3.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 174/211


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/689 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2019

tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 29, artikel 31, lid 5, artikel 32, lid 2, artikel 37, lid 5, artikel 39, artikel 41, lid 3, artikel 42, lid 6, en artikel 280, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De diergezondheidswetgeving bevat regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten die op dieren of mensen kunnen worden overgedragen. De bij deze verordening vastgestelde regels moeten die van deel II, hoofdstukken 2, 3 en 4, van de diergezondheidswetgeving inzake bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status aanvullen, alsmede die van deel IX inzake overgangsregelingen met betrekking tot bestaande bewakings- of uitroeiingsprogramma’s en de bestaande ziektevrije status.

(2)

Tussen deze regels bestaan wezenlijke verbanden en veel van deze regels zijn bedoeld om samen worden toegepast. Omwille van de eenvoud en de transparantie, om de toepassing van de regels te vergemakkelijken en om een wildgroei aan regels te voorkomen, moeten deze regels in één enkele handeling worden vastgelegd in plaats van in verschillende afzonderlijke handelingen die veel kruisverwijzingen zouden bevatten en een risico op overlapping zouden inhouden.

(3)

Bewaking vormt een intrinsiek onderdeel van ieder uitroeiingsprogramma en de ziektevrije status is in de meeste gevallen het resultaat van een succesvol bewakings- en uitroeiingsproces. Bovendien is bewaking, naast andere maatregelen, nodig als essentieel instrument voor de handhaving van de ziektevrije status nadat deze is behaald. De regels inzake bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status, met inbegrip van de overgangsregels, hebben vaak een gemeenschappelijk doel en hebben betrekking op onderling aanvullende activiteiten van exploitanten, dierenartsen en bevoegde autoriteiten. Het is derhalve passend om die regels in één gedelegeerde verordening samen te brengen.

(4)

Bewaking is een essentieel element van een doelmatig en doeltreffend ziektepreventie en -bestrijdingsbeleid. Zij moet door de exploitanten en de bevoegde autoriteit gezamenlijk worden uitgevoerd. Ook moet zij zo worden ingericht dat aan de doelstellingen van vroegtijdige opsporing van uitbraken van alle in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten kan worden voldaan en dat kan worden aangetoond dat aan de criteria voor de verlening, handhaving, opschorting of intrekking van de ziektevrije status is voldaan.

(5)

De bevoegde autoriteit moet een elementair, algemeen bewakingssysteem opzetten voor in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten van landdieren, dat is gebaseerd op meldingen van en onderzoek naar ziektevoorvallen in de betrokken dierpopulatie.

(6)

Deze algemene bewakingsvoorschriften met betrekking tot landdieren moeten worden aangevuld met meer specifieke voorschriften, afhankelijk van de verwachte resultaten van de bewaking. Zij moeten worden opgesteld voor verschillende specifieke doeleinden, zoals bewakingsprogramma’s van de Unie, verplichte en optionele uitroeiingsprogramma’s, het aantonen van de ziektevrije status, ziektebestrijdingsmaatregelen, in het kader van de erkenning van bepaalde inrichtingen en de goedkeuring van verplaatsingen van dieren en dierlijke producten.

(7)

De aanpak voor het opstellen van algemene bewakingsvoorschriften voor waterdieren is vergelijkbaar met die voor landdieren, al zijn er ook verschillen. Alle aquacultuurinrichtingen moeten een elementair bewakingssysteem ten uitvoer leggen, dat is gebaseerd op meldingen van en onderzoek naar ziektevoorvallen in een betrokken dierpopulatie. Daarnaast moet de bewaking ten aanzien van in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten van waterdieren bepaalde ziektebestrijdingsmaatregelen omvatten, wanneer het nodig is dergelijke maatregelen te nemen in aquacultuurinrichtingen.

(8)

Naast de algemene bewakingsvoorschriften, die voor alle aquacultuurinrichtingen gelden, gelden voor bepaalde erkende aquacultuurinrichtingen specifieke bewakingsvoorschriften. Deze specifieke maatregelen omvatten de tenuitvoerlegging van een risicogebaseerde bewakingsregeling die is gebaseerd op een beoordeling van het risico dat een inrichting loopt op besmetting met en verspreiding van een al dan niet in de lijst opgenomen ziekte van waterdieren.

(9)

De specifieke bewakingsvoorschriften hebben ook betrekking op de uitvoering van uitroeiingsprogramma’s voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten met het oog op het verkrijgen van de ziektevrije status ten aanzien van die ziekte en op het handhaven van die status wanneer die is behaald.

(10)

Daarnaast moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden bewaking uit te voeren in de vorm van “bewakingsprogramma’s” op het niveau van inrichtingen voor ziekten van categorie C bij waterdieren, zonder te kiezen voor een uitroeiingsprogramma voor de desbetreffende ziekte. Bewakingsprogramma’s verschillen in zoverre van uitroeiingsprogramma’s dat zij zijn gebaseerd op systeem van gerichte bewaking dat weliswaar volledig is, maar niet alle elementen van een uitroeiingsprogramma omvat. In tegenstelling tot uitroeiingsprogramma’s bieden bewakingsprogramma’s niet de mogelijkheid om de officiële ziektevrije status te behalen.

(11)

De in deze verordening vastgestelde specifieke uitroeiings- en bewakingsprogramma’s dienen om gezondheidsvoorschriften vast te leggen voor bepaalde verplaatsingen van dieren en producten van dierlijke oorsprong binnen de Unie en, in bepaalde gevallen, van dieren en producten van dierlijke oorsprong die de Unie binnenkomen.

(12)

De diergezondheidswetgeving vereist dat regels voor in de lijst opgenomen ziekten van toepassing zijn op in de lijst opgenomen soorten. De bewaking is mogelijk niet voor alle categorieën dieren van in de lijst opgenomen soorten van belang, met name waar het wilde dieren of bepaalde categorieën gehouden dieren betreft. Daarom moet deze verordening voorzien in regels om de desbetreffende betrokken dierpopulatie voor de bewaking te specificeren. Het moet ook mogelijk zijn om de betrokken dierpopulatie uit te breiden tot niet in de lijst opgenomen gehouden soorten om de vroegtijdige opsporing van nieuwe ziekten te waarborgen.

(13)

Ook moet het door middel van afwijkingen mogelijk zijn de betrokken populaties van landdieren verder in te perken aan de hand van de specifieke vorm van de bewaking, te weten: i) bewakingsprogramma’s van de Unie; ii) verplichte of optionele uitroeiingsprogramma’s, en iii) op bewaking gebaseerde diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie of binnenkomst in de Unie.

(14)

Diagnostische methoden, evenals de verzameling van de monsters waarop ze worden toegepast, technieken, validering en interpretatie zijn zeer technisch van aard en kunnen regelmatige aanpassingen ondergaan als gevolg van de wetenschappelijke ontwikkelingen. Om ervoor te zorgen dat zij actueel blijven, moet in de regels inzake diagnostische methoden derhalve op flexibele wijze worden aangeven welke methoden moeten worden toegepast en hoe. Op het gebied van dierziekten bestaan er verschillende mogelijke bronnen van wetenschappelijke normen voor diagnostische methoden. Het is daarom belangrijk om de hiërarchische volgorde aan te geven waarin de methoden moeten worden overwogen, rekening houdend met de algemene beginselen van bemonstering, analysen, tests en diagnoses zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(15)

Om een optimaal gebruik van alle hulpbronnen te waarborgen en onnodige administratieve lasten en kosten voor de exploitanten en de bevoegde autoriteiten te vermijden, moet bij de opsporing van in de lijst opgenomen en nieuwe ziekten gebruik worden gemaakt van informatiebronnen met gegevens die zijn vergaard tijdens officiële controles en andere officiële activiteiten die niet in de eerste plaats bedoeld zijn voor de bewaking ten aanzien van die ziekten.

(16)

De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor de bevestiging van een ziekte overeenkomstig haar gevalsdefinitie; de bevestiging moet steunen op passende onderzoeken om te bevestigen of uit te sluiten of de ziekte waarvan de aanwezigheid wordt vermoed, ook inderdaad aanwezig is. Dergelijke onderzoeken zijn relevant wanneer door de bevestiging van de ziekte ziektebestrijdingsmaatregelen in werking worden gesteld, alsook in bepaalde andere omstandigheden, afhankelijk van de gevolgen van de bevestiging van de ziekte. Daarom is het belangrijk dat in deze verordening de aanvullende omstandigheden worden vastgesteld waarin de bevestiging van de ziekte noodzakelijk is.

(17)

De definities van een vermoedelijk geval en een bevestigd geval van een in de lijst opgenomen ziekte en, in voorkomend geval, van een nieuwe ziekte zijn van cruciaal belang. Op basis van die definities kunnen exploitanten, dierenartsen en andere belanghebbenden die bij de bewaking zijn betrokken, vaststellen in welke omstandigheden zij de bevoegde autoriteit in kennis moeten stellen en die bevoegde autoriteit ziektebestrijdingsmaatregelen moet nemen. Daarom moeten algemene criteria worden gegeven voor de definities van een vermoedelijk geval en een bevestigd geval en moeten, indien nodig, ziektespecifieke definities worden vastgesteld, afhankelijk van de specifieke kenmerken van bepaalde ziekten.

(18)

Een bewakingsprogramma van de Unie is een bewakingsprogramma dat relevant is voor de Unie als geheel. Dit soort programma is nodig om tot een betere harmonisatie te komen van de bewaking ten aanzien van een specifieke ziekte in de gehele Unie vanwege specifieke zorgen op het gebied van de volksgezondheid en de diergezondheid die rond die ziekte bestaan. Daarom moeten de criteria worden vastgesteld waaraan ziekten moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een bewakingsprogramma van de Unie.

(19)

In Besluit 2010/367/EU van de Commissie (3) zijn minimale voorschriften vastgesteld voor bewakingsprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en bij het wild levende vogels en in de bijlagen bij dat besluit zijn technische richtsnoeren opgenomen. In een bijlage bij deze verordening moet worden voorzien in soortgelijke technische richtsnoeren. Deze verordening is daarbij echter minder gedetailleerd, om ervoor te zorgen dat aanpassing aan veranderingen in de situatie met betrekking tot de bewaking ten aanzien van aviaire influenza goed mogelijk is. De technische voorschriften voor het bewakingsprogramma van de Unie voor aviaire influenza heeft daarom uitsluitend betrekking op de doelstellingen, de reikwijdte en de in acht te nemen methodologische beginselen.

(20)

De diergezondheidswetgeving bevat regels voor de toepassing van verplichte en optionele uitroeiingsprogramma’s voor ziekten van categorie B en categorie C in de lidstaten. Deze ziekten, of groepen daarvan, hebben hun eigen kenmerken. Bij de uitroeiing ervan moet worden uitgegaan van een specifieke ziektebestrijdingsstrategie voor de desbetreffende ziekte. Die strategie moet ten minste het volgende omvatten: i) de bewaking die moet worden verricht, met als uiteindelijk doel de ziektevrije status te behalen; ii) het tijdschema; iii) een definitie van de dierpopulatie waarop het uitroeiingsprogramma betrekking heeft; iv) het grondgebied waarop dit uitroeiingsprogramma van toepassing is, en v) specifieke ziektepreventie- en ziektebestrijdingsmaatregelen die tijdens de uitroeiingsfase op de ziekte van toepassing zullen zijn.

(21)

Indien het grondgebied waarop een uitroeiingsprogramma zal worden uitgevoerd de buitengrens van de lidstaat omvat, moet de bevoegde autoriteit inspanningen leveren om het risico van insleep van over de landsgrenzen aan te pakken.

(22)

Het doel van een uitroeiingsprogramma is de ziektevrije status te behalen op het door het programma bestreken grondgebied. In het ideale geval moet het programma voor landdieren betrekking hebben op het gehele grondgebied van de lidstaat waar de ziekte aanwezig is. Indien dit niet mogelijk is, moet het minimaal aanvaardbare gebied worden vastgesteld. Bij het vaststellen van het minimale oppervlak van het gebied moet rekening worden gehouden met de ervaring die met eerdere uitroeiingsprogramma’s is opgedaan en ruimte worden gelaten voor flexibiliteit naargelang de specifieke kenmerken van de ziekte.

(23)

De kwalitatieve of kwantitatieve doelstellingen van het programma moeten door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld. De einddoelstellingen moeten worden gebaseerd op de criteria voor het verlenen van de ziektevrije status, terwijl tussentijdse doelstellingen ook andere activiteiten of stappen kunnen omvatten die belangrijk zijn voor het behalen van de ziektevrije status en die een afspiegeling vormen van de wijze waarop het programma zich ontwikkelt.

(24)

De bevoegde autoriteit moet de toepassingsperiode van de uitroeiingsprogramma’s vaststellen. In het geval van optionele uitroeiingsprogramma’s voor ziekten van categorie C wordt een maximale toepassingsperiode voor het programma vastgesteld om onevenredige en langdurige verstoring van verplaatsingen binnen de Unie te voorkomen. De bevoegde autoriteit kan echter het uitroeiingsprogramma laten ingaan voordat het door de Commissie is goedgekeurd, maar mag in dat stadium geen beperkingen opleggen aan de verplaatsingen binnen de Unie. Ook moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden de Commissie te verzoeken deze periode te verlengen wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen.

(25)

De uitroeiingsstrategie voor bepaalde ziekten kan uitgaan van het verlenen van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen. De ziektespecifieke maatregelen voor dergelijke ziekten moeten worden gegroepeerd en moeten een specificatie van de verplichtingen van de exploitanten en de bevoegde autoriteiten omvatten.

(26)

De betrokken dierpopulatie die in het uitroeiingsprogramma voor de ziekte moet worden opgenomen, moet op ziektespecifieke basis worden vastgesteld. Ook de mogelijkheid die de bevoegde autoriteit heeft om bepaalde aanvullende dierpopulaties in het programma op te nemen, moet op ziektespecifieke basis worden vastgesteld.

(27)

De marktdeelnemer is de eerstverantwoordelijke voor het verkrijgen en handhaven van de ziektevrije status van de instelling, aangezien hij de eerste begunstigde is van de voordelen die zijn verbonden aan de ziektevrije status. De exploitant moet daarom aan bepaalde verplichtingen voldoen om de ziektevrije status te verkrijgen en te handhaven.

(28)

Zodra de exploitant aan de algemene en ziektespecifieke criteria voor het behalen van de ziektevrije status voldoet, is het de taak van de bevoegde autoriteit om die status te verlenen. Wanneer niet meer aan deze specifieke criteria wordt voldaan, is het ook weer de taak van de bevoegde autoriteit om de status op te schorten dan wel in te trekken.

(29)

Bovendien moeten de verplichtingen voor exploitanten en bevoegde autoriteiten in het kader van uitroeiingsprogramma’s indien nodig nader worden omschreven met inachtneming van het specifieke ziekteprofiel. De ziektespecifieke voorschriften zijn van technische aard en worden voor elke specifieke ziekte vastgesteld in de bijlagen bij deze verordening.

(30)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (4) zijn infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis en infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex vermeld als ziekten waarvoor verplichte uitroeiingsprogramma’s gelden, en enzoötische boviene leukose, infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky, infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis en boviene virusdiarree als ziekten waarvoor optionele uitroeiingsprogramma’s gelden. Voor deze ziekten moeten de uitroeiingsprogramma’s worden gebaseerd op verlening van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen.

(31)

Uitroeiingsprogramma’s op basis van het verlenen van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen moeten alle inrichtingen omvatten waar dieren van de betrokken dierpopulaties worden gehouden. De bevoegde autoriteit moet echter de mogelijkheid hebben om bepaalde specifieke soorten inrichtingen en slachthuizen van het uitroeiingsprogramma uit te sluiten, mits passende risicobeperkingsmaatregelen worden uitgevoerd.

(32)

In het geval van uitroeiingsprogramma’s op basis van het verlenen van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen moet de bevoegde autoriteit de mogelijkheid hebben om aan verschillende epidemiologische eenheden verschillende gezondheidsstatussen toe te kennen.

(33)

In het geval van landdieren zijn de vereisten om de ziektevrij status op het niveau van inrichtingen aan te tonen, gebaseerd op de afwezigheid van besmetting, zoals gestaafd in het kader van de test- en bewakingsregeling, de voorwaarden voor het binnenbrengen van dieren en levende producten in de inrichtingen en, indien nodig, beperkingen op het toepassen van vaccinatie. Wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het handhaven van de ziektevrije status, gelden specifieke voorschriften voor het opschorten, intrekken en herinvoeren van deze status. Wegens hun technische aard worden de gedetailleerde ziektespecifieke voorschriften en de lijst van de voor de verlening en handhaving van de status te gebruiken diagnostische methoden in de bijlagen opgenomen.

(34)

De voorwaarden voor de verlening, handhaving, opschorting en intrekking van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen zijn vastgesteld in de volgende regelgeving van de Unie zoals die geldt vóór de datum van toepassing van deze verordening: Richtlijn 64/432/EEG van de Raad (5) voor runderbrucellose en rundertuberculose en Richtlijn 91/68/EEG van de Raad (6) voor brucellose bij schapen en geiten. Die bepalingen worden ingetrokken door de diergezondheidswetgeving. Ook is bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1629 van de Commissie (7) het toepassingsgebied ten aanzien van de bij brucellose en rundertuberculose betrokken ziekteverwekkers in overeenstemming gebracht met de Gezondheidscode voor landdieren (8) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE). Het omvat nu infectie met Brucella abortus, Brucella melitensis en Brucella suis en infectie met Mycobacterium tuberculosis-complex. Het is derhalve passend de technische voorschriften met betrekking tot de status ten aanzien van deze ziekten te herzien om te streven naar afstemming op de Gezondheidscode voor landdieren, rekening houdend met de ervaring die met eerdere uitroeiingsprogramma’s tegen deze ziekten is opgedaan.

(35)

In het geval van uitroeiingsprogramma’s voor ziekten van landdieren op basis van het verlenen van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen, moet de bevoegde autoriteit bij vermoeden of bevestiging van een ziekte maatregelen nemen om verspreiding ervan te voorkomen. Deze maatregelen moeten in de eerste plaats worden uitgevoerd in de inrichting waar het vermoedelijke geval wordt gehouden, maar de bevoegde autoriteit moet de mogelijkheid hebben de maatregelen uit te breiden tot andere dieren of inrichtingen wanneer het risico op verspreiding van de ziekte bestaat.

(36)

Bij de toepassing van ziektebestrijdingsmaatregelen in reactie op een vermoedelijk of een bevestigd geval moet de bevoegde autoriteit bepaalde verboden instellen ten aanzien van verplaatsingen van dieren. De bevoegde autoriteit moet echter ook de mogelijkheid hebben om de verplaatsing van bepaalde dieren vanuit de inrichting waar een vermoedelijk of een bevestigd geval wordt gehouden, toe te staan, uit overwegingen op het gebied van het dierenwelzijn en om de duurzaamheid van de ziektebestrijdingsmaatregelen te bevorderen.

(37)

Nadat een geval is bevestigd, moeten ten minste alle als bevestigd geval erkende dieren worden verwijderd. Wanneer deze dieren worden gedood, moet de bevoegde autoriteit kunnen besluiten of dit gebeurt door de dieren te slachten, wat betekent dat het vlees bestemd is om in de voedselketen terecht te komen, of door de dieren af te maken, wat betekent dat het vlees niet voor dat doel bestemd is.

(38)

Voor bepaalde ziekten die kunnen worden verspreid door besmette producten van dierlijke oorsprong of levenloze smetstofdragers, of die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid, moet de bevoegde autoriteit maatregelen nemen in besmette inrichtingen om de verspreiding van die ziekten via deze producten of dragers te voorkomen. De maatregelen ter beperking van die risico’s moeten derhalve in deze verordening worden opgenomen.

(39)

In het geval van landdieren moet het, zodra de ziektevrije status op het niveau van de inrichting is behaald, met het oog op de doelmatigheid van het programma mogelijk zijn het niveau van de bewakingsactiviteiten stapsgewijs te verlagen na een bepaalde periode van aanhoudende ziektevrijheid in de inrichting.

(40)

Op enzoötische boviene leukose (EBL) is verplichte uitroeiing van toepassing overeenkomstig de regelgeving van de Unie zoals die vóór de datum van toepassing van deze verordening geldt. Deze ziekte is nu ingedeeld als ziekte waarvoor uitroeiing optioneel is, overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882.

(41)

De regelgeving van de Unie zoals die vóór de datum van toepassing van deze verordening geldt, bevat beproefde en doeltreffende beginselen en criteria voor de erkenning, de handhaving, de opschorting en de herinvoering van de officiële ziektevrij status ten aanzien van EBL. Veel lidstaten hebben deze regels met succes toegepast bij de uitvoering van eerdere uitroeiingsprogramma’s voor EBL. De regels zijn herzien in het licht van de Gezondheidscode voor landdieren en zijn in deze verordening opgenomen.

(42)

Lidstaten of zones die sinds enkele jaren vrij zijn van EBL en daardoor een duurzame EBL-vrije diergezondheidssituatie hebben bereikt, moeten blijven aantonen dat er geen sprake is van besmetting. Risicogebaseerde bewaking is een geschikt middel om vroegtijdige opsporing te waarborgen als de ziekte opnieuw wordt binnengebracht, en om het ziektevrij zijn ten aanzien van EBL te staven. De lidstaten moeten daarom met ingang van de datum van toepassing van deze verordening een passend bewakingssysteem instellen.

(43)

Aanvullende garanties voor het handelsverkeer in varkens binnen de Unie met betrekking tot infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky (ADV) maken deel uit van de regelgeving van de Unie zoals die vóór de datum van toepassing van deze verordening geldt. Een aantal lidstaten heeft deze regels met succes toegepast en heeft infectie met ADV uitgeroeid in de op hun grondgebied gehouden varkenspopulatie. In de strategie voor de uitroeiing van infectie met ADV in deze verordening wordt de Gezondheidscode voor landdieren in aanmerking genomen, evenals criteria die succesvol zijn gebleken bij het uitroeien van infectie met ADV.

(44)

De regels van deze verordening betreffende infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis (IBR/IPV) zijn gebaseerd op Beschikking 2004/558/EG van de Commissie (9) met bepalingen inzake aanvullende garanties voor het intracommunautaire handelsverkeer in runderen. Deze omvatten voorschriften voor het verkrijgen, handhaven en herinvoeren van de ziektevrijheid ten aanzien van het boviene herpesvirus 1 (BoHV-1) op het niveau van inrichtingen. De regels zijn opgesteld met inachtneming van de normen van de Gezondheidscode voor landdieren en het wetenschappelijk advies van de EFSA (10).

(45)

De regelgeving van de Unie zoals die vóór de datum van toepassing van deze verordening geldt, bevatten geen bepalingen inzake boviene virusdiarree (BVD), met uitzondering van bepalingen betreffende de handel in levende producten. In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 is BVD nu vermeldt als een “ziekte van categorie C” waarvoor uitroeiing optioneel is. Daarom worden in deze verordening bepalingen vastgesteld met betrekking tot uitroeiingsprogramma’s en de verlening en handhaving van de ziektevrije status ten aanzien van BVD.

(46)

In de Gezondheidscode voor landdieren ontbreken een hoofdstuk over BVD en criteria voor de ziektevrijheid ten aanzien van BVD en daarmee samenhangende verplaatsingen van dieren. Een hoofdstuk over BVD is echter beschikbaar in het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals van de OIE. Voor de bepalingen betreffende BVD in deze verordening zijn deze diagnostische normen in aanmerking genomen.

(47)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 is infectie met het rabiësvirus als een ziekte van categorie B vermeld. Daarom bevat deze verordening bepalingen met betrekking tot verplichte uitroeiingsprogramma’s en de verlening en handhaving van de ziektevrije status ten aanzien van infectie met het rabiësvirus.

(48)

In het wild levende vossen vormen het belangrijkste reservoir voor infectie met het rabiësvirus in de EU. Het is derhalve passend de maatregelen in uitroeiingsprogramma’s in de eerste plaats toe te spitsen op de populatie van in het wild levende vossen. Alle andere zoogdiersoorten zijn echter ook vatbaar voor deze ziekte en in de lijst in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 zijn veel andere diersoorten opgenomen voor deze ziekte. De bevoegde autoriteiten moeten andere dierpopulaties in de uitroeiingsprogramma’s opnemen wanneer er een risico voor de gezondheid van mensen of dieren bestaat.

(49)

Voor uitroeiingsprogramma’s voor infectie met rabiës wordt de ziektebestrijdingsstrategie in de eerste plaats gebaseerd op de vaccinatie van de desbetreffende betrokken dierpopulatie, ondersteund door andere belangrijke activiteiten zoals bewaking, uitvoering van ziektebestrijdingsmaatregelen, controle op het verkeer van gezelschapsdieren en monitoring van de doeltreffendheid van de vaccinatie. Aangezien de vaccinatiebepalingen van zeer technische aard zijn, zijn zij opgenomen in een bijlage.

(50)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 is infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) (“infectie met BTV”) vermeld als ziekte van categorie C, waarvoor een uitroeiingsprogramma optioneel is. Dit houdt een wijziging in het beleid ten aanzien van deze ziekte in, aangezien in Richtlijn 2000/75/EG van de Raad (11), die vóór deze verordening van toepassing was, is bepaald dat zij onmiddellijk moet worden uitgeroeid. In deze verordening worden nieuwe bepalingen vastgesteld die zijn gericht op de nieuwe status van de ziekte.

