|
10.12.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 415/10 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/2014 VAN DE COMMISSIE
van 21 augustus 2020
tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde visserijen in de Noordzee voor de periode 2021-2023
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (1), en met name artikel 11,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) heeft onder meer tot doel de teruggooi in alle visserijen van de Unie geleidelijk uit te bannen middels de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden. |
|
(2) |
Artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet in de vaststelling van meerjarenplannen met instandhoudingsmaatregelen voor de visserij op bepaalde bestanden in een bepaald geografisch gebied. In deze meerjarenplannen worden nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting vastgelegd en kan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om die bepalingen verder uit te werken op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen. |
|
(3) |
Bij Verordening (EU) 2018/973 is een meerjarenplan vastgesteld voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren. Krachtens artikel 11 van die verordening is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door nadere bepalingen vast te stellen inzake de aanlandingsverplichting voor alle bestanden van soorten in de Noordzee waarop de aanlandingsverplichting van toepassing is krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, zoals bepaald in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van die verordening op basis van door de lidstaten opgestelde gezamenlijke aanbevelingen. |
|
(4) |
Zoals omschreven in Verordening (EU) 2018/973, omvat de Noordzee de sectoren 2a, 3a en deelgebied 4 van de ICES (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee). |
|
(5) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 van de Commissie (3) zijn nadere bepalingen vastgesteld ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020-2021, op basis van een gezamenlijke aanbeveling van België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk (4), die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de visserij in de Noordzee. |
|
(6) |
Na overleg met de adviesraad voor de Noordzee en de adviesraad voor pelagische bestanden hebben België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland en Zweden op 4 mei 2020 bij de Commissie een gezamenlijke aanbeveling ingediend tot vaststelling van een teruggooiplan voor pelagische en demersale soorten in de Noordzee voor de periode 2021-2023. Op 23 juli 2020 hebben de lidstaten een herziene versie van de gezamenlijke aanbeveling ingediend. |
|
(7) |
De ter zake relevante wetenschappelijke instanties hebben wetenschappelijke bijdragen geleverd, die werden beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) (5). De Commissie heeft de betrokken maatregelen op 28 juli 2020 gepresenteerd aan een deskundigengroep bestaande uit vertegenwoordigers van de 27 lidstaten, in een vergadering die door het Europees Parlement als waarnemer werd bijgewoond. |
|
(8) |
Krachtens artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie rekening gehouden met de beoordeling door het WTECV en met het feit dat de lidstaten moeten zorgen voor de volledige uitvoering van de aanlandingsverplichting. De regionale groep van lidstaten heeft het merendeel van haar verzoeken om de-minimisvrijstellingen gebaseerd op een mogelijke stijging van de kosten als gevolg van de behandeling van ongewenste vangsten. De informatie die de lidstaten in dit verband hebben verstrekt, is verbeterd. Het WTECV merkt echter op dat het verbeteren van de gegevensverzameling in sommige gevallen nodig blijft en dat het verbeteren van de selectiviteit prioriteit zou moeten hebben om de hoeveelheid ongewenste vangsten te verminderen. Daarom zullen de vrijstellingen in dergelijke gevallen per geval worden verleend voor één of twee jaar. De lidstaten moeten aanvullende gegevens verstrekken afkomstig van lopende proeven en wetenschappelijke studies. |
|
(9) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen, als bedoeld in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor vangsten van langoustines met korven in de ICES-sectoren 2a, 3a en in ICES-deelgebied 4, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal waaruit hoge overlevingskansen bij teruggooi bleken. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het door de lidstaten in voorgaande jaren ingediende bewijsmateriaal geëvalueerd en concludeerde (6) dat de vrijstelling gerechtvaardigd is. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden. |
|
