|
27.5.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 164/28 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/705 VAN DE COMMISSIE
van 26 mei 2020
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaald zwaar thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Inleiding
|
(1) |
Op 10 oktober 2019 heeft de Europese Commissie op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer in de Unie van bepaald zwaar thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (“Korea” of “het betrokken land”). Het bericht van inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 26 augustus 2019 was ingediend door de European Thermal Paper Association (“de klager” of “ETPA”) namens producenten die samen meer dan 25 % van de totale productie in de Unie van bepaald zwaar thermisch papier (heavyweight thermal paper) (“HWTP” of “het betrokken product”) voor hun rekening nemen. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om het onderzoek te openen. |
|
(3) |
Op grond van artikel 14, lid 5 bis, van de basisverordening moet de Commissie de aan een antidumpingonderzoek onderworpen invoer registeren gedurende de periode van voorafgaande kennisgeving, tenzij zij over voldoende bewijs beschikt dat niet aan bepaalde vereisten is voldaan. Eén van deze vereisten, als vermeld in artikel 10, lid 4, onder d), van de basisverordening, behelst dat er sprake moet zijn van een aanzienlijke toename van invoer naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt. De invoer van HWTP uit Korea is in de vier maanden na de opening van het onderzoek sterk afgenomen — met 81 % — ten opzichte van dezelfde periode in het onderzoektijdvak. De na de opening van het onderzoek verzamelde gegevens waren gebaseerd op de Taric-codes die bij de opening van het onderzoek voor het betrokken product waren gecreëerd. Deze gegevens werden vergeleken met de gemiddelde invoer afkomstig van de enige Koreaanse exporteur gedurende vier maanden in het onderzoektijdvak. Daarom werd niet voldaan aan de voorwaarden voor registratie overeenkomstig artikel 14, lid 5 bis, van de basisverordening. De Commissie heeft de invoer van het betrokken product niet onderworpen aan registratie overeenkomstig artikel 14, lid 5 bis, van de basisverordening, aangezien niet werd voldaan aan de voorwaarde van artikel 10, lid 4, onder d), dat wil zeggen een aanzienlijke toename van de invoer. |
1.2. Belanghebbenden
|
(4) |
In het bericht van inleiding zijn de belanghebbenden verzocht om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de klager, haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten(-exporteurs) alsmede de autoriteiten van de Republiek Korea, haar bekende importeurs en bekende betrokken gebruikers en verenigingen specifiek op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek en hun verzocht daaraan mee te werken. |
|
(5) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(6) |
Er zijn twee hoorzittingen met de Commissie gehouden. Op de op 5 december 2019 op verzoek van de medewerkende producent-exporteur Hansol Group gehouden hoorzitting hebben zijn verbonden importeur in de Unie, een aantal gebruikers en vertegenwoordigers van de Koreaanse overheid kwesties in verband met de EU-markt voor HWTP, schade, oorzakelijk verband en/of belang van de Unie alsmede juridische aangelegenheden aan de orde gesteld. Op de op 7 januari 2020 op verzoek van de klager gehouden hoorzitting zijn deze en enkele van zijn leden dieper ingegaan op kwesties in verband met schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie. De tijdens deze hoorzittingen aangevoerde stellingen zijn opgenomen in deze verordening. |
1.3. Steekproef
|
(7) |
In haar bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. |
1.3.1. Steekproef van producenten in de Unie
|
(8) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie aangegeven dat zij had besloten het aantal te onderzoeken producenten in de Unie tot een redelijk aantal te beperken door gebruik te maken van een steekproef en dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Zij had de voorlopige steekproef samengesteld op basis van de productie en de verkoophoeveelheden in de Unie zoals door de producenten in de Unie gemeld in het kader van het representativiteitsonderzoek voorafgaand aan de inleiding. De aldus samengestelde voorlopige steekproef bestond uit drie producenten in de Unie in twee verschillende lidstaten die volgens de beschikbare informatie goed waren voor 58,2 % van de geraamde totale productie in de Unie en 57,5 % van de totale verkoop in de Unie. De Commissie had nadere gegevens over deze voorlopige steekproef opgenomen in het dossier voor inzage door de belanghebbenden en de belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken. |
|
(9) |
Twee belanghebbenden dienden opmerkingen met betrekking tot de voorlopige steekproef in. De klager ondersteunde de voorgestelde steekproef volledig. Volgens de producent-exporteur Hansol Paper Co., Ltd was de voorgestelde steekproef niet representatief omdat daarin twee, in hetzelfde land gevestigde verbonden ondernemingen waren opgenomen. Hansol Paper Co., Ltd voerde verder aan dat de voorlopige steekproef geen goede geografische spreiding garandeerde en stelde voor om Ricoh, die in Frankrijk is gevestigd, in de steekproef op te nemen. |
|
(10) |
De Commissie was van mening dat de twee in Duitsland gevestigde producenten de grootste producenten van het soortgelijke product in de Europese Unie waren (zij waren samen goed ongeveer 47 % van de totale productie en 44 % van de totale verkoop van het soortgelijke product in de Unie in het onderzoektijdvak) en dat Duitsland de grootste productie en de grootste concentratie producenten van het soortgelijke product had. Bovendien had Ricoh aangegeven dat zij de klacht weliswaar steunde, maar niet in staat was aan het onderzoek mee te werken. |
|
(11) |
De voorlopige steekproef, bestaande uit drie producenten in de Unie, werd bijgevolg bevestigd. De definitieve steekproef, bestaande uit Kanzan Spezialpapiere GmbH en Mitsubishi HiTec Paper Europe GmbH in Duitsland en Jujo Thermal Ltd in Finland, werd als representatief voor de bedrijfstak van de Unie beschouwd. |
1.3.2. Steekproef van importeurs
|
(12) |
Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie niet-verbonden importeurs de in het bericht van inleiding gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(13) |
Twee niet-verbonden importeurs verstrekten de gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal ontvangen antwoorden besloot de Commissie dat een steekproef niet noodzakelijk was. Er werden geen opmerkingen over dit besluit gemaakt. |
1.4. Antwoorden op de vragenlijst
|
(14) |
De Commissie verzocht de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de twee niet-verbonden importeurs die het steekproefformulier hadden beantwoord en de bekende producent-exporteur in Korea — de Hansol Group — om de desbetreffende online beschikbare vragenlijsten in te vullen. |
|
(15) |
Op 20 oktober 2019 diende de producent-exporteur een verzoek in om drie verbonden verwerkende bedrijven vrij te stellen van het invullen van bijlage I bij de hoofdvragenlijst. Op basis van de verstrekte informatie stemde de Commissie op 24 oktober 2019 voorlopig met het verzoek in. |
|
(16) |
Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, één niet-verbonden importeur (Ritrama S.p.A.), de producent-exporteur Hansol Paper Co., Ltd (“Hansol Paper”) en zijn verbonden importeur Hansol Europe B.V. (“Hansol Europe”). Bovendien stuurden twee gebruikers een antwoord. |
1.5. Controlebezoeken
|
(17) |
De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de daardoor veroorzaakte schade en het belang van de Unie nodig achtte. Krachtens artikel 16 van de basisverordening werden controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen/entiteiten:
|
1.6. Presentatie van gegevens
|
(18) |
Gezien het beperkte aantal belanghebbenden die gegevens hebben verstrekt, wordt een aantal onderstaande cijfers met het oog op de vertrouwelijkheid als orde van grootte gepresenteerd (3). |
