoer uit derde landen. |
|
(45) |
De Commissie was het niet eens met dit argument. Zoals vermeld in overweging 56 van de definitieve verordening, erkende de bedrijfstak van de Unie zelf het bestaan van tijdelijke capaciteitsproblemen in verband met het plotselinge en sterke herstel na COVID-19. Bovendien hebben gebruikers uit de sector waar AFRP’s voor warmtewisselaars voor de automobielindustrie onder vallen, in het kader van zowel het hoofdonderzoek als het schorsingsonderzoek bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat er na het onderzoektijdvak sprake was van een tijdelijk gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen. |
|
(46) |
Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie in de definitieve verordening dat de marktverhoudingen na de beoordelingsperiode inderdaad veranderden. De wijziging van de marktverhoudingen was echter van tijdelijke aard (in tegenstelling tot structurele veranderingen), en het is waarschijnlijk dat de vraag en het aanbod na de tijdelijke schorsing van de maatregelen weer beter op elkaar zouden aansluiten. |
3. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE IN GEVAL VAN SCHORSING
|
(47) |
De aanzienlijke stijging van de verkoop door de bedrijfstak van de Unie heeft geleid tot een aanzienlijke toename van het marktaandeel, aangezien de invoer uit de VRC aanzienlijk is gedaald. Gezien het niveau van de vraag, het feit dat veel gebruikers zijn overgestapt op de bedrijfstak van de Unie en de aard van de contracten (zeer weinig losse bestellingen) is het onwaarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Unie veel klanten zou verliezen aan Chinese exporteurs als de maatregelen voor negen maanden zouden worden geschorst. |
|
(48) |
Verder was de Commissie van oordeel dat de schorsing van negen maanden gebruikers die om uitsluiting van bepaalde producten verzochten, een extra periode zou geven om producenten in de Unie (opnieuw) te valideren en een soepele overgang van een Chinese leverancier naar een leverancier in de Unie te waarborgen, indien nodig. |
|
(49) |
Hoewel de bedrijfstak het in 2017 behaalde winstpeil nog niet heeft bereikt, zal de in 2021 ingezette positieve trend zich waarschijnlijk voortzetten tot de marktverhoudingen zich aanpassen aan de situatie na COVID-19. In feite waren de ontvangen bestellingen op jaarbasis (7) van de bedrijfstak van de Unie in het eerste kwartaal van 2021 op het hoogste niveau sinds 2015. De op jaarbasis berekende ontvangen bestellingen in het tweede kwartaal van 2021 lagen onder het niveau van het eerste kwartaal, maar kwamen nog steeds overeen met het niveau van 2017/2018. Bovendien hebben verschillende producenten in de Unie, zoals vermeld in overweging 23, volgens informatie van verschillende gebruikers gemeld dat zij al volledig waren geboekt tot ten minste de eerste helft van 2022. Dit wekt vertrouwen over het activiteitsniveau van de bedrijfstak van de Unie in de komende maanden. Aangezien het grootste deel van de verkoop plaatsvindt op grond van contracten die prijsmechanismen bevatten, zal de stijging van de invoer uit de VRC tijdens de periode van schorsing van de maatregelen bovendien geen gevolgen hebben voor de inkomsten van de bedrijfstak van de Unie, aangezien die invoer dat deel van de vraag zal dekken waar de bedrijfstak van de Unie op dat moment geen capaciteit voor heeft. Wat ten slotte de prijsontwikkeling voor primair materiaal en eindproducten betreft, was de Commissie van oordeel dat de prijsvormingsmechanismen die in de overgrote meerderheid van de contracten van toepassing zijn, de bedrijfstak van de Unie in staat zouden stellen prijsstijgingen zo nodig aan hun afnemers door te berekenen. Het brede gebruik van afdekkingsmechanismen om rekening te houden met de ontwikkeling van de prijzen van primaire materialen is een andere garantie dat de bedrijfstak van de Unie niet in aanzienlijke mate te lijden zou hebben van prijsschommelingen in primaire materialen. Daarom concludeerde de Commissie dat de schorsing van de maatregelen geen gevolgen zou hebben voor de algemene prestaties van de bedrijfstak van de Unie in de komende maanden. |
|