(10) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van langoustines in ICES-deelgebied 4 en de ICES-sectoren 2a en 3a met bodemtrawls, waaronder sommige met een selectiviteitsvoorziening. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het nieuwe, door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (7) dat er aanvullende informatie was verstrekt voor de ottertrawlvisserij op Nephrops aan de oostkust, zoals het WTECV had verzocht (8). Het WTECV heeft in voorgaande jaren geconcludeerd dat de ondersteunende informatie robuust was en dat de in de context van de grotere vloten gebruikte valideringstechniek redelijk was (9). Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden. |
|
(11) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte (MCRS) met ottertrawls in ICES-sector 4c, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal waaruit hoge overlevingskansen bij teruggooi bleken. De lidstaten hebben de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee verzocht de vrijstelling voort te zetten. Het bewijsmateriaal is in voorgaande jaren door het WTECV beoordeeld en toereikend bevonden (10). Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden. |
|
(12) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden in de visserij met korven en fuiken, op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal waaruit hoge overlevingskansen bij teruggooi bleken. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal in voorgaande jaren geëvalueerd en concludeerde (11) dat de beschikbare gegevens erop wijzen dat de sterfte van teruggegooide vis waarschijnlijk laag is; de werkelijke vangsten in de visserij zijn echter verwaarloosbaar. De vrijstelling moet van toepassing blijven, aangezien de vangsten niet significant zijn en de omstandigheden niet zijn veranderd. |
|
(13) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol in de visserij met kieuwnetten en schakelnetten in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal in voorgaande jaren beoordeeld en concludeerde (12) dat de informatie redelijk was en op aanzienlijk hoge overlevingskansen wees. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling in deze verordening worden behouden. |
|
(14) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol in de visserij met Deense zegens in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft het bewijsmateriaal in voorgaande jaren beoordeeld en concludeerde (13) dat de gegevens van de studie over de overlevingspercentages betrouwbaar zijn. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet die vrijstelling worden behouden. |
|
(15) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten en bijvangsten van schol in de visserij op platvis of rondvis met trawls met een maaswijdte van ten minste 120 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. In de gezamenlijke aanbeveling werd ook verzocht om een nieuwe vrijstelling op grond van hoge overlevingskansen voor vangsten van schol met trawls met een maaswijdte van 100-119 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben aanvullend wetenschappelijk bewijsmateriaal verstrekt om de hoge overlevingskansen van teruggegooide schol in die visserij aan te tonen. Het WTECV merkte op dat de ondersteunende studies zijn uitgevoerd met een maaswijdte van 90 mm; daarom is het onwaarschijnlijk dat de overlevingspercentages lager zijn met een maaswijdte van ten minste 100 mm. Aangezien het seizoen en de blootstelling aan de lucht belangrijke factoren zijn voor de overleving van schol en dat de overlevingspercentages na 60 minuten blootstelling aan de lucht lager kunnen zijn, moeten de vrijstellingen in deze verordening worden opgenomen en moeten ongewenste vangsten van schol onmiddellijk worden vrijgelaten. |
|
(16) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte op hoge overlevingskansen gebaseerde vrijstellingen voor:
|
|
(17) |
De lidstaten verzochten deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal op basis van lopende studies. Het WTECV merkte op (14) dat verbeteringen in de definitie om de visserij op platvis en rondvis te onderscheiden van de visserij op Nephrops nodig blijven. De Commissie merkte op dat de lidstaten zich er in de gezamenlijke aanbeveling toe verbonden verdere werkzaamheden te verrichten in dit verband. Deze vrijstelling moet derhalve worden behouden. |
|
(18) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor vangsten van schol die kleiner zijn dan de MCRS, met boomkorren van 80-119 mm (BT2) in ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4:
|
|
(19) |
De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuw bewijsmateriaal in. Het WTECV merkte op (15) dat er omvangrijke onderzoeksprojecten lopen die nuttige informatie over deze vrijstelling zouden moeten opleveren. Daarom moeten deze vrijstellingen worden behouden. De lidstaten moeten de relevante gegevens die afkomstig zijn van de lopende projecten zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 1 mei van elk jaar indienen. De Commissie merkt ook op dat de lidstaten zich er in de gezamenlijke aanbeveling toe hebben verbonden om uiterlijk op 1 mei 2021 bij het jaarverslag een tijdschema voor de voltooiing van de routekaart in te dienen. |
|