(51)

Voor infectie met BTV wordt de ziektebestrijdingsstrategie in de eerste plaats gebaseerd op de vaccinatie van de desbetreffende betrokken dierpopulatie, ondersteund door andere activiteiten, zoals bewaking, uitvoering van ziektebestrijdingsmaatregelen, controle op de verplaatsingen van dieren en levende producten en minimalisering van de blootstelling aan vectoren.

(52)

In haar advies (12) inzake controle, bewaking en verplaatsingen van dieren in het geval van infectie met BTV wijst de EFSA erop dat voor geslaagde uitroeiing de vaccinatiegraad ten minste 95 % van de vatbare runderen en schapen moet bedragen gedurende ten minste vijf jaar. Daarom wordt verwacht dat de uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV een vaccinatiecampagne omvatten, hoewel in deze verordening flexibiliteit moet worden geboden om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van elk geval.

(53)

Een lidstaat of zone daarvan die vrij is van infectie met BTV-virus of waarvoor een uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV van kracht is, moet worden beschermd tegen de insleep van BTV-serotypen door de verplaatsing van gehouden dieren of levende producten. Daarom moeten voorschriften voor het binnenbrengen van gehouden dieren of levende producten in lidstaten of zones daarvan die vrij zijn van infectie met BTV of waarvoor een uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV van kracht is, deel uitmaken van de bepalingen met betrekking tot uitroeiingsprogramma’s. Dit moet ook tot uiting komen in de criteria voor de handhaving van de ziektevrije status. Dezelfde beginselen moeten gelden voor verplaatsingen van dieren door lidstaten of zones daarvan die vrij zijn van infectie met BTV of waarvoor een uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV van kracht is.

(54)

Bovendien moet de bevoegde autoriteit, gezien de verscheidenheid aan situaties die zich plaatselijk kunnen voordoen, de mogelijkheid hebben het binnenbrengen van dieren of levende producten op basis van ad-hocvoorschriften toe te staan, mits dit de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming niet in gevaar brengt. Het is derhalve passend dat deze verordening in de voorschriften en voorwaarden voorziet op basis waarvan het binnenbrengen van dieren of levende producten kan worden toegestaan. Dergelijke voorschriften moeten uitgaan van de status van de dieren of levende producten, ongeacht de lidstaat of zone van oorsprong.

(55)

Bij een uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie B of categorie C bij waterdieren wordt rekening gehouden met het soort bewakingsvoorschriften dat nodig is voor het verkrijgen en handhaven van de ziektevrije status, met gegevens over het grondgebied en de dierpopulatie die door het programma moeten worden bestreken, en met de tussentijdse en einddoelstellingen van het programma. Het uitroeiingsprogramma moet de bestrijdingsmaatregelen omvatten die in besmette inrichtingen waar waterdieren worden gehouden, moeten worden uitgevoerd.

(56)

Het uitroeiingsprogramma voor ziekten van waterdieren moet tussentijdse en einddoelstellingen omvatten die zullen worden gebruikt om de geboekte vooruitgang in de richting van het behalen van de ziektevrije status te beoordelen. In voorkomend geval moet bij deze doelstellingen rekening worden gehouden met het risico dat wilde dieren opleveren voor het welslagen van het uitroeiingsprogramma. Met name moet bij de vaststelling van de tussentijdse en einddoelstellingen van het programma rekening worden gehouden met elke mogelijkheid tot afwijking van de voorgestelde toepassingsperiode van zes jaar.

(57)

In het geval van waterdieren bestaat de in het uitroeiingsprogramma op te nemen populatie uit die soorten die in de lijst in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 zijn opgenomen. De bevoegde autoriteit moet echter de mogelijkheid hebben om de in de lijst van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 als vector opgenomen soorten van het programma uit te sluiten als zij een risicobeoordeling heeft uitgevoerd waaruit blijkt dat het risico dat die dieren opleveren als verwaarloosbaar moet worden beschouwd.

(58)

De bevoegde autoriteit moet de mogelijkheid hebben om aanvullende populaties waterdieren op te nemen wanneer die dieren een aanzienlijk risico voor de gezondheidsstatus opleveren. Ook moet zij bepaalde inrichtingen met een laag risico van het uitroeiingsprogramma kunnen uitsluiten indien dat de succesvolle voltooiing van het programma niet in het gedrang brengt.

(59)

Wanneer een lidstaat heeft besloten deel te nemen aan een uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie C, zijn de exploitanten verplicht om aan de voorwaarden voor het binnenbrengen van dieren van in de lijst opgenomen soorten te voldoen, om melding te maken van een vermoeden van een in de lijst opgenomen ziekte, om de ziektebestrijdingsmaatregelen na te leven wanneer de aanwezigheid van een ziekte wordt vermoed of bevestigd, en om alle andere maatregelen te nemen die de bevoegde autoriteit kan voorschrijven, met inbegrip van vaccinatie.

(60)

Wanneer de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen ziekte van waterdieren wordt vermoed of bevestigd in een ziektevrije lidstaat, ziektevrije zone of ziektevrij compartiment, of in een lidstaat, zone of compartiment waarvoor een uitroeiingsprogramma van kracht is, moet de bevoegde autoriteit passende maatregelen nemen om de ziekte te bestrijden. De regels daarvoor moeten derhalve in deze verordening worden vastgesteld. Zij omvatten onder meer de instelling van een beperkingszone wanneer de aanwezigheid van een in de lijst opgenomen ziekte is bevestigd in een inrichting die aan het uitroeiingsprogramma deelneemt of in een ziektevrij verklaarde inrichting. Tevens omvatten zij de minimumvoorschriften voor de geografische afbakening van een beperkingszone en de factoren die daarop van invloed zijn.

(61)

Na de bevestiging van een in de lijst opgenomen ziekte van waterdieren in een ziektevrije lidstaat, ziektevrije zone of ziektevrij compartiment, of in een lidstaat, zone of compartiment waarvoor een uitroeiingsprogramma van kracht is, voert de bevoegde autoriteit strenge controles uit in besmette inrichtingen en in andere in de beperkingszone gelegen inrichtingen. De aard van de controles en de mate van flexibiliteit die de bevoegde autoriteit betracht ten aanzien van verplaatsingen worden in deze verordening omschreven. Indien flexibiliteit wordt betracht, is deze beperkt tot omstandigheden waarin de gezondheidsstatus van de waterdieren in de inrichting van bestemming of langs de route naar die bestemming niet in gevaar wordt gebracht.

(62)

Zodra een uitbraak van een ziekte van waterdieren heeft plaatsgevonden in een inrichting en in die inrichting reeds een uitroeiingsprogramma wordt uitgevoerd of daarmee wordt begonnen, is het belangrijk dat waterdieren die dood zijn aangetroffen of die stervende zijn of die klinische symptomen vertonen, worden verwijderd binnen een door de bevoegde autoriteit en overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad (13) vastgestelde termijn. Op die manier kan de ziekte met succes worden bestreden.

(63)

Krachtens de diergezondheidswetgeving moet de Commissie nadere regels opstellen voor het verlenen van de ziektevrije status aan lidstaten, zones en compartimenten. Deze regels moeten ziektespecifieke criteria omvatten om de afwezigheid van de ziekte in de betrokken dierpopulatie aan te tonen, alsook de algemene criteria die ertoe bijdragen dat de gezondheidsstatus van die betrokken dierpopulatie op doeltreffende wijze onder controle gehouden kan worden.

(64)

Die algemene criteria omvatten de territoriale reikwijdte, bewakings-, biobeveiligings- en ziektebestrijdingsmaatregelen en de consequente uitvoering van andere operationele regels van de diergezondheidswetgeving met betrekking tot de registratie en erkenning van inrichtingen, de traceerbaarheid van dieren en verplaatsingsvoorschriften.

(65)

In deze verordening worden ziektespecifieke criteria vastgesteld op basis van de afwezigheid van in de lijst opgenomen soorten of van het gebrek aan overlevingskansen voor de ziekteverwekker of de vector. Deze criteria moeten op flexibele wijze worden geformuleerd om de bevoegde autoriteit in staat te stellen op grond van de specifieke situatie te beargumenteren dat de ziektevrije status moet worden verkregen. In deze verordening worden daarom algemene voorschriften vastgesteld om aan te geven op welke basis de lidstaten kunnen verzoeken de ziektevrije status te verlenen voor hun gehele grondgebied of een zone daarvan of, in het geval van aquacultuurdieren, voor compartimenten.

(66)

In deze verordening worden ziektespecifieke criteria vastgesteld op basis van de resultaten van uitroeiingsprogramma’s en op basis van historische en bewakingsgegevens. Deze criteria zijn gebaseerd op de resultaten van de bewaking, de uitvoering van maatregelen ter voorkoming van de insleep van de ziekte en de voorwaarden voor het gebruik van vaccins.

(67)

Vanwege hun technische aard zijn deze criteria vastgelegd in de bijlagen en per ziekte gegroepeerd met de criteria voor de handhaving van de ziektevrije status.

(68)

Het is passend in deze verordening gemoderniseerde voorschriften vast te stellen voor de verlening en handhaving van de ziektevrije status, rekening houdend met de regels van de Unie zoals die gelden vóór de datum van toepassing van deze gedelegeerde verordening, met de Gezondheidscode voor landdieren en de Gezondheidscode voor waterdieren van de OIE, en, bij gebrek aan bestaande bepalingen, met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens.

(69)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 is infestatie met Varroa spp. vermeld als een ziekte van categorie C waarvoor uitroeiing optioneel is. In deze verordening worden bepalingen vastgesteld voor het behalen en handhaven van de status vrij van infestatie met Varroa spp.

(70)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 is infectie met het virus van de ziekte van Newcastle vermeld als ziekte van categorie A, waarvoor onmiddellijke uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen. Daarom bevat deze verordening geen bepalingen met betrekking tot een uitroeiingsprogramma voor infectie met het virus van de ziekte van Newcastle. Het moet echter mogelijk zijn voor de bevoegde autoriteit om de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie te verlenen op basis van historische en bewakingsgegevens.

(71)

In het geval van waterdieren zijn er twee verschillende soorten compartimenten mogelijk. In onafhankelijke compartimenten wordt onder strikt omschreven voorwaarden te werk gegaan, waardoor wordt gewaarborgd dat zij onafhankelijk zijn van de gezondheidsstatus van de omringende wateren. Afhankelijke afdelingen worden daarentegen beïnvloed door de gezondheidsstatus van de omringende wateren en er wordt derhalve onder flexibelere voorwaarden te werk gegaan. Afhankelijke compartimenten worden echter pas ingesteld nadat de bevoegde autoriteit een aantal epidemiologische factoren heeft beoordeeld en alle risicobeperkingsmaatregelen heeft genomen die nodig kunnen zijn om de insleep van de ziekte in het compartiment te voorkomen.

(72)

Met betrekking tot waterdieren worden, met het oog op het lagere risico dat verbonden is aan afzonderlijke inrichtingen die onafhankelijk zijn van de omringende wateren, in deze verordening bijzondere bepalingen vastgesteld voor onafhankelijke compartimenten wanneer die voor het eerst aquacultuuractiviteiten aanvangen of na een onderbreking van de productie aquacultuuractiviteiten hervatten. In dergelijke gevallen moet onmiddellijk een verklaring inzake de ziektevrije status worden afgelegd, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Er worden ook bepalingen vastgelegd voor onafhankelijke compartimenten waar een uitbraak van een ziekte heeft plaatsgevonden. Om zeker te stellen dat dergelijke uitbraken met succes zijn bestreden door middel van reiniging, ontsmetting en stillegging, voorafgegaan door ontvolking, moet een steekproef van de dieren waarmee het compartiment opnieuw wordt bevolkt, worden getest alvorens een verklaring inzake de ziektevrije status kan worden afgelegd.

(73)

Wanneer niet meer aan de voorwaarden voor handhaving van de ziektevrije status wordt voldaan doordat de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed of is bevestigd, moet de bevoegde autoriteit ziektebestrijdingsmaatregelen toepassen. Die maatregelen moeten van toepassing zijn tijdens de verschillende stappen van de ziektebestrijding, vanaf het moment waarop een uitbraak van de ziekte wordt vermoed tot het moment waarop het voorval is afgehandeld en de ziektevrije status opnieuw is ingevoerd.

(74)

Indien de bevoegde autoriteit een inbreuk op de voorwaarden voor handhaving van de ziektevrije status in de lidstaat, de zone of het compartiment vaststelt, moeten maatregelen worden genomen om de situatie te verhelpen. De bevoegde autoriteit moet de mogelijkheid hebben de ziektevrije status op te schorten wanneer de inbreuk nog op bevredigende wijze kan worden opgelost en zich aldus niet genoodzaakt te zien de ziektevrije status door de Commissie te laten intrekken.

(75)

Wanneer een lidstaat de ziektevrije status voor een in de lijst opgenomen ziekte van waterdieren wil verkrijgen voor zijn gehele grondgebied of voor een zone daarvan die meer dan 75 % van zijn grondgebied uitmaakt, of die wordt gedeeld met een andere lidstaat of een derde land, dient hij een verzoek om goedkeuring in bij de Commissie. In alle andere gevallen wordt een systeem van eigen verklaringen toegepast.

(76)

Voor eigen verklaringen inzake de ziektevrije status ten aanzien van ziekten van waterdieren voor andere zones en compartimenten dan die welke door de Commissie zijn goedgekeurd, wordt een systeem toegepast dat het proces transparant moet maken en dat ervoor zorgt dat de lidstaten gemakkelijker en mogelijkerwijs ook sneller een verklaring inzake de ziektevrije status zullen kunnen afleggen. De procedure zal geheel langs elektronische weg worden afgehandeld, tenzij een andere lidstaat of de Commissie bezwaren kenbaar maakt die niet op bevredigende wijze kunnen worden weggenomen. Indien er bezwaren zijn die niet op bevredigende wijze kunnen worden weggenomen, wordt de verklaring voorgelegd aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders.

(77)

Deze verordening bevat bepalingen met betrekking tot de goedkeuring van de ziektevrije status van lidstaten of zones daarvan. Deze regels kunnen afwijken van de regels die vóór de datum van toepassing van deze verordening van kracht zijn. Er zijn passende overgangsregels nodig om te zorgen voor een soepele overgang van de bestaande regeling inzake de goedkeuring van de ziektevrije status naar de nieuwe voorschriften.

(78)

Met het oog op de uniforme toepassing van de wetgeving van de Unie inzake bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status en om te waarborgen dat deze wetgeving duidelijk en transparant is, moeten Beschikking 2000/428/EG van de Commissie (14), Beschikking 2002/106/EG van de Commissie (15), Beschikking 2003/422/EG van de Commissie (16), Beschikking 2006/437/EG van de Commissie (17), Verordening (EG) nr. 1266/2007 van de Commissie (18), Beschikking 2008/896/EG van de Commissie (19) en Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie (20) bij deze verordening worden ingetrokken.

(79)

De diergezondheidswetgeving is van toepassing met ingang van 21 april 2021. Bijgevolg moeten de in deze verordening vastgestelde voorschriften ook vanaf die datum van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening vormt een aanvulling op de regels inzake bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten van landdieren, waterdieren en andere dieren, zoals opgenomen in Verordening (EU) 2016/429.

2.   Deel II, hoofdstuk 1, van deze verordening bevat de regels voor de bewaking ten aanzien van de in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde ziekten en nieuwe ziekten zoals omschreven in artikel 6, lid 2, van die verordening, met betrekking tot:

a)

de opzet van de bewaking, met inbegrip van de betrokken dierpopulatie en de diagnostische methoden;

b)

de bevestiging van ziekte en de gevalsdefinitie;

c)

bewakingsprogramma’s van de Unie.

3.   Deel II, hoofdstuk 2, van deze verordening bevat de regels voor de uitroeiingsprogramma’s voor de in artikel 9, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde ziekten van landdieren, met betrekking tot:

a)

de ziektebestrijdingsstrategie, het bestreken grondgebied, de dierpopulaties, de doelstellingen en de toepassingsperiode;

b)

de verplichtingen van exploitanten en bevoegde autoriteiten;

c)

de ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden en bij bevestiging.

4.   Deel II, hoofdstuk 3, van deze verordening bevat de regels voor de uitroeiingsprogramma’s voor de in artikel 9, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde ziekten van waterdieren, met betrekking tot:

a)

de ziektebestrijdingsstrategie, het bestreken grondgebied, de dierpopulaties, de doelstellingen en de toepassingsperiode;

b)

de verplichtingen van exploitanten en bevoegde autoriteiten;

c)

de ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden en bij bevestiging.

5.   Deel II, hoofdstuk 4, van deze verordening bevat de regels voor de ziektevrije status ten aanzien van bepaalde ziekten van landdieren en waterdieren, zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429, met betrekking tot:

a)

de criteria voor goedkeuring van de ziektevrije status van lidstaten en zones;

b)

de criteria voor goedkeuring van de ziektevrije status voor compartimenten waar waterdieren worden gehouden;

c)

de criteria voor de handhaving van de ziektevrije status;

d)

de opschorting, de intrekking en de herinvoering van de ziektevrije status.

6.   Deel III van deze verordening bevat overgangs- en slotbepalingen met betrekking tot:

a)

de goedkeuring van de ziektevrije status van lidstaten, zones en compartimenten die krachtens de vóór de toepassingsdatum van deze verordening geldende wetgeving als ziektevrij zijn erkend;

b)

de goedkeuring van uitroeiingsprogramma’s van lidstaten, zones en compartimenten die krachtens de vóór de toepassingsdatum van deze verordening geldende wetgeving over een goedgekeurd uitroeiings- of bewakingsprogramma beschikken.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“ziekte van categorie E”: een in de lijst opgenomen ziekte waarvoor bewaking nodig is binnen de Unie, overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder e), van Verordening (EU) 2016/429;

2)

“betrokken dierpopulatie”: de populatie dieren van in de lijst opgenomen soorten, omschreven naar soort en, in voorkomend geval, naar categorieën, waarop de bewakingsactiviteiten, de uitroeiingsprogramma’s of de ziektevrije status voor een bepaalde ziekte betrekking hebben;

3)

“aanvullende dierpopulatie”: de populatie van gehouden of wilde dieren van in de lijst opgenomen soorten die aan optionele preventie-, bewakings- en ziektebestrijdingsmaatregelen is onderworpen die nodig zijn om de ziektevrije status van een betrokken dierpopulatie te behalen of te handhaven;

4)

“ziekte van categorie A”: een in de lijst opgenomen ziekte die gewoonlijk niet in de Unie voorkomt en waarvoor onmiddellijke uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen zodra zij wordt ontdekt, overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/429;

5)

“ziekte van categorie B”: in de lijst opgenomen ziekte die in alle lidstaten moet worden bestreden met als doel die ziekte in de gehele Unie uit te roeien, overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2016/429;

6)

“ziekte van categorie C”: in de lijst opgenomen ziekte die relevant is voor sommige lidstaten en waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreidt naar andere delen van de Unie die officieel ziektevrij zijn of waarin een uitroeiingsprogramma voor de betrokken in de lijst opgenomen ziekte loopt, overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/429;

7)

“rund”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de geslachten Bison, Bos (met inbegrip van de ondergeslachten Bos, Bibos, Novibos en Poephagus) en Bubalus (met inbegrip van het ondergeslacht Anoa) alsook kruisingen van die soorten;

8)

“schaap”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in het geslacht Ovis alsook kruisingen van die soorten;

9)

“geit”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in het geslacht Capra alsook kruisingen van die soorten;

10)

“reizend circus”: een tentoonstelling of kermis die dieren of dierennummers omvat en die zich tussen lidstaten verplaatst;

11)

“dierennummers”: alle nummers waarin dieren worden opgevoerd die worden gehouden ten behoeve van een tentoonstelling of kermis en die deel kunnen uitmaken van een circus;

12)

“varken”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Suidae;

13)

“vervoermiddelen”: weg- of spoorvoertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen;

14)

“hond”: een gehouden dier van de soort Canis lupus;

15)

“kat”: een gehouden dier van de soort Felis silvestris;

16)

“fret”: een gehouden dier van de soort Mustela putorius furo;

17)

“seizoensgebonden BTV-vrij gebied”: het gehele grondgebied van een lidstaat of een zone daarvan waar de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 40, lid 3, een tijdelijke status vrij van infectie met het bluetonguevirus (serotype 1-24) (“infectie met BTV”) heeft vastgesteld op basis van een vectorvrije periode en de aangetoonde afwezigheid van de ziekte bij in de lijst opgenomen diersoorten;

18)

“tegen vectoren beschermde inrichting”: alle faciliteiten of delen van faciliteiten van een inrichting die door middel van passende fysieke en beheersmiddelen beschermd zijn tegen aanvallen van Culicoïdes, waarbij aan die inrichting door de bevoegde autoriteit de status van tegen vectoren beschermde inrichting is verleend overeenkomstig artikel 44;

19)

“schip met leeftank”: een schip dat wordt gebruikt in de aquacultuursector en dat beschikt over een leeftank of reservoir voor de opslag en het vervoer van levende vis in water;

20)

“stillegging”: met het oog op ziektebeheer, het ontdoen van een inrichting van aquacultuurdieren van in de lijst opgenomen soorten en, voor zover mogelijk, van water;

21)

“kwalificatieperiode”: de periode voordat de bevoegde autoriteit het verzoek voor het verkrijgen van de ziektevrije status indient, of, in voorkomend geval, voordat de in artikel 83, lid 1, onder a), bedoelde voorlopige verklaring elektronisch wordt gepubliceerd;

22)

“niet in de lijst opgenomen soorten”: een voor een bepaalde ziekte niet in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie opgenomen diersoort of groep diersoorten;

23)

“koppel”: alle pluimvee of in gevangenschap levende vogels met dezelfde gezondheidsstatus die in hetzelfde lokaal of binnen dezelfde uitloopruimte worden gehouden en die een epidemiologische eenheid vormen; in stallen omvat deze term alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen;

24)

“DIVA (Differentiating Infected from Vaccinated Animals)”: een vaccinatie waarbij vaccins worden gebruikt die, in combinatie met passende serologische diagnostische methoden, de opsporing van besmette dieren in een gevaccineerde populatie mogelijk maken;

25)

“DIVA-gevaccineerde dieren”: dieren die zijn gevaccineerd in het kader van een DIVA-vaccinatie;

26)

“erkende inrichting voor levende producten”: een overeenkomstig artikel 97, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 erkend(e) spermawinningscentrum, embryowinningsteam, embryoproductieteam, verwerkingsinrichting voor levende producten of opslagcentrum voor levende producten;

27)

“sperma”: het onbewerkte, bewerkte of verdunde ejaculaat van één of meer dieren;

28)

“oöcyten”: de haploïde stadia van de oötidogenese, met inbegrip van secundaire oöcyten en eicellen;

29)

“embryo”: het eerste ontwikkelingsstadium van een dier dat geschikt is voor transplantatie naar een ontvangerdier;

30)

“vectorvrije periode”: in een bepaald gebied de periode van inactiviteit van Culicoïdes zoals vastgesteld overeenkomstig bijlage V, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 5;

31)

“honingbijen”: dieren van de soort Apis mellifera;

32)

“fokpluimvee”: pluimvee van 72 uur en ouder, bestemd voor de productie van broedeieren;

33)

“aselecte jaarlijkse bewaking”: bewaking die bestaat uit ten minste één studie naar een betrokken dierpopulatie die wordt georganiseerd in de loop van het jaar waarvoor een op waarschijnlijkheid gebaseerde steekproefmethode wordt gebruikt om te bepalen welke eenheden worden onderzocht.

DEEL II

BEWAKING, UITROEIINGSPROGRAMMA’S, ZIEKTEVRIJE STATUS

HOOFDSTUK 1

Bewaking

Afdeling 1

Opzet van de bewaking, betrokken dierpopulatie en diagnostische methoden

Artikel 3

Opzet van de bewaking

1.   De bevoegde autoriteit stelt de opzet van de bewaking voor in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten van landdieren en andere dieren vast, rekening houdend met:

a)

algemene bewakingsvoorschriften op basis van:

i)

melding zoals bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429;

ii)

geschikt veterinair onderzoek naar verhoogde sterfte en andere symptomen van ernstige ziekte of naar een sterk verlaagde productie bij dieren met onbekende oorzaak;

iii)

onderzoek door de bevoegde autoriteit bij het vermoeden van een ziekte van categorie E of, in voorkomend geval, van een nieuwe ziekte;

iv)

betrokken dierpopulatie voor de bewaking, zoals bedoeld in artikel 4;

v)

de bijdrage van officiële controles en andere officiële activiteiten zoals bedoeld in artikel 7;

b)

specifieke bewakingsvoorschriften:

i)

in een bewakingsprogramma van de Unie;

ii)

als onderdeel van verplichte of optionele uitroeiingsprogramma’s;

iii)

voor het aantonen en handhaven van de ziektevrije status;

iv)

als onderdeel van ziektebestrijdingsmaatregelen;

v)

in het kader van de erkenning van bepaalde inrichtingen;

vi)

voor de verplaatsingen van landdieren binnen de Unie of hun binnenkomst in de Unie.