(50) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA aan dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door de maatregelen te schorsen via een inderhaast uitgevoerd onderzoeksproces waarbij de regels inzake eerlijke rechtsgang, behoorlijk bestuur en controle van de feiten werden veronachtzaamd. Daarnaast was EA van mening dat de dreigende schade voor de bedrijfstak van de Unie duidelijk voorzienbaar was, aangezien de producenten in de Unie hun prijzen tot een verlieslatend niveau zouden moeten verlagen om te kunnen concurreren met de invoer met dumping uit China, en marktaandeel aan Chinese producenten zouden verliezen. EA voerde ook aan dat de schorsing de benutting van de onbenutte productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie zou belemmeren, onzekerheid en een gebrek aan zichtbaarheid zou veroorzaken en tot herziening van investeringsbeslissingen zou leiden, met als gevolg minder banen, minder omzet en minder winst. Ter onderbouwing van dit argument kwam EA met een verklaring van een producent in de Unie over een vermeende prijsofferte voor een levering in januari 2022. |
|
(51) |
De Commissie was het niet eens met de bewering van EA dat zij een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt en regels inzake een eerlijke rechtsgang, behoorlijk bestuur en controle van de feiten had veronachtzaamd. In dit verband wordt verwezen naar de overwegingen 9 tot en met 14, waarin de Commissie de beweringen over de rechten van belanghebbenden heeft weerlegd, en naar overweging 33 als het gaat om de controleaspecten. |
|
(52) |
Wat de beoordeling van de feiten betreft, merkte de Commissie op dat EA de in de overwegingen 47 tot en met 49 vermelde redenering van de Commissie met betrekking tot de waarschijnlijkheid van herhaling van schade tijdens de schorsingsperiode niet heeft betwist, en evenmin ondersteunend bewijsmateriaal heeft verstrekt dat deze redenering ondermijnt. Met betrekking tot de vermeende voorzienbare onmiddellijke schade, zoals vermeld in overweging 49, was de Commissie van oordeel dat de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van schorsing van de maatregelen niet te lijden zou hebben van de toename van de invoer uit de VRC, aangezien die invoer de vraag zou dekken waarvoor de bedrijfstak van de Unie op dat moment geen capaciteit heeft. Verder was de Commissie van mening dat de verklaring van één producent in de Unie geen indicatie was voor de gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie als geheel tijdens de schorsingsperiode. |
|
(53) |
Belangrijk is dat de schorsing van de maatregelen in de tijd beperkt is tot een periode van negen maanden, en dat de maatregelen snel opnieuw kunnen worden ingesteld als de invoer uit China de Unie zou binnenkomen in grotere hoeveelheden die de bedrijfstak van de Unie schade toebrengen. Op grond van het bovenstaande werd dit argument afgewezen. |
|
(54) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde Elval aan dat het besluit tot schorsing in tegenspraak was met de conclusies in de mededeling van de definitieve bevindingen. In de mededeling van de definitieve bevindingen was geconcludeerd dat de producenten in de Unie reeds gedurende een aanzienlijke periode schade hadden geleden. Volgens Elval zou het besluit tot schorsing de instroom van Chinese invoer mogelijk maken en in de toekomst aanzienlijke schade toebrengen aan de toeleveringsketen. |
|
(55) |
De Commissie was van mening dat dit argument niet gegrond was, aangezien de analyseperiode voor het hoofdonderzoek (2017-juni 2020) en die van het schorsingsbesluit (juli 2020-juni 2021) verschilden, zodat de Commissie op basis van de gegevens in elke periode tot verschillende conclusies kan komen. Verder heeft de Commissie, zoals vermeld in de overwegingen 47 tot en met 49, geconcludeerd dat de algemene prestaties van de bedrijfstak van de Unie in de komende maanden, op basis van de positieve trends voor de periode juli 2020-juni 2021, niet zouden worden beïnvloed door de schorsing van de maatregelen. Wegens het ontbreken van meer specifieke elementen in dit verband werd dit argument afgewezen. |
|
(56) |
Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat herhaling van schade gedurende de negen maanden niet waarschijnlijk is als de maatregelen zouden worden geschorst. |