(20) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op basis van overlevingskansen voor vangsten van tarbot met TBB-tuig met een maaswijdte in de kuil van meer dan 80 mm in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuwe wetenschappelijke informatie in. Het WTECV merkte op (16) dat het onduidelijk is of de verstrekte ramingen van de overleving op dit verzoek van toepassing zijn. De Commissie merkt op dat de lidstaten in de gezamenlijke aanbeveling hebben toegezegd verder onderzoek te verrichten om de overleving van teruggegooide tarbot te observeren en meer gedetailleerde informatie te verstrekken over de overlevingskansen in een nieuw wetenschappelijk project, dat loopt tot eind 2021. Daarom moet deze vrijstelling worden behouden tot en met 31 december 2022. De lidstaten moeten elk jaar uiterlijk op 1 mei een jaarverslag over de voortgang van de lopende werkzaamheden indienen. |
|
(21) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor de vangst van roggen met alle soorten vistuig in de ICES-sectoren 2a en 3a en in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en dienden nieuwe wetenschappelijke informatie in. Het WTECV concludeerde (17) dat er aanzienlijke inspanningen zijn geleverd om de ontbrekende gegevens aan te vullen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de routekaart. Die vrijstelling moet derhalve worden behouden. Er zijn echter verbeteringen in de gegevensverzameling vereist. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten uiterlijk op 1 mei van elk jaar aanvullende wetenschappelijke informatie verstrekken, met name voor grootoogroggen, waarvan is vastgesteld dat zij een lager overlevingspercentage hebben. De Commissie merkt op dat de lidstaten, op verzoek van het WTECV, in de gezamenlijke aanbeveling hebben toegezegd verslag uit te brengen over de overeengekomen routekaart, waaronder over grootoogroggen. |
|
(22) |
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1395/2014 van de Commissie (18) voorzag onder bepaalde voorwaarden in een vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten van makreel en haring in de ringzegenvisserijen na een positieve evaluatie door het WTECV (19). Uit deze studie bleek dat de overlevingspercentages afhangen van de tijd gedurende welke de vissen worden samengedrukt en van hun dichtheid in het net, die in deze visserijen doorgaans beperkt zijn. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, moet de vrijstelling worden behouden. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moeten uiterlijk op 1 mei 2022 geactualiseerde gegevens over de visserij indienen. |
|
(23) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte de-minimisvrijstellingen voor:
|
|
(24) |
De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft dat bewijsmateriaal in voorgaande jaren beoordeeld en concludeerde (20) , (21) , (22) dat in de door de lidstaten ingediende documenten met gefundeerde argumenten wordt aangetoond dat verdere verbeteringen van de selectiviteit moeilijk te realiseren zijn of met onevenredige kosten voor de behandeling van ongewenste vangsten gepaard gaan. Aangezien de omstandigheden niet zijn veranderd, is het passend de de-minimisvrijstellingen te behouden, rekening houdend met het percentage en de nodige wijzigingen als voorgesteld in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013. |
|
(25) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een de-minimisvrijstelling voor wijting en kabeljauw gevangen met bodemtrawls in ICES-sector 4c. De lidstaten verzochten om de voortzetting van de vrijstelling. Het WTECV heeft deze vrijstelling in voorgaande jaren geëvalueerd (23) en de vrijstelling werd verleend op grond van het feit dat het moeilijk was de selectiviteit te verbeteren. Gezien de huidige status van kabeljauw (24) merkte het WTECV in zijn verslag 20-04 echter op dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om het niveau van de ongewenste vangsten te verlagen. De vrijstelling moet daarom worden verleend voor een jaar en de lidstaten met een belang bij deze visserij moeten uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende informatie over de vangstsamenstelling indienen voor de beoordeling door het WTECV. |
|
(26) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een de-minimisvrijstelling voor wijting en kabeljauw onder de MCRS gevangen met bodemtrawls of zegens in de ICES-deelgebieden 4a en 4b. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal geëvalueerd en merkte op dat er een nieuwe studie loopt, maar dat verbeteringen van het verstrekte bewijsmateriaal nodig blijven. Gezien de huidige status van kabeljauw (25) merkte het WTECV in zijn verslag 20-04 op dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om het niveau van de ongewenste vangsten te verlagen. De vrijstelling moet derhalve voor twee jaar worden verleend en alleen voor wijting tegen een verminderd percentage. |
|
(27) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 bevatte een de-minimisvrijstelling voor vangsten van wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte door vaartuigen die vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV merkte op (26) dat er bewijs van hogere kosten is. De lidstaten wezen op een potentieel verstikkingsrisico voor deze visserij, alsook op lopende studies over de toepassing van selectiviteitsmaatregelen die nuttige informatie over deze vrijstelling zouden moeten verschaffen. Het WTECV merkte echter op dat de verstrekte informatie beperkt is en alleen betrekking heeft op de Nederlandse vloot. De vrijstelling dient derhalve voor één jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2021 verder bewijsmateriaal over onevenredige kosten en verbeteringen van de selectiviteit indienen. |
|
(28) |
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1395/2014 bevatte een de-minimisvrijstelling voor makreel, horsmakreel, haring en wijting gevangen door trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die gebruikmaken van pelagische trawls in de ICES-sectoren 4b en 4c ten zuiden van 54 graden noorderbreedte. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV concludeerde (27) dat het redelijk is ervan uit te gaan dat het moeilijk zou zijn extra verbeteringen van de selectiviteit te realiseren en dat de kosten voor het sorteren van vangsten hoog zouden zijn gezien de aard van de betrokken visserijen. Het WTECV merkte echter op dat er beperkte nieuwe informatie is verstrekt en dat de lidstaten aanvullend kwantitatief bewijsmateriaal ter ondersteuning van de de-minimisvrijstelling moeten verstrekken. De vrijstelling dient derhalve voor twee jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie verstrekken voor beoordeling door het WTECV. |
|
(29) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 is een de-minimisvrijstelling verleend voor een gecombineerde hoeveelheid sprot, zandspiering, kever en blauwe wijting in de demersale visserij met trawls in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV concludeerde (28) dat het redelijk is ervan uit te gaan dat het moeilijk zou zijn extra verbeteringen van de selectiviteit te realiseren en dat de kosten voor het sorteren van vangsten hoog zouden zijn gezien de aard van de betrokken visserijen. Het WTECV merkte echter op dat verdere kwantitatieve gegevens nodig waren om de vrijstelling te ondersteunen. De vrijstelling dient derhalve voor twee jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 geactualiseerde wetenschappelijke gegevens en passende ondersteunende informatie verstrekken. |
|
(30) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 voorzag in een de-minimisvrijstelling voor leng gevangen met beuglijnen in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft de door de lidstaten ingediende informatie geëvalueerd en concludeerde (29) dat de gepresenteerde informatie weliswaar beperkt is, maar dat de argumenten met betrekking tot moeilijkheden bij het verbeteren van de selectiviteit geloofwaardig zijn. De vrijstelling dient derhalve voor twee jaar te worden verleend. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie ter ondersteuning van deze vrijstelling verstrekken. |
|
(31) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 zijn de-minimisvrijstellingen verleend voor vangsten van makreel en horsmakreel met bodemtrawls met een maaswijdte van 80-99 mm in ICES-deelgebied 4. De lidstaten hebben verzocht deze vrijstelling voort te zetten en verstrekten nieuw bewijsmateriaal. Het WTECV heeft het door de lidstaten ingediende bewijsmateriaal onderzocht en concludeerde (30) dat er aanwijzingen zijn voor hogere kosten in verband met de behandeling en opslag van ongewenste vangsten, maar dat de verstrekte informatie beperkt was tot bepaalde gebieden en vloten. De vrijstelling moet derhalve voor twee jaar worden verleend en van toepassing zijn op die gebieden en vloten. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie ter ondersteuning van deze vrijstelling verstrekken. |
|
(32) |
De gezamenlijke aanbeveling bevatte een nieuwe de-minimisvrijstelling voor blauwe wijting in de industriële pelagische trawlvisserij. Het WTECV heeft het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal geanalyseerd en concludeerde (31) dat er beperkte informatie was ter ondersteuning van de stelling dat selectiviteit moeilijk te realiseren is en dat de behandeling van ongewenste vangsten met onevenredige kosten gepaard gaat. Het WTECV merkte echter op dat het, gezien de technische en sanitaire kenmerken van de betrokken fabriekstrawler, moeilijk zou zijn om aanvullende selectiviteitsverbeteringen te realiseren. De vrijstelling moet gedurende twee jaar worden verleend met het oog op de aanpassing aan andere zeegebieden en om de lidstaten voldoende tijd te geven om de door het WTECV geïdentificeerde discrepanties in de gegevens op te helderen. De lidstaten moeten uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende informatie verstrekken. |
|
(33) |
Met het oog op betrouwbare ramingen van de teruggooiniveaus voor de vaststelling van de totale toegestane vangsten moeten de lidstaten, wanneer de de-minimisvrijstelling is gebaseerd op extrapolatie van situaties met weinig beschikbare gegevens en op gedeeltelijke vlootinformatie, nauwkeurige en controleerbare gegevens verstrekken voor de gehele onder deze vrijstelling vallende vloot. |
|
(34) |
De in de nieuwe gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met artikel 15, lid 4, artikel 15, lid 5, onder c), en artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en met Verordening (EU) 2018/973, en met name artikel 11, en kunnen derhalve in de onderhavige verordening worden opgenomen. |
|
(35) |
Overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) 2018/973 wordt de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen betreffende de aanlandingsverplichting vast te stellen aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 5 augustus 2018. Het is dan ook passend om de gevolgen van de op overlevingskansen gebaseerde en de-minimisvrijstellingen van de aanlandingsverplichting opnieuw te evalueren. |
|
(36) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 moet worden ingetrokken en door een nieuwe verordening worden vervangen. De artikelen 11 en 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 voorzien echter in technische maatregelen om de selectiviteit van het vistuig te vergroten en ongewenste vangsten in het Skagerrak te verminderen, en om het gebruik van SepNep-netten toe te staan. Deze maatregelen moeten van toepassing blijven tot het einde van 2021, zoals aanvankelijk was bepaald in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238, of totdat een overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (32) vast te stellen gedelegeerde handeling in die technische maatregelen voorziet. |
|
(37) |
Aangezien de maatregelen van de onderhavige verordening rechtstreeks van invloed zijn op de planning van het visseizoen van de Unievaartuigen en de daarmee samenhangende economische activiteiten, moet de onderhavige verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. Zij moet van toepassing worden met ingang van 1 januari 2021, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoering van de aanlandingsverplichting
In de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) is voor de periode 2021-2023 de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde aanlandingsverplichting overeenkomstig deze verordening van toepassing op demersale en pelagische visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
1. |
“selectiviteitsnetrooster” (Netgrid): een selectiviteitsvoorziening bestaande uit een door vier panelen gevormd gedeelte dat wordt aangebracht in een door twee panelen gevormde trawl met een hoeks geplaatst netpaneel met ruitvormige mazen van ten minste 200 mm, zodat aan de bovenkant van de trawl een ontsnappingsgat ontstaat; |
|
2. |
“Vlaams paneel” het achterste trechtervormige netgedeelte van een boomkor, waarvan:
|
|
3. |
“ontsnappingspaneel voor benthos”: een paneel uit netwerk met grotere mazen of vierkante mazen dat is bevestigd in het onderpaneel van een trawl, gewoonlijk een boomkor, om bentisch materiaal en zeebodemafval te lozen voordat het in de kuil terechtkomt; |
|
4. |
“SepNep”: een ottertrawl die:
|
Artikel 3
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor langoustines
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4) voor de volgende vangsten van langoustines (Nephrops norvegicus):
|
a) |
vangsten met korven (FPO (33)); |
|
b) |
vangsten met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met:
|
2. Bij de teruggooi van langoustines die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de langoustines onmiddellijk in hun geheel vrijgelaten in het gebied waar zij zijn gevangen.
Artikel 4
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tong
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op basis van overlevingskansen is van toepassing op vangsten van tong (Solea solea) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met ottertrawls (OTB) met een maaswijdte in de kuil van 80-99 mm in de Uniewateren van ICES-sector 4c, binnen zes zeemijl uit de kust maar buiten de bekende kraamgebieden.
2. De in lid 1 bedoelde vrijstelling is alleen van toepassing voor vaartuigen met een lengte van ten hoogste 10 meter en een motorvermogen van ten hoogste 221 kW die vissen in wateren met een diepte van maximaal 30 meter tijdens een trek van niet langer dan negentig minuten.
3. Bij de teruggooi van tong die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tong onmiddellijk vrijgelaten.
Artikel 5
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor bijvangsten met korven en fuiken van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op basis van overlevingskansen geldt voor alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en die worden gevangen met korven en fuiken (FPO, FYK) in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4.
2. Bij de teruggooi van vis die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze vis onmiddellijk onder het wateroppervlak vrijgelaten.
Artikel 6
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor vangsten en bijvangsten van schol
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4 voor:
|
a) |
schol (Pleuronectes platessa) die wordt gevangen met netten (GNS, GTR, GTN, GEN); |
|
b) |
schol die wordt gevangen met Deense zegens; |
|
c) |
schol die wordt gevangen met bodemtrawls (OTB; PTB):
|
2. Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt de schol onmiddellijk vrijgelaten.
Artikel 7
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-sector 2a en ICES-deelgebied 4 voor vangsten van schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die worden gedaan met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm (BT2), voor vangsten van schol:
|
a) |
met vistuig dat is uitgerust met de “flip-up”-kabel of met het ontsnappingspaneel voor benthos (BRP) of voor vangsten door vaartuigen met een motorvermogen van meer dan 221 kW, of |
|
b) |
met vaartuigen van lidstaten ter uitvoering van de routekaart voor de volledig gedocumenteerde visserij. |
2. De in lid 1 bedoelde vrijstelling is ook van toepassing op vangsten van platvis met boomkorren (BT2) door vaartuigen met een motorvermogen van niet meer dan 221 kW of een lengte over alles van minder dan 24 m, die zijn gebouwd om te vissen in de twaalfmijlszone, indien de gemiddelde trawlduur minder dan negentig minuten bedraagt.
3. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in de leden 1 en 2 vastgestelde vrijstellingen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.
4. Bij de teruggooi van schol die overeenkomstig de leden 1 en 2 is gevangen, wordt deze schol onmiddellijk vrijgelaten.
Artikel 8
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor tarbot
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 voor vangsten van tarbot (Scophthalmus maximus) met boomkorren met een kuil van ten minste 80 mm (TBB).
2. De in lid 1 bedoelde vrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.
3. Bij de teruggooi van tarbot die overeenkomstig lid 1 is gevangen, wordt deze tarbot onmiddellijk vrijgelaten.
Artikel 9
Vrijstelling op grond van overlevingskansen voor roggen
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor vangsten van roggen met alle soorten vistuig in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4).
2. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen elk jaar zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei aanvullende wetenschappelijke informatie, in het bijzonder voor grootoogroggen, in ter ondersteuning van de in lid 1 vastgestelde vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli van elk jaar.
3. Bij de teruggooi van roggen die overeenkomstig lid 1 zijn gevangen, worden de roggen onmiddellijk vrijgelaten.
Artikel 10
Vrijstelling op basis van overlevingskansen voor makreel en haring in de ringzegenvisserijen
1. De in artikel 15, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde vrijstelling op grond van overlevingskansen geldt voor vangsten van makreel en haring in de ringzegenvisserijen in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a, 3a en ICES-deelgebied 4), indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de vangst wordt vrijgelaten voordat de ringzegen tot een bepaald percentage (vastgesteld in de leden 2 en 3 hieronder) is gesloten (“het punt van ophaling”); |
|
b) |
de ringzegen is voorzien van zichtbare boeien die duidelijk de grens voor het punt van ophaling markeren; |
|
c) |
het vaartuig en de ringzegen zijn uitgerust met een elektronisch registratie- en documentatiesysteem om te documenteren wanneer, waar en in welke mate de ringzegen is ingezet voor alle visserijactiviteiten. |
2. Het punt van ophaling in de makreelvisserij is bij 80 % sluiting van de ringzegen en in de haringvisserij bij 90 % sluiting van de ringzegen.
3. Indien de ingesloten school uit beide soorten bestaat, is het punt van ophaling bij 80 % sluiting van de ringzegen.
4. Het is verboden vangsten makreel en haring vrij te laten na het punt van ophaling.
5. De ingesloten school vissen wordt bemonsterd vóór de vrijlating om de soortensamenstelling, de groottesamenstelling en de hoeveelheid te ramen.
6. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 bewijsmateriaal in ter rechtvaardiging van de noodzaak om deze vrijstelling voort te zetten.
Artikel 11
De-minimisvrijstellingen voor pelagische en demersale visserijen
In afwijking van artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de volgende hoeveelheden op grond van artikel 15, lid 4, onder c), van die verordening worden teruggegooid:
|
1) |
in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van de Noordzee (de ICES-sectoren 2a en 3a en ICES-deelgebied 4) vissen met schakel- en kieuwnetten (GN, GNS, GND, GNC, GTN, GTR, GEN, GNF): een hoeveelheid tong onder en boven de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt; |
|
2) |
in de visserij op tong door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren (TBB) met een maaswijdte van 80-119 mm uitgerust met een Vlaams paneel: een hoeveelheid tong onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort uitmaakt; |
|
3) |
in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN) met een maaswijdte van ten minste 70 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 35 mm tussen de staven: een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis en heek onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, Noordse garnaal, kabeljauw, zwarte koolvis en heek uitmaakt; |
|
4) |
in de visserij op Noordse garnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT) met een maaswijdte van ten minste 35 mm die zijn uitgerust met een soortselectief rooster met een afstand van ten hoogste 19 mm tussen de staven en met een vrije uitlaat voor de vis: een gecombineerde hoeveelheid tong, schelvis, wijting, kabeljauw, schol, zwarte koolvis, haring, kever, grote zilvervis en blauwe wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, indien deze bestaat, die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, tong, schelvis, wijting, kabeljauw, zwarte koolvis, schol, Noordse garnaal, heek, kever, grote zilvervis, haring en blauwe wijting uitmaakt; |
|
5) |
in de visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 3a vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN, PTB) met een maaswijdte van 90-119 mm die zijn uitgerust met een seltra-paneel met een bovenpaneel met een maaswijdte van 140 mm (vierkante mazen), met een maaswijdte van 270 mm (ruitvormige mazen) of met een maaswijdte van 300 mm (vierkante mazen), of met bodemtrawls (OTB, OTT, TBN, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm: een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte tot ten hoogste 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van langoustines, kabeljauw, schelvis, wijting, zwarte koolvis, tong, schol en heek; |
|
6) |
in de visserij op langoustines door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met bodemtrawls met een maaswijdte van 80-99 mm uitgerust met een SepNep: een hoeveelheid schol onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die ten hoogste 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van zwarte koolvis, schol, schelvis, wijting, kabeljauw, Noordse garnaal, tong en langoustines uitmaakt; |
|
(7) |
in de visserij op Noordzeegarnaal door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met boomkorren: een hoeveelheid van alle soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden, die in 2021 en 2022 niet meer dan 6 % en in 2023 niet meer dan 5 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van alle soorten in die visserijen waarvoor vangstbeperkingen gelden; |
|
8) |
in de demersale visserijen door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen op leng met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte van ten minste 120 mm: een hoeveelheid leng onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die visserij uitmaakt; |
|
9) |
in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-sector 4c vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2): een gecombineerde hoeveelheid wijting en kabeljauw onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die niet meer dan 5 % van de totale jaarlijkse vangsten van die soorten uitmaakt; de maximale hoeveelheid kabeljauw die mag worden teruggegooid, is beperkt tot 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van deze soort; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2021. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2021; |
|
10) |
in de gemengde demersale visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van de ICES-sectoren 4a en 4b vissen met bodemtrawls of zegens (OTB, OTT, SDN, SSC) met een maaswijdte van 70-99 mm (TR2): een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 4 % van de totale jaarlijkse vangsten van wijting uitmaakt; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022; |
|
11) |
in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de Uniewateren van ICES-deelgebied 4 vissen met boomkorren met een maaswijdte van 80-119 mm: een hoeveelheid wijting onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 2 % van de totale jaarlijkse vangsten van schol en tong uitmaakt; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2021. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2021 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2021; |
|
12) |
in pelagische visserijen op makreel, horsmakreel en haring in de ICES-sectoren 4b en 4c ten zuiden van 54 graden noorderbreedte door pelagische trawlers met een lengte over alles tot 25 meter die gebruikmaken van pelagische trawls (OTM/PTM): een gecombineerde hoeveelheid makreel, horsmakreel, haring en wijting die niet meer dan 1 % van de totale jaarlijkse vangsten van makreel, horsmakreel, haring en wijting uitmaakt; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022; |
|
13) |
in de demersale gemengde visserij met trawls (OTB, OTM, OTT, PTB, PTM, SDN, SPR, SSC, TB, TBN) met een maaswijdte van meer dan 80 mm in ICES-sector 3a en ICES-deelgebied 4, en in de visserij op Noordse garnaal waarbij gebruik wordt gemaakt van vistuig met een sorteerrooster met een afstand van 19 mm tussen de staven of een gelijkwaardige selectiviteitsvoorziening en van een visretentiesysteem met een maaswijdte van meer dan 35 mm in ICES-sector 3a en 32 mm in ICES-deelgebied 4: een gecombineerde hoeveelheid sprot, zandspiering, kever en blauwe wijting die niet meer bedraagt dan 1 % van de totale jaarlijkse vangsten in de gemengde demersale visserij en in de visserij op Noordse garnaal; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022; |
|
14) |
in de demersale visserij op heek door vaartuigen die in ICES-deelgebied 4 met beuglijnen (LLS) vissen: een hoeveelheid leng (Molva molva) onder de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte die niet meer dan 3 % van de totale jaarlijkse vangsten van leng in die demersale visserij uitmaakt; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022; |
|
15) |
in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2): een hoeveelheid horsmakreel (Trachurus spp.), die niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van horsmakreel in die visserij; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022; |
|
16) |
in de demersale gemengde visserij door vaartuigen die in de ICES-sectoren 4b en 4c vissen met bodemtrawls (OTB, OTT, PTB) met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm (TR2): een hoeveelheid makreel (Scomber scombrus), die niet meer dan 6 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van makreel in die visserij; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022; |
|
17) |
in de industriële pelagische trawlvisserij op blauwe wijting in ICES-deelgebied 4, waarbij die soort aan boord wordt verwerkt tot surimibasis; een hoeveelheid blauwe wijting (Micromesistius poutassou), die niet meer dan 5 % bedraagt van de totale jaarlijkse vangsten van blauwe wijting; de in dit punt bedoelde de-minimisvrijstelling is voorlopig van toepassing tot en met 31 december 2022. De lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dienen zo snel mogelijk en uiterlijk op 1 mei 2022 aanvullende wetenschappelijke informatie in ter ondersteuning van de vrijstelling. Het WTECV beoordeelt de verstrekte wetenschappelijke informatie uiterlijk op 31 juli 2022. |
Artikel 12
Intrekkings- en overgangsbepalingen
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.
De artikelen 11 en 12 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 blijven evenwel van toepassing tot en met 31 december 2021 of, indien dat eerder is, totdat een overeenkomstig artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1241 vast te stellen gedelegeerde handeling van toepassing wordt.
Artikel 13
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De artikelen 1 tot en met 11 zijn van toepassing van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 21 augustus 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 179 van 16.7.2018, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2238 van de Commissie van 1 oktober 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting voor bepaalde demersale visserijen in de Noordzee voor de periode 2020-2021 (PB L 336 van 30.12.2019, blz. 34).
(4) Het Verenigd Koninkrijk is sinds 1 februari 2020 geen lidstaat meer.
(5) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf
(6) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf
(7) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(8) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2537709/STECF+PLEN+19-02.pdf
(9) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf
(10) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf
(11) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1780485/STECF+PLEN+17-02.pdf
(12) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf
(13) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf
(14) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(15) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(16) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(17) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(18) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1395/2014 van de Commissie van 20 oktober 2014 tot vaststelling van een teruggooiplan voor bepaalde kleine pelagische visserijen en visserijen voor industriële doeleinden in de Noordzee (PB L 370 van 30.12.2014, blz. 35).
(19) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/812327/STECF+PLEN+14-02.pdf
(20) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1099561/STECF+PLEN+15-02.pdf
(21) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2147402/STECF+PLEN+18-02.pdf
(22) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf
(23) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/1710831/STECF+17-08+-+Evaluation+of+LO+joint+recommendations.pdf/d7110d8a-c4da-498c-8b30-98d0b5c2fc22
(24) http://ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2020/2020/cod.27.47d20.pdf
(25) http://ices.dk/sites/pub/Publication%20Reports/Advice/2020/2020/cod.27.47d20.pdf
(26) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(27) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(28) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(29) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(30) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(31) https://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/2694823/STECF+20-04+-+Eval+JRs+LO+and+TM+Reg.pdf
(32) Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).
(33) De in de onderhavige verordening gebruikte vistuigcodes zijn vastgesteld in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. Voor vaartuigen met een lengte over alles van minder dan tien meter zijn de vistuigcodes waarvan in deze verordening gebruik wordt gemaakt, vastgesteld in de vistuigindeling van de FAO.