2.   De bevoegde autoriteit stelt de opzet van de bewaking voor in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten van waterdieren vast, rekening houdend met:

a)

algemene bewakingsvoorschriften op basis van:

i)

melding zoals bedoeld in artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429;

ii)

geschikt veterinair onderzoek naar verhoogde sterfte en andere symptomen van ernstige ziekte of naar een sterk verlaagde productie bij dieren met onbekende oorzaak;

iii)

onderzoek door de bevoegde autoriteit bij het vermoeden van een ziekte van categorie E of, in voorkomend geval, van een nieuwe ziekte;

iv)

betrokken dierpopulatie voor de bewaking, zoals bedoeld in artikel 4;

v)

de bijdrage van officiële controles en andere officiële activiteiten zoals bedoeld in artikel 7;

vi)

ziektebestrijdingsmaatregelen;

b)

specifieke bewakingsvoorschriften:

i)

als onderdeel van de risicogebaseerde bewakingsregeling zoals bedoeld in bijlage VI, deel I, hoofdstuk 1, met een risicoclassificatie en regelmatige diergezondheidsinspecties zoals bedoeld in bijlage VI, deel I, hoofdstukken 2 en 3;

ii)

als onderdeel van de uitroeiingsprogramma’s zoals bedoeld in bijlage VI, deel II, hoofdstukken 1 tot en met 6;

iii)

voor het aantonen en handhaven van de ziektevrije status;

iv)

voor het aantonen, overeenkomstig de bewakingsprogramma’s zoals bedoeld in bijlage VI, deel III, hoofdstukken 1 tot en met 6, dat inrichtingen die niet aan het in punt ii) bedoelde uitroeiingsprogramma deelnemen of die de onder iii) bedoelde ziektevrije status niet hebben verkregen, niet zijn besmet;

v)

voor de verplaatsingen van waterdieren binnen de Unie of hun binnenkomst in de Unie.

Artikel 4

Betrokken dierpopulatie

1.   De bevoegde autoriteit specificeert voor elke in de lijst opgenomen ziekte en, in voorkomend geval, voor elke nieuwe ziekte de betrokken dierpopulatie waarop de in artikel 3 bedoelde bewaking is gericht en neemt daarin op:

a)

gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten;

b)

wilde dieren van in de lijst opgenomen soorten, indien:

i)

deze onderworpen zijn aan een bewakingsprogramma van de Unie, een verplicht of een optioneel uitroeiingsprogramma of de voor het verlenen of handhaven van een ziektevrije status vereiste bewaking;

ii)

de bevoegde autoriteit van oordeel is dat zij een risico vormen dat de gezondheidsstatus van andere soorten in een lidstaat, zone of compartiment kan aantasten, of

iii)

er bewaking nodig is voor de beoordeling van diergezondheidsvoorschriften voor binnenkomst in de Unie of verplaatsingen binnen de Unie.

2.   Om de vroegtijdige opsporing van een nieuwe ziekte bij andere soorten dan die bedoeld in lid 1, onder a), te waarborgen, neemt de bevoegde autoriteit in de betrokken dierpopulatie gehouden dieren op van soorten die niet voor de desbetreffende ziekte in de lijst zijn opgenomen, indien aan de volgende criteria wordt voldaan:

a)

zij worden verplaatst naar inrichtingen in een andere lidstaat of zone of een ander compartiment, en

b)

vanwege het aantal dieren of de frequentie van de verplaatsingen is de bevoegde autoriteit van oordeel dat de dieren een risico vormen dat de gezondheidsstatus van andere gehouden dieren in een andere lidstaat of zone of een ander compartiment kan aantasten, mocht zich bij die soort een ziekte manifesteren.

Artikel 5

Uitsluiting van bepaalde gehouden landdieren uit de betrokken dierpopulatie

1.   In afwijking van artikel 4, lid 1, onder a), kan de bevoegde autoriteit de betrokken dierpopulatie voor de bewaking ten aanzien van een andere ziekte dan van categorie A beperken tot de categorieën van gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten die voor die ziekte onderworpen zijn aan:

a)

bewakingsprogramma’s van de Unie;

b)

verplichte of optionele uitroeiingsprogramma’s of de voor het verlenen of handhaven van een ziektevrije status vereiste bewaking, of

c)

op bewaking gebaseerde diergezondheidsvoorschriften voor de verplaatsingen binnen de Unie of de binnenkomst in de Unie.

2.   De in lid 1 bedoelde categorieën van gehouden dieren kunnen zijn gebaseerd op de leeftijd van de dieren, hun geslacht, de locatie en het type productie.

Artikel 6

Diagnostische methoden

1.   De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat het verzamelen van monsters, de technieken, de validering en de interpretatie van de diagnostische methoden voor de bewaking:

a)

in overeenstemming zijn met de specifieke wetgeving die is vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429 en met de relevante nadere bijzonderheden en richtsnoeren die op de websites van de referentielaboratoria van de Europese Unie (EURL) en van de Commissie ter beschikking worden gesteld;

b)

voor zover deze niet onder de in punt a) bedoelde wetgeving, nadere bijzonderheden en richtsnoeren vallen, in overeenstemming zijn met het verzamelen van monsters, de technieken, de validering en de interpretatie van de diagnostische methoden zoals omschreven in het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) (“het handboek inzake landdieren” (21), als gewijzigd, of het Manual of Diagnostic Tests for Aquatic Animals van de OIE (“het handboek inzake waterdieren” (22), als gewijzigd;

c)

voor zover deze niet onder het in dit lid, onder a) en b), bepaalde vallen, in overeenstemming zijn met de in artikel 34, lid 2, onder b), en artikel 34, lid 3, van Verordening (EU) 2017/625 vastgestelde methoden.

2.   De diagnostische methoden voor het verlenen en handhaven van de ziektevrije status zijn vastgesteld in:

a)

bijlage III, afdeling 1, voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

b)

bijlage III, afdeling 2, voor infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (Mycobacterium bovis, M. caprae en M. tuberculosis) (MTBC);

c)

bijlage III, afdeling 3, voor enzoötische boviene leukose (EBL);

d)

bijlage III, afdeling 4, voor infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis (IBR/IPV);

e)

bijlage III, afdeling 5, voor infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky (Aujezsky’s disease virus, ADV);

f)

bijlage III, afdeling 6, voor boviene virusdiarree (BVD);

g)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 5, punt 2, voor virale hemorragische septikemie (VHS);

h)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 5, punt 2, voor infectieuze hematopoëtische necrose (IHN);

i)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 5, punt 2, voor infectie met zalmanemievirus met deletie in de hypervariabele regio (highly polymorphic region deleted infectious salmon anaemia virus, ISAV met HPR-deletie);

j)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 3, afdeling 5, punt 2, voor infectie met Marteilia refringens;

k)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 4, afdeling 5, punt 2, voor infectie met Bonamia exitiosa;

l)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 5, afdeling 5, punt 2, voor infectie met Bonamia ostreae;

m)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 6, afdeling 5, punt 2, voor infectie met het wittevlekkensyndroomvirus (white spot syndrome virus, WSSV).

Artikel 7

Bijdrage van officiële controles en andere officiële activiteiten tot de bewaking van de diergezondheid

1.   De bevoegde autoriteit neemt, in voorkomend geval, in de opzet van de in artikel 3 van deze verordening bedoelde bewaking de resultaten op van de officiële controles en andere officiële activiteiten zoals omschreven in artikel 2 van Verordening (EU) 2017/625. Deze officiële controles en andere officiële activiteiten omvatten:

a)

ante-mortem- en post-mortemkeuringen;

b)

inspecties aan grenscontroleposten;

c)

officiële controles en andere officiële activiteiten op markten en bij het verzamelen van dieren;

d)

officiële controles en andere officiële activiteiten tijdens het vervoer van levende dieren;

e)

inspecties in verband met de volksgezondheid en bemonstering van inrichtingen;

f)

andere officiële controles waarbij inrichtingen, dieren of monsters worden geïnspecteerd of onderzocht.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteit, in het kader van officiële controles of andere officiële activiteiten zoals bedoeld in lid 1, vermoedt dat er sprake is van een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte, zorgt zij ervoor dat alle betrokken autoriteiten op de hoogte worden gebracht. Dit gebeurt:

a)

onmiddellijk in het geval van een ziekte van categorie A of een nieuwe ziekte;

b)

onverwijld voor andere ziekten.

Afdeling 2

Bevestiging van ziekte en gevalsdefinities

Artikel 8

Criteria voor de officiële bevestiging van andere in de lijst opgenomen ziekten dan van categorie A, en bepaalde nieuwe ziekten en de daaropvolgende bevestiging van uitbraken

1.   De bevoegde autoriteit verricht, bij een vermoeden van andere in de lijst opgenomen ziekten dan van categorie A of van een nieuwe ziekte, een onderzoek om de aanwezigheid van die ziekte te bevestigen of uit te sluiten, wanneer:

a)

de gezondheidsstatus van de lidstaat, de zone of het compartiment moet worden bepaald, of

b)

de nodige gegevens over het voorkomen van de ziekte moeten worden verzameld voor een van de volgende doeleinden:

i)

het uitvoeren van maatregelen ter bescherming van de diergezondheid of de menselijke gezondheid;

ii)

het uitvoeren van diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van dieren of producten, of

iii)

het voldoen aan de voorschriften van een bewakingsprogramma van de Unie.

2.   De bevoegde autoriteit bevestigt een uitbraak van een van de in lid 1 bedoelde ziekten wanneer zij overeenkomstig artikel 9, lid 2, een dier of groep dieren als bevestigd geval van deze ziekten heeft ingedeeld.

Artikel 9

Gevalsdefinitie

1.   De bevoegde autoriteit deelt een dier of een groep dieren als vermoedelijk geval van een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte in wanneer:

a)

uit klinisch, post-mortem- of laboratoriumonderzoeken blijkt dat een of meer klinische tekenen of post-mortemlaesies of histologische bevindingen op die ziekte wijzen;

b)

een of meer resultaten van een diagnostische methode op de waarschijnlijke aanwezigheid van de ziekte in een monster van een dier of een groep dieren wijzen, of

c)

er een epidemiologisch verband met een bevestigd geval is vastgesteld.

2.   De bevoegde autoriteit deelt een dier of een groep dieren als bevestigd geval van een in de lijst opgenomen ziekte of een nieuwe ziekte in wanneer:

a)

de ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren;

b)

een antigeen of nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld, of

c)

een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een dier of een groep dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

3.   De ziektespecifieke definities van een vermoedelijk geval en een bevestigd geval van in de lijst opgenomen ziekten zijn voor landdieren vastgesteld in bijlage I en voor waterdieren telkens in afdeling 5, punt 3, van de hoofdstukken 1 tot en met 6 van bijlage VI, deel II.

4.   Bij het ontbreken van ziektespecifieke definities zoals bedoeld in lid 3 zijn de criteria van de leden 1 en 2 van toepassing op de definities van een vermoedelijk geval en een bevestigd geval van in de lijst opgenomen ziekten en, in voorkomend geval, van nieuwe ziekten.

Afdeling 3

Bewakingsprogramma’s van de Unie

Artikel 10

Criteria voor en inhoud van bewakingsprogramma’s van de Unie

1.   Een ziekte van categorie E wordt onderworpen aan een bewakingsprogramma van de Unie overeenkomstig artikel 28 van Verordening (EU) 2016/429 als aan alle volgende criteria wordt voldaan:

a)

de ziekte vormt een bijzondere bedreiging voor de gezondheid van dieren en mogelijk ook van mensen op het gehele grondgebied van de Unie, met mogelijke ernstige economische gevolgen voor de landbouwgemeenschap en de economie in ruimere zin;

b)

het ziekteprofiel kan zich verder ontwikkelen, met name wat betreft het risico voor de gezondheid van mensen en dieren;

c)

besmette wilde dieren vormen een bijzonder risico voor de insleep van de ziekte op het gehele grondgebied van de Unie of een deel daarvan;

d)

het is van fundamenteel belang om door middel van bewaking regelmatig bijgewerkte informatie te verkrijgen over de verspreiding van de ziekte en over de karakterisering van de ziekteverwekker, teneinde deze risico’s te beoordelen en de risicobeperkingsmaatregelen dienovereenkomstig aan te passen.

2.   De bevoegde autoriteit voert de bewakingsprogramma’s van de Unie voor de desbetreffende ziekte uit overeenkomstig de bepalingen van bijlage II.

Artikel 11

Te verstrekken informatie bij de indiening van en verslaglegging over bewakingsprogramma’s van de Unie

1.   De bevoegde autoriteit neemt bij de indiening van een bewakingsprogramma van de Unie daarin ten minste de volgende informatie op:

a)

beschrijving van de epidemiologische situatie van de ziekte vóór de begindatum van de uitvoering van het programma en gegevens over de epidemiologische ontwikkeling van de ziekte;

b)

de betrokken dierenpopulatie, epidemiologische eenheden en zones waarop het bewakingsprogramma is gericht;

c)

de organisatie van de bevoegde autoriteit, het toezicht op de uitvoering van het programma, de officiële controles die moeten worden verricht in het kader van de uitvoering van het programma en de rol van alle betrokken exploitanten, gezondheidswerkers voor dieren, dierenartsen, laboratoria voor diergezondheid en andere betrokken natuurlijke of rechtspersonen;

d)

beschrijving en afbakening van de geografische en administratieve gebieden waarin het programma moet worden uitgevoerd;

e)

indicatoren aan de hand waarvan de vordering van het programma wordt gemeten;

f)

gebruikte diagnostische methoden, aantal geteste monsters, testfrequentie en bemonsteringsschema’s;

g)

risicofactoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het plannen van risicogebaseerde gerichte bewaking.

2.   De bevoegde autoriteit neemt bij de verslaglegging over een bewakingsprogramma van de Unie ten minste de volgende informatie op in het verslag:

a)

de beschrijving van de uitgevoerde maatregelen en de verkregen resultaten op basis van de in lid 1, onder b), d), e) en f), bedoelde informatie, en

b)

de resultaten van de opvolging van de epidemiologische ontwikkeling van de ziekte bij een vermoedelijk of een bevestigd geval.

HOOFDSTUK 2

Uitroeiingsprogramma’s voor ziekten van de categorieën B en C bij landdieren

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 12

Ziektebestrijdingsstrategie voor de uitroeiing van ziekten van de categorieën B en C bij landdieren

1.   De bevoegde autoriteit gaat bij de vaststelling van een verplicht uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie B of een optioneel uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie C bij landdieren uit van een ziektebestrijdingsstrategie die voor elke ziekte het volgende omvat:

a)

het grondgebied en de dierpopulatie waarvoor het uitroeiingsprogramma geldt, zoals bedoeld in artikel 13, lid 1;

b)

de duur van het uitroeiingsprogramma, zoals bedoeld in artikel 15, met inbegrip van de tussentijdse en einddoelstellingen ervan, zoals bedoeld in artikel 14, en

c)

de ziektespecifieke voorschriften zoals vastgesteld:

i)

in de artikelen 16 tot en met 31 voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, infectie met MTBC, EBL, IBR/IPV en infectie met ADV en BVD;

ii)

in de artikelen 32 tot en met 36 voor infectie met het rabiësvirus (RABV);

iii)

in de artikelen 37 tot en met 45 voor infectie met BTV.

2.   De bevoegde autoriteit kan in het uitroeiingsprogramma gecoördineerde maatregelen aan de met andere lidstaten of derde landen gedeelde land- of kustgrenzen opnemen om te waarborgen dat de doelstellingen van het programma blijvend worden verwezenlijkt.

Indien een dergelijke coördinatie niet is geregeld, neemt de bevoegde autoriteit in het uitroeiingsprogramma, indien haalbaar, doeltreffende risicobeperkingsmaatregelen op, met inbegrip van verscherpte bewaking.

Artikel 13

Territoriale reikwijdte en dierpopulaties

1.   De bevoegde autoriteit stelt de reikwijdte van het uitroeiingsprogramma vast, met inbegrip van:

a)

het bestreken grondgebied, en

b)

de betrokken dierpopulatie en, waar nodig, aanvullende dierpopulaties.

2.   Het in lid 1, onder a), bedoelde grondgebied dat door het uitroeiingsprogramma wordt bestreken, bestaat uit:

a)

het gehele grondgebied van de lidstaat, of

b)

een of meer zones, mits elke zone overeenkomt met een administratieve eenheid (of een combinatie van dergelijke eenheden) van ten minste 2 000 km2 en ten minste één van de overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde regio’s omvat.

3.   In afwijking van lid 2 kan de bevoegde autoriteit zones met een oppervlakte van minder dan 2 000 km2 vaststellen, waarbij zij rekening houdt met:

a)

een minimumoppervlakte dat niet significant kleiner is dan 2 000 km2, of

b)

het bestaan van natuurlijke barrières die relevant zijn voor het ziekteprofiel.

Artikel 14

Tussentijdse en einddoelstellingen

1.   De bevoegde autoriteit neemt in het uitroeiingsprogramma kwalitatieve en kwantitatieve einddoelstellingen op die alle in artikel 72 vastgestelde ziektespecifieke voorschriften voor het verlenen van de ziektevrije status bestrijken.

2.   De bevoegde autoriteit neemt in het uitroeiingsprogramma kwalitatieve en kwantitatieve, jaarlijkse of meerjarige, tussentijdse doelstellingen op om de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van de einddoelstellingen aan af te meten. Deze tussentijdse doelstellingen omvatten:

a)

alle in lid 1 bedoelde ziektespecifieke voorschriften, en

b)

indien nodig, aanvullende voorschriften die niet zijn opgenomen in de criteria voor het verlenen van de ziektevrije status om de geboekte vooruitgang in de richting van uitroeiing te beoordelen.

Artikel 15

Toepassingsperiode

1.   De bevoegde autoriteit neemt de toepassingsperiode in het uitroeiingsprogramma op, rekening houdend met de beginsituatie en de tussentijdse doelstellingen zoals vermeld in artikel 14, lid 2.

2.   Voor ziekten van categorie C mag de toepassingsperiode van het uitroeiingsprogramma niet langer duren dan zes jaar vanaf de datum van de eerste goedkeuring ervan door de Commissie overeenkomstig artikel 31, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie, op verzoek van de lidstaten, de toepassingsperiode van het uitroeiingsprogramma met nog eens zes jaar verlengen.

Afdeling 2

Voorschriften voor uitroeiingsprogramma’s op basis van het verlenen van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen

Artikel 16

Ziektebestrijdingsstrategie op basis van de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen

1.   De bevoegde autoriteit stelt voor de volgende ziekten van landdieren de ziektebestrijdingsstrategie van een uitroeiingsprogramma op met betrekking tot de in inrichtingen gehouden betrokken dierpopulaties:

a)

infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

b)

infectie met MTBC;

c)

EBL;

d)

IBR/IPV;

e)

infectie met ADV;

f)

BVD.

2.   De in lid 1 bedoelde ziektebestrijdingsstragieën van uitroeiingsprogramma’s worden gebaseerd op:

a)

de uitvoering van de in de artikelen 18 tot en met 31 vastgestelde ziektespecifieke maatregelen totdat alle betrokken inrichtingen de ziektevrije status hebben behaald;

b)

de verlening, opschorting en intrekking door de bevoegde autoriteit van de ziektevrije status van alle betrokken inrichtingen;

c)

de uitvoering van biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen;

d)

de facultatieve uitvoering van vaccinatieprogramma’s.

Artikel 17

Betrokken en aanvullende dierpopulaties voor uitroeiingsprogramma’s voor bepaalde ziekten

1.   De bevoegde autoriteit past een verplicht uitroeiingsprogramma toe op de volgende betrokken dierpopulaties:

a)

voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, gehouden runderen, gehouden schapen en gehouden geiten;

b)

voor infectie met MTBC, gehouden runderen.

2.   De bevoegde autoriteit past het optionele uitroeiingsprogramma toe op de volgende betrokken dierpopulaties:

a)

voor EBL, gehouden runderen;

b)

voor IBR/IPV, gehouden runderen;

c)

voor infectie met ADV, gehouden varkens;

d)

voor BVD, gehouden runderen.

3.   De bevoegde autoriteit neemt aanvullende dierpopulaties op als zij van oordeel is dat dergelijke dieren een aanzienlijk risico vormen voor de gezondheidsstatus van de in lid 1 of 2 bedoelde dieren.

Artikel 18

Verplichtingen van exploitanten met betrekking tot uitroeiingsprogramma’s voor bepaalde ziekten

1.   De exploitanten van inrichtingen waar dieren van de in artikel 17 bedoelde betrokken dierpopulaties worden gehouden, met uitzondering van slachthuizen, moeten voldoen aan de volgende algemene en ziektespecifieke voorschriften om de ziektevrije status voor die inrichtingen te verkrijgen en te handhaven:

a)

algemene voorschriften:

i)

bewaking van de betrokken en aanvullende dierpopulaties voor de desbetreffende ziekte, zoals overeenkomstig artikel 3, lid 1, door de bevoegde autoriteit gelast;

ii)

bij verplaatsing van dieren van de betrokken dierpopulaties, waarborgen dat de gezondheidsstatus van de inrichtingen niet in gevaar komt door het vervoer of het binnenbrengen in de inrichtingen van dieren van de betrokken of aanvullende dierpopulaties, of van producten daarvan;

iii)

vaccinatie van de gehouden dieren van de betrokken dierpopulatie tegen de desbetreffende ziekte;

iv)

ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden of bevestiging van de ziekte;

v)

eventuele aanvullende maatregelen die door de bevoegde autoriteit noodzakelijk worden geacht en die, in voorkomend geval, de scheiding van dieren aan de hand van hun gezondheidstoestand door middel van fysieke beschermingsmaatregelen en beheersmaatregelen kunnen omvatten;

b)

ziektespecifieke voorschriften, zoals vastgesteld in:

i)

bijlage IV, deel I, hoofdstukken 1 en 2, voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

ii)

bijlage IV, deel II, hoofdstuk 1, voor infectie met MTBC;

iii)

bijlage IV, deel III, hoofdstuk 1, voor EBL;

iv)

bijlage IV, deel IV, hoofdstuk 1, voor IBR/IPV;

v)

bijlage IV, deel V, hoofdstuk 1, voor infectie met ADV;

vi)

bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 1, voor BVD;

2.   De exploitanten van slachthuizen waar dieren van de in artikel 17 bedoelde betrokken dierpopulaties worden gehouden en geslacht, moeten voldoen aan de algemene voorschriften van lid 1, onder a), i), iv) en v).

Artikel 19

Afwijking met betrekking tot het verlenen van de ziektevrije status aan inrichtingen

In afwijking van artikel 18 en mits de desbetreffende betrokken dierpopulaties voldoen aan de algemene voorschriften van artikel 18, lid 1, onder a), kan de bevoegde autoriteit besluiten dat de in artikel 18, lid 1, neergelegde verplichtingen van exploitanten om de ziektevrije status te verkrijgen en te handhaven, niet gelden voor de exploitanten van de volgende inrichtingen:

a)

geconsigneerde inrichtingen;

b)

inrichtingen waar dieren alleen voor verzameling worden gehouden;

c)

inrichtingen waar dieren alleen voor dierennummers worden gehouden;

d)

reizende circussen.

Artikel 20

Verplichting van de bevoegde autoriteit om de ziektevrije status te verlenen, op te schorten en in te trekken

1.   De bevoegde autoriteit verleent de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen op basis van de naleving door de exploitanten van de voorschriften van artikel 18.

2.   De bevoegde autoriteit schort de ziektevrije status op het niveau van inrichtingen op of trekt deze in wanneer aan de voorwaarden voor opschorting of intrekking is voldaan. Deze voorwaarden worden vastgesteld in:

a)

de afdelingen 3 en 4 van de hoofdstukken 1 en 2 van bijlage IV, deel I, voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

b)

bijlage IV, deel II, hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 4, voor infectie met MTBC;

c)

bijlage IV, deel III, hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 4, voor EBL;

d)

bijlage IV, deel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 4, voor IBR/IPV;

e)

bijlage IV, deel V, hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 4, voor infectie met ADV;

f)

bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 1, afdelingen 3 en 4, voor BVD;

3.   De bevoegde autoriteit specificeert:

a)

de bijzonderheden van de testregeling, in voorkomend geval met inbegrip van de ziektespecifieke voorschriften zoals bedoeld in artikel 18, lid 1, onder b), wanneer de ziektevrije status wordt opgeschort of ingetrokken, en

b)

de maximale periode gedurende welke de ziektevrije status kan worden opgeschort wanneer sprake is van een inbreuk op de in lid 2 bedoelde voorwaarden.

4.   De bevoegde autoriteit kan verschillende gezondheidsstatussen toekennen aan verschillende epidemiologische eenheden van dezelfde inrichting, mits de exploitant daarvan:

a)

vóór enig geval van het vermoeden of de bevestiging van de ziekte overeenkomstig de artikelen 21 en 24 de gegevens over de verschillende binnen de inrichting ingestelde epidemiologische eenheden waaraan verschillende gezondheidsstatussen zullen worden verleend, ter beoordeling aan de bevoegde autoriteit heeft voorgelegd;

b)

een systeem heeft opgezet, waartoe de bevoegde autoriteit op verzoek toegang heeft, om de verplaatsingen van dieren en levende producten naar, van en tussen de epidemiologische eenheden te traceren, en

c)

de epidemiologische eenheden door middel van fysieke en beheersmiddelen heeft gescheiden en voldoet aan eventuele risicobeperkingsmaatregelen die daartoe door de bevoegde autoriteit zijn gevraagd.

Artikel 21

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van bepaalde ziekten

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit een geval van de desbetreffende ziekte vermoedt, verricht zij onderzoeken, leidt zij een epidemiologisch onderzoek in en schort zij de ziektevrije status van de inrichting waar het vermoedelijke geval zich heeft voorgedaan op tot de onderzoeken en het epidemiologisch onderzoek zijn afgerond.

2.   In afwachting van de resultaten van de onderzoeken en van het epidemiologisch onderzoek zoals bedoeld in lid 1:

a)

verbiedt de bevoegde autoriteit verplaatsingen van dieren van de desbetreffende betrokken dierpopulatie vanuit de inrichting, tenzij zij toestemming heeft gegeven voor het onmiddellijk slachten van die dieren in een aangewezen slachthuis;

b)

wanneer de bevoegde autoriteit dit nodig acht om het risico van verspreiding van de ziekte te beheersen:

i)

gelast zij de isolatie van de vermoedelijke gevallen in de inrichting, waar dat technisch mogelijk is;

ii)

beperkt zij het binnenbrengen van dieren van de desbetreffende betrokken dierpopulatie in de inrichting;

iii)

beperkt zij verplaatsingen van producten van de desbetreffende betrokken dierpopulatie van of naar de inrichting.