4. RAADPLEGING VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(57) |
Naar aanleiding van het verzoek van de Commissie om opmerkingen te maken over de mogelijke schorsing van de maatregelen, voerde de bedrijfstak van de Unie aan dat de stijging van de vraag van tijdelijke aard was en dat er tekenen van economische vertraging waren, met name in de automobielsector. De bedrijfstak van de Unie voerde ook aan dat de schorsing van de maatregelen zou leiden tot massale voorraadvorming en de corrigerende werking van de maatregelen zou ondermijnen. Bijgevolg voerde zij aan dat de schorsing van de maatregelen de aangevangen herstelinspanningen in gevaar zou brengen. |
|
(58) |
Gezien de ontwikkeling van de belangrijkste schade-indicatoren van de bedrijfstak van de Unie na het onderzoektijdvak, de verwachte bezettingsgraad en de orderportefeuilles was de Commissie van oordeel dat de schorsing waarschijnlijk niet schadelijk zou zijn voor de bedrijfstak van de Unie of de aangevangen herstelinspanningen in gevaar zou brengen. |
|
(59) |
Verder was de Commissie, gezien het huidige hoge prijsniveau en de grote vraag in en buiten de Unie, van oordeel dat er slechts een beperkt risico bestond op het aanleggen van voorraden uit China. De aanzienlijke stijging van de zeevrachtkosten na het herstel na COVID maakt het aanleggen van voorraden ook minder aantrekkelijk. |
|
(60) |
Het belangrijkste is dat de maatregelen, als de invoer van oorsprong uit China de Unie zou binnenkomen in grotere hoeveelheden die de bedrijfstak van de Unie schade toebrengen, overeenkomstig artikel 14, lid 4, van de basisverordening snel opnieuw kunnen worden ingesteld. De Commissie zal toezicht houden op de ontwikkeling van de invoer van het betrokken product en onmiddellijk reageren op eventuele veranderingen in de in dit besluit beschreven situatie. |
|
(61) |
In dit verband blijft de toegang tot het niet-vertrouwelijke dossier via TRON beschikbaar na de vaststelling van de ontwerpuitvoeringshandelingen, zodat nieuwe informatie snel kan worden ingediend. |
5. BELANG VAN DE UNIE
|
(62) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA aan dat de Commissie niet had vastgesteld dat schorsing van de definitieve antidumpingmaatregelen in het belang van de Unie was door de gevolgen te beoordelen van het al dan niet toepassen van de maatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie zelf en het belang van downstreamgebruikers. Daarnaast voerde EA aan dat elke poging om deze kennelijk onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 14, lid 4, van de basisverordening recht te zetten, willekeurig en in strijd met de eerlijke rechtsgang zou zijn. |
|
(63) |
De Commissie was het hier niet mee eens. Een beoordeling op grond van artikel 14, lid 4, heeft intrinsiek betrekking op de beoordeling van het belang van de Unie. In dit verband heeft de Commissie het belang van de Unie beoordeeld door het belang van de downstreamgebruikers op basis van de in de overwegingen 30 en 48 vermelde elementen af te wegen tegen het belang van de bedrijfstak van de Unie zoals vermeld in de overwegingen 49 en 54, met betrekking tot de waarschijnlijkheidsanalyse. Op basis hiervan kwam de Commissie tot de conclusie dat de schorsing van de maatregelen in het belang van de Unie zou zijn. Bijgevolg heeft de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 4, een analyse van het belang van de Unie uitgevoerd. Er wordt ook verwezen naar eerdere schorsingsbesluiten (8) waarbij de Commissie dezelfde aanpak heeft gevolgd. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen. |
6. VERBAND TUSSEN SCHORSING EN INSTELLING VAN MAATREGELEN
|
(64) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde EA aan dat er geen wettelijke verplichting bestond om de inning van de rechten te schorsen op dezelfde datum als die van de instelling van de rechten die voortvloeiden uit de afsluiting van het overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening geopende onderzoek. In hetzelfde verband voerde zij aan dat een dergelijke praktijk haar rechten als belanghebbende aantastte. |
|
(65) |