1.7. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(19) |
Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 (“het onderzoektijdvak” of “OT”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2016 tot aan het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(20) |
Bij het betrokken product gaat het om bepaald zwaar thermisch papier, gedefinieerd als thermisch papier dat meer dan 65 g/m2 weegt, verkocht op rollen met een breedte van 20 cm of meer, wegende 50 kg of meer (met inbegrip van papier) en met een diameter van 40 cm of meer (jumborollen), met of zonder grondlaag op één of beide zijden, bekleed met een warmtegevoelige stof (een mengsel van inkt en een ontwikkelaar dat bij toepassing van warmte reageert en een beeld vormt) op één of beide zijden, en met of zonder toplaag, van oorsprong uit de Republiek Korea, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 4809 90 00, ex 4811 59 00 en ex 4811 90 00 (Taric-codes 4809900020, 4811590020 en 4811900020) (“het betrokken product”). |
|
(21) |
HWTP is een papierspecialiteit. Het is bekleed met een thermoactieve coating die bij toepassing van warmte door printers met thermische printkoppen reageert en een beeld vormt. HWTP wordt voornamelijk gebruikt voor zelfklevende etiketten voor verpakkingen voor de elektronische handel alsmede voor tickets en tags. |
|
(22) |
HWTP kan worden geproduceerd met verscheidene soorten ontwikkelaars: met ontwikkelaars die (bis)fenolische stoffen als bisfenol A en bisfenol S bevatten ((bis)fenolhoudend HWTP), of met ontwikkelaars die geen fenol bevatten (fenolvrij HWTP). Alle soorten zijn voorwerp van dit onderzoek. De Commissie merkt echter op dat HWTP met bisfenol A sinds 2 januari 2020 in de Unie verboden is (4). |
2.2. Soortgelijk product
|
(23) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt;
|
|
(24) |
De Commissie heeft in dit stadium geconcludeerd dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. DUMPING
3.1. Normale waarde
|
(25) |
Hansol Paper bleek in het onderzoektijdvak de enige producent-exporteur van het betrokken product in het betrokken land te zijn. |
|
(26) |
De Commissie heeft eerst onderzocht of de totale binnenlandse verkoop van Hansol Paper representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale hoeveelheid van de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van zijn totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van het betrokken product. Met inachtneming van dit uitgangspunt was de totale verkoop van het soortgelijke product door Hansol Paper op de binnenlandse markt representatief. |
|
(27) |
Vervolgens is de Commissie nagegaan welke op de binnenlandse markt door Hansol Paper verkochte productsoorten identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde productsoorten en waarvan de binnenlandse verkoop representatief was. |
|
(28) |
Daarna heeft zij onderzocht of de binnenlandse verkoop door Hansol Paper op zijn binnenlandse markt voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met de productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van de totale uitvoer van de identieke of vergelijkbare productsoort naar de Unie. De Commissie heeft vastgesteld dat het verkoopvolume voor één productsoort (goed voor 25-45 % van de totale binnenlandse verkoop van Hansol Paper op zijn binnenlandse markt) lager was dan 5 % van de totale naar de Unie verkochte hoeveelheid. Voor deze productsoort werd de normale waarde door berekening vastgesteld als uiteengezet in de overwegingen 33 en 34. |
|
(29) |
Verder heeft de Commissie voor de productsoort in kwestie het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening. |
|
(30) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(31) |
In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het onderzoektijdvak. |
|
(32) |
De normale waarde is gelijk aan de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten in het onderzoektijdvak indien:
|
|
(33) |
Uit de analyse van de binnenlandse verkoop is gebleken dat 60 %-80 % (5) van alle binnenlandse verkopen van de productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met de productsoort die naar de Unie wordt uitgevoerd, winstgevend was en dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs hoger was dan de productiekosten. De normale waarde werd bijgevolg berekend als gewogen gemiddelde van de prijzen van uitsluitend de winstgevende verkoop. |
|
(34) |
Voor de productsoorten waarvoor het soortgelijke product niet of niet voldoende in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt werd verkocht, heeft de Commissie de normale waarde door berekening vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(35) |
De normale waarde is door berekening vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de medewerkende producenten-exporteurs in het onderzoektijdvak te vermeerderen met:
|
3.2. Uitvoerprijs
|
(36) |
De uitvoer door Hansol Paper naar de Unie vond rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers of onrechtstreeks via Hansol Europe, een verbonden importeur in de Unie, plaats. |
|
(37) |
Voor de rechtstreekse verkoop van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in de Unie was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(38) |
Voor de verkoop van het betrokken product naar de Unie via Hansol Europe, die als importeur optreedt, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. De verkoopprijs van de verbonden partij voor niet-verbonden afnemers werd terugwerkend gecorrigeerd tot een prijs af fabriek, door aftrek van de VAA-kosten van de verbonden partij, een redelijke winstmarge en de transportkosten. |
|
(39) |
Met betrekking tot de gehanteerde winstmarge heeft de Commissie in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie (6) geen gebruik gemaakt van de winstmarge van de verbonden onderneming, omdat die onbetrouwbaar wordt geacht. Slechts één partij had een voor niet-verbonden importeurs in de Unie bestemde vragenlijst ingevuld en ermee ingestemd de winstmarge die zij met haar activiteiten in verband met het betrokken product had behaald, openbaar te maken. De winst van Hansol Europe werd derhalve voorlopig vervangen door de winstmarge van die partij. |
3.3. Vergelijking
|
(40) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(41) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. De normale waarde werd gecorrigeerd voor vervoers-, verpakkings- en kredietkosten. De uitvoerprijs werd gecorrigeerd voor kosten van lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, vervoers-, verzekerings- en verpakkingskosten, kredietkosten, bankkosten, commissies en eindejaarskortingen in alle gevallen waarin deze redelijk en nauwkeurig bleken te zijn en met bewijsmateriaal waren gestaafd. |
3.4. Dumpingmarge
|
(42) |
De Commissie heeft de gewogen gemiddelde normale waarde van de respectieve soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, in overeenstemming met artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(43) |
Op basis hiervan bedraagt de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de enige medewerkende producent-exporteur, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, 22,3 %. |
|
(44) |
Voor alle andere producenten-exporteurs in de Republiek Korea, voor zover die er zijn, heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens. Hiertoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking komt overeen met het volume van de uitvoer naar de Unie van de medewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van het totale volume van de uitvoer naar de Unie — volgens de invoerstatistieken van Eurostat — uit het betrokken land. |
|
(45) |
De mate van medewerking is in dit geval hoog, aangezien de uitvoer van Hansol Paper goed was voor 100 % van de totale uitvoer uit het betrokken land naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. De Commissie heeft op basis hiervan besloten de residuele dumpingmarge vast te stellen op hetzelfde niveau als die van de medewerkende producent-exporteur. |
|
(46) |
De voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
4. SCHADE
4.1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(47) |
Het soortgelijke product werd tijdens het onderzoektijdvak vervaardigd door zeven de Commissie bekende producenten in de Unie. Zij vormen de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(48) |
De totale productie in de Unie in het onderzoektijdvak werd vastgesteld op 214 227 ton. De Commissie heeft dit cijfer vastgesteld op basis van de door de klager ingediende antwoorden op de vragenlijst, die werden gecontroleerd aan de hand van de individuele antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Zoals vermeld in de overwegingen 8 en 11, zijn in de steekproef drie producenten in de Unie opgenomen, die samen 58,2 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie vertegenwoordigen. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(49) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de verkoop in de Unie door de bedrijfstak van de Unie, de ramingen van de klager wat de HWTP-invoer uit andere landen betreft en de verkoop in de Unie door de enige Koreaanse producent-exporteur, zoals vermeld in zijn antwoord op de vragenlijst. |
|
(50) |
Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 1 Verbruik in de Unie (in ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(51) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam het verbruik in de Unie licht toe met 1 %. Het steeg met 5 % in de periode 2016-2018 en daalde vervolgens met 4 % in het onderzoektijdvak. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Invoervolume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(52) |
De Commissie heeft het volume van de invoer vastgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijst van de enige Koreaanse producent-exporteur. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld door de hoeveelheden van de invoer te vergelijken met het verbruik in de Unie. |
|
(53) |
De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Invoervolume (in ton) en marktaandeel van de invoer
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(54) |
De invoer uit Korea nam in de beoordelingsperiode in het geheel genomen met 83 % toe. Na een daling met 31 % in 2017 nam de invoer uit de Republiek Korea in de periode van 2017 tot het einde van het onderzoektijdvak aanzienlijk toe, namelijk met 165 %. Het marktaandeel van de invoer steeg in de gehele periode in totaal met 80 %, met de sterkste stijging in de periode van 2017 tot het einde van het onderzoektijdvak (+ 165 %). |
4.3.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(55) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van de antwoorden op de vragenlijst van de producent-exporteur. |
|
(56) |
De gemiddelde prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerprijzen (EUR/ton)
|
||||||||||||||||||||
|
(57) |
De prijzen van de invoer uit het betrokken land stegen in 2018 plotseling met 17 procentpunten ten opzichte van het voorgaande jaar, en in de beoordelingsperiode in totaal met 34 %. |
|
(58) |
De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(59) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als percentage van de hypothetische omzet van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het onderzoektijdvak. Daaruit bleek een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van 11,1 % voor de invoer uit het betrokken land. Onderbieding werd vastgesteld ten aanzien van ongeveer 99,4 % van de omvang van de invoer. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerkingen
|
(60) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren. |
|
(61) |
Zoals in overweging 11 is vermeld, is voor de vaststelling van mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(62) |
Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de klager in de antwoorden op de vragenlijst had verstrekt. Deze gegevens hadden betrekking op alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren beoordeeld op basis van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt. Beide reeksen gegevens bleken representatief te zijn voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(63) |
De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoophoeveelheden, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit en hoogte van de dumpingmarge. |
|
(64) |
De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
4.4.2. Macro-economische indicatoren
4.4.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(65) |
De totale productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 4 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(66) |
De productie van HWTP is een grote vastekostenpost. Het productievolume van de bedrijfstak van de Unie daalde in de beoordelingsperiode met 2 %; sinds 2017 gaf het een nog sterkere daling met 6 procentpunten te zien. De productiecapaciteit nam toe met 6 %. De daling van de bezettingsgraad over de gehele periode met 8 % is het gevolg van de afname van het productievolume in combinatie met de toename van de productiecapaciteit. |
4.4.2.2. Verkoophoeveelheden en marktaandeel
|
(67) |
De verkoophoeveelheden en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 5 Verkoophoeveelheden en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(68) |
De verkoophoeveelheden van de bedrijfstak van de Unie namen in de periode 2016-2017 weliswaar met 9 % toe, maar gaven sindsdien een gestage daling te zien, die resulteerde in een daling met 2 % tijdens de beoordelingsperiode, parallel met de daling van het productievolume. |
|
(69) |
Tijdens de beoordelingsperiode vertoonde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in de verkoophoeveelheden een vergelijkbare trend. Het daalde met 3 %. |
4.4.2.3. Groei
|
(70) |
Het verbruik in de Unie steeg tijdens de beoordelingsperiode licht met 1 %, terwijl de verkoophoeveelheden van de bedrijfstak van de Unie licht daalden met 2 % De bedrijfstak van de Unie verloor marktaandeel, in tegenstelling tot de invoer uit het betrokken land, waarvan het marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk steeg en goed was voor de gehele stijging van het verbruik. |
4.4.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(71) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 6 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(72) |
Het niveau van de werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie bleef tijdens de gehele beoordelingsperiode vrij stabiel en nam licht toe met 2 %. Deze tendens valt te verklaren door het feit dat HWTP wordt vervaardigd door middel van een sterk geautomatiseerd en in hoge mate gerationaliseerd continuproductieproces. De productie van thermisch papier brengt hoge vaste kosten mee. Machines kunnen niet zonder meer worden stopgezet zonder dat dit aanzienlijke gevolgen heeft voor het productieproces. In plaats van het aantal werknemers aan een bepaalde machine te verlagen, schakelen de producenten daarom over op de productie van een andere papiersoort. Het werkgelegenheidsniveau varieert derhalve met de productie van verschillende papiersoorten en de spreiding daarvan over die verschillende soorten. De bedrijfstak van de Unie heeft getracht om ondanks de dalende winstgevendheid banen te behouden. |
4.4.2.5. Hoogte van de dumpingmarge
|
(73) |
De dumpingmarge lag aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Unie waren niet te verwaarlozen, gezien de toenemende omvang van de invoer uit het betrokken land. |
4.4.3. Micro-economische indicatoren
4.4.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(74) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 7 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(75) |
In de beoordelingsperiode steeg de gemiddelde verkoopprijs per eenheid met 14 % en namen de productiekosten per eenheid met 23 % toe. Deze stijging van de productiekosten was met name het gevolg van de hogere kosten voor de chemische leucokleurstof (“ODB2”) die tijdens het HWTP-productieproces op de coating wordt aangebracht. Eind 2017 en in 2018 veroorzaakte de tijdelijke sluiting van fabrieken voor ODB2 in de Volksrepubliek China (“de VRC”) een acuut wereldwijd tekort aan deze chemische stof. Als gevolg daarvan piekten de productieprijzen vanaf het vierde kwartaal van 2017 en gedurende het hele jaar 2018, wat dan ook gevolgen voor het OT had. |
|
(76) |
Het verschil tussen de gemiddelde verkoopprijs per eenheid en de productiekosten per eenheid toont aan dat de bedrijfstak van de Unie vanwege de prijsdruk als gevolg van de invoer met dumping uit Korea niet in staat was de stijgende productiekosten volledig te compenseren. |
4.4.3.2. Loonkosten
|
(77) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 8 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
||||||||||||||||||||
|
(78) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie stegen in de beoordelingsperiode met 4 %. De loonkosten per werknemer stegen met name in 2017, toen de productie en de productiviteit toenamen. |
4.4.3.3. Voorraden
|
(79) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 9 Voorraden
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(80) |
De eindvoorraden van de bedrijfstak van de Unie namen in de beoordelingsperiode aanzienlijk toe en bereikten in het OT een groei van 19 % ten opzichte van 2016. |
4.4.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(81) |
De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 10 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(82) |
De Commissie heeft de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. De winstgevendheid liep in de beoordelingsperiode fors terug met bijna 70 %, aangezien de bedrijfstak niet in staat was de stijgende productiekosten met hogere verkoopprijzen te compenseren. Door de aanzienlijke prijsdruk die met name in de periode 2017 tot het einde van het OT door de toenemende invoer uit Korea op de bedrijfstak van de Unie werd uitgeoefend, kon die bedrijfstak niet profiteren van het enigszins toenemende verbruik in de Unie. |
|
(83) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De nettokasstroom vertoonde een sterk neerwaartse trend, vooral als gevolg van de afnemende winstgevendheid. |
|
(84) |
De jaarlijkse investeringen, ook voor andere producten dan HWTP, stegen tijdens de beoordelingsperiode met 137 %. De toegenomen investeringen vertaalden zich echter niet in een overeenkomstige capaciteitsgroei voor HWTP (zie tabel 4). De investeringen in HWTP waren dus voornamelijk gericht op het behoud van de bestaande capaciteit en de noodzakelijke vervanging van productiemiddelen. De productie van HWTP is activa-intensief. De bedrijfstak van de Unie moet regelmatig versleten of onbruikbaar geworden machines vervangen. Slechts één producent in de Unie heeft in een nieuwe productielijn (papierwals en coatingmachine) en derhalve in extra capaciteit geïnvesteerd, die hoofdzakelijk voor andere producten dan HWTP is bestemd. |
|
(85) |
De totale investeringen waren onbeduidend indien afgezet tegen de totale kosten van de aanleg van een nieuwe productielijn. Bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen bleven de investeringen beneden het afschrijvingspercentage. In haar besluit over licht thermisch papier (7) (“LWTP”) was de Commissie van oordeel dat “hoewel de investeringen verdubbelden, het absolute niveau van de investeringen beperkt bleef, met name gezien het feit dat, bijvoorbeeld, de waarde van een nieuwe productielijn van LWTP wordt geraamd op 120 miljoen EUR”. Aangezien HWTP met dezelfde machines wordt geproduceerd als LWTP en de totale investeringen voor HWTP zelfs onder het niveau lagen dat tijdens het onderzoek van de Commissie naar LWTP werd geconstateerd (tijdens het OT beliepen de investeringen in HWTP 6,5-7,0 miljoen EUR, in vergelijking met 4,5-9,0 miljoen EUR aan investeringen voor LWTP in 2015, dat wil zeggen tijdens het OT van het LWTP-onderzoek), kan worden geconcludeerd dat de investeringen van de bedrijfstak van de Unie zich op een laag schade veroorzakend niveau bevonden. |
|
(86) |
Het rendement van de investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Het rendement ontwikkelde zich in de beoordelingsperiode negatief, wat de ontwikkeling van de winstgevendheid en de kasstroom weerspiegelt. In het algemeen beperkten de in de steekproef opgenomen producenten hun investeringsniveau tot het noodzakelijke om te blijven functioneren. |
4.4.4. Conclusie inzake schade
|
(87) |
De bedrijfstak van de Unie leed tijdens de beoordelingsperiode aanmerkelijke en duidelijke schade wanneer wordt gekeken naar prijsgerelateerde schade-indicatoren zoals winstgevendheid of kasstroom. |
|
(88) |
Voorts namen, wat de volumegerelateerde schade-indicatoren betreft, de verkoophoeveelheden en het marktaandeel van de producenten in de Unie sinds 2017 met 10 procentpunten af, zodat de verkoophoeveelheden tijdens het OT nog geringer uitvielen dan in 2016. Daarentegen wist de enige Koreaanse exporteur zijn uitvoer in de beoordelingsperiode bijna te verdubbelen, en hij vergrootte zijn marktaandeel aanzienlijk met bijna 5 procentpunten. De toename in de periode 2017 — einde OT was bijzonder opmerkelijk. De Koreaanse exporteur verdrievoudigde zijn uitvoer en marktaandeel bijna. De situatie van de bedrijfstak van de Unie verslechterde sterk als gevolg van de toename van de invoer met dumping. |
|
(89) |
De moeilijkheden om kapitaal aan te trekken zetten het vermogen om te investeren in nieuwe en innovatieve productieprocessen voor HWTP onder druk. Tijdens de beoordelingsperiode investeerde de bedrijfstak van de Unie niet meer dan nodig was om verouderde apparatuur te moderniseren en te vervangen en de door de milieuwetgeving voorgeschreven technische verbeteringen uit te voeren. Ondanks de concrete maatregelen die de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode ter optimalisering van de interne processen had genomen met het doel zijn algemene prestaties te verbeteren, verslechterde zijn situatie aanzienlijk, met name wat de winstgevendheid en het verlies aan marktaandeel betreft. |
|
(90) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium dan ook tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(91) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie tevens onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit het betrokken land, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Bij deze factoren gaat het om de invoer uit andere derde landen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de stijging van de grondstofprijzen, de bewering dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat is te voldoen aan de vraag naar producten die vrij zijn van bisfenol A (“BPA-vrij”) en de interne mededinging tussen producenten in de Unie. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(92) |
Er was een duidelijke correlatie tussen de toename van de invoer uit Korea en de verslechterende situatie van de bedrijfstak van de Unie. De invoer uit Korea steeg in de hele beoordelingsperiode met 83 %. De aanzienlijke stijging van het marktaandeel van de invoer uit Korea ging duidelijk ten koste van de bedrijfstak van de Unie, waarvan het marktaandeel gedurende de hele beoordelingsperiode met 3 % en sinds 2017 met 10 % daalde. |
|
(93) |
De Koreaanse prijzen lagen constant en aanzienlijk onder de prijzen van de Unie. De prijzen van de Koreaanse invoer onderboden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, met een prijsonderbiedingsmarge van 11,1 % tijdens het OT. De bedrijfstak van de Unie was niet in staat om in zijn verkoopprijzen in de Unie rekening te houden met de gestegen productiekosten, hetgeen aangeeft welke prijsdruk door de betrokken invoer werd uitgeoefend. Deze situatie had een bijzonder nadelig effect op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, die in het OT zakte tot een zeer laag niveau. |
|
(94) |
Daar duidelijk is vastgesteld dat er een tijdsverband bestaat tussen enerzijds de alsmaar toenemende omvang van de invoer met dumping tegen prijzen waarvan werd vastgesteld dat deze de Unieprijzen onderboden en anderzijds de stagnatie van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie, het verlies aan marktaandeel en de afnemende winstgevendheid, wordt geconcludeerd dat de invoer met dumping de oorzaak is van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. Invoer uit andere derde landen
|
(95) |
Het volume van de invoer uit andere derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 11 Invoer uit andere derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(96) |
Wat de jaren vóór het onderzoektijdvak betreft, waren de invoervolumes uit derde landen gebaseerd op de klacht. Voor het OT werd het volume berekend door de gegevens uit de klacht voor 2018 te vermenigvuldigen met de variantie tussen 2018 en het OT (-0,1 %) uit de Eurostatgegevens betreffende de GN-codes 4809 90 00, 4811 59 00 en 4811 90 00. De prijs tijdens de hele beoordelingsperiode was gebaseerd op de gegevens van Eurostat, en werd het dichtst benaderd door de prijsdifferentiatie in Korea tussen het betrokken product en de andere producten die onder dezelfde GN-codes vallen. Daarom werd een correctie toegepast op basis van de verhouding tussen de prijzen op basis van Eurostatgegevens voor Korea en de werkelijke verkoopprijzen van de Koreaanse producent-exporteur. |
|
(97) |
De invoer uit andere derde landen daalde in de beoordelingsperiode met 31 % en het marktaandeel van de invoer in de Unie met 32 %. Deze invoer vond plaats tegen prijzen die iets lager waren dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie, maar die ver boven de gemiddelde prijzen van de Koreaanse exporteur lagen. De invoer uit andere derde landen ondervond derhalve ook de gevolgen van de toename van de Koreaanse invoer. |
|
(98) |
De producent-exporteur voerde aan dat de invoer uit de VRC tot lagere prijzen zou hebben bijgedragen en de neerwaartse prijsdruk die reeds door het agressieve prijsbeleid van bepaalde producenten in de Unie was veroorzaakt, zou hebben vergroot. De invoer uit de VRC lag op een zeer laag niveau, namelijk tussen 1 500 en 2 500 ton in 2018 (8). Het marktaandeel van deze invoer bedroeg naar schatting ongeveer 1 % van het verbruik in de Unie. Ter vergelijking: in dat jaar bedroeg de invoer uit Korea, zoals gecontroleerd, tussen de 15 500 en de 17 500 ton. Bij dat lage niveau had de invoer uit de VRC geen merkbaar effect op de situatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode. Bovendien waren de prijzen van die invoer in de Unie volgens de in overweging 96 beschreven methode veel hoger dan de prijzen van de invoer uit Korea en van een vergelijkbaar niveau als die van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(99) |
Derhalve werd voorlopig geconcludeerd dat het niet waarschijnlijk is dat door de invoer uit derde landen schade is ontstaan voor de producenten in de Unie, en dat deze invoer het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet afzwakt. |
5.2.2. Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie
|
(100) |
Het volume van de uitvoer (niet-verbonden verkoop) van de bedrijfstak van de Unie heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld: Tabel 12 Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(101) |
In de beoordelingsperiode daalde het volume van de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie naar niet-verbonden afnemers met 14 %. De prijzen stegen met 16 %. Het aandeel van de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie in de totale omvang van de verkoop daalde in de beoordelingsperiode met ongeveer 10 %, tot 17,7 % in het OT. De uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie hadden derhalve slechts een beperkt effect. |
|
(102) |
Er werd voorlopig geconcludeerd dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie geen significante impact op de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade konden hebben en het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet afzwakken. |
5.2.3. Stijging van de grondstofprijzen
|
(103) |
De tijdelijke sluiting van fabrieken in de VRC in 2017 en 2018 veroorzaakte eind 2017 en in 2018 een tekort aan ODB2, een chemisch productiemiddel. De prijzen van ODB2 stegen tussen september 2017, toen de eerste Chinese fabrieken werden gesloten, en begin 2018 met ongeveer 500 %. Afhankelijk van de specifieke kwaliteitsklasse van het betrokken product (9) was deze chemische stof in het onderzoektijdvak goed voor 7 tot 15 % van de totale productiekosten van HWTP (10). Dit tekort had gevolgen voor de kostenstructuur van de mondiale thermischpapierindustrie, aangezien alle producenten van HWTP wereldwijd, ook in Korea, in dezelfde mate werden getroffen. |
|
(104) |
De producent-exporteur voerde aan dat een stijging van de grondstofprijzen, met name als gevolg van een tekort aan ODB2, in combinatie met langlopende contracten, de winstgevendheid beperkte en schade voor de bedrijfstak van de Unie veroorzaakte. De bedrijfstak van de Unie zou vanwege zijn langlopende contracten voor de levering van HTWP de stijging van zijn productiekosten niet in zijn verkoopprijs hebben kunnen doorberekenen. Hij zou zich derhalve op het LWTP-segment hebben gericht, vanwege de flexibele aard van de markt voor de levering van LWTP, aangezien de prijzen niet op langetermijnbasis worden onderhandeld. |
|
(105) |
In die omstandigheden, en anders dan de producent-exporteur aanvoert, kon de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen bijna onmiddellijk verhogen, omdat hij met zijn afnemers geen vaste langlopende contracten, maar veeleer flexibele “gentlemen’s agreements” had gesloten. De meeste afnemers, met inbegrip van de grote lamineerbedrijven, gingen na de ODB2-crisis akkoord met een onmiddellijke prijsstijging. |
|
(106) |
Aangezien de stijgende productiekosten echter samenvielen met de sterke toename van de invoer met dumping uit Korea, konden de Europese producenten de volledige stijging van hun productiekosten niet aan hun afnemers doorberekenen. Zij konden hun verkoopprijzen slechts gedeeltelijk verhogen om de stijging van de grondstofprijzen te compenseren (11). De invoer met dumping dwong hen om een groot deel van de kostenstijging op te vangen. De Koreaanse producent-exporteur kon de kostenstijging aan zijn afnemers doorberekenen, aangezien hij de verkoopprijzen tijdens de beoordelingsperiode met 34 % verhoogde. Aangezien de Koreaanse prijzen steevast onder de prijzen van de Unie lagen en dumpingprijzen waren, kon de bedrijfstak van de Unie de kostenstijging niet volledig doorberekenen. Gezien het agressieve prijsbeleid van de Koreaanse producent-exporteur kon de bedrijfstak van de Unie de stijging van de productiekosten voor slechts ongeveer 50 % doorberekenen in zijn verkoopprijzen in de Unie. |
|
(107) |
Om nader bewijs te verzamelen voor het oorzakelijk verband tussen de toenemende invoer met dumping uit Korea en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, werd een vergelijking gemaakt met de prestaties in verband met LWTP. Voor de productie van HWTP en LTWP werden namelijk identieke technologieën en machines gebruikt; voor beide soorten papier werden dezelfde inputs gebruikt en vertoonden de markten vergelijkbare kenmerken. LWTP werd in vergelijkbare mate als het betrokken product door de kostenstijging voor de grondstoffen geraakt. Tijdens het OT werden antidumpingrechten geheven op de invoer van LWTP uit Korea. |
|
(108) |
Twee van de drie in de steekproef opgenomen producenten produceerden en verkochten in de beoordelingsperiode ook aanzienlijke hoeveelheden LWTP. In het OT bedroeg de winstmarge van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor HWTP tussen 2 en 5 %. Dit cijfer is aanzienlijk lager dan de geverifieerde winstmarge voor andere vervaardigde producten — waarvan een groot deel voor rekening van LWTP komt — die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in 2018 en tijdens het OT hadden gerealiseerd, ondanks de piek bij de ODB2-prijzen. De producenten in de Unie waren in staat het hoofd te bieden aan de stijging van de inputkosten op een markt die niet verstoord werd door oneerlijk geprijsde invoer (12). Hieruit blijkt dat het de prijsdruk van de invoer met dumping is die de dalende winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie voor HWTP veroorzaakt. |
|
(109) |
De producent-exporteur voerde ook aan dat de bedrijfstak van de Unie wegens het tekort aan ODB2 niet in staat was aan de vraag op de markt van de Unie te voldoen, en hij voegde hieraan toe dat de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie in 2018 en tijdens het OT wegens het tekort aan ODB2 was gedaald. De bedrijfstak van de Unie beschikte evenwel over meer dan voldoende reservecapaciteit om aan de vraag te voldoen (zie overweging 65) en uit het onderzoek van de Commissie bleek dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ooit een bestelling had geweigerd op grond van een tekort aan ODB2. |
|
(110) |
Er werd voorlopig geconcludeerd dat de prijsstijging voor ODB2 het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade derhalve niet afzwakte. |
5.2.4. Bewering dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat is te voldoen aan de vraag naar BPA-vrije producten
|
(111) |
De producent-exporteur voerde aan dat de trage overschakeling van de bedrijfstak van de Unie op BPA-vrije producten de oorzaak was van de vermeende zwakke stijging van de verkoop door de bedrijfstak. |
|
(112) |
Om te beginnen bleek uit het onderzoek dat de meeste Europese producenten reeds meer dan 20 jaar BPA-vrije producten produceren (13). |
|
(113) |
Bovendien voerde de bedrijfstak van de Unie aan en bleek uit zijn verkoop in het OT dat hij BPA-houdend papier bleef verkopen omdat er wegens de lagere prijs van BPA-houdende producten nog steeds vraag naar dergelijk papier was (14). HWTP-gebruikers als lamineerbedrijven en verwerkende bedrijven bleven BPA-houdend HWTP bestellen, ook al waren BPA-vrije alternatieven vrij beschikbaar. Dit bood steun voor het argument van de bedrijfstak van de Unie dat de afnemers ervoor kozen om de omschakeling zo lang mogelijk uit te stellen (in de praktijk tot medio 2019) als gevolg van de hogere prijs van BPA-vrije alternatieven. |
|
(114) |
Er is geen bewijs geleverd dat de producenten in de Unie op enig moment een tekort hadden aan BPA of bisfenol S (“BPS”) (de ontwikkelaar die met ingang van 2020 voornamelijk als vervanging voor BPA dient en die zeker sinds 2018 reeds op grote schaal is gebruikt). Tijdens het OT verkochten de Koreaanse exporteur en de producenten in de Unie zowel BPA-houdend als BPS-houdend HWTP in aanzienlijke hoeveelheden. |
|
(115) |
De bedrijfstak van de Unie was derhalve in staat tijdens de beoordelingsperiode BPA-vrije producten te leveren. Zijn verkoop van BPA-vrije producten droeg niet bij aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en zwakte het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet af. |
5.2.5. Interne mededinging tussen Europese producenten
|
(116) |
Volgens de producent-exporteur leidde de interne mededinging tot een verdere verlaging van de prijzen van de Unie: sommige producenten in de Unie zouden de stijging van de productiekosten volledig in hun prijzen voor HWTP hebben doorberekend, terwijl andere producenten in de Unie zouden hebben besloten de prijzen laag te houden met het doel hun marktaandeel te vergroten. Deze verschillende strategieën zouden hebben geleid tot een nog lagere winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(117) |
De producent-exporteur voerde ter onderbouwing van dit argument geen enkel bewijs van mededingingsverstorende praktijken aan. Uit niets in het dossier bleek dat de mededinging tussen de producenten in de Unie oneerlijk was. Bovendien wil mededinging tussen producenten in de Unie nog niet zeggen dat de prijzen van de invoer met dumping die producenten niet ertoe hebben gedwongen elkaar nog meer te onderbieden dan bij eerlijke mededinging het geval geweest zou zijn, en daardoor tegen onhoudbare prijzen te verkopen. |
|
(118) |
Van de Europese producenten zagen de ondernemingen die relatief geringere prijsverhogingen doorvoerden op een betrekkelijk laat tijdstip, hun marktaandeel niet toenemen. Integendeel, net als bij de andere producenten in de Unie bleef hun marktaandeel gedurende de gehele beoordelingsperiode dalen (15). |
|
(119) |
Derhalve droeg de interne mededinging op de Europese markt niet bij aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en zwakte die het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet af. |
5.3. Conclusie inzake oorzakelijk verband
|
(120) |
Op basis van het bovenstaande concludeerde de Commissie in dit stadium dat de invoer met dumping uit Korea grote gevolgen had voor de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. Andere factoren — afzonderlijk of gezamenlijk beschouwd — zoals de invoer uit andere derde landen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, de stijging van de grondstofprijzen, de bewering dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat is te voldoen aan de vraag naar BPA-vrije producten en de vermeende interne mededinging tussen Europese producenten, werden geacht de door de invoer met dumping uit Korea veroorzaakte schade alleen maar te hebben vergroot, maar werden voorlopig niet geacht het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade af te zwakken. |
6. BELANG VAN DE UNIE
|
(121) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of zij duidelijk kon concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen vast te stellen met betrekking tot de invoer uit het betrokken land, ondanks de vaststelling van schade veroorzakende dumping. Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers. |
|
(122) |
De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de haar bekende belanghebbenden. Zij ontving echter slechts van twee importeurs en vijf gebruikers een reactie, waarvan slechts één importeur en twee gebruikers de vragenlijst invulden. |
6.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(123) |
De klacht werd gesteund door alle leden van de ETPA. Van alle niet-ETPA-leden was Ricoh Industrie France S.A.S. (Ricoh) de grootste wat verkoophoeveelheden betreft (door de klager geschat op ongeveer 20 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie). Ricoh verklaarde de klacht te steunen. |
|
(124) |
De Confederation of European Paper Industries (“CEPI”) maakte opmerkingen over het onderzoek en sprak haar volledige steun uit, op grond van het feit dat de antidumpingmaatregelen tegen de Koreaanse invoer een gelijk speelveld voor HWTP zouden helpen herstellen en aan de exporteurs een krachtig signaal zouden afgeven dat de Europese Unie zich inzet voor vrije wereldhandel onder concurrerende en eerlijke voorwaarden. |
|
(125) |
De producenten in de Unie voerden aan dat de instelling van maatregelen werkgelegenheid zou kunnen veiligstellen, grotere investeringen zou kunnen bevorderen en de dalende trend van de winstgevendheid sinds het actief worden van de Koreaanse exporteur op de EU-markt zou kunnen helpen ombuigen. De instelling van maatregelen zou leiden tot het herstel van een gelijk speelveld en een billijke prijs op de markt van de Unie, en tot een verbetering van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie tot niveaus die voor deze kapitaalintensieve bedrijfstak normaal worden geacht. |
|
(126) |
Derhalve concludeerde de Commissie in dit stadium voorlopig dat de instelling van antidumpingrechten in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn. |
6.2. Belang van niet-verbonden importeurs
|
(127) |
Eén partij beantwoordde de vragenlijst voor importeurs. Deze partij nam geen standpunt in over de vraag of zij al dan niet zou instemmen met de instelling van maatregelen. Van al haar HWTP-aankopen in het OT was slechts een relatief klein percentage (tussen de 10 en 20 %) afkomstig uit Korea, en zij was sterk afhankelijk van de leveringen van de producenten in de Unie. De gerapporteerde winstmarges, zowel in totaal als over de wederverkoop van ingevoerd HWTP, lagen in de orde van grootte van meer dan 20 % van de omzet. Gezien de solide winstmarge en het relatief bescheiden aandeel van de aankopen uit Korea, zouden de rechten geen onevenredige gevolgen voor de situatie van deze importeur hebben. |
|
(128) |
Daarom was de Commissie in het voorlopige stadium van oordeel dat de belangen van deze niet-verbonden importeur niet zouden worden geschaad door antidumpingrechten op HWTP. |
6.3. Belang van gebruikers
|
(129) |
Vijf gebruikers namen contact op met de Commissie en slechts twee van hen verstrekten gedetailleerde informatie. De eerste van deze twee stuurde een blanco vragenlijst terug en voerde redenen van vertrouwelijkheid aan. Daarom kon de Commissie de mogelijke effecten van eventuele antidumpingrechten voor zijn situatie niet kwantificeren. |
|
(130) |
De tweede gebruiker voerde aan dat de producenten in de Unie tijdens de ODB2-crisis de prijzen hadden verhoogd en niet in staat waren voldoende hoeveelheden te leveren, en dat hij zich om die reden tot de Koreaanse exporteur had gewend. Deze gebruiker verstrekte echter geen bewijs dat de bedrijfstak van de Unie de gevraagde hoeveelheden niet kon leveren, en het lijkt erop dat hij de prijsstijgingen in verband met de ODB2-crisis niet aanvaardde en zich wegens de lagere prijzen tot de Koreaanse exporteur wendde. De Commissie merkte voorts op dat uitzonderlijke gebeurtenissen van tijdelijke aard die in het verleden hebben plaatsgevonden, zoals de ODB2-crisis, en waarvoor er geen bewijs is dat zij zich in de toekomst opnieuw zouden voordoen tijdens de periode waarin de maatregelen van toepassing zijn, niet konden opwegen tegen de noodzaak de handelsverstorende gevolgen van schade veroorzakende dumping weg te nemen. Dit argument werd daarom van de hand gewezen. |
|
(131) |
Geen van deze twee gebruikers verstrekte voldoende verifieerbare informatie aan de hand waarvan de Commissie een objectieve analyse van de gevolgen van de maatregelen voor hun situatie zou kunnen maken. Beide gebruikers gaven met name geen gevolg aan het verzoek van de Commissie om hun winstmarges aan te geven, opdat de Commissie de mogelijke gevolgen van eventuele antidumpingrechten voor hun prestaties zou kunnen kwantificeren. |
|
(132) |
Drie gebruikers voerden aan dat de Koreaanse exporteur, in tegenstelling tot de Europese producenten, in staat was geweest betaalbaar BPA-vrij thermisch papier te leveren. Het onderzoek van de Commissie heeft aangetoond dat dit argument ongegrond is, zoals uiteengezet in de overwegingen 111 tot en met 115. Er is geen bewijs verstrekt dat de producenten in de Unie niet over voldoende BPA-vrije producten beschikten of die niet konden leveren. Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de meeste Europese producenten reeds meer dan 20 jaar BPA-vrije producten produceren. |
|
(133) |
Drie gebruikers waren tegen de mogelijke instelling van maatregelen omdat de producent-exporteur een stabiele bevoorrading garandeerde en een belangrijke leverancier op de markt van de Unie was. Geen van deze drie ondernemingen onderbouwde haar argumenten met bewijsmateriaal. De productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode met 6 % toe en de bedrijfstak van de Unie beschikt over een aanzienlijke reservecapaciteit. Bovendien was de bedrijfstak van de Unie, zoals uiteengezet in de overwegingen 111 tot en met 115, ondanks moeilijke marktomstandigheden, gedurende de beoordelingsperiode steeds in staat zowel BPA-vrij als BPA-houdend thermisch papier te leveren. |
|
(134) |
In het voorlopige stadium concludeerde de Commissie derhalve dat de gevolgen van een mogelijke instelling van rechten voor de gebruikers niet lijken op te wegen tegen de positieve effecten van de maatregelen voor de bedrijfstak van de Unie. Geen van de gebruikers verstrekte namelijk betrouwbare informatie om de Commissie in staat te stellen te beoordelen of de instelling van rechten voor hen aanzienlijke gevolgen, laat staan überhaupt enig gevolg, zou hebben. |
6.4. Belang van andere belanghebbenden
|
(135) |
De Koreaanse exporteur en de Koreaanse overheid voerden aan dat de instelling van antidumpingrechten eraan in de weg zou staan dat de afnemers in de Unie toegang krijgen tot betaalbaar BPA-vrij HWTP. Het onderzoek van de Commissie heeft aangetoond dat dit argument ongegrond is. |
|
(136) |
Ten eerste beschikte de bedrijfstak van de Unie over voldoende capaciteit om te voldoen aan de vraag naar BPA-vrije producten en om van de productie van BPA-houdend HWTP volledig over te schakelen op de productie van BPA-vrij HWTP. Ten tweede zijn de voorraden van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk gestegen, wat betekent dat er een voldoende grote voorraad beschikbaar was om onmiddellijk met de bevoorrading te beginnen. Ten derde weerhouden antidumpingrechten de afnemers er niet van HWTP van buiten de Unie te betrekken. Er zijn nog andere bevoorradingsbronnen beschikbaar, zoals blijkt uit tabel 11 (Invoer uit andere derde landen). De afnemers zouden derhalve alternatieve bevoorradingsbronnen tegen concurrerende en billijke prijzen kunnen aanboren. |
|
(137) |
De Koreaanse exporteur en de Koreaanse overheid voerden aan dat, indien opnieuw een grondstoffentekort zou ontstaan, antidumpingrechten ten aanzien van de invoer uit Korea voor Europese HWTP-gebruikers bijzonder nadelig zouden zijn. De Commissie herinnerde eraan dat antidumpingmaatregelen erop zijn gericht de eerlijke en daadwerkelijke mededinging tussen alle actoren te herstellen, dat de bedrijfstak van de Unie over voldoende capaciteit beschikt, zoals vermeld in de overwegingen 65 en 66, en dat geen van de gebruikers die zich kenbaar hebben gemaakt, informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan de Commissie dat argument zou kunnen onderzoeken. |
|
(138) |
De Koreaanse exporteur en de Koreaanse overheid wezen op de in 2015 in werking getreden Vrijhandelsovereenkomst tussen Korea en de EU, en voerden aan dat de instelling van antidumpingrechten de handelsbetrekkingen tussen de Unie en Korea zou schaden. De Commissie merkte op dat zij hierop niet kan ingaan in het kader van de analyse van het belang van de Unie overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening. In ieder geval bracht zij in herinnering dat Korea en de EU in het kader van de Vrijhandelsovereenkomst zijn overeengekomen dat de handelsbeschermingsinstrumenten volledig van toepassing blijven, en dat deze procedure haar oorsprong vindt in het gedrag van de Koreaanse producenten-exporteurs. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
6.5. Conclusie inzake belang van de Unie
|
(139) |
Op basis van het bovenstaande kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat er geen dwingende redenen zijn om aan te nemen dat het in dit stadium van het onderzoek niet in het belang van de Unie zou zijn om maatregelen in te stellen op de invoer van HWTP van oorsprong uit het betrokken land. |
7. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(140) |
Gelet op de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
7.1. Schade opheffend prijsniveau (schademarge)
|
(141) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie eerst de hoogte van het recht vastgesteld die nodig is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen. |
|
(142) |
De schade zou worden weggenomen indien de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken, met inbegrip van de kosten die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis bij de basisverordening vermelde IAO-verdragen, en een redelijke winst te boeken (“nagestreefde winst”). |
|
(143) |
Uit hoofde van artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening is de minimale nagestreefde winst op 6 % vastgesteld. Overeenkomstig dat artikel moet de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst factoren in acht nemen als de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer uit Korea, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O & O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. |
|
(144) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de werkelijke winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in 2016, dat wil zeggen vóór de sterke toename van de invoer uit Korea, 8 tot 11 % bedroeg. |
|
(145) |
Twee van de in de steekproef opgenomen producenten deden een beroep op gederfde investeringen. De Commissie heeft dit argument onderzocht in overeenstemming met artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening. De betrokken ondernemingen konden echter geen bewijsstukken verstrekken ter staving van dit argument, dat derhalve voorlopig werd afgewezen. |
|
(146) |
Gezien de bovenstaande feiten heeft de Commissie besloten de door de bedrijfstak in 2016 behaalde winstmarge als nagestreefde winst te gebruiken. Deze nagestreefde winst is opgeteld bij de werkelijke productiekosten van de bedrijfstak van de Unie om de geen schade veroorzakende prijs vast te stellen. |
|
(147) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening heeft de Commissie de toekomstige kosten beoordeeld die voortvloeien uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal heeft de Commissie aanvullende kosten vastgesteld van 6 tot 10 EUR/ton bovenop de geen schade veroorzakende prijs. |
|
(148) |
De Commissie heeft vervolgens het schade opheffende prijsniveau bepaald aan de hand van een vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs van de medewerkende producent-exporteur in het betrokken land, zoals vastgesteld bij de berekening van de prijsonderbieding, met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat gedurende het onderzoektijdvak door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, is uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. De hieruit resulterende prijsbederfmarge is voorlopig vastgesteld op 22,5 %. |
|
(149) |
Om de in overweging 45 uiteengezette redenen geldt dezelfde prijsbederfmarge in voorkomend geval ook voor alle andere producenten-exporteurs. |
7.2. Voorlopige maatregelen
|
(150) |
Gelet op de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
|
(151) |
Er moeten voorlopige antidumpingmaatregelen worden ingesteld op de invoer van bepaald zwaar thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea, in overeenstemming met de regel van het laagste recht in artikel 7, lid 2, van de basisverordening. De Commissie heeft de schademarge en de dumpingmarge vergeleken. Het bedrag van de rechten moet worden vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge indien deze lager is, d.w.z. op het niveau van de dumpingmarge. |
|
(152) |
Gelet op het voorgaande moeten de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(153) |
Zoals tevens uiteengezet in overweging 45, is de mate van medewerking in dit geval hoog omdat de uitvoer van de medewerkende producent-exporteur de totale uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak uitmaakte. Derhalve wordt het residuele antidumpingrecht gebaseerd op dat van de medewerkende onderneming. |
|
(154) |
De bij deze verordening voor de afzonderlijke ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit Korea en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet specifiek worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor “alle andere ondernemingen” geldt. |
|
(155) |
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van een individuele antidumpingrecht. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (16). Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten waarmee kan worden aangetoond dat de wijziging niet van invloed is op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een bericht over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(156) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
8. INFORMATIE OVER VOORLOPIGE MAATREGELEN
|
(157) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze informatie is ook openbaar gemaakt op de website van DG Handel. Belanghebbenden hebben drie werkdagen de tijd gekregen om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn medegedeeld. |
|
(158) |
De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van de Hansol Group en de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. De Commissie heeft rekening gehouden met de opmerkingen die werden geacht verschrijvingen te betreffen en de marges dienovereenkomstig gecorrigeerd. |
9. SLOTBEPALINGEN
|
(159) |
Met het oog op een behoorlijk bestuur nodigt de Commissie de belanghebbenden uit binnen 15 dagen schriftelijk te reageren en/of binnen vijf dagen een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(160) |
De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaald zwaar thermisch papier, gedefinieerd als thermisch papier dat meer dan 65 g/m2 weegt, verkocht op rollen met een breedte van 20 cm of meer, wegende 50 kg of meer (met inbegrip van papier) en met een diameter van 40 cm of meer (jumborollen), met of zonder grondlaag op één of beide zijden, bekleed met een warmtegevoelige stof (een mengsel van inkt en een ontwikkelaar dat bij toepassing van warmte reageert en een beeld vormt) op één of beide zijden, en met of zonder toplaag, van oorsprong uit de Republiek Korea, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 4809 90 00, ex 4811 59 00 en ex 4811 90 00 (Taric-codes 4809900020, 4811590020 en 4811900020).
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 genoemde product bedraagt 22,3 %.
3. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Belanghebbenden dienen hun schriftelijke opmerkingen over deze verordening binnen 15 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie in.
2. Belanghebbenden die willen worden gehoord door de Commissie, dienen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hiertoe een verzoek in.
3. Belanghebbenden die willen worden gehoord door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures, dienen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hiertoe een verzoek in. De raadadviseur-auditeur beoordeelt buiten deze termijn ingediende verzoeken en kan in voorkomend geval besluiten die verzoeken te aanvaarden.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1 is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 26 mei 2020.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald zwaar thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (PB C 342 van 10.10.2019, blz. 8).
(3) De gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de Unie worden in deze verordening als orde van grootte gepresenteerd wegens het risico dat een in de steekproef opgenomen onderneming gegevens van haar concurrenten reconstrueert, met name omdat twee van de drie in de steekproef opgenomen ondernemingen sinds 29 maart 2019 met elkaar verbonden zijn en zij met ingang van 6 augustus 2019 als ondernemingen binnen dezelfde groep actief zijn. De gegevens van de enige medewerkende producent-exporteur worden als orde van grootte gepresenteerd, aangezien het de enige onderneming is die heeft meegewerkt.
(4) Verordening (EU) 2016/2235 van de Commissie van 12 december 2016 tot wijziging van bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) wat betreft bisfenol A (PB L 337 van 13.12.2016, blz. 3).
(5) Het exacte cijfer wordt niet verstrekt omdat dit bedrijfsspecifieke gegevens betreft.
(6) Zie bijvoorbeeld het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 17 maart 2015, RFA International/Commissie, T-466/12, punt 68.
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/763 van de Commissie van 2 mei 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaald licht thermisch papier van oorsprong uit de Republiek Korea (PB L 114 van 3.5.2017, blz. 3), overweging 91.
(8) Ramingen van de klager.
(9) ODB2 wordt in verschillende hoeveelheden gebruikt, afhankelijk van de samenstelling van de aangebrachte coating.
(10) Bron: onderzoek van de Commissie.
(11) Terwijl de prijzen met 14 % stegen, stegen de productiekosten met 23 % (tabel 7).
(12) Er gelden momenteel antidumpingmaatregelen voor de invoer van LWTP uit Korea, waardoor er weer sprake is van gelijke mededingingsvoorwaarden.
(13) Bron: klager en resultaten van het onderzoek van de Commissie.
(14) BPA-houdend papier kan goedkoper worden geproduceerd en is derhalve doorgaans ook goedkoper dan papier dat andere ontwikkelaars bevat.
(15) Bron: klager en onderzoek van de Commissie.
(16) Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.