3.   De bevoegde autoriteit handhaaft de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen totdat de aanwezigheid van de ziekte is uitgesloten of is bevestigd.

Artikel 22

Verlenging van ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van bepaalde ziekten

1.   De bevoegde autoriteit breidt, wanneer zij dat nodig acht, de maatregelen van artikel 21 uit tot:

a)

desbetreffende aanvullende dierpopulaties die in de inrichting worden gehouden;

b)

elke inrichting die een epidemiologisch verband heeft met de inrichting waar het vermoedelijke geval zich heeft voorgedaan.

2.   Indien de aanwezigheid van de ziekte bij wilde dieren wordt vermoed, breidt de bevoegde autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, de maatregelen van artikel 21 uit tot de inrichtingen waar het risico op besmetting bestaat.

Artikel 23

Afwijkingen van ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van bepaalde ziekten

1.   In afwijking van artikel 21, lid 1, kan de bevoegde autoriteit om naar behoren gemotiveerde redenen besluiten de ziektevrije status van de gehele inrichting niet op te schorten wanneer sprake is van verschillende epidemiologische eenheden zoals bedoeld in artikel 20, lid 4.

2.   In afwijking van artikel 21, lid 2, onder a), kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van dieren van de desbetreffende betrokken dierpopulatie naar een inrichting die onder haar officiële toezicht staat, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

de dieren worden alleen via rechtstreeks vervoer verplaatst;

b)

in de inrichting van bestemming worden de dieren in gesloten voorzieningen gehouden zonder contact te hebben met gehouden dieren met een hogere gezondheidsstatus of met wilde dieren van de voor de desbetreffende ziekte in de lijst opgenomen soorten.

3.   In afwijking van artikel 21, lid 2, onder a), kan de bevoegde autoriteit, in het geval van een ziekte van categorie C, verplaatsingen van dieren van de desbetreffende betrokken dierpopulatie toestaan, mits zij, indien nodig via rechtstreeks vervoer, worden verplaatst naar een inrichting in een gebied dat noch ziektevrij is, noch onder een optioneel uitroeiingsprogramma valt.

4.   Wanneer de bevoegde autoriteit gebruikmaakt van de in lid 2 bedoelde afwijking:

a)

schort zij de ziektevrije status van de inrichting van bestemming van de dieren waarop de afwijkingen van toepassing zijn op, tot het einde van de in artikel 21, lid 1, bedoelde onderzoeken;

b)

verbiedt zij, totdat de in artikel 21, lid 1, bedoelde onderzoeken zijn afgerond, de verplaatsing van dieren vanuit die inrichting, tenzij zij het rechtstreekse vervoer van de dieren naar een aangewezen slachthuis voor onmiddellijke slacht heeft toegestaan;

c)

handhaaft zij, bij een vermoeden van infectie met Brucella abortus, B. melitensis of B. suis of met MTBC, het onder b) bedoelde verbod na de afronding van het onderzoek totdat alle dieren die sinds het ingaan van de in lid 2 bedoelde afwijking naar de inrichting zijn verplaatst, zijn geslacht.

5.   De bevoegde autoriteit mag slechts gebruikmaken van de in de leden 1, 2 en 3 vastgestelde afwijkingen indien de exploitanten van de inrichtingen van oorsprong en van bestemming en de vervoerders van de dieren waarop de afwijkingen van toepassing zijn:

a)

passende biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen toepassen zoals vereist om de verspreiding van de ziekte te voorkomen, en

b)

ten aanzien van de bevoegde autoriteit garanties bieden dat alle noodzakelijke biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen zijn genomen.

Artikel 24

Officiële bevestiging van bepaalde ziekten en ziektebestrijdingsmaatregelen

1.   Indien een geval wordt bevestigd:

a)

trekt de bevoegde autoriteit de ziektevrije status van de besmette inrichting(en) in;

b)

neemt zij de maatregelen van de artikelen 25 tot en met 31 in de besmette inrichting(en).

2.   In afwijking van lid 1, onder a), kan de bevoegde autoriteit de intrekking van de ziektevrije status beperken tot de epidemiologische eenheden waar een geval is bevestigd.

3.   Als de ziekte wordt bevestigd bij wilde dieren, voert de bevoegde autoriteit, indien nodig, een epidemiologisch onderzoek uit en verricht zij onderzoeken, overeenkomstig artikel 25. Indien zij dit nodig acht om de verspreiding van de ziekte te voorkomen:

a)

gelast zij de ziektebestrijdingsmaatregelen zoals bedoeld in de artikelen 21 tot en met 25 en in artikel 30 in inrichtingen waar de betrokken dierpopulatie en de aanvullende dierenpopulaties worden gehouden;

b)

neemt zij ten aanzien van de betrokken populatie van wilde dieren of hun habitat andere evenredige en noodzakelijke preventie-, bewakings- en ziektebestrijdingsmaatregelen of gelast zij dergelijke maatregelen.

Artikel 25

Epidemiologisch onderzoek en onderzoeken in het geval van de bevestiging van bepaalde ziekten

1.   Indien de ziekte wordt bevestigd:

a)

voert de bevoegde autoriteit een epidemiologisch onderzoek uit;

b)

verricht zij onderzoeken en past zij de maatregelen van artikel 21 toe in alle epidemiologisch verbonden inrichtingen, en

c)

past zij de bewaking aan de vastgestelde risicofactoren aan, rekening houdend met de conclusies van het epidemiologisch onderzoek.

2.   De bevoegde autoriteit houdt rekening met de noodzaak om onderzoek te verrichten naar wilde dieren van aanvullende dierpopulaties wanneer uit het epidemiologisch onderzoek blijkt dat er epidemiologische verbanden tussen gehouden dieren en wilde dieren bestaan.

3.   De bevoegde autoriteit bericht zo spoedig mogelijk over de situatie aan:

a)

de exploitanten en betrokken autoriteiten van de lidstaten die betrokken zijn bij de epidemiologische verbanden met het bevestigde geval, en

b)

de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of derde landen die betrokken kunnen zijn bij de epidemiologische verbanden met de besmette inrichting(en).

Artikel 26

Verplaatsing van dieren naar of vanuit besmette inrichtingen

1.   De bevoegde autoriteit verbiedt verplaatsingen van dieren van de betrokken dierpopulatie vanuit de besmette inrichting, tenzij zij toestemming heeft gegeven voor het onmiddellijk slachten van die dieren in een aangewezen slachthuis.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteit dit nodig acht om de verspreiding van de ziekte te voorkomen:

a)

gelast zij de isolatie van de vermoedelijke en bevestigde gevallen in de inrichting, waar dat technisch mogelijk is;

b)

beperkt zij de verplaatsingen van dieren van de betrokken dierpopulatie binnen de inrichting;

c)

beperkt zij het binnenbrengen van dieren van de betrokken dierpopulatie in de inrichting;

d)

beperkt zij verplaatsingen van producten van dieren van de betrokken dierpopulatie van of naar de besmette inrichting.

3.   De bevoegde autoriteit breidt, wanneer zij dat nodig acht, de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen uit tot dieren en producten van aanvullende dierpopulaties om verspreiding van de ziekte te voorkomen.

Artikel 27

Testen en verwijderen van dieren vanuit besmette inrichtingen

1.   Na de bevestiging van de ziekte, gelast de bevoegde autoriteit dat in besmette inrichtingen de volgende tests worden uitgevoerd binnen een door haar vast te stellen maximumtermijn:

a)

tests op die dieren waarvoor het testen ervan noodzakelijk wordt geacht om het epidemiologisch onderzoek te voltooien;

b)

tests om de ziektevrije status opnieuw in te voeren, zoals vastgesteld in:

i)

afdeling 4 van de hoofdstukken 1 en 2 van bijlage IV, deel I, voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

ii)

bijlage IV, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor infectie met MTBC;

iii)

bijlage IV, deel III, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor EBL;

iv)

bijlage IV, deel IV, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor IBR/IPV;

v)

bijlage IV, deel V, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor infectie met ADV;

vi)

bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor BVD, en

c)

alle aanvullende tests die zij nodig acht om te zorgen voor een snelle opsporing van besmette dieren die kunnen bijdragen tot de verspreiding van de ziekte.

2.   In afwijking van lid 1, onder b), worden geen tests gelast wanneer de ziektevrije status heringevoerd is overeenkomstig:

i)

afdeling 1, punt 2, van de hoofdstukken 1 en 2 van bijlage IV, deel I, voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

ii)

bijlage IV, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 2, voor infectie met MTBC;

iii)

bijlage IV, deel III, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 2, voor EBL;

iv)

bijlage IV, deel IV, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 2, voor IBR/IPV;

v)

bijlage IV, deel V, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 2, voor infectie met ADV;

vi)

bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 2, voor BVD.

3.   De bevoegde autoriteit gelast dat in besmette inrichtingen alle dieren die als bevestigde gevallen en, indien nodig, als vermoedelijke gevallen zijn erkend, binnen een door haar vast te stellen maximumtermijn worden geslacht.

4.   Het slachten van de in lid 3 bedoelde dieren geschiedt onder officieel toezicht in een aangewezen slachthuis.

5.   De bevoegde autoriteit kan gelasten dat sommige of alle in lid 3 bedoelde dieren worden afgemaakt en vernietigd in plaats van te worden geslacht.

6.   De bevoegde autoriteit breidt de in dit artikel vastgestelde maatregelen uit tot dieren van aanvullende dierpopulaties wanneer dit nodig is om de ziekte in de besmette inrichtingen uit te roeien.

Artikel 28

Beheer van producten uit besmette inrichtingen

1.   De bevoegde gelast in alle inrichtingen die besmet zijn met Brucella abortus, B. melitensis of B. suis of met MTBC dat:

a)

van bevestigde gevallen afkomstige melk ofwel alleen aan dieren in dezelfde inrichting wordt gevoerd nadat zij is verwerkt om te waarborgen dat de ziekteverwekker wordt geïnactiveerd, ofwel wordt verwijderd;

b)

mest, stro, diervoeder of andere materialen en stoffen die in contact zijn gekomen met een bevestigd geval of met besmet materiaal, zo spoedig mogelijk worden verzameld en verwijderd, of na een passende risicobeoordeling worden opgeslagen en verwerkt om het risico van verspreiding van de ziekte tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

2.   In geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis gelast de bevoegde autoriteit dat in alle besmette inrichtingen foetussen, doodgeboren dieren, dieren die na de geboorte zijn gestorven aan de ziekte en placenta’s worden ingezameld en verwijderd.

3.   In geval van besmetting met een ziekte van categorie C, gelast de bevoegde autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, alle passende maatregelen zoals bedoeld in de leden 1 en 2.

4.   De bevoegde autoriteit gelast, wanneer zij dit nodig acht, de terugtracering, de verwerking of de verwijdering van alle producten van besmette inrichtingen die een risico kunnen vormen wat betreft de verspreiding van de ziekte of die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.

Artikel 29

Afwijkingen van de beperking van verplaatsingen van dieren vanuit besmette inrichtingen

1.   In afwijking van artikel 26, lid 1, kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van klinisch gezonde dieren, met uitzondering van bevestigde gevallen, naar een inrichting die onder haar officiële toezicht staat, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

de verplaatsing brengt de gezondheidsstatus van de dieren in de inrichting van bestemming of langs de route naar die bestemming niet in gevaar;

b)

de dieren worden alleen via rechtstreeks vervoer verplaatst, en

c)

in de inrichting van bestemming worden de dieren in gesloten voorzieningen gehouden zonder contact te hebben met gehouden dieren met een hogere gezondheidsstatus of met wilde dieren van de voor de desbetreffende ziekte in de lijst opgenomen soorten.

2.   In afwijking van artikel 26, lid 1, kan de bevoegde autoriteit, in het geval van een ziekte van categorie C, toestemming verlenen voor verplaatsing van klinisch gezonde dieren van de desbetreffende betrokken dierpopulatie, met uitzondering van bevestigde gevallen, mits:

a)

zij, indien nodig via rechtstreeks vervoer, worden verplaatst naar een inrichting in een gebied dat noch ziektevrij is, noch onder een optioneel uitroeiingsprogramma valt, en

b)

de verplaatsing de gezondheidsstatus van de betrokken of aanvullende dierpopulaties in de inrichting van bestemming of langs de route naar die bestemming niet in gevaar brengt.

3.   Wanneer wordt gebruikgemaakt van de in lid 1 bedoelde afwijking trekt de bevoegde autoriteit de ziektevrije status van de inrichting van bestemming van de dieren waarop de afwijking van toepassing is, in en:

a)

gelast zij de verplaatsing van de dieren via rechtstreeks vervoer, binnen een door haar vast te stellen maximumtermijn, van de inrichting van bestemming naar een aangewezen slachthuis om daar onmiddellijk te worden geslacht, of

b)

gelast zij, in het geval van een ziekte van categorie C, de uitvoering van de ziektebestrijdingsmaatregelen van de artikelen 26 tot en met 30 totdat de ziektevrije status van de inrichting opnieuw is verkregen.

4.   De bevoegde autoriteit mag slechts gebruikmaken van de in de leden 1 en 2 vastgestelde afwijkingen indien de exploitanten van de inrichtingen van oorsprong en van bestemming en de vervoerders van de dieren waarop de afwijkingen van toepassing zijn:

a)

passende biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen toepassen zoals vereist om de verspreiding van de ziekte te voorkomen, en

b)

ten aanzien van de bevoegde autoriteit de garanties bieden dat alle noodzakelijke biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen zijn genomen.

Artikel 30

Reiniging en ontsmetting en andere maatregelen om de uitbreiding van de besmetting te voorkomen

1.   De bevoegde autoriteit gebiedt de exploitanten van alle besmette inrichtingen alsmede operatoren die dieren ontvangen van besmette bedrijven, de reiniging en ontsmetting of, in voorkomend geval, de veilige verwijdering van:

a)

alle delen van de inrichtingen die mogelijk zijn besmet na de verwijdering van de bevestigde en vermoedelijke gevallen en vóór de herbevolking;

b)

alle diervoeders, materialen, stoffen en uitrusting voor de dierhouderij en voor medische en productiedoeleinden die mogelijk zijn besmet;

c)

alle beschermende kleding of veiligheidsuitrusting die door exploitanten en bezoekers wordt gebruikt;

d)

alle vervoermiddelen, laadkisten en uitrusting, na het vervoer van dieren of producten vanuit besmette inrichtingen;

e)

plaatsen waar dieren worden geladen, na ieder gebruik.

2.   De bevoegde autoriteit keurt het protocol voor de reiniging en ontsmetting goed.

3.   De bevoegde autoriteit houdt toezicht op de reiniging en ontsmetting, of, in voorkomend geval, op de veilige verwijdering, en pas wanneer zij van oordeel is dat de reiniging en ontsmetting, of, in voorkomend geval, de veilige verwijdering zijn voltooid, voert zij de ziektevrije status opnieuw in of verleent deze opnieuw aan de inrichting.

4.   De bevoegde autoriteit kan, op basis van een risicobeoordeling, een weide als besmet beschouwen en het gebruik ervan voor gehouden dieren met een hogere gezondheidsstatus dan die van de betrokken dierpopulatie of, indien uit epidemiologisch oogpunt relevant, van aanvullende dierpopulaties verbieden gedurende een periode die lang genoeg is om het risico van persistentie van de ziekteverwekker als verwaarloosbaar te kunnen beschouwen.

Artikel 31

Risicobeperkingsmaatregelen om herbesmetting te voorkomen

Vóór of bij het opheffen van de ziektebestrijdingsmaatregelen gelast de bevoegde autoriteit evenredige risicobeperkingsmaatregelen om herbesmetting van de inrichting te voorkomen, rekening houdend met de relevante risicofactoren zoals die uit de resultaten van het epidemiologisch onderzoek blijken. Bij deze maatregelen wordt ten minste rekening gehouden met:

a)

de persistentie van de ziekteverwekker in het milieu of bij wilde dieren, en

b)

biobeveiligingsmaatregelen die zijn aangepast aan de specifieke kenmerken van de inrichting.

Afdeling 3

Bepalingen voor uitroeiingsprogramma’s voor infectie met het rabiësvirus

Artikel 32

Ziektebestrijdingsstrategie van uitroeiingsprogramma’s voor infectie met RABV

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit een uitroeiingsprogramma voor infectie met RABV opstelt, baseert zij dat op een ziektebestrijdingsstrategie die het volgende omvat:

a)

vaccinatie van de door haar relevant geachte dieren van de betrokken dierpopulatie;

b)

uitvoering van maatregelen om het risico op contact met besmette dieren te beperken;

c)

beheersing van het risico op de verspreiding en de insleep van de ziekte op het grondgebied van haar lidstaat.

2.   De bevoegde autoriteit voert het uitroeiingsprogramma uit, in aanmerking nemend dat dat programma:

a)

gebaseerd moet zijn op een risicobeoordeling, die zo nodig moet worden bijgewerkt naargelang de wijze waarop de epidemiologische situatie zich ontwikkelt;

b)

ondersteund moet worden door voorlichtingscampagnes voor het publiek, waarbij alle belanghebbenden worden betrokken;

c)

indien nodig gecoördineerd moet worden met de betrokken autoriteiten die belast zijn met de volksgezondheid, populaties van wilde dieren of de jacht;

d)

op- of afgeschaald moeten worden volgens een benadering die uitgaat van gebiedsgebonden risico’s.

3.   De bevoegde autoriteit kan betrokken zijn bij de uitvoering van uitroeiingsprogramma’s voor infectie met het rabiësvirus in een derde land of gebied om het risico op de verspreiding en de insleep van RABV op het grondgebied van haar lidstaat te voorkomen.

Artikel 33

Betrokken dierpopulatie voor uitroeiingsprogramma’s voor infectie met RABV

1.   De bevoegde autoriteit past het uitroeiingsprogramma voor infectie met RABV toe op de volgende betrokken dierpopulatie: gehouden en wilde dieren van de volgende families: Carnivora, Bovidae, Suidae, Equidae, Cervidae en Camelidae.

2.   De bevoegde autoriteit richt de maatregelen in het kader van het uitroeiingsprogramma in de eerste plaats op in het wild levende vossen, aangezien zij het belangrijkste reservoir van RABV vormen.

3.   De bevoegde autoriteit onderwerpt andere betrokken dierpopulaties dan in het wild levende vossen aan de maatregelen van het uitroeiingsprogramma wanneer zij van oordeel is dat dergelijke dieren een aanzienlijk risico vormen.

4.   De bevoegde autoriteit kan ook wilde dieren van soorten van de orde Chiroptera opnemen in de betrokken dierpopulatie waarop de bewaking is gericht, zoals bedoeld in artikel 4.

Artikel 34

Verplichtingen van de bevoegde autoriteit in het kader van uitroeiingsprogramma’s voor infectie met RABV

1.   De bevoegde autoriteit:

a)

verricht bewaking ten aanzien van infectie met RABV met het oog op:

i)

het vroegtijdig opsporen van de besmetting, en

ii)

het opvolgen van de trend in het aantal besmette dieren, waarbij overeenkomstig een op risico’s gebaseerde benadering ook in het wild levende vossen en andere in het wild levende carnivoren die dood zijn aangetroffen, worden verzameld en getest;

b)

het uitvoeren van ziektebestrijdingsmaatregelen bij het vermoeden of de bevestiging van infectie met RABV, zoals vastgesteld in de artikelen 35 en 36;

c)

het toepassen, indien nodig, van risicobeperkingsmaatregelen om de verspreiding van RABV via verplaatsingen van honden, katten en fretten te voorkomen.

2.   De bevoegde autoriteit gelast, indien zij dat nodig acht, de volgende maatregelen:

a)

de vaccinatie en de monitoring van de doeltreffendheid van de vaccinatie, overeenkomstig bijlage V, deel I, hoofdstuk 1, afdeling 2, van in het wild levende vossen en, in voorkomend geval, van andere in artikel 33, lid 3, bedoelde dieren;

b)

de identificatie en registratie van honden, katten en fretten;

c)

verplaatsingsbeperkingen voor relevante gehouden dieren van de in artikel 33, lid 3, bedoelde soorten die niet overeenkomstig bijlage V, deel I, hoofdstuk 1, afdeling 1, tegen infectie met RABV zijn gevaccineerd;

d)

de maatregelen van artikel 35 wanneer een dier van een in de lijst opgenomen soort een persoon of een dier zonder begrijpelijke reden en in afwijking van zijn normale gedrag heeft verwond of een onverklaarde gedragsverandering heeft vertoond en vervolgens binnen tien dagen is gestorven.

Artikel 35

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van infectie met RABV

Wanneer infectie met RABV wordt vermoed:

a)

verricht de bevoegde autoriteit nadere onderzoeken om de aanwezigheid van de ziekte te bevestigen of uit te sluiten;

b)

gelast zij relevante verplaatsingsbeperkingen of het afmaken van vermoedelijke gevallen om mensen en dieren te beschermen tegen het risico van besmetting in afwachting van de resultaten van die onderzoeken;

c)

gelast zij alle risicobeperkingsmaatregelen die gerechtvaardigd zijn om het risico van verdere overdracht van RABV op mensen of dieren te verminderen.

Artikel 36

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van infectie met RABV

Wanneer infectie met RABV is bevestigd, neemt de bevoegde autoriteit maatregelen om verdere overdracht van de ziekte op dieren en mensen te voorkomen, waartoe zij:

a)

een epidemiologisch onderzoek uitvoert, dat onder meer de identificatie van de betrokken stam van RABV omvat, om de waarschijnlijke bron van de besmetting en de epidemiologische verbanden te bepalen;

b)

tenzij zij van oordeel is dat nadere onderzoeken nodig zijn, een infectie met RABV bij dieren met een epidemiologische verband uitsluit wanneer:

i)

een periode van minimaal drie maanden is verstreken sinds het epidemiologische verband met het bevestigde geval zich heeft voorgedaan, en

ii)

bij die dieren geen klinische symptomen zijn geconstateerd;

c)

indien zij dit nodig acht, een of meer van de maatregelen in de artikelen 34 en 35 neemt;

d)

zij ervoor zorgt dat kadavers van bevestigde gevallen van besmette wilde dieren overeenkomstig de voorschriften van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden verwijderd of verwerkt.

Afdeling 4

Bepalingen voor uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV

Artikel 37

Ziektebestrijdingsstrategie van uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit een optioneel uitroeiingsprogramma voor infectie met BTV opstelt, baseert zij dat programma op een ziektebestrijdingsstrategie die het volgende omvat:

a)

bewaking ten aanzien van infectie met BTV overeenkomstig de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 1;

b)

vaccinatie van de desbetreffende betrokken dierpopulatie met het oog op de uitroeiing van de ziekte door middel van regelmatige vaccinatiecampagnes, die, voor zover van toepassing, overeenkomstig een langetermijnstrategie uit moeten worden gevoerd;

c)

verplaatsingsbeperkingen voor de betrokken dierpopulatie overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 43 en 45;

d)

risicobeperkingsmaatregelen om de overdracht van infectie met BTV via vectoren tot een minimum te beperken.

2.   De bevoegde autoriteit voert het uitroeiingsprogramma uit, in aanmerking nemend dat:

a)

het alle serotypen 1-24 die op het door het uitroeiingsprogramma bestreken grondgebied aanwezig zijn, moet opsporen en uitroeien;

b)

het door het uitroeiingsprogramma bestreken grondgebied bestaat uit:

i)

het gehele grondgebied van de lidstaat, of

ii)

een of meer zones die een grondgebied omvatten dat zich uitstrekt over een straal van ten minste 150 km van elke besmette inrichting.

3.   In afwijking van lid 2, onder b), ii), mag de bevoegde autoriteit de door het uitroeiingsprogramma bestreken zone(s) aanpassen overeenkomstig:

a)

de geografische ligging van de besmette inrichting(en) en de grenzen van de overeenkomstige administratieve eenheden;

b)

de ecologische en weersomstandigheden;

c)

de abundantie, activiteit en spreiding van de in de zone(s) aanwezige vectoren;

d)

het betrokken BTV-serotype;

e)

de resultaten van het in artikel 42, bedoelde epidemiologisch onderzoek;

f)

de resultaten van de bewakingsactiviteiten.

Artikel 38

Betrokken en aanvullende dierpopulaties voor uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV

1.   De bevoegde autoriteit past het uitroeiingsprogramma voor infectie met BTV toe op de volgende betrokken dierpopulatie: gehouden dieren van soorten van de families Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Moschidae en Traguilidae.

2.   De bevoegde autoriteit past, wanneer zij dat nodig acht, het uitroeiingsprogramma toe op de volgende aanvullende dierpopulaties: wilde dieren van soorten van de families Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Moschidae en Traguilidae.

Artikel 39

Verplichtingen van exploitanten in het kader van uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV

1.   De exploitanten van inrichtingen, met uitzondering van slachthuizen, waar dieren van de in artikel 38, lid 1, bedoelde betrokken dierpopulatie worden gehouden:

a)

leven de door de bevoegde autoriteit opgelegde voorschriften met betrekking tot de bewaking van dieren van de betrokken dierpopulatie na;

b)

leven de door de bevoegde autoriteit opgelegde voorschriften met betrekking tot de entomologische bewaking na;

c)

laten dieren van de betrokken dierpopulatie vaccineren op instructie van de bevoegde autoriteit;

d)

voeren op instructie van de bevoegde autoriteit ziektebestrijdingsmaatregelen uit bij vermoeden of bevestiging van de ziekte;

e)

leven op instructie van de bevoegde autoriteit de verplaatsingsvoorschriften na;

f)

voeren alle door de bevoegde autoriteit noodzakelijk geachte aanvullende maatregelen uit, waaronder in voorkomend geval de bescherming van gehouden dieren tegen vectoren, overeenkomstig de gezondheidsstatus van de dieren.