De Commissie was het met het uitgangspunt van het verzoek van EA eens. Op grond van artikel 14, lid 4, beschikt de Commissie over een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het tijdstip waarop zij besluit de maatregelen te schorsen. Daarom is er geen verplichting te schorsen op dezelfde dag als waarop het onderzoek dat tot de instelling van rechten heeft geleid, wordt beëindigd. Deze discretionaire bevoegdheid belet de Commissie echter niet de maatregelen te schorsen op dezelfde dag als zij worden opgelegd. Met andere woorden, de Commissie was van oordeel dat zij, mits aan de voorwaarden van artikel 14, lid 4, is voldaan, over een volledige discretionaire bevoegdheid beschikt met betrekking tot het passende tijdschema om in dit verband op te treden. In dezelfde geest, en zoals vermeld in overweging 8, was de Commissie van oordeel dat de termijnen voor het indienen van opmerkingen redelijk waren en dat de rechten van EA als belanghebbende niet werden ingeperkt. |
|
(66) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde EA dat het schorsingsbesluit niet was ingegeven door het belang van de Unie en voerde zij aan dat de belangrijkste reden voor het schorsingsbesluit de bedoeling leek te zijn een alternatieve aanpak te vinden voor afgewezen verzoeken van verschillende gebruikers om bepaalde subcategorieën AFRP’s van de productomschrijving uit te sluiten. In dit verband verwees EA naar het schorsingsverzoek van Valeo. Voorts voerde EA aan dat de schorsing de markt zou openstellen voor de levering van gedumpte goederen, niet alleen voor de producten waarvoor om uitsluiting werd verzocht, maar ook voor andere producten binnen de productomschrijving. |
|
(67) |
De Commissie was het niet eens met het argument van EA. Zoals vermeld in overweging 63, is het besluit van de Commissie om de maatregelen op te schorten wel degelijk ingegeven door redenen in verband met het belang van de Unie, die gebaseerd zijn op tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen en het feit dat herhaling van schade bij schorsing van de maatregelen niet waarschijnlijk is. Verder merkte de Commissie op dat de tijdelijke wijziging van de marktverhoudingen niet uitsluitend van toepassing was op bepaalde subcategorieën AFRP’s, maar op de markt voor AFRP’s als geheel. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen. |
|
(68) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden EA en Elval aan dat de schorsing het signaal zou afgeven dat de Commissie de invoer van aluminium met een hoge CO2-voetafdruk op basis van steenkool niet ontmoedigt ten voordele van milieuvriendelijkere producenten in de Unie, en dat dit besluit de inspanningen van de bedrijfstakken in de EU om de doelstellingen van de Green Deal te verwezenlijken, in gevaar brengt door verlies van investeringen. |
|
(69) |
De Commissie was het niet eens met de bewering van EA en was van mening dat het besluit om de maatregelen te schorsen in het belang van de Unie was genomen om op tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen te reageren en ervoor te zorgen dat vraag en aanbod op korte termijn weer in evenwicht zouden zijn. Op grond hiervan was de Commissie niet van oordeel dat de schorsing de inspanningen van de EU-bedrijfstakken en de AFRP-bedrijfstak van de Unie in gevaar zou brengen, met name omdat zij, zoals vermeld in overweging 54, heeft geconcludeerd dat herhaling van schade als gevolg van de tijdelijke schorsing van de maatregelen niet waarschijnlijk was. Bovendien zal het schorsingsbesluit nauwlettend worden gevolgd om onmiddellijk te worden opgeheven indien een dergelijke schorsing wordt gebruikt om de omvang van de invoer zodanig te verhogen dat de bedrijfstak van de Unie tijdens de schorsingsperiode verdere schade zou lijden. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen. |
7. OPMERKINGEN VAN ANDERE PARTIJEN
|
(70) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen hebben de gebruikers Valeo, TitanX, Airoldi en TDK Hungary Components Kft (“TDK HU”), de in de steekproef opgenomen producent-exporteur Xiamen Xiashun Aluminium Foil Co., Ltd (“Xiamen Xiashun”), de European Association of Non-Integrated Metal Importers (EURANIMI) en de importeur O. Wilms GMBH (“Nilo”) hun steun voor de schorsing van de maatregelen uitgesproken. |
|
(71) |