2.   De exploitanten van slachthuizen waar dieren van de in artikel 38, lid 1, bedoelde betrokken dierpopulatie worden gehouden en geslacht:

a)

leven de door de bevoegde autoriteit opgelegde voorschriften met betrekking tot de bewaking van dieren van de betrokken dierpopulatie na;

b)

voeren op instructie van de bevoegde autoriteit ziektebestrijdingsmaatregelen uit bij vermoeden of bevestiging van de ziekte;

c)

voeren alle door de bevoegde autoriteit noodzakelijk geachte aanvullende maatregelen uit, waaronder in voorkomend geval de bescherming van gehouden dieren tegen vectoren, overeenkomstig de gezondheidsstatus van de dieren.

Artikel 40

Verplichtingen van de bevoegde autoriteit in het kader van uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV

1.   Op het grondgebied dat door een uitroeiingsprogramma voor infectie met BTV wordt bestreken, zoals bedoeld in artikel 37, lid 2, onder b):

a)

deelt de bevoegde autoriteit het bestreken grondgebied in in geografische eenheden overeenkomstig bijlage V, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 4, punt 1;

b)

verricht zij in elke geografische eenheid, naargelang de epidemiologische situatie, bewaking ten aanzien van infectie met BTV overeenkomstig de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 1;

c)

past zij de ziektebestrijdingsmaatregelen van de artikelen 41 en 42 toe bij het vermoeden of de bevestiging van de ziekte;

d)

gelast zij de exploitanten van inrichtingen met runderen, schapen en geiten en, indien nodig, andere betrokken dierpopulaties om hun dieren te laten vaccineren, en

e)

past zij de voorschriften van de artikelen 43 en 45 toe op verplaatsingen van dieren van de betrokken dierpopulatie.

2.   In afwijking van lid 1, onder d), kan de bevoegde autoriteit besluiten de exploitanten niet te gelasten om hun dieren te laten vaccineren indien zij na een risicobeoordeling naar behoren motiveert dat de uitvoering van andere maatregelen voldoende is om de ziekte uit te roeien.

3.   De bevoegde autoriteit stelt, wanneer zij dat nodig acht en indien mogelijk, een seizoensgebonden BTV-vrij gebied vast zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 5. In dat geval stelt de bevoegde autoriteit de volgende documenten ter beschikking van de Commissie en de overige lidstaten:

a)

gegevens waaruit blijkt dat is voldaan aan de specifieke criteria voor de bepaling van de seizoensgebonden BTV-vrije periode;

b)

de begin- en einddatum van de periode;

c)

gegevens waaruit blijkt dat de overdracht van BTV in het gebied is beëindigd, en

d)

de afbakening van het gebied dat voldoet aan de minimale voorschriften van artikel 13.

Artikel 41

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van infectie met BTV

1.   Bij het vermoeden van infectie met BTV verricht de bevoegde autoriteit een onderzoek om de ziekte te bevestigen of uit te sluiten.

2.   In afwachting van de resultaten van het in lid 1 bedoelde onderzoek:

a)

beperkt de bevoegde autoriteit de verplaatsing van dieren en levende producten van de betrokken dierpopulatie vanuit de inrichting waar deze worden gehouden, tenzij dit is toegestaan voor onmiddellijke slacht;

b)

gelast zij, voor zover noodzakelijk en technisch haalbaar, relevante risicobeperkingsmaatregelen om de blootstelling van dieren van de betrokken dierpopulatie aan vectoren te voorkomen of te verminderen.

3.   De bevoegde autoriteit breidt, wanneer zij dat nodig acht, de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen uit tot inrichtingen waar dieren van de betrokken dierpopulatie in soortgelijke mate aan besmettelijke vectoren zijn blootgesteld als de vermoedelijke gevallen.

4.   De in dit artikel bedoelde maatregelen kunnen worden ingetrokken wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat zij niet langer nodig zijn om het risico op verspreiding van de ziekte te beperken.

Artikel 42

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij bevestiging van infectie met BTV

1.   Bij bevestiging van infectie met BTV:

a)

bevestigt de bevoegde autoriteit de uitbraak en indien nodig stelt zij de zone vast waar een uitroeiingsprogramma van toepassing is of breidt deze uit;

b)

voert zij, indien nodig, een epidemiologisch onderzoek uit;

c)

beperkt zij de verplaatsing van dieren van de betrokken dierpopulatie vanuit de inrichting waar deze worden gehouden, tenzij dit is toegestaan voor onmiddellijke slacht;

d)

beperkt zij de verplaatsing van levende producten van dieren van de betrokken dierpopulatie vanuit de inrichting waar deze worden gehouden;

e)

gelast zij, wanneer zij dat nodig acht en voor zover technisch haalbaar, relevante risicobeperkingsmaatregelen om de blootstelling van dieren van de betrokken dierpopulatie aan vectoren te voorkomen of te verminderen;

f)

past zij de in artikel 41 bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen toe op alle inrichtingen met een epidemiologisch verband met het bevestigde geval, met inbegrip van inrichtingen waar dieren van de betrokken dierpopulatie worden gehouden die in soortgelijke mate aan besmettelijke vectoren zijn blootgesteld als het bevestigde geval.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteit zulks nodig acht, in aanvulling op de in lid 1 bedoelde maatregelen en teneinde verspreiding van de ziekte te voorkomen:

a)

gelast zij de exploitanten van inrichtingen met runderen, schapen of geiten en, indien nodig, andere betrokken dierpopulaties om hun dieren te laten vaccineren tegen infectie met de desbetreffende BTV-serotypen, overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder d);

b)

onderzoekt en monitort zij de gezondheidsstatus van de betrokken dierpopulatie in de nabijheid van de inrichting waar het bevestigde geval wordt gehouden.

3.   De in dit artikel bedoelde maatregelen kunnen worden ingetrokken wanneer de bevoegde autoriteit van oordeel is dat zij niet langer nodig zijn om het risico op verspreiding van de ziekte te beperken.

Artikel 43

Het verplaatsen van gehouden dieren en levende producten van de betrokken dierpopulatie naar door uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV bestreken lidstaten of zones

1.   De bevoegde autoriteit staat het binnenbrengen van dieren van de betrokken dierpopulatie op het door een uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV bestreken grondgebied, zoals bedoeld in artikel 37, lid 2, onder b), alleen toe als die dieren aan ten minste een van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 4 voldoen.

2.   In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit het binnenbrengen van dieren van de betrokken dierpopulatie op het door het uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV bestreken grondgebied ook toestaan indien:

a)

zij het risico heeft beoordeeld dat het binnenbrengen van de dieren vormt voor de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming ten aanzien van infectie met BTV, rekening houdend met mogelijke risicobeperkingsmaatregelen die zij op de plaats van bestemming kan vaststellen;

b)

zij de verplaatsing van deze dieren naar een andere lidstaat verbiedt:

i)

gedurende een periode van zestig dagen na het binnenbrengen, of

ii)

totdat een negatief resultaat van een polymerasekettingreactietest (PCR-test) voor de BTV-serotypen 1-24 is verkregen op monsters die niet eerder dan 14 dagen na het binnenbrengen zijn genomen;

c)

zij, indien nodig, de bewaking aanpast overeenkomstig bijlage V, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 4, punt 6, en

d)

de dieren aan een van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, voldoen.

3.   De bevoegde autoriteit staat het binnenbrengen van levende producten van de betrokken dierpopulatie op het door een uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV bestreken grondgebied, zoals bedoeld in artikel 37, lid 2, onder b), alleen toe als die levende producten aan ten minste een van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, punten 1, 2 en 3, voldoen.

4.   In afwijking van lid 3 kan de bevoegde autoriteit het binnenbrengen van levende producten van de betrokken dierpopulatie op het door een uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV bestreken grondgebied ook toestaan indien:

a)

zij het risico heeft beoordeeld dat het binnenbrengen van de levende producten vormt voor de gezondheidsstatus van de plaats van bestemming ten aanzien van infectie met BTV, rekening houdend met mogelijke risicobeperkingsmaatregelen die zij op de plaats van bestemming kan vaststellen;

b)

zij de verplaatsing van deze levende producten naar een andere lidstaat verbiedt, en

c)

de levende producten aan de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, punt 4, voldoen.

5.   Wanneer de bevoegde autoriteit die de dieren of de levende producten ontvangt, gebruikmaakt van de in de leden 2 of 4 vastgestelde afwijkingen:

a)

stelt zij de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis;

b)

aanvaardt zij dieren of levende producten van de betrokken dierpopulatie die voldoen aan de voorschriften voor de desbetreffende afwijking, ongeacht de lidstaat of de zone van oorsprong van de dieren of de levende producten.

6.   Wanneer de bevoegde autoriteit die de dieren of de levende producten ontvangt, niet langer gebruikmaakt van de in de leden 2 of 4 vastgestelde afwijkingen, stelt zij de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel 44

Tegen vectoren beschermde inrichting

1.   De bevoegde autoriteit kan, op verzoek van de exploitant, de status “tegen vectoren beschermde inrichting” verlenen aan inrichtingen of voorzieningen die aan de criteria van bijlage V, deel II, hoofdstuk 3, voldoen.

2.   De bevoegde autoriteit controleert met een passende frequentie, maar ten minste aan het begin, tijdens en aan het einde van de vereiste beschermingsperiode de doeltreffendheid van de uitgevoerde maatregelen door middel van een vectorval in de inrichting.

3.   De bevoegde autoriteit trekt de status van tegen vectoren bestendige inrichting onmiddellijk in wanneer niet langer aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.

Artikel 45

Verplaatsingen van dieren door lidstaten of zones die door uitroeiingsprogramma’s voor infectie met BTV worden bestreken

1.   De bevoegde autoriteit staat de verplaatsing van dieren van de betrokken dierpopulatie via het grondgebied dat door een uitroeiingsprogramma voor infectie met BTV wordt bestreken, zoals bedoeld in artikel 37, lid 2, onder b), alleen toe indien:

a)

de dieren van de betrokken dierpopulatie aan ten minste een van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1, 2 en 3, voldoen, of

b)

het vervoermiddel waarin de dieren worden geladen, beschermd is tegen vectoren en gedurende de reis de dieren niet voor een periode van meer dan één dag worden uitgeladen, of de dieren voor een periode van meer dan één dag worden uitgeladen in een tegen vectoren beschermde inrichting of tijdens de vectorvrije periode.

2.   In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit de verplaatsing van dieren van de betrokken dierpopulatie via het door het uitroeiingsprogramma tegen infectie met BTV bestreken grondgebied ook toestaan indien aan de voorschriften van artikel 43, lid 2, onder a), c) en d), wordt voldaan.

HOOFDSTUK 3

Uitroeiingsprogramma’s voor ziekten van de categorieën B en C bij waterdieren

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 46

Ziektebestrijdingsstrategie voor de uitroeiing van ziekten van de categorieën B en C bij waterdieren

1.   De bevoegde autoriteit gaat bij de vaststelling van een verplicht uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie B of een optioneel uitroeiingsprogramma voor een ziekte van categorie C bij waterdieren uit van een ziektebestrijdingsstrategie die voor elke ziekte het volgende omvat:

a)

het soort bewakingsvoorschriften dat nodig is om de voorwaarden voor het verlenen en handhaven van de ziektevrije status te verkrijgen, rekening houdend met artikel 3, lid 2, onder b), ii);

b)

het grondgebied en de dierpopulatie waarvoor het uitroeiingsprogramma geldt, zoals bedoeld in de artikelen 47 en 51;

c)

de duur van het uitroeiingsprogramma, zoals bedoeld in artikel 49, met inbegrip van de tussentijdse en einddoelstellingen ervan, zoals bedoeld in artikel 48;

d)

de in de artikelen 55 tot en met 65 vastgestelde specifieke preventie- en bestrijdingsmaatregelen.

2.   De bevoegde autoriteit kan in het uitroeiingsprogramma gecoördineerde maatregelen aan de met andere lidstaten of derde landen gedeelde land- of kustgrenzen opnemen om te waarborgen dat de doelstellingen van het programma blijvend worden verwezenlijkt.

Indien een dergelijke coördinatie niet is geregeld, neemt de bevoegde autoriteit in het uitroeiingsprogramma, indien haalbaar, doeltreffende risicobeperkingsmaatregelen op, met inbegrip van verscherpte bewaking.

Artikel 47

Territoriale reikwijdte en dierpopulatie

1.   De bevoegde autoriteit stelt de reikwijdte van het uitroeiingsprogramma vast, met inbegrip van:

a)

het bestreken grondgebied, en

b)

de betrokken dierpopulatie en, indien nodig, aanvullende dierpopulaties.

2.   Het in lid 1, onder a), bedoelde grondgebied dat door het uitroeiingsprogramma wordt bestreken, kan bestaan uit:

a)

het gehele grondgebied van de lidstaat;

b)

één of meer zones, of

c)

de geografische locatie van de inrichtingen waaruit het compartiment of de compartimenten bestaan.

3.   Alle inrichtingen die zijn gelegen in de lidstaat, de zone of het compartiment die of dat door het uitroeiingsprogramma wordt bestreken, worden in het uitroeiingsprogramma opgenomen.

4.   In afwijking van lid 3 kan de bevoegde autoriteit aquacultuurinrichtingen die geen significant risico voor het welslagen van het uitroeiingsprogramma vormen en die zijn vrijgesteld van de verplichting om erkenning aan te vragen, van dat programma uitsluiten.

Artikel 48

Tussentijdse en einddoelstellingen

1.   De bevoegde autoriteit neemt in het uitroeiingsprogramma kwalitatieve en kwantitatieve einddoelstellingen op die alle in artikel 72 vastgestelde ziektespecifieke voorschriften voor het verlenen van de ziektevrije status bestrijken.

2.   Waar dat technisch mogelijk is, neemt de bevoegde autoriteit die een uitroeiingsprogramma uitvoert in dat programma ook kwalitatieve en kwantitatieve einddoelstellingen op die zijn gebaseerd op de gezondheidsstatus van in het wild levende dierpopulaties die een gevaar vormen voor het verkrijgen van de ziektevrije status.

3.   De bevoegde autoriteit neemt in het uitroeiingsprogramma kwalitatieve en kwantitatieve, jaarlijkse of meerjarige, tussentijdse doelstellingen op om de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van de einddoelstellingen aan af te meten. Deze tussentijdse doelstellingen omvatten:

a)

alle in lid 1 bedoelde ziektespecifieke voorschriften en in lid 2 bedoelde doelstellingen, en

b)

indien nodig, aanvullende voorschriften die niet zijn opgenomen in de voorschriften voor het verlenen van de ziektevrije status om de geboekte vooruitgang in de richting van uitroeiing te beoordelen.

Artikel 49

Toepassingsperiode

1.   De toepassingsperiode van uitroeiingsprogramma’s voor in de lijst opgenomen ziekten van waterdieren is vastgesteld in bijlage VI, deel II, en met name in de afdelingen 2 en 3 van:

a)

hoofdstuk 1 voor VHS en IHN;

b)

hoofdstuk 2 voor infectie met ISAV met HPR-deletie;

c)

hoofdstuk 3 voor infectie met Marteilia refringens;

d)

hoofdstuk 4 voor infectie met Bonamia exitiosa;

e)

hoofdstuk 5 voor infectie met Bonamia ostreae;

f)

hoofdstuk 6 voor infectie met WSSV.

2.   Voor ziekten van categorie C mag de toepassingsperiode een het uitroeiingsprogramma niet langer duren dan zes jaar vanaf de datum van de eerste goedkeuring ervan door de Commissie overeenkomstig artikel 31, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie, op verzoek van de lidstaten, de toepassingsperiode van het uitroeiingsprogramma met nog eens zes jaar verlengen.

Afdeling 2

Voorschriften voor uitroeiingsprogramma’s

Artikel 50

Minimumvoorschriften voor een uitroeiingsprogramma

De bevoegde autoriteit baseert het uitroeiingsprogramma voor een specifieke ziekte van categorie B of C in een lidstaat, zone of compartiment op:

a)

de gezondheidsstatus van de lidstaat, de zone of het compartiment, vast te stellen door de gezondheidsstatus na te gaan van alle inrichtingen waar dieren van de in de lijst opgenomen soorten worden gehouden;

b)

de uitvoering van ziektebestrijdingsmaatregelen in alle inrichtingen waar vermoedelijke en bevestigde gevallen worden opgespoord;

c)

de uitvoering van biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen om het risico dat de in de lijst opgenomen soort in een inrichting besmet raakt, te beperken;

d)

in bepaalde gevallen, vaccinatie als onderdeel van het uitroeiingsprogramma.

Artikel 51

In uitroeiingsprogramma’s voor ziekten van de categorieën B en C op te nemen dierpopulatie

1.   De bevoegde autoriteit past het uitroeiingsprogramma toe op in de lijst opgenomen soorten die in inrichtingen op het grondgebied van de lidstaat, de zone of het compartiment worden gehouden.

2.   In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling besluiten inrichtingen waar alleen vectorsoorten worden gehouden zoals opgenomen in de tabel in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882, van het uitroeiingsprogramma uit te sluiten.

3.   Waar dat technisch haalbaar is, neemt de bevoegde autoriteit in het uitroeiingsprogramma aanvullende dierpopulaties op wanneer die dieren:

a)

een significant risico voor de gezondheidsstatus van de in lid 1 bedoelde dieren vormen;

b)

worden opgenomen vanwege het geringe aantal aquacultuurinrichtingen in het uitroeiingsprogramma en wanneer opneming ervan noodzakelijk is om een bevredigende epidemiologische dekking van de lidstaat, de zone of het compartiment te verkrijgen.

Artikel 52

Te nemen maatregelen in door uitroeiingsprogramma’s bestreken lidstaten, zones of compartimenten

1.   Om toezicht te houden op de voortgang van de uitroeiingsprogramma’s, deelt de bevoegde autoriteit de gezondheidsstatus van alle inrichtingen waar dieren van in de lijst opgenomen soorten worden gehouden, in op grond van:

a)

de gezondheidsstatus van elke inrichting zoals die bij het begin van het uitroeiingsprogramma bekend is;

b)

de naleving van de voorwaarden voor het binnenbrengen in de inrichting van dieren van in de lijst opgenomen soorten;

c)

de naleving door de exploitant van de verplichting om de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van elk vermoeden of opgespoord geval van de ziekte;

d)

de uitvoering van de te nemen ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden of bevestiging van de ziekte;

e)

de vaccinatieregelingen die van toepassing kunnen zijn op in de inrichting gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten;

f)

alle aanvullende maatregelen die de bevoegde autoriteit nodig acht.

2.   De bevoegde autoriteit:

a)

start het uitroeiingsprogramma op, handhaaft het of trekt het in, al naargelang de inrichtingen de voorschriften van lid 1 wel of niet naleven;

b)

stelt de exploitanten van de betrokken inrichtingen in kennis van de manier waarop de gezondheidsstatus zich ontwikkelt en van de benodigde maatregelen voor het verlenen van de ziektevrije status.

3.   Exploitanten leven de voorschriften van lid 1, onder b) tot en met f), na zodat het uitroeiingsprogramma kan worden uitgevoerd totdat het met succes is voltooid of is ingetrokken.

Artikel 53

Afwijking van de indeling van de gezondheidsstatus van geconsigneerde inrichtingen

In afwijking van artikel 52, lid 1, kan de bevoegde autoriteit besluiten de gezondheidsstatus van geconsigneerde inrichtingen niet in te delen indien de dierpopulatie die in deze geconsigneerde inrichtingen wordt gehouden, aan passende risicobeperkingsmaatregelen en ziektebestrijdingsmaatregelen wordt onderworpen om ervoor te zorgen dat zij geen risico vormt wat betreft de verspreiding van de ziekte.

Artikel 54

Vaccinatie

De bevoegde autoriteit kan in de uitroeiingsprogramma’s die onder haar officiële toezicht staan voorzien in:

a)

de vaccinatie van in de lijst opgenomen soorten;

b)

de vaccinatie van een aanvullende dierpopulatie van gehouden dieren;

c)

de vaccinatie van een aanvullende dierpopulatie van wilde dieren.

Artikel 55

Ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van bepaalde ziekten

1.   De bevoegde autoriteit verricht, wanneer zij een geval van de desbetreffende ziekte in een inrichting vermoedt, het nodige onderzoek.

2.   In afwachting van de resultaten van het in lid 1 bedoelde onderzoek:

a)

verbiedt de bevoegde autoriteit het binnenbrengen van dieren of producten van dierlijke oorsprong in de inrichting;

b)

gelast zij, waar dat technisch mogelijk is, de isolatie van eenheden in de inrichting waar dieren worden gehouden waarvan wordt vermoedt dat zij zijn besmet;

c)

verbiedt zij de verplaatsing van dieren en producten van dierlijke oorsprong vanuit de inrichting, tenzij zij daarvoor toestemming heeft verleend met het oog op onmiddellijke slacht of verwerking in een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen, dan wel rechtstreekse menselijke consumptie in het geval van weekdieren of schaaldieren die voor dat doel levend worden verkocht;

d)

verbiedt zij de verplaatsing van uitrusting, diervoeders en dierlijke bijproducten vanuit de inrichting, tenzij zij daarvoor toestemming heeft verleend.

3.   De bevoegde autoriteit handhaaft de in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen totdat de aanwezigheid van de ziekte is uitgesloten of is bevestigd.

Artikel 56

Verlenging van ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van bepaalde ziekten

1.   De bevoegde autoriteit breidt, wanneer zij dat nodig acht, de maatregelen van artikel 55 uit tot:

a)

elke inrichting die vanwege de hydrodynamische omstandigheden een verhoogd risico heeft op besmetting met de ziekte vanuit de inrichting waarvan wordt vermoedt dat de ziekte er aanwezig is;

b)

elke inrichting die een rechtstreeks epidemiologisch verband heeft met de inrichting waarvan wordt vermoedt dat de ziekte er aanwezig is.

2.   Indien de aanwezigheid van de ziekte bij in het wild levende waterdieren wordt vermoed, breidt de bevoegde autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, de maatregelen van artikel 55 uit tot de betrokken inrichtingen.

Artikel 57

Afwijking van ziektebestrijdingsmaatregelen bij vermoeden van ziekte

1.   In afwijking van artikel 55, lid 2, onder c), kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van aquacultuurdieren naar een inrichting die onder haar officiële toezicht staat, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

alleen dieren die geen ziektesymptomen vertonen, worden verplaatst;

b)

de gezondheidsstatus van de aquacultuurdieren in de inrichting van bestemming of de waterdieren langs de route naar die inrichting wordt door de verplaatsing niet in gevaar gebracht;

c)

in de inrichting van bestemming hebben zij geen contact met aquacultuurdieren met een hogere gezondheidsstatus ten aanzien van de desbetreffende ziekte, en

d)

de dieren worden in de inrichting van bestemming gehouden gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen maximumperiode.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteit gebruikmaakt van de in lid 1 bedoelde afwijking:

a)

deelt zij, in voorkomend geval, de gezondheidsstatus van de inrichting van de bestemming opnieuw in overeenkomstig de criteria van artikel 52, lid 1, tot het einde van het in artikel 55, lid 1, bedoelde onderzoek;

b)

verbiedt zij de verplaatsing van dieren vanuit de inrichting van bestemming tot het einde van het onderzoek, tenzij zij toestemming heeft verleend om ze te vervoeren naar een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen met het oog op onmiddellijke slacht of verwerking, dan wel voor rechtstreekse menselijke consumptie in het geval van weekdieren of schaaldieren die voor dat doel levend worden verkocht.

3.   De bevoegde autoriteit mag slechts gebruikmaken van de in lid 1 vastgestelde afwijking indien de exploitanten van de inrichtingen van oorsprong en van bestemming en de vervoerders van de dieren waarop de afwijking van toepassing is:

a)

passende biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen toepassen zoals vereist om de verspreiding van de ziekte te voorkomen;

b)

ten aanzien van de bevoegde autoriteit garanties bieden dat alle noodzakelijke biobeveiligings- en andere risicobeperkingsmaatregelen zijn genomen, en

c)

ten aanzien van de bevoegde autoriteit garanties bieden dat dierlijke bijproducten, zoals omschreven in artikel 3, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, van de in lid 1, onder c), van dit artikel bedoelde waterdieren worden verwerkt of verwijderd als categorie 1- of categorie 2-materiaal overeenkomstig artikel 12 of artikel 13 van die verordening.

Artikel 58

Officiële bevestiging van bepaalde ziekten en ziektebestrijdingsmaatregelen

1.   Indien een geval wordt bevestigd:

a)

verklaart de bevoegde autoriteit de inrichting(en) tot besmet;

b)

deelt zij de gezondheidsstatus van de besmette inrichting(en) opnieuw in;

c)

stelt zij een beperkingszone van passende omvang in;

d)

neemt zij de maatregelen van de artikelen 59 tot en met 65 in de besmette inrichting(en).