Verscheidene van deze partijen maakten bezwaar tegen de duur van negen maanden van de schorsing en voerden aan dat er meer tijd nodig zal zijn om zich in te stellen op de in de overwegingen 30 en 31 genoemde tijdelijke marktverhoudingen, aangezien deze waarschijnlijk niet binnen negen maanden zullen worden opgelost. Zij voerden met name aan dat de betrokken verhoudingen wel eens niet van tijdelijke aard zouden kunnen zijn, maar lang na de termijn van negen maanden zouden kunnen voortduren. De Commissie merkte op dat de duur van negen maanden de in artikel 14, lid 4, van de basisverordening vastgestelde maximumtermijn is. Alleen als na die periode nog steeds aan alle voorwaarden van hetzelfde artikel is voldaan, kan de duur verder worden verlengd. |
|
(72) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde Xiamen Xiashun aan dat het schorsingsvoorstel, en met name de bevindingen van de Commissie in overweging 30 met betrekking tot het huidige gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt van de Unie, bevestigen dat een gesegmenteerde analyse van basisaluminiumfolie had moeten worden uitgevoerd en dat als gevolg daarvan basisaluminiumfolie van de productomschrijving van de definitieve maatregelen zou moeten worden uitgesloten. De Commissie verwees in de eerste plaats naar haar bevindingen in punt 2.2.8 van de definitieve verordening waarin zij oordeelde dat een gesegmenteerde analyse niet gerechtvaardigd was en dit verzoek tot uitsluiting van het product afwees. De huidige onevenwichtigheid tussen vraag en aanbod die door de Commissie is vastgesteld, heeft betrekking op het onderzochte product in zijn geheel en niet op een bepaalde productsoort zoals basisaluminiumfolie, en de periode na het OT is in de definitieve verordening niet geanalyseerd. Ook heeft de Commissie vastgesteld dat de betrokken onevenwichtigheid slechts tijdelijk was en dus het best kan worden aangepakt door een schorsing van de maatregelen. Dit argument werd dan ook afgewezen. |
|
(73) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen waren verscheidene gebruikers en importeurs het eens met de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de in de overwegingen 23 tot en met 28 vermelde tijdelijk gewijzigde marktverhoudingen, haar beoordeling van het beperkte risico van het aanleggen van voorraden (overweging 59) en haar conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van schade tijdens de schorsingsperiode (overweging 54). Verschillende gebruikers wezen met name op het feit dat er na het OT nieuwe langetermijncontracten met producenten in de Unie zijn afgesloten die, in combinatie met de andere positieve ontwikkelingen op de markt (toename van de vraag en bezettingsgraad en verbeterde winstgevendheid), herhaling van schade zouden voorkomen. Daarnaast betwijfelden verscheidene gebruikers of er tijdens de schorsingsperiode extra capaciteit van de bedrijfstak van de Unie beschikbaar zal komen en voerden zij ook aan dat de periode in kwestie mogelijk niet volstaat om het valideringsproces te voltooien. |
|
(74) |
Wat de bevindingen inzake extra capaciteit betreft, was de Commissie van mening dat de duidelijke vertraging van de automobielsector in de komende maanden de bedrijfstak van de Unie in staat zou stellen meer capaciteit toe te wijzen aan de productie van het onderzochte product, en bijgevolg een herbalancering van vraag en aanbod mogelijk zou maken. |
|
(75) |
Met betrekking tot het argument dat er onvoldoende tijd is om het valideringsproces af te ronden, merkte de Commissie op dat, zoals vermeld in overweging 133 van de definitieve verordening, bepaalde grote gebruikers niet hebben gewacht op de schorsing van de maatregelen om van Chinese leveranciers naar producenten in de Unie over te stappen en daarom de (her-)validering van producenten in de Unie al hebben ingeleid. Bovendien verwees de Commissie naar haar conclusies in de overwegingen 136 en 137 van de definitieve verordening betreffende respectievelijk het bestaan van gelijkwaardige legeringen en het bestaan van dual sourcing. Bovendien kopen de meeste gebruikers de meeste van hun AFRP’s in de EU en hebben zij daarom reeds een zakelijke relatie met één of meer producenten in de Unie. Deze elementen ondersteunen de vaststelling dat de schorsingsperiode een soepele verschuiving van leveranciers van de VRC naar producenten in de Unie mogelijk zou maken wat betreft validering of hervalidering van producenten in de Unie. Daarom zal de (her-)validatie waarschijnlijk minder tijd in beslag nemen dan een volwaardige nieuwe validatieprocedure. Dit argument werd dan ook afgewezen. |