2.   De minimale voorschriften die gelden ten aanzien van de instelling(en) van de beperkingszone zijn vastgesteld in bijlage VI, deel II, en met name in:

a)

hoofdstuk 1, afdeling 3, punt 1, onder a), voor VHS en IHN;

b)

hoofdstuk 2, afdeling 3, punt 1, onder a), voor infectie met ISAV met HPR-deletie;

c)

hoofdstuk 3, afdeling 3, punt 1, onder a), voor infectie met Marteilia refringens;

d)

hoofdstuk 4, afdeling 3, punt 1, onder a), voor infectie met Bonamia exitiosa;

e)

hoofdstuk 5, afdeling 3, punt 1, onder a), voor infectie met Bonamia ostreae;

f)

hoofdstuk 6, afdeling 3, punt 1, onder a), voor infectie met WSSV.

3.   In afwijking van lid 1, onder c), kan de bevoegde autoriteit besluiten geen beperkingszone in te stellen:

a)

wanneer een besmette inrichting geen onbehandeld afvalwater in de omringende wateren loost, en

b)

wanneer de in de inrichting van kracht zijnde biobeveiligingsmaatregelen dusdanig streng zijn dat wordt gewaarborgd dat de besmetting volledig tot de inrichting beperkt blijft.

4.   De bevoegde autoriteit kan risicobeperkingsmaatregelen nemen in verband met de volgende activiteiten in de beperkingszone:

a)

de verplaatsing van schepen met leeftanks door de beperkingszone;

b)

visserijactiviteiten;

c)

andere activiteiten die een risico op de verspreiding van ziekten kunnen meebrengen.

5.   Indien de ziekte bij in het wild levende waterdieren wordt bevestigd, kan de bevoegde autoriteit:

a)

de preventie-, bewakings- en ziektebestrijdingsmaatregelen ontwikkelen en uitvoeren die nodig zijn om de verspreiding van de ziekte naar gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten of naar aanvullende dierpopulaties te voorkomen;

b)

verscherpte bewaking van populaties van wilde waterdieren en in inrichtingen met een rechtstreeks epidemiologisch verband met het bevestigde geval toepassen;

c)

maatregelen nemen om de ziekte onder de desbetreffende populatie van in het wild levende waterdieren uit te roeien, waar dit haalbaar is.

Artikel 59

Epidemiologisch onderzoek en onderzoeken in het geval van de bevestiging van bepaalde ziekten

1.   Indien de ziekte wordt bevestigd:

a)

voert de bevoegde autoriteit een epidemiologisch onderzoek uit;

b)

verricht zij onderzoeken en past zij de maatregelen van artikel 55, lid 2, toe in alle epidemiologisch verbonden inrichtingen;

c)

past zij de bewaking aan de vastgestelde risicofactoren aan, rekening houdend met de conclusies van het epidemiologisch onderzoek.

2.   De bevoegde autoriteit houdt rekening met de noodzaak om onderzoek te verrichten naar wilde dieren wanneer uit het epidemiologisch onderzoek blijkt dat er epidemiologische verbanden tussen gehouden dieren en wilde dieren bestaan.

3.   De bevoegde autoriteit verwittigt zo spoedig mogelijk:

a)

de exploitanten en betrokken autoriteiten van de lidstaat die betrokken is bij de epidemiologische verbanden met het bevestigde geval, en

b)

de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten of derde landen die betrokken kunnen zijn bij de epidemiologische verbanden met de besmette inrichting(en).

Artikel 60

Verplaatsingen naar of van een besmette inrichting en elke andere inrichting die in de beperkingszone is gelegen

1.   In alle besmette inrichting(en) en in elke andere inrichting die in de beperkingszone is gelegen:

a)

gelast de bevoegde autoriteit de isolatie van vermoedelijke en bevestigde gevallen in de inrichting, waar dat technisch mogelijk is;

b)

verbiedt zij de verplaatsing van dieren of producten van dierlijke oorsprong van de voor de desbetreffende ziekte in de lijst opgenomen soorten vanuit de inrichting(en), tenzij zij daarvoor toestemming heeft verleend met het oog op onmiddellijke slacht of verwerking in een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen, dan wel rechtstreekse menselijke consumptie in het geval van weekdieren of schaaldieren die voor dat doel levend worden verkocht;

c)

verbiedt zij het binnenbrengen van dieren van de voor de desbetreffende ziekte in de lijst opgenomen soorten in de inrichting(en), tenzij zij daarvoor om naar behoren gemotiveerde redenen toestemming heeft verleend;

d)

verbiedt zij de verplaatsing van uitrusting, diervoeders en dierlijke bijproducten vanuit de inrichting(en), tenzij zij daarvoor toestemming heeft verleend.

2.   De bevoegde autoriteit breidt de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde maatregelen uit tot gehouden dieren van aanvullende dierenpopulaties indien zij een risico vormen wat betreft de verspreiding van de ziekte.

Artikel 61

Afwijkingen van de beperking van verplaatsingen van dieren en producten van dierlijke oorsprong vanuit besmette inrichtingen

1.   In afwijking van artikel 60, lid 1, onder b), kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van aquacultuurdieren naar een inrichting die onder haar officiële toezicht staat en binnen dezelfde beperkingszone is gelegen, mits:

a)

alleen dieren die geen ziektesymptomen vertonen, worden verplaatst;

b)

de gezondheidsstatus van de aquacultuurdieren in de inrichting van bestemming of de waterdieren langs de route naar die inrichting door de verplaatsing niet in gevaar wordt gebracht;

c)

zij in de inrichting van bestemming geen contact hebben met aquacultuurdieren met een hogere gezondheidsstatus ten aanzien van de desbetreffende ziekte;

d)

de dieren in de inrichting van bestemming worden gehouden gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen maximumperiode.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteit gebruikmaakt van de in lid 1 bedoelde afwijking:

a)

deelt zij, in voorkomend geval, de gezondheidsstatus van de inrichting van de bestemming opnieuw in overeenkomstig de criteria van artikel 52, lid 1;

b)

verbiedt zij de verplaatsing van dieren vanuit de inrichting van bestemming, tenzij zij toestemming heeft verleend om ze te vervoeren naar een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen met het oog op onmiddellijke slacht of verwerking, dan wel voor rechtstreekse menselijke consumptie in het geval van weekdieren of schaaldieren die voor dat doel levend worden verkocht. In alle gevallen worden dierlijke bijproducten, zoals omschreven in artikel 3, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, verwerkt of verwijderd als categorie 1- of categorie 2-materiaal overeenkomstig artikel 12 of artikel 13 van die verordening;

c)

houdt zij de inrichting van bestemming onder haar officiële toezicht totdat de reiniging, ontsmetting en stillegging van de inrichting zijn voltooid.

3.   In afwijking van artikel 60, lid 1, onder b), kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van aquacultuurdieren naar andere besmette inrichtingen waar geen uitroeiingsprogramma voor die specifieke ziekte wordt uitgevoerd, mits:

a)

alleen dieren die geen ziektesymptomen vertonen, worden verplaatst;

b)

de gezondheidsstatus van de aquacultuurdieren in de inrichting van bestemming of de waterdieren langs de route naar die inrichting door de verplaatsing niet in gevaar wordt gebracht, en

c)

de verplaatsing aan de voorschriften voor certificering van artikel 208, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 voldoet.

4.   In afwijking van artikel 60, lid 1, onder b), kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van aquacultuurdieren en producten van dierlijke oorsprong naar andere slacht- en verwerkingsinstallaties dan ziektebestrijdende inrichtingen voor aquatische levensmiddelen, mits:

a)

alleen dieren die geen ziektesymptomen vertonen, worden verplaatst;

b)

de slacht- en verwerkingsinstallatie niet is gelegen in een lidstaat, zone of compartiment waar een uitroeiingsprogramma voor die specifieke ziekte wordt uitgevoerd of die of dat ziektevrij is verklaard;

c)

de gezondheidsstatus van de waterdieren langs de route naar de slacht- en verwerkingsinstallatie of in de omgeving ervan niet in gevaar wordt gebracht door de verplaatsing;

d)

de verplaatsing aan de vereisten voor certificering van artikel 208, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 voldoet.

5.   In afwijking van artikel 60, lid 1, onder b), kan de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor verplaatsing van dieren en producten van dierlijke oorsprong van aanvullende dierpopulaties vanuit de besmette inrichting(en) naar andere inrichtingen zonder verdere beperkingen, mits:

a)

een risicobeoordeling is voltooid;

b)

indien nodig risicobeperkingsmaatregelen zijn uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de gezondheidsstatus van de waterdieren in de inrichting van bestemming of langs de route naar die bestemming niet in gevaar wordt gebracht, en

c)

de verplaatsing aan de vereisten voor certificering van artikel 208, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 voldoet.

Artikel 62

Verwijdering van besmette dieren

1.   Na bevestiging van de ziekte gelast de bevoegde autoriteit in alle besmette inrichtingen binnen een door haar te bepalen maximumperiode de volgende maatregelen met betrekking tot waterdieren van de voor de desbetreffende ziekte in de lijst opgenomen soorten:

a)

de verwijdering van alle dode dieren;

b)

de verwijdering en het afmaken van alle stervende dieren;

c)

de verwijdering en het afmaken van alle dieren die ziektesymptomen vertonen;

d)

het slachten voor menselijke consumptie of, in het geval van weekdieren of schaaldieren die levend worden verkocht, de verwijdering uit het water van de resterende dieren in de inrichting(en) na voltooiing van de onder a), b) en c) bedoelde maatregelen.

2.   De bevoegde autoriteit kan om naar behoren gemotiveerde redenen het slachten voor menselijke consumptie of, in het geval van weekdieren of schaaldieren die levend worden verkocht, de verwijdering uit het water gelasten van:

a)

alle dieren van de voor de desbetreffende ziekte in de besmette inrichting(en) in de lijst opgenomen soorten, zonder deze dieren te testen;

b)

dieren waarvan wordt vermoedt dat zij zijn besmet en die een epidemiologisch verband hebben met een bevestigd geval.

3.   Het slachten voor menselijke consumptie of de verwijdering uit het water van de in lid 1 bedoelde dieren geschiedt onder officieel toezicht, ofwel in de besmette inrichting(en) zelf gevolgd door verwerking in een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen, ofwel in een ziektebestrijdende inrichting voor aquatische levensmiddelen, naargelang het geval.

4.   De bevoegde autoriteit breidt de in dit artikel vastgestelde maatregelen uit tot aquacultuurdieren van aanvullende dierpopulaties wanneer dit nodig is om de ziekte te bestrijden.

5.   De bevoegde autoriteit kan gelasten dat sommige of alle in lid 1 bedoelde dieren en dieren van niet in de lijst opgenomen soorten in de besmette inrichting(en) worden afgemaakt en vernietigd in plaats van te worden geslacht voor menselijke consumptie.

6.   Alle dierlijke bijproducten van dieren die overeenkomstig dit artikel zijn geslacht of afgemaakt, worden verwerkt of verwijderd als categorie 1- of categorie 2-materiaal overeenkomstig artikel 12 of artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Artikel 63

Reiniging en ontsmetting

1.   De bevoegde autoriteit gelast voor alle besmette inrichtingen de reiniging en ontsmetting van de volgende structuren en voorwerpen vóór de herbevolking:

a)

de inrichtingen, voor zover dat technisch mogelijk is, na de verwijdering van de in artikel 62, lid 1, bedoelde dieren en van alle mogelijk besmette diervoeders;

b)

alle uitrusting die voor de dierhouderij wordt gebruikt, met inbegrip van maar niet beperkt tot uitrusting voor het voederen, sorteren, behandelen en vaccineren en werkboten;

c)

alle uitrusting die voor de productie wordt gebruikt, met inbegrip van maar niet beperkt tot kooien, netten, tafels, zakken en beuglijnen;

d)

alle beschermende kleding of veiligheidsuitrusting die door exploitanten en bezoekers wordt gebruikt;

e)

alle vervoermiddelen, met inbegrip van tanks, en andere uitrusting die worden gebruikt voor de verplaatsing van besmette dieren of van personeel dat met besmette dieren in contact is gekomen.

2.   De bevoegde autoriteit keurt het protocol voor de reiniging en ontsmetting goed.

3.   De bevoegde autoriteit houdt toezicht op de reiniging en ontsmetting en pas wanneer zij van oordeel is dat de reiniging en ontsmetting zijn voltooid, voert zij de ziektevrije status opnieuw in of verleent deze opnieuw aan de inrichtingen.

Artikel 64

Stillegging

1.   De bevoegde autoriteit gelast de stillegging van alle besmette inrichtingen. De stillegging vindt plaats na voltooiing van het in artikel 63 vastgestelde reinigings- en ontsmettingsproces.

2.   De duur van de stillegging is afgestemd op de desbetreffende ziekteverwekker en op het type productiesysteem dat in de besmette inrichtingen wordt toegepast. Bepaalde stilleggingsperioden zijn vastgesteld bijlage VI, deel II, en met name in:

a)

hoofdstuk 1, afdeling 3, punt 1, onder c), voor VHS en IHN;

b)

hoofdstuk 2, afdeling 3, punt 1, onder c), voor infectie met ISAV met HPR-deletie;

c)

hoofdstuk 3, afdeling 3, punt 1, onder c), voor infectie met Marteilia refringens;

d)

hoofdstuk 4, afdeling 3, punt 1, onder c), voor infectie met Bonamia exitiosa;

e)

hoofdstuk 5, afdeling 3, punt 1, onder c), voor infectie met Bonamia ostreae;

f)

hoofdstuk 6, afdeling 3, punt 1, onder c), voor infectie met WSSV.

3.   De bevoegde autoriteit gelast de gelijktijdige stillegging van de besmette inrichtingen binnen de beschermingszone of, wanneer geen beschermingszone is ingesteld, binnen de beperkingszone. De gelijktijdige stillegging kan op basis van een risicobeoordeling ook worden uitgebreid tot andere inrichtingen. De duur van de gelijktijdige stillegging en de omvang van het gebied waarin stillegging plaatsvindt, zijn vastgesteld in bijlage VI, deel II, en met name in:

a)

hoofdstuk 1, afdeling 3, punt 1, voor VHS en IHN;

b)

hoofdstuk 2, afdeling 3, punt 1, voor infectie met ISAV met HPR-deletie;

c)

hoofdstuk 3, afdeling 3, punt 1, voor infectie met Marteilia refringens;

d)

hoofdstuk 4, afdeling 3, punt 1, voor infectie met Bonamia exitiosa;

e)

hoofdstuk 5, afdeling 3, punt 1, voor infectie met Bonamia ostreae;

f)

hoofdstuk 6, afdeling 3, punt 1, voor infectie met WSSV.

Artikel 65

Risicobeperkingsmaatregelen om herbesmetting te voorkomen

Vóór of bij het opheffen van de ziektebestrijdingsmaatregelen gelast de bevoegde autoriteit evenredige risicobeperkingsmaatregelen om herbesmetting van de inrichting te voorkomen, rekening houdend met de relevante risicofactoren zoals die uit de resultaten van het epidemiologisch onderzoek blijken. Bij deze maatregelen wordt ten minste rekening gehouden met:

a)

de persistentie van de ziekteverwekker in het milieu of bij wilde dieren;

b)

biobeveiligingsmaatregelen die zijn aangepast aan de specifieke kenmerken van de inrichting.

HOOFDSTUK 4

Ziektevrije status

Afdeling 1

Goedkeuring van de ziektevrije status van lidstaten en zones

Artikel 66

Criteria voor het verlenen van de ziektevrije status

De ziektevrije status kan alleen worden verleend aan lidstaten of zones daarvan wanneer aan de volgende algemene en specifieke criteria is voldaan:

a)

algemene criteria:

i)

de territoriale reikwijdte voldoet aan de voorschriften van artikel 13 of artikel 47, naargelang het geval;

ii)

de bewaking ten aanzien van de ziekte voldoet aan de voorschriften van artikel 3, lid 1 of lid 2, naargelang het geval;

iii)

de exploitanten voldoen aan de verplichtingen inzake biobeveiligingsmaatregelen overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2016/429;

iv)

de voor de ziekte relevante ziektebestrijdingsmaatregelen bij het vermoeden of de bevestiging ervan voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld voor:

infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, infectie met MTBC, EBL, IBR/IPV en infectie met ADV en BVD in de artikelen 21 tot en met 31;

infectie met RABV in de artikelen 35 en 36;

infectie met BTV in de artikelen 41 en 42;

VHS, IHN, infectie met ISAV met HPR-deletie, infectie met Marteilia refringens, infectie met Bonamia exitiosa, infectie met Bonamia ostreae en infectie met WSSV in de artikelen 55 tot en met 65;

v)

de inrichtingen zijn geregistreerd of erkend, voor zover relevant voor het soort inrichting;

vi)

de identificatie van dieren van de betrokken dierpopulatie en de traceerbaarheid van levende producten zijn gewaarborgd, voor zover relevant voor het soort dier;

vii)

toen de dieren van de betrokken dierpopulatie of producten daarvan werden verplaatst, voldeden zij aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsing binnen de Unie en de binnenkomst in de Unie van die dieren en producten daarvan;

b)

specifieke criteria voor het verlenen van de ziektevrije status op basis van de artikelen 67 tot en met 71.

Artikel 67

De ziektevrije status op basis van de afwezigheid van in de lijst opgenomen soorten

1.   De criteria voor erkenning van de ziektevrije status van een lidstaat of zone op basis van de afwezigheid van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten zijn als volgt:

a)

gedurende een kwalificatieperiode van ten minste vijf jaar is aan de algemene criteria van artikel 66, onder a), i) en ii), voldaan en is de ziekte niet geconstateerd, en

b)

de in de lijst opgenomen soorten die voor de ziekte in kwestie relevant zijn, komen niet voor in de populaties van gehouden en wilde dieren.

2.   De lidstaat verstrekt documentatie om aan te tonen dat aan de criteria in lid 1 is voldaan. Uit de documentatie moet de duurzaamheid van de ziektevrije status blijken, rekening houdend met het feit dat:

a)

de kans dat dieren van in de lijst opgenomen soorten op het grondgebied van de lidstaat of van een zone daarvan aanwezig zijn, is beoordeeld en als verwaarloosbaar is aangemerkt, en

b)

de kans dat dieren van in de lijst opgenomen soorten op het grondgebied van de lidstaat of van een zone daarvan worden binnengebracht, als verwaarloosbaar is aangemerkt.

Artikel 68

De ziektevrije status op basis van het gebrek aan overlevingskansen voor de ziekteverwekker

1.   De criteria voor erkenning van de ziektevrije status van een lidstaat of zone op basis van het gebrek aan overlevingskansen voor de ziekteverwekker zijn als volgt:

a)

gedurende een kwalificatieperiode van ten minste vijf jaar is aan de algemene criteria van artikel 66, onder a), i) en ii), voldaan en is de ziekte niet geconstateerd;

b)

er is nooit melding gemaakt van de ziekte of, mocht dat wel het geval zijn geweest, er is aangetoond dat de ziekteverwekker niet heeft overleefd;

c)

voor ten minste één kritieke milieuparameter is een waarde bereikt die niet verenigbaar is met het overleven van de ziekteverwekker;

d)

de ziekteverwekker is lang genoeg aan die kritieke milieuparameter blootgesteld om hem te vernietigen.

2.   De lidstaat verstrekt de volgende bewijsstukken om aan te tonen dat aan de criteria in lid 1 is voldaan:

a)

met betrekking tot de in lid 1, onder a) en b), genoemde criteria, documentatie;

b)

met betrekking tot de in lid 1, onder c) en d), genoemde criteria, wetenschappelijk bewijs.

Artikel 69

De ziektevrije status van landdieren op basis van het gebrek aan overlevingskansen voor in de lijst opgenomen vectoren voor in de lijst opgenomen ziekten van landdieren

1.   De criteria voor erkenning van de ziektevrije status van een lidstaat of zone op basis van het gebrek aan overlevingskansen voor in de lijst opgenomen vectoren voor die in de lijst opgenomen ziekte zijn als volgt:

a)

gedurende een kwalificatieperiode van ten minste vijf jaar is aan de algemene criteria van artikel 66, onder a), i) en ii), voldaan en is de ziekte niet geconstateerd;

b)

er is nooit melding gemaakt van de ziekte of, mocht dat wel het geval zijn geweest, er is aangetoond dat de ziekteverwekker niet is overgedragen;

c)

de overdracht van de ziekteverwekker is volledig afhankelijk van de aanwezigheid van de in de lijst opgenomen vectoren en er is geen andere wijze van natuurlijke overdracht bekend;

d)

de in de lijst opgenomen vectoren zijn van nature niet in de lidstaat of zones daarvan aanwezig;

e)

het is onwaarschijnlijk dat de accidentele of opzettelijke introductie van in de lijst opgenomen vectoren in het verleden heeft plaatsgevonden of in de toekomst zal plaatsvinden;

f)

voor ten minste één kritieke milieuparameter is een waarde bereikt die niet verenigbaar is met het overleven van de in de lijst opgenomen vectoren;

g)

de in de lijst opgenomen vectoren zijn lang genoeg aan die kritieke milieuparameter blootgesteld om ze te vernietigen.

2.   De lidstaat verstrekt de volgende bewijsstukken om aan te tonen dat aan de criteria in lid 1 is voldaan:

a)

met betrekking tot de in lid 1, onder a) en b), genoemde criteria, documentatie;

b)

met betrekking tot de in lid 1, onder c) tot en met g), genoemde criteria, wetenschappelijk bewijs.

Indien de ziekte zich heeft voorgedaan, verstrekt de lidstaat documentatie waaruit blijkt dat de bewaking met een betrouwbaarheid van 95 % heeft aangetoond dat de prevalentie van de ziekte minder dan 1 % bedroeg.

Artikel 70

De ziektevrije status op basis van historische en bewakingsgegevens

1.   De criteria voor erkenning van de ziektevrije status van een lidstaat of zone daarvan op basis van historische en bewakingsgegevens zijn als volgt:

a)

er is nooit melding gemaakt van de ziekte in de lidstaat of in de zone daarvan, of zij is uitgeroeid in de lidstaat of in de zone daarvan en er is gedurende ten minste 25 jaar geen melding van gemaakt;

b)

in de afgelopen 25 jaar is er melding gemaakt van de ziekte, zij is uitgeroeid in de lidstaat of de zone daarvan en er is voldaan aan de in artikel 72 bedoelde ziektespecifieke voorschriften.

2.   Een lidstaat die goedkeuring wenst te verkrijgen van de ziektevrije status voor zijn gehele grondgebied of voor een zone daarvan op grond van de bepalingen van lid 1, onder a), moet gedurende een kwalificatieperiode van ten minste tien jaar de volgende maatregelen hebben uitgevoerd:

a)

ziektebewaking onder gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten;

b)

preventie om het binnenbrengen van de ziekteverwekker tegen te gaan;

c)

een verbod op vaccinatie tegen de ziekte, tenzij die vaccinatie voldoet aan de in artikel 72 bedoelde ziektespecifieke voorschriften;

d)

ziektebewaking waaruit blijkt dat de ziekte zich voor zover bekend niet heeft verspreid onder wilde dieren van in de lijst opgenomen soorten binnen de lidstaat of de zone.

3.   In afwijking van lid 1, onder b), kan de Commissie gedurende een periode van twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening de ziektevrije status verlenen aan lidstaten of zones ten aanzien van:

a)

infectie met RABV, indien daarvan overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 64/432/EEG kennisgeving moest worden gedaan en er, indien nodig, bewaking heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (23) en er in de afgelopen twee jaar geen enkel geval is gemeld onder in de lijst opgenomen diersoorten;

b)

infectie met BTV, indien alle beperkingsgebieden zijn opgeheven overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1266/2007 vóór de datum van toepassing van deze verordening.

4.   De in lid 1 bedoelde criteria voor het verkrijgen van de ziektevrije status zijn uitsluitend van toepassing:

a)

in een nieuwe lidstaat, gedurende een periode van ten hoogste twee jaar na de toetreding ervan tot de Unie, of

b)

gedurende ten hoogste twee jaar na de datum van toepassing van de overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde uitvoeringshandelingen waarbij de desbetreffende ziekte voor het eerst als een ziekte van categorie B of C is ingedeeld.

5.   In afwijking van lid 4 geldt voor de volgende statussen geen maximumperiode van twee jaar voor de verlening van de ziektevrije status op basis van historische en bewakingsgegevens:

a)

de status vrij van infestatie met Varroa spp.;

b)

de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie.

6.   In afwijking van lid 4, onder b), is het verlenen van de ziektevrije status op basis van historische en bewakingsgegevens niet van toepassing op de volgende ziekten:

a)

infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

b)

infectie met MTBC;

c)

EBL;

d)

IBR/IPV;

e)

infectie met ADV;

f)

VHS;

g)

IHN;

h)

infectie met ISAV met HPR-deletie;

i)

infectie met Bonamia ostreae;

j)

infectie met Marteilia refringens.

Artikel 71

Ziektevrije status op basis van uitroeiingsprogramma’s

1.   De criteria voor erkenning van de ziektevrije status van een lidstaat of zone op basis van uitroeiingsprogramma’s zijn als volgt:

a)

de bevoegde autoriteit heeft een goedgekeurd uitroeiingsprogramma uitgevoerd zoals bedoeld in artikel 12 of artikel 46, en

b)

de bevoegde autoriteit heeft het uitroeiingsprogramma voltooid en bij de Commissie een verzoek om erkenning van de ziektevrije status ingediend waaruit blijkt dat aan de in artikel 72 vastgestelde ziektespecifieke voorschriften is voldaan.

2.   In afwijking van lid 1 kan in het geval van waterdieren, indien een zone minder dan 75 % van het grondgebied van een lidstaat bestrijkt en niet met een andere lidstaat of een derde land wordt gedeeld, de ziektevrije status overeenkomstig artikel 83 worden behaald.

Artikel 72

Ziektespecifieke voorschriften voor de ziektevrije status

De ziektespecifieke voorschriften voor het verlenen van de ziektevrije status aan een lidstaat of een zone zijn opgenomen in:

a)

bijlage IV, deel I, hoofdstuk 3, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in gehouden runderen en bijlage IV, deel I, hoofdstuk 4, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in gehouden schapen en geiten;

b)

bijlage IV, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met MTBC;

c)

bijlage IV, deel III, hoofdstuk 2, afdeling 1, voor de status vrij van EBL;

d)

bijlage IV, deel IV, hoofdstuk 2, afdeling 1, voor de status vrij van IBR/IPV;

e)

bijlage IV, deel V, hoofdstuk 2, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met ADV;

f)

bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 2, afdeling 1, voor de status vrij van BVD;

g)

bijlage V, deel I, hoofdstuk 2, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met RABV;

h)

bijlage V, deel II, hoofdstuk 4, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met BTV;

i)

bijlage V, deel III, afdeling 1, voor de status vrij van infestatie met Varroa spp.;

j)

bijlage V, deel IV, afdeling 1, voor de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie;

k)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, voor de status vrij van VHS;

l)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, voor de status vrij van IHN;

m)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met ISAV met HPR-deletie;

n)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 3, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Marteilia refringens;

o)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 4, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Bonamia exitiosa;

p)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 5, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Bonamia ostreae;

q)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 6, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met WSSV.

Afdeling 2

Goedkeuring van de ziektevrije status voor compartimenten waar waterdieren worden gehouden

Artikel 73

Criteria voor de verlening van de ziektevrije status aan compartimenten waar waterdieren worden gehouden

1.   De ziektevrije status kan alleen worden verleend aan een compartiment waar aquacultuurdieren worden gehouden wanneer aan de volgende algemene en specifieke criteria is voldaan:

a)

algemene criteria:

i)

de territoriale reikwijdte voldoet aan artikel 47, lid 2, onder c);

ii)

de bewaking ten aanzien van de ziekte voldoet aan de voorschriften van artikel 3, lid 2, en de artikelen 4 en 6 tot en met 9.

iii)

de exploitanten voldoen aan de verplichtingen inzake biobeveiligingsmaatregelen overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) 2016/429;

iv)

de naleving van de ziektebestrijdingsmaatregelen die relevant zijn voor de ziekte bij het vermoeden of de bevestiging ervan;

v)

de inrichtingen waaruit het compartiment bestaat, zijn erkend;

vi)

de traceerbaarheid van de dieren van de betrokken dierpopulatie was gewaarborgd;

vii)

toen de dieren van de betrokken dierpopulatie of producten daarvan werden verplaatst, voldeden zij aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsing binnen de Unie of voor de binnenkomst in de Unie van die dieren en producten daarvan;

b)

specifieke criteria voor het verlenen van de ziektevrije status op basis van de bepalingen van de artikelen 74 tot en met 77.

2.   De in lid 1 bedoelde ziektevrije status kan worden verleend aan:

a)

compartimenten die onafhankelijk zijn van de gezondheidsstatus van de aangrenzende natuurlijke wateren, en

b)

compartimenten die afhankelijk zijn van de gezondheidsstatus van de aangrenzende natuurlijke wateren, maar waar zich omstandigheden voordoen die leiden tot een doeltreffende ziektespecifieke scheiding tussen het compartiment en andere populaties van waterdieren die besmet kunnen zijn.

3.   In het geval van afhankelijke compartimenten zoals bedoeld in lid 2, onder b):

a)

beoordeelt de bevoegde autoriteit ten minste de volgende epidemiologische factoren:

i)

de geografische ligging van elke inrichting in het compartiment en de aard van de watervoorziening;

ii)

de gezondheidsstatus van andere aquacultuurinrichtingen in het watersysteem;

iii)

de ligging van de in punt ii) bedoelde inrichtingen en de afstand ervan tot het afhankelijke compartiment;

iv)

het productievolume van de in punt ii) bedoelde inrichtingen, alsmede hun productiemethode en de herkomst van de dieren;

v)

de aanwezigheid en abundantie van in het wild levende waterdieren van relevante in de lijst opgenomen soorten in het watersysteem en hun gezondheidsstatus;

vi)

nadere gegevens over de vraag of de in punt v) bedoelde soorten sedentaire of trekkende soorten zijn;

vii)

de mogelijkheid dat de in punt v) bedoelde in het wild levende waterdieren het compartiment binnenkomen;

viii)

algemene biobeveiligingsmaatregelen in het compartiment;

ix)

de algemene hydrologische omstandigheden in het watersysteem;

b)

deelt zij alle inrichtingen in het compartiment in volgens de risicoscore “hoog”, overeenkomstig bijlage VI, deel I, hoofdstuk 1;

c)

legt zij alle nodig geachte maatregelen op om de insleep van de ziekte te voorkomen.

4.   Wanneer overeenkomstig artikel 83 een ziektevrijverklaring voor een afhankelijk compartiment bij de Commissie wordt ingediend, verstrekt de bevoegde autoriteit de in lid 3, onder a), bedoelde beoordeling en nadere gegevens over alle maatregelen die zijn genomen om de insleep van de ziekte in het compartiment te voorkomen.

De bevoegde autoriteit stelt de Commissie onverwijld in kennis van eventuele latere wijzigingen van de in lid 3, onder a), genoemde epidemiologische factoren en van de maatregelen die zijn genomen om de gevolgen daarvan te beperken.

Artikel 74

De ziektevrije status op basis van de afwezigheid van in de lijst opgenomen soorten

1.   De criteria voor erkenning, op basis van de afwezigheid van de voor de ziekte in de lijst opgenomen soorten, van de ziektevrije status van een compartiment waar aquacultuurdieren worden gehouden, zijn als volgt:

a)

gedurende een kwalificatieperiode van ten minste vijf jaar is aan de algemene criteria van artikel 73, lid 1, onder a), i) en ii), voldaan en is de ziekte niet geconstateerd, en

b)

de in de lijst opgenomen soorten die voor de ziekte in kwestie relevant zijn, komen niet voor in de populaties van gehouden en wilde dieren.

2.   De lidstaat verstrekt documentatie om aan te tonen dat aan de criteria in lid 1 is voldaan. Uit de documentatie moet de duurzaamheid van de ziektevrije status blijken, rekening houdend met het feit dat:

a)

de kans dat dieren van in de lijst opgenomen soorten in het compartiment aanwezig zijn, is beoordeeld en als verwaarloosbaar is aangemerkt, en

b)

de kans dat dieren van in de lijst opgenomen soorten in het compartiment worden binnengebracht, als verwaarloosbaar is aangemerkt.

Artikel 75

De ziektevrije status op basis van het gebrek aan overlevingskansen voor de ziekteverwekker

1.   De criteria voor erkenning, op basis van het gebrek aan overlevingskansen voor de ziekteverwekker, van de ziektevrije status van een compartiment waar aquacultuurdieren worden gehouden, zijn als volgt:

a)

gedurende een kwalificatieperiode van ten minste vijf jaar is aan de algemene criteria van artikel 73, lid 1, onder a), i) en ii), voldaan en is de ziekte niet geconstateerd;

b)

er is nooit melding gemaakt van de ziekte of, mocht dat wel het geval zijn geweest, er is aangetoond dat de ziekteverwekker niet heeft overleefd;

c)

voor ten minste één kritieke milieuparameter is een waarde bereikt die niet verenigbaar is met het overleven van de ziekteverwekker;

d)

de ziekteverwekker is lang genoeg aan die kritieke parameter blootgesteld om hem te vernietigen.

2.   De lidstaat verstrekt de volgende bewijsstukken om aan te tonen dat aan de criteria in lid 1 is voldaan:

a)

met betrekking tot de in lid 1, onder a) en b), genoemde criteria, documentatie;

b)

met betrekking tot de in lid 1, onder c) en d), genoemde criteria, wetenschappelijk bewijs.

Artikel 76

De ziektevrije status op basis van historische en bewakingsgegevens

1.   De criteria voor erkenning, op basis van historische en bewakingsgegevens, van de ziektevrije status van een compartiment waar aquacultuurdieren worden gehouden, zijn als volgt:

a)

er is nooit melding gemaakt van de ziekte in het compartiment, of zij is uitgeroeid in het compartiment en er is gedurende ten minste 25 jaar geen melding van gemaakt;

b)

in de afgelopen 25 jaar is er melding gemaakt van de ziekte, zij is uitgeroeid in het compartiment en er is voldaan aan de in artikel 78 bedoelde ziektespecifieke voorschriften.

2.   Een lidstaat die goedkeuring wenst te verkrijgen van de ziektevrije status voor het compartiment op grond van de bepalingen van lid 1, onder a), moet gedurende een kwalificatieperiode van ten minste tien jaar de volgende maatregelen hebben uitgevoerd:

a)

ziektebewaking onder gehouden dieren van in de lijst opgenomen soorten;

b)

preventie om het binnenbrengen van de ziekteverwekker tegen te gaan;

c)

een verbod op vaccinatie tegen de ziekte, tenzij die vaccinatie voldoet aan de in artikel 78 bedoelde ziektespecifieke vereisten;

d)

ziektebewaking waaruit blijkt dat de ziekte zich voor zover bekend niet heeft verspreid onder wilde dieren van in de lijst opgenomen soorten binnen het compartiment.

3.   De in lid 1 bedoelde criteria zijn uitsluitend van toepassing:

a)

in een nieuwe lidstaat, gedurende een periode van ten hoogste twee jaar na de toetreding ervan tot de Unie, of

b)

gedurende ten hoogste twee jaar na de datum van toepassing van de overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde uitvoeringshandelingen waarbij de desbetreffende ziekte voor het eerst als een ziekte van categorie B of C is ingedeeld.

4.   In afwijking van lid 3, onder b), is het verlenen van de ziektevrije status op basis van historische en bewakingsgegevens niet van toepassing op de volgende ziekten:

a)

VHS;

b)

IHN;

c)

infectie met ISAV met HPR-deletie;

d)

infectie met Bonamia ostreae;

e)

infectie met Marteilia refringens.

Artikel 77

Ziektevrije status op basis van uitroeiingsprogramma’s

1.   De criteria voor erkenning, op basis van uitroeiingsprogramma’s, van de ziektevrije status van een compartiment waar aquacultuurdieren worden gehouden, zijn als volgt:

a)

de bevoegde autoriteit heeft een goedgekeurd uitroeiingsprogramma uitgevoerd zoals bedoeld in artikel 46, en

b)

de bevoegde autoriteit heeft het uitroeiingsprogramma voltooid en bij de Commissie het eindverslag ingediend waaruit blijkt dat aan de in artikel 78 vastgestelde ziektespecifieke voorschriften is voldaan.

2.   In afwijking van lid 1 kan, indien een compartiment minder dan 75 % van het grondgebied van een lidstaat bestrijkt en het stroomgebied waardoor het compartiment wordt gevoed, niet met een andere lidstaat of een derde land wordt gedeeld, de ziektevrije status overeenkomstig artikel 83 worden behaald.

Artikel 78

Ziektespecifieke voorschriften voor de ziektevrije status

De ziektespecifieke voorschriften voor het verlenen van de ziektevrije status aan een compartiment waar waterdieren worden gehouden, zijn opgenomen in:

a)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, voor de status vrij van VHS;

b)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 2, voor de status vrij van IHN;

c)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met ISAV met HPR-deletie;

d)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 3, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Marteilia refringens;

e)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 4, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Bonamia exitiosa;

f)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 5, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Bonamia ostreae;

g)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 6, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met WSSV.

Artikel 79

Specifieke voorschriften voor compartimenten die onafhankelijk zijn van de gezondheidsstatus van de aangrenzende natuurlijke wateren

1.   In aanvulling op de algemene criteria voor het verlenen van de ziektevrije status aan compartimenten waar aquacultuurdieren worden gehouden, zoals bedoeld in artikel 73, lid 1, kan een compartiment dat een of meer afzonderlijke inrichtingen omvat waar de gezondheidsstatus ten aanzien van een specifieke ziekte onafhankelijk is van de gezondheidsstatus van de omringende natuurlijke wateren, de ziektevrije status verkrijgen indien het voldoet aan de bepalingen van de leden 2 tot en met 6.

2.   Een onafhankelijk compartiment kan bestaan uit:

a)

een afzonderlijke inrichting, die als één epidemiologische eenheid wordt beschouwd, aangezien zij niet door de gezondheidsstatus van de aangrenzende natuurlijke wateren beïnvloed wordt, of

b)

meerdere inrichtingen, waarbij elke inrichting in het compartiment voldoet aan de in dit lid, onder a), en in de leden 3 tot en met 6, telkens onder a), genoemde criteria, maar de inrichtingen, vanwege de veelvuldige verplaatsingen van dieren ertussen, worden beschouwd als één enkele epidemiologische eenheid, mits alle inrichtingen een gemeenschappelijk biobeveiligingssysteem toepassen.

3.   Een onafhankelijk compartiment wordt met water gevoed:

a)

via een waterzuiveringsinstallatie die de desbetreffende ziekteverwekker inactiveert, of

b)

rechtstreeks uit een put, een boorgat of een bron.

Waar de watervoorziening afkomstig is van een bron buiten de inrichting, wordt het water rechtstreeks naar de inrichting geleid op een manier die een passende bescherming tegen besmetting biedt.

4.   Er moeten natuurlijke of kunstmatige barrières zijn die waterdieren beletten om vanuit de aangrenzende natuurlijke wateren in de inrichtingen van een compartiment binnen te komen.

5.   Het compartiment moet zo nodig tegen overstromingen en het binnendringen van water uit de aangrenzende natuurlijke wateren beschermd zijn.

6.   Het compartiment moet voldoen aan de ziektespecifieke voorschriften zoals bedoeld in artikel 78.

Artikel 80

Bijzondere bepalingen voor compartimenten die afzonderlijke inrichtingen omvatten die aquacultuuractiviteiten aanvangen of hervatten en waar de gezondheidsstatus ten aanzien van een specifieke ziekte onafhankelijk is van de gezondheidsstatus van de omringende natuurlijke wateren

1.   Een nieuwe inrichting die aquacultuuractiviteiten aanvangt, wordt als ziektevrij beschouwd wanneer:

a)

zij aan artikel 79, lid 2, onder a), en leden 3 tot en met 5, voldoet, en

b)

zij aquacultuuractiviteiten aanvangt met aquacultuurdieren uit een ziektevrije lidstaat, een ziektevrije zone of een ziektevrij gebied.

2.   Een inrichting die na een onderbreking aquacultuuractiviteiten hervat en aan lid 1 voldoet, wordt geacht ziektevrij te zijn zonder dat de in artikel 73, lid 1, onder a), ii), bedoelde bewaking wordt verricht, mits:

a)

de gezondheidsgeschiedenis van de inrichting bij de bevoegde autoriteit bekend is en er in de inrichting geen bevestiging is geweest van de aanwezigheid van een ziekte van categorie B of categorie C;

b)

de inrichting vóór de herbevolking wordt gereinigd, ontsmet en stilgelegd, indien nodig.

3.   Een inrichting die haar activiteiten hervat nadat de aanwezigheid van een ziekte van categorie B of van categorie C is bevestigd, wordt als vrij van de bevestigde ziekte beschouwd, mits:

a)

een representatieve steekproef van de dieren waarmee de inrichting na de reiniging, ontsmetting en stillegging vanuit een ziektevrije lidstaat, ziektevrije zone of ziektevrij compartiment is herbevolkt, ten vroegste drie maanden en ten laatste twaalf maanden op de desbetreffende ziekte is getest na blootgesteld te zijn geweest aan omstandigheden, met inbegrip van de watertemperatuur, waardoor de ziekte klinisch tot uiting kan komen;

b)

de bemonstering en diagnostische tests zoals beschreven in het desbetreffende hoofdstuk van bijlage VI, deel II, worden toegepast en er worden monsters genomen van een dusdanig aantal dieren dat waarborgt dat de desbetreffende ziekte met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord indien de aangenomen prevalentie 2 % bedraagt;

c)

de resultaten van de onder b) beschreven tests negatief zijn.

Afdeling 3

Handhaving, opschorting en intrekking van de ziektevrije status

Artikel 81

Specifieke criteria inzake bewakings- en biobeveiligingsmaatregelen voor de handhaving van de ziektevrije status

1.   De lidstaten of zones of compartimenten daarvan kunnen de ziektevrije status slechts handhaven indien zij aan de criteria in artikel 41, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) 2016/429 en daarnaast ook aan de volgende criteria voldoen:

a)

verrichting van voldoende bewakingsactiviteiten om de ziekte vroegtijdig te kunnen opsporen en de ziektevrije status te kunnen aantonen;

b)

de door de bevoegde autoriteit op basis van de vastgestelde risico’s gelaste biobeveiligingsmaatregelen om insleep van de ziekte te voorkomen;

c)

de in artikel 66, onder a), v), vi) en vii), of in artikel 73, lid 1, onder a), v), vi) en vii), bedoelde operationele regels.

2.   In het geval van waterdieren, kan een lidstaat die vrij is verklaard van een of meer van de in de lijst opgenomen ziekten, de gerichte bewaking als bedoeld in lid 3, onder k) tot en met q), staken en zijn ziektevrije status handhaven, mits het risico op insleep van de desbetreffende ziekte is beoordeeld en de omstandigheden waardoor die ziekte klinisch tot uiting kan komen, aanwezig zijn.

In ziektevrije zones of compartimenten in niet ziektevrij verklaarde lidstaten, of in alle gevallen waarin de omstandigheden waardoor de desbetreffende ziekte klinisch tot uiting kan komen, niet aanwezig zijn, wordt de gerichte bewaking zoals bedoeld in lid 3, onder k) tot en met q), voortgezet.

3.   De ziektespecifieke voorschriften inzake bewakings- en biobeveiligingsmaatregelen zijn opgenomen in:

a)

bijlage IV, deel I, hoofdstuk 3, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden runderen of bijlage IV, deel I, hoofdstuk 4, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden schapen en geiten;

b)

bijlage IV, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met MTBC;

c)

bijlage IV, deel III, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van EBL;

d)

bijlage IV, deel IV, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van IBR/IPV;

e)

bijlage IV, deel V, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met ADV;

f)

bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van BVD;

g)

bijlage V, deel I, hoofdstuk 2, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met RABV;

h)

bijlage V, deel II, hoofdstuk 4, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met BTV;

i)

bijlage V, deel III, afdeling 2, voor de status vrij van infestatie met Varroa spp.;

j)

bijlage V, deel IV, afdeling 2, voor de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie;

k)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor de status vrij van VHS;

l)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 4, voor de status vrij van IHN;

m)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 4, voor de status vrij van infectie met ISAV met HPR-deletie;

n)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 3, afdeling 4, voor de status vrij van infectie met Marteilia refringens;

o)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 4, afdeling 4, voor de status vrij van infectie met Bonamia exitiosa;

p)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 5, afdeling 4, voor de status vrij van infectie met Bonamia ostreae;

q)

bijlage VI, deel II, hoofdstuk 6, afdeling 4, voor de status vrij van infectie met WSSV.

Artikel 82

Opschorting, intrekking en herinvoering van de ziektevrije status

1.   Indien de ziekte is bevestigd en derhalve niet aan de voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status van een lidstaat of een zone of compartiment daarvan wordt voldaan:

a)

past de bevoegde autoriteit de desbetreffende ziektebestrijdingsmaatregelen onverwijld toe;

b)

verricht zij specifieke bewaking om de omvang van de uitbraak te beoordelen;

c)

gelast zij alle nodige risicobeperkingsmaatregelen.

2.   Indien de ziekte niet is bevestigd, maar een van de voorwaarden voor de handhaving van de ziektevrije status van een lidstaat of een zone of compartiment daarvan is geschonden, neemt de bevoegde autoriteit passende corrigerende maatregelen en beoordeelt zij het risico dat de gezondheidssituatie is gewijzigd.

3.   De bevoegde autoriteit kan, indien nodig, als overgangsmaatregel de ziektevrije status van de lidstaat of een zone of compartiment daarvan opschorten, in plaats van de intrekking van de ziektevrije status door de Commissie. Gedurende die opschorting:

a)

stelt de bevoegde autoriteit alle nodige preventie-, bewakings- en bestrijdingsmaatregelen vast om de situatie onder controle te houden;

b)

stelt zij de Commissie en de overige lidstaten onverwijld in kennis van de genomen maatregelen, en

c)

stelt zij de Commissie en de andere lidstaat regelmatig in kennis van ontwikkelingen in de situatie en van haar standpunt ten aanzien van de herinvoering van de ziektevrije status, de verlenging van de opschorting ervan, of de intrekking ervan door de Commissie.

4.   Mits de bepalingen van lid 3 in acht worden genomen, kan de bevoegde autoriteit de ziektevrije status van de lidstaat of de zone of het compartiment daarvan herinvoeren door de opschorting op te heffen.

Afdeling 4

Afwijkingen van de goedkeuring door de Commissie

Artikel 83

Afwijkingen van de goedkeuring door de Commissie voor bepaalde ziektevrije statussen voor ziekten van waterdieren

1.   In afwijking van de voorschriften voor het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie voor de ziektevrije status, zoals vastgesteld in artikel 36, lid 4, en artikel 37, lid 4, van Verordening (EU) 2016/429, kan voor ziekten van waterdieren in zones of compartimenten een dergelijke goedkeuring voor zones of compartimenten die minder dan 75 % van het grondgebied van een lidstaat bestrijken, waarbij het stroomgebied waardoor de zone of het compartiment wordt gevoed, niet met een andere lidstaat of een derde land wordt gedeeld, overeenkomstig de volgende procedure worden verkregen:

a)

een lidstaat stelt een voorlopige ziektevrijverklaring op voor de zone of het compartiment dat voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften voor de ziektevrije status;

b)

deze voorlopige verklaring wordt elektronisch bekendgemaakt door de lidstaat, en de Commissie en de lidstaten worden op de bekendmaking geattendeerd;

c)

zestig dagen na de bekendmaking wordt de voorlopige verklaring van kracht en verkrijgt de zone of het compartiment zoals bedoeld in dit lid de ziektevrije status.

2.   Binnen de in lid 1, onder c), bedoelde termijn van zestig dagen kunnen de Commissie of de lidstaten om verduidelijking of aanvullende informatie vragen ten aanzien van het bewijsmateriaal dat is verstrekt door de lidstaat die de voorlopige verklaring heeft opgesteld.

3.   Indien ten minste één lidstaat of de Commissie schriftelijke opmerkingen heeft gemaakt binnen de in lid 1, onder c), bedoelde termijn, waarin bedenkingen wordt geuit ten aanzien van het bewijs dat de verklaring ondersteunt, onderzoeken de Commissie, de lidstaat die de verklaring heeft opgesteld en, in voorkomend geval, de lidstaat die om verduidelijking of aanvullende informatie heeft verzocht, gezamenlijk het ingediende bewijsmateriaal om de bedenkingen weg te nemen.

In dergelijke gevallen wordt de in lid 1, onder c), bedoelde termijn automatisch verlengd tot zestig dagen te rekenen vanaf de datum waarop voor het eerst bedenkingen zijn geuit. Die termijn wordt vervolgens niet verder verlengd.

4.   Indien het in lid 3 bedoelde proces niet slaagt, zijn de bepalingen van artikel 36, lid 4, en artikel 37, lid 4, van Verordening (EU) 2016/429 van toepassing.

DEEL III

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 84

Overgangsbepalingen met betrekking tot de bestaande ziektevrije status

1.   De lidstaten en zones daarvan die vóór de datum van toepassing van deze verordening een goedgekeurde ziektevrije status hebben, worden voor de volgende statussen geacht een goedgekeurde ziektevrije status overeenkomstig deze verordening te hebben:

a)

vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis, B. suis:

i)

in runderpopulaties, wanneer overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG de brucellosevrije status is verleend;

ii)

in schapen- en geitenpopulaties, wanneer overeenkomstig Richtlijn 91/68/EEG de brucellosevrije (vrij van B. melitensis) status is verleend;

b)

vrij van infectie met MTBC, wanneer overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG de tuberculosevrije status is verleend;

c)

vrij van EBL, wanneer overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG de status vrij van EBL is verleend;

d)

vrij van IBR/IPV, wanneer overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG de status vrij van IBR is verleend;

e)

vrij van infectie met ADV, wanneer overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG de status vrij van de ziekte van Aujeszky is verleend;

f)

vrij van infestatie met Varroa spp., wanneer overeenkomstig Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (24) de status vrij van varroase is verleend;

g)

vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie wanneer overeenkomstig Richtlijn 2009/158/EG de status niet-inenting tegen de ziekte van Newcastle is toegekend;

h)

vrij van VHS, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (25) de status vrij van VHS is verleend;

i)

vrij van IHN, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van IHN is verleend;

j)

vrij van infectie met ISAV met HPR-deletie, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van infectie met genotype HPR-negatief van ISAV is verleend;

k)

vrij van infectie met Bonamia ostreae, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van infectie met Bonamia ostreae is verleend;

l)

vrij van infectie met Marteilia refringens, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van infectie met Marteilia refringens is verleend;

m)

vrij van infectie met WSSV, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van wittevlekkensyndroom is verleend.

2.   De compartimenten in lidstaten die vóór de datum van toepassing van deze verordening een goedgekeurde ziektevrije status hebben, worden voor de volgende statussen geacht een goedgekeurde ziektevrije status overeenkomstig deze verordening te hebben:

a)

vrij van hoogpathogene aviaire influenza, wanneer het compartiment overeenkomstig Verordening (EG) nr. 616/2009 van de Commissie (26) ten aanzien van aviaire influenza is goedgekeurd;

b)

vrij van VHS, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van VHS is verleend;

c)

vrij van IHN, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van IHN is verleend;

d)

vrij van infectie met ISAV met HPR-deletie, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van infectie met genotype HPR-negatief van ISAV is verleend;

e)

vrij van infectie met Bonamia ostreae, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van infectie met Bonamia ostreae is verleend;

f)

vrij van infectie met Marteilia refringens, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van infectie met Marteilia refringens is verleend;

g)

vrij van infectie met WSSV, wanneer overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG de status vrij van wittevlekkensyndroom is verleend.

3.   De lidstaten die geacht worden een goedgekeurde ziektevrije status te hebben overeenkomstig lid 1 of lid 2, zorgen ervoor dat de voorwaarden voor de handhaving van de status in overeenstemming zijn met de in deze verordening vastgestelde voorwaarden.

Artikel 85

Overgangsbepalingen met betrekking tot bestaande uitroeiings- of bewakingsprogramma’s

1.   De lidstaten en zones daarvan die vóór de datum van toepassing van deze verordening een goedgekeurd uitroeiingsprogramma of een goedgekeurd bewakingsprogramma hebben, worden geacht voor de volgende ziekten gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf de datum van toepassing van deze verordening, een goedgekeurd uitroeiingsprogramma overeenkomstig deze verordening te hebben:

a)

IBR/IPV, wanneer het uitroeiingsprogramma voor IBR/IPV overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG is goedgekeurd;

b)

infectie met ADV, wanneer het uitroeiingsprogramma voor de ziekte van Aujeszky overeenkomstig Richtlijn 64/432/EEG is goedgekeurd;

c)

VHS, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor VHS overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

d)

IHN, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor IHN overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

e)

infectie met ISAV met HPR-deletie, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor infectie met ISAV met HPR-deletie overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

f)

infectie met Bonamia ostreae, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor infectie met Bonamia ostreae overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

g)

infectie met Marteilia refringens, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor infectie met Marteilia refringens overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

h)

infectie met WSSV, wanneer het uitroeiingsprogramma voor het wittevlekkensyndroom overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd.

2.   De compartimenten in lidstaten die vóór de datum van toepassing van deze verordening een goedgekeurd uitroeiingsprogramma of een goedgekeurd bewakingsprogramma hebben, worden geacht voor de volgende ziekten gedurende een periode van zes jaar, te rekenen vanaf de datum van toepassing van deze verordening, een goedgekeurd uitroeiingsprogramma overeenkomstig deze verordening te hebben:

a)

VHS, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor VHS overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

b)

IHN, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor IHNovereenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

c)

infectie met ISAV met HPR-deletie, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor infectie met ISAV met HPR-deletie overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

d)

infectie met Bonamia ostreae, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor infectie met Bonamia ostreae overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

e)

infectie met Marteilia refringens, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor infectie met Marteilia refringens overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd;

f)

infectie met WSSV, wanneer het bewakings- of uitroeiingsprogramma voor het wittevlekkensyndroom overeenkomstig Richtlijn 2006/88/EG is goedgekeurd.

3.   De lidstaten die geacht worden een goedgekeurd uitroeiingsprogramma hebben overeenkomstig lid 1 of lid 2, zorgen ervoor dat de maatregelen van het programma in overeenstemming zijn met de in deze verordening voor uitroeiingsprogramma’s vastgestelde maatregelen.

Artikel 86

Intrekking

De volgende handelingen worden met ingang van 21 april 2021 ingetrokken:

Beschikking 2000/428/EG;

Beschikking 2002/106/EG;

Beschikking 2003/422/EG;

Beschikking 2006/437/EG;

Verordening (EG) nr. 1266/2007;

Beschikking 2008/896/EG;

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554.

Verwijzingen naar die ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 87

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 21 april 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).

(3)  Besluit 2010/367/EU van de Commissie van 25 juni 2010 betreffende de uitvoering door de lidstaten van surveillanceprogramma’s voor aviaire influenza bij pluimvee en in het wild levende vogels (PB L 166 van 1.7.2010, blz. 22).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie van 3 december 2018 betreffende de toepassing, op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten, van bepaalde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten en tot vaststelling van een lijst van soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van die ziekten (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 21).

(5)  Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64).

(6)  Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19).

(7)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1629 van de Commissie van 25 juli 2018 tot wijziging van de lijst van ziekten in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad betreffende overdraagbare dierziekten en houdende wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 272 van 31.10.2018, blz. 11).

(8)  Terrestrial Animal Health Code, Wereldorganisatie voor diergezondheid, 2018.

(9)  Beschikking 2004/558/EG van de Commissie van 15 juli 2004 tot uitvoering van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad voor wat betreft aanvullende garanties voor het intracommunautaire handelsverkeer in runderen ten aanzien van infectieuze boviene rinotracheïtis en de goedkeuring van de door sommige lidstaten ingediende uitroeiingsprogramma’s (PB L 249 van 23.7.2004, blz. 20).

(10)  EFSA Journal 2006; 4(2):311, wetenschappelijk advies over “Definition of a BoHV-1-free animal and a BoHV-1-free holding, and the procedures to verify and maintain this status”.

(11)  Richtlijn 2000/75/EG van de Raad van 20 november 2000 tot vaststelling van specifieke bepalingen inzake de bestrijding en uitroeiing van bluetongue (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 74).

(12)  EFSA-panel voor diergezondheid en dierenwelzijn, 2017. Scientific opinion on bluetongue: control, surveillance and safe movement of animals. EFSA Journal 2017; 15(3):4698, 126 blz.

(13)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).

(14)  Beschikking 2000/428/EG van de Commissie van 4 juli 2000 tot vaststelling van diagnostische procedures, monsternemingsprocedures en criteria voor de evaluatie van de resultaten van laboratoriumtests voor de bevestiging en de differentiële diagnose van vesiculaire varkensziekte (PB L 167 van 7.7.2000, blz. 22).

(15)  Beschikking 2002/106/EG van de Commissie van 1 februari 2002 houdende goedkeuring van een diagnosehandboek tot vaststelling van diagnostische procedures, bemonsteringsprocedures en criteria voor de evaluatie van de resultaten van laboratoriumtests voor de bevestiging van klassieke varkenspest (PB L 39 van 9.2.2002, blz. 71).

(16)  Beschikking 2003/422/EG van de Commissie van 26 mei 2003 tot goedkeuring van een handboek voor de diagnose van Afrikaanse varkenspest (PB L 143 van 11.6.2003, blz. 35).

(17)  Beschikking 2006/437/EG van de Commissie van 4 augustus 2006 tot goedkeuring van een diagnosehandboek voor aviaire influenza overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (PB L 237 van 31.8.2006, blz. 1).

(18)  Verordening (EG) nr. 1266/2007 van de Commissie van 26 oktober 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 2000/75/EG van de Raad wat betreft bestrijding, monitoring, surveillance en beperkingen op de verplaatsingen van bepaalde dieren van vatbare soorten in verband met bluetongue (PB L 238 van 27.10.2007, blz. 37).

(19)  Beschikking 2008/896/EG van de Commissie van 20 november 2008 betreffende richtsnoeren voor de programma’s voor de op risico’s gebaseerde bewaking van de diergezondheid, als bedoeld in Richtlijn 2006/88/EG van de Raad (PB L 322 van 2.12.2008, blz. 30).

(20)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1554 van de Commissie van 11 september 2015 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG wat betreft voorschriften voor bewaking en diagnosemethoden (PB L 247 van 23.9.2015, blz. 1).

(21)  http://www.oie.int/en/standard-setting/terrestrial-manual/access-online/

(22)  http://www.oie.int/en/standard-setting/aquatic-manual/access-online/

(23)  Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PB L 325 van 12.12.2003, blz. 31).

(24)  Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54).

(25)  Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14).

(26)  Verordening (EG) nr. 616/2009 van de Commissie van 13 juli 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/94/EG wat betreft de goedkeuring van compartimenten voor pluimvee en compartimenten voor andere in gevangenschap levende vogels ten aanzien van aviaire influenza en aanvullende voorzorgsmaatregelen op het gebied van de bioveiligheid in dergelijke compartimenten (PB L 181 van 14.7.2009, blz. 16).


BIJLAGE I

SPECIFIEKE GEVALSDEFINITIE VOOR ZIEKTEN VAN LANDDIEREN

Afdeling 1

Hoogpathogene aviaire influenza (HPAI)

1.

Een dier of een groep dieren moet door de bevoegde autoriteit worden beschouwd als een vermoedelijk geval van HPAI wanneer aan de criteria van artikel 9, lid 1, is voldaan.

2.

Een dier of een groep dieren moet door de bevoegde autoriteit worden beschouwd als een bevestigd geval van HPAI wanneer:

a)

de voor HPAI verantwoordelijke ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren;

b)

een nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker voor HPAI en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren, of

c)

een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een gehouden dier of een groep gehouden dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

3.

Voor de toepassing van deze gevalsdefinitie moet de ziekteverwekker die verantwoordelijk is voor HPAI:

a)

een influenza A-virus van het subtype H5 of H7 of een influenza A-virus met een intraveneuze pathogeniteitsindex (IVPI) groter dan 1,2 zijn, of

b)

een influenza A-virus van het subtype H5 of H7 zijn met een sequentie van meerdere basische aminozuren bij de splitsingsplaats van het hemagglutininemolecuul (HA0) die overeenkomt met de sequentie die ook bij andere HPAI-isolaten is vastgesteld.

Afdeling 2

Infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen (LPAIV)

1.

Een dier of een groep dieren moet door de bevoegde autoriteit worden beschouwd als een vermoedelijk geval van infectie met LPAIV wanneer aan de criteria van artikel 9, lid 1, is voldaan.

2.

Een dier of een groep dieren moet door de bevoegde autoriteit worden beschouwd als een bevestigd geval van infectie met LPAIV wanneer:

a)

de voor infectie met LPAIV verantwoordelijke ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren;

b)

een nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker voor infectie met LPAIV en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren, of

c)

een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een gehouden dier of een groep gehouden dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

3.

Voor de toepassing van deze gevalsdefinitie moet de ziekteverwekker van infectie met LPAIV een influenza A-virus van subtype H5 of H7 zijn dat geen HPAI-virus is.

Afdeling 3

Infectie met het virus van de ziekte van Newcastle (Newcastle disease virus, NDV)

1.

Een dier of een groep dieren moet door de bevoegde autoriteit worden beschouwd als een vermoedelijk geval van infectie met NDV wanneer aan de criteria van artikel 9, lid 1, is voldaan.

2.

Een dier of een groep dieren moet door de bevoegde autoriteit worden beschouwd als een bevestigd geval van infectie met NDV wanneer:

a)

de voor infectie met NDV verantwoordelijke ziekteverwekker, vaccinstammen uitgezonderd, is geïsoleerd in een monster van een dier of een groep dieren;

b)

een nucleïnezuur dat specifiek is voor de ziekteverwekker voor infectie met NDV en niet het gevolg is van vaccinatie, is aangetroffen in een monster van een dier of een groep dieren, of

c)

een positief resultaat van een indirecte diagnostische methode dat niet het gevolg is van vaccinatie, is verkregen in een monster van een gehouden dier of een groep gehouden dieren waarbij klinische symptomen die bij de ziekte passen of een epidemiologisch verband met een vermoedelijk of bevestigd geval zijn vastgesteld.

3.

Voor de toepassing van deze gevalsdefinitie moet de ziekteverwekker die verantwoordelijk is voor infectie met NDV een aviair paramyxovirus van type 1 (APMV-1) (aviair Avulavirus van type 1) zijn dat:

a)

een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) van 0,7 of meer heeft, of

b)

meerdere basische aminozuren op het C-uiteinde van het F2-eiwit en fenylalanine op positie 117, het N-uiteinde van het F1-eiwit, heeft. Onder “meerdere basische aminozuren” wordt verstaan ten minste drie arginine- of lysineresiduen tussen positie 113 en positie 116. Mocht het hierboven beschreven karakteristieke patroon van aminozuurresiduen niet worden aangetoond, dan zou het geïsoleerde virus met behulp van een ICPI-test moeten worden gekarakteriseerd. In deze definitie worden de aminozuurresiduen genummerd vanaf het N-uiteinde van de aminozuursequentie zoals afgeleid van de nucleotidesequentie van het F0-gen, waarbij de posities 113-116 overeenkomen met de residuen -4 tot en met -1 vanaf de splitsingsplaats.


BIJLAGE II

BEWAKINGSPROGRAMMA VAN DE UNIE

DEEL I

BEWAKING TEN AANZIEN VAN AVIAIRE INFLUENZA BIJ PLUIMVEE EN IN HET WILD LEVENDE VOGELS

Afdeling 1

Algemene benadering en voorschriften

1.   TERRITORIALE REIKWIJDTE

Bewaking bij pluimvee en in het wild levende vogels moet in alle lidstaten worden toegepast.

2.   TOEPASSINGSPERIODE

Tot de intrekking ervan.

3.   ALGEMENE BENADERING

Het bewakingssysteem moet zich richten op de in punt 2 beschreven doelstellingen en zijn gebaseerd op een alomvattende aanpak die verschillende, elkaar onderling aanvullende, onderdelen van de bewakingsactiviteiten bij pluimvee en in het wild levende vogels omvat:

systemen voor vroege opsporing zoals bedoeld in de afdelingen 3 en 4;

risicogebaseerde bewaking zoals bedoeld in de afdelingen 5 en 6.

Afdeling 2

Doelstellingen van de bewaking bij pluimvee en in het wild levende vogels

1.

Vroegtijdige opsporing van hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) bij pluimvee.

2.

Vroegtijdige opsporing van HPAI bij in het wild levende vogels, waarbij wordt voorzien in:

a)

een vroegtijdige waarschuwing voor mogelijke insleep van HPAI bij pluimvee, met name wanneer virussen de Unie binnenkomen via migratiebewegingen van in het wild levende vogels;

b)

informatie voor de beoordeling van de risico’s op verspreiding van virussen nadat HPAI is waargenomen bij in het wild levende vogels.

3.

Opsporing van HPAI bij pluimveesoorten die doorgaans geen significante klinische symptomen vertonen.

4.

Opsporing van circulerende laagpathogene aviaire-influenzavirussen (LPAIV) die gemakkelijk tussen pluimveekoppels kunnen worden verspreid, met name in gebieden met een hoge dichtheid van pluimvee-inrichtingen, gezien hun potentieel om tot HPAI te muteren, teneinde:

a)

clusters van infectie met LPAIV te identificeren, en

b)

het risico op verspreiding van LPAIV via verplaatsingen van pluimvee en van levenloze smetstofdragers in bepaalde aan risico’s blootgestelde productiesystemen monitoren.

5.

Bijdragen tot meer kennis over HPAI en LPAIV die een potentieel zoönotisch risico opleveren.

Afdeling 3

Vroegtijdige opsporing van HPAI bij pluimvee

1.

De systemen voor vroegtijdige opsporing van HPAI bij pluimvee moeten deel uitmaken van de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde algemene bewakingsvoorschriften en moeten in de hele pluimveesector worden toegepast.

2.

De in punt 1 bedoelde bewaking moet in inrichtingen die zijn gelegen in een gebied waarvoor een verhoogd risico op de insleep en de verspreiding van HPAI is vastgesteld, ten minste het vroegtijdig opsporen en onderzoeken omvatten van:

a)

alle veranderingen in de normale productie- en gezondheidsparameters, zoals de sterftecijfers, de voeder- en waterinname en de eierproductie, en

b)

alle klinische symptomen of post-mortemlaesies die wijzen op HPAI.

3.

Het regelmatig testen van monsters van dood en ziek pluimvee in inrichtingen die zijn gelegen in een gebied waarvoor een verhoogd risico op de insleep en de verspreiding van HPAI is vastgesteld, kan ook relevant zijn wanneer op nationaal, EU- of regionaal niveau een verhoogd risico is vastgesteld wegens uitbraken van HPAI bij pluimvee en/of in het wild levende vogels.

Afdeling 4

Vroegtijdige opsporing van HPAI bij in het wilde levende vogels

1.

De vroegtijdige opsporing van HPAI bij in het wild levende vogels moet gebaseerd zijn op het bemonsteren en testen van vogels die:

a)

dood zijn aangetroffen;

b)

gewond of ziek zijn aangetroffen;

c)

zijn gejaagd terwijl zij klinische symptomen vertoonden.

Deze bewaking moet mogelijk worden geïntensiveerd wanneer HPAI bij in het wild levende vogels is vastgesteld, door middel van monitoringsystemen met georganiseerde patrouilles voor het opsporen en verzamelen van dode en zieke vogels.

2.

De opzet van deze bewaking moet risicogebaseerd zijn, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met relevante informatie op het gebied van ornithologie, virologie, epidemiologie en milieukwesties.

3.

De bewaking moet van toepassing zijn op vogels van de betrokken in het wild levende vogelsoorten, zoals bedoeld in afdeling 8. Alle verdachte gevallen van sterfte bij in het wild levende vogels moeten echter worden onderzocht om HPAI uit te sluiten.

Naast de betrokken in het wild levende vogelsoorten kunnen ook aanvullende in het wild levende vogelsoorten worden opgenomen wanneer hun specifieke epidemiologische relevantie op het grondgebied van de lidstaat is beoordeeld.

4.

Daarnaast kan de bewaking in prioritaire locaties en belangrijke gebieden, met name die waar vogels van de betrokken in het wild levende vogelsoorten tijdens hun migratiebewegingen de Unie binnenkomen, en ten minste vanuit de noordoostelijke en oostelijke trekroutes, het bemonsteren en testen omvatten van:

a)

gevangen vogels;

b)

gejaagde gezonde vogels;

c)

verklikkerdieren.

5.

Aanvullende informatiebronnen met gegevens die zijn verkregen uit onderzoek aan in het wild levende vogels in de context van uitbraken van HPAI bij gehouden vogels, moeten worden opgenomen in de resultaten van de bewaking ten aanzien van HPAI bij in het wild levende vogels.

Afdeling 5

Risicogebaseerde aanvullende bewaking ten aanzien van HPAI bij pluimveesoorten die doorgaans geen significante klinische symptomen vertonen

1.

Bij de risicogebaseerde bewaking ten aanzien van infectie met HPAI in pluimvee-inrichtingen waar eenden, ganzen, of in het wild uit te zetten pluimvee van soorten van de orde Anseriformes, bestemd voor aanvulling van de wildstand, of kwartels, moet ten minste rekening worden gehouden met de volgende risicofactoren:

a)

de historische en huidige epidemiologische situatie van de ziekte en de ontwikkeling ervan in de tijd bij pluimvee en in het wild levende vogels;

b)

de nabijheid van de inrichtingen tot waterlichamen en andere plaatsen waar trekvogels, met name watervogels, tijdens hun verplaatsingen naar en door de Unie zich in grotere aantallen kunnen verzamelen of een tussenstop kunnen maken;

c)

de periode van toegenomen verplaatsingen van in het wild levende trekvogels van de betrokken soorten naar en door de Unie;

d)

de structuur van de pluimveehouderij, met inbegrip van de bij de verschillende productiesystemen betrokken ruimere sector;

e)

de geografische ligging van de inrichtingen in een gebied met een hoge pluimveedichtheid;

f)

de biobeveiligingspraktijken in de inrichting;

g)

de aard en frequentie van verplaatsingen van pluimvee, producten en voertuigen die pluimvee vervoeren, alsmede de handelspatronen, en

h)

de risicobeoordelingen en wetenschappelijk adviezen met betrekking tot de relevantie van de verspreiding van HPAI door in het wild levende vogels.

2.

Op basis van wetenschappelijke motiveringen kunnen nog andere risicofactoren worden opgenomen in aanvulling op die welke in punt 1, onder a) tot en met h), zijn vermeld, en mogen factoren die niet relevant zijn voor de specifieke situatie van de lidstaat worden weggelaten.

Afdeling 6

Risicogebaseerde bewaking ter identificatie van clusters van inrichtingen waar LPAIV-besmetting aanwezig is en waar voortdurende verspreiding van LPAIV plaatsvindt

1.

De risicogebaseerde bewaking ter opsporing van circulerende laagpathogene aviaire-influenzavirussen (LPAIV) die gemakkelijk tussen pluimveekoppels kunnen worden verspreid, met name in gebieden met een hoge dichtheid van pluimvee-inrichtingen, zoals bedoeld in afdeling 2, punt 4, moet van toepassing zijn op pluimvee-inrichtingen waarvoor de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat zich in het verleden herhaaldelijk clusters van besmetting met LPAIV hebben voorgedaan of dat de kans daarop als verhoogd moet worden beschouwd.

2.

Dergelijke clusters worden gekenmerkt door besmetting met LPAIV van groepen van inrichtingen waarbij er een verband bestaat wat betreft tijdstip en geografische nabijheid.

3.

Bij de beoordeling welke inrichtingen voor gerichte bewaking moeten worden geselecteerd, moet rekening worden gehouden met het risico op laterale overdracht van het virus vanwege de structuur en de complexiteit van het productiesysteem en de functionele verbanden tussen inrichtingen, met name in gebieden met een hoge dichtheid aan inrichtingen.

4.

Naast de in punt 3 bedoelde selectiecriteria voor de gerichte bewaking van inrichtingen moeten de volgende risicofactoren in aanmerking worden genomen:

a)

de gehouden soorten;

b)

de productiecyclus en -duur;

c)

de aanwezigheid van meerdere pluimveesoorten;

d)

de aanwezigheid van pluimveekoppels met dieren van verschillende leeftijd;

e)

de aanwezigheid van langlevend pluimvee;

f)

de toepassing van het “all-in/all-out”-principe;

g)

de lengte van de wachtperiode tussen opeenvolgende bezettingen, en

h)

de biobeveilingspraktijken en huisvestingsomstandigheden.

Afdeling 7

Betrokken pluimveepopulatie

1.

De in afdeling 3 bedoelde systemen voor vroegtijdige opsporing van infectie met HPAI moeten van toepassing zijn op alle pluimveepopulaties.

2.

Aanvullende bewaking ten aanzien van infectie met HPAI bij pluimveesoorten die doorgaans geen significante symptomen vertonen bij infectie met HPAI, zoals bedoeld in afdeling 5, moet van toepassing zijn op:

a)

fokeenden;

b)

fokganzen;

c)

mesteenden;

d)

mestganzen;

e)

kwartels;

f)

in het wild uit te zetten pluimvee van soorten van de orde Anseriformes bestemd voor aanvulling van de wildstand.

3.

Behalve op de in punt 2 vermelde soorten en categorieën kan het gericht bemonsteren en testen ten aanzien van infectie met LPAIV, zoals bedoeld in punt 6, ook op de volgende pluimveesoorten en productiecategorieën van toepassing zijn:

a)

legkippen, ook wanneer met vrije uitloop gehouden;

b)

fokkalkoenen:

c)

mestkalkoenen;

d)

in het wild uit te zetten pluimvee van soorten van de orde Galliformes bestemd voor aanvulling van de wildstand.

Afdeling 8

Betrokken populaties van in het wild levende vogels

Van de betrokken in het wild levende vogelsoorten, met name trekkende watervogels, is bekend dat zij meer risico lopen op besmetting met en overdracht van HPAI.

De in het licht van de recentste kennis opgestelde en bijgewerkte lijst van “betrokken in het wild levende vogelsoorten” is beschikbaar op de website van het EURL.

Afdeling 9

Bemonsterings- en laboratoriumtestmethoden

1.

Het aantal te bemonsteren pluimvee-inrichtingen en het aantal stuks pluimvee dat per inrichting en, in voorkomend geval, per epidemiologische eenheid (bv. pluimveekoppel, stal enz.) binnen de betrokken inrichting moet worden getest, moet gebaseerd zijn op een statistisch geldige steekproefmethode. Het kan hierbij gaan om de methode die wordt gebruikt voor een representatieve steekproef, d.w.z. een geschatte prevalentie die moet worden aangetoond met een vooraf vastgesteld betrouwbaarheidsniveau dat door de bevoegde autoriteit wordt bepaald.

2.

Testfrequentie en -periode:

a)

de frequentie van de bemonstering en het testen van pluimvee-inrichtingen moeten worden vastgesteld op basis van de resultaten van een risicobeoordeling door de bevoegde autoriteit;

b)

de periode voor de bemonstering moet samenvallen met de seizoensproductie voor elke productiecategorie, maar mag geen afbreuk doen aan de risicogebaseerde benadering van de bewaking;

c)

in voorkomend geval moet bij de periode voor de bemonstering rekening worden gehouden met de in afdeling 3, punt 3, bedoelde periode van verhoogd risico. De monsters moeten aan laboratoriumtests met behulp van virologische methoden worden onderworpen, indien zij zijn genomen voor:

i)

vroegtijdige opsporing van HPAI bij pluimvee, zoals bedoeld in afdeling 3;

ii)

vroegtijdige opsporing van HPAI bij in het wild levende vogels, zoals bedoeld in afdeling 4;

iii)

aanvullende bewaking ten aanzien van HPAI bij pluimveesoorten die doorgaans geen significante klinische symptomen vertonen, zoals bedoeld in afdeling 5;

iv)

opvolging van de in punt 4, onder b), bedoelde seropositieve bevindingen.

Voor virologische tests moet rekening worden gehouden met de prevalentie en het tijdvenster voor het aantonen van actieve infectie.

3.

De monsters moet aan laboratoriumtests met behulp van serologische methoden worden onderworpen, indien zij zijn genomen voor:

a)

aanvullende bewaking ten aanzien van HPAI bij pluimveesoorten die doorgaans geen significante klinische symptomen vertonen, zoals bedoeld in afdeling 5, in aanvulling op virologische tests, naargelang het geval;

b)

opsporing van de