|
(76) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde TDK HU aan dat de kwestie van het gebrek aan capaciteit voor het onderzochte product dat voor de productie van elektrolytische aluminiumcondensatoren wordt gebruikt, na de periode van negen maanden zal blijven bestaan, aangezien deze specifieke productsoort momenteel niet in de Unie wordt geproduceerd. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Unie in staat zal zijn deze soort in productie te nemen en kan het valideringsproces veel tijd in beslag nemen. De Commissie merkte op dat de conclusies in de overwegingen 217 tot en met 240 van de definitieve verordening ook voor de bevindingen van dit besluit gelden. Er is met name geen nieuw bewijsmateriaal verstrekt om de daarin getrokken conclusies te wijzigen, namelijk dat de Commissie, bij gebrek aan antwoorden op de vragenlijst en het daarbij benodigde bewijsmateriaal, de argumenten van TDK HU en de andere betrokken partijen niet op zinvolle wijze kon beoordelen op basis van een standaardpakket van voldoende en tijdig ingediende informatie. Bijgevolg heeft de Commissie het argument afgewezen. |
8. CONCLUSIE
|
(77) |
Gezien het tijdelijke karakter van de verandering van de marktverhoudingen met betrekking tot vraag en aanbod, en met name het huidige gebrek aan evenwicht tussen vraag en aanbod op de markt van de Unie, in combinatie met de vooruitzichten van de bedrijfstak van de Unie voor de komende maanden, wordt geoordeeld dat het onwaarschijnlijk is dat de schade in verband met de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de Volksrepubliek China zich opnieuw zal voordoen als gevolg van de schorsing. Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat het in het belang van de Unie is dat de bij de definitieve verordening ingestelde antidumpingmaatregelen voor een periode van negen maanden worden geschorst. |
|
(78) |
Indien de situatie die tot de schorsing heeft geleid later verandert, kan de Commissie de schorsing van de antidumpingmaatregelen onmiddellijk intrekken. Naar aanleiding van de aanbeveling van de raadadviseur-auditeur tijdens de hoorzitting van 8 september 2021 heeft de Commissie ook besloten een systeem voor operationele post-monitoring op te zetten, waarin belanghebbenden regelmatig relevante marktontwikkelingen onder de aandacht van de Commissie kunnen brengen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1784 van de Commissie ingestelde definitieve antidumpingrecht op gewalste platte aluminiumproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt geschorst voor een periode van negen maanden.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 8 oktober 2021.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) PB C 268 van 14.8.2020, blz. 5.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/582 van de Commissie van 9 april 2021 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gewalste platte aluminiumproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 124 van 12.4.2021, blz. 40).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1784 van de Commissie van 8 oktober 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op gewalste platte aluminiumproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China (zie bladzijde 6 van dit Publicatieblad).
(5) https://www.valeo.com/wp-content/uploads/2021/07/PR_Valeo_H1_2021_Results_EN.pdf, geraadpleegd op 8 september 2021.
(6) CRU Aluminium products Monitor, verslag van augustus 2021.
(7) Het niveau van ontvangen bestellingen is een middel om toekomstige inkomsten te beoordelen, aangezien deze overeenkomt met de omvang van de bestellingen die binnen een bepaalde verslagperiode wordt verwerkt. In het onderhavige geval is deze indicator niet beperkt tot de EU en omvat zij producten die buiten de productomschrijving vallen.
(8) PB L 126 van 13.2.2010 in overweging 10, en PB L 120 van 15.5.2009 in overweging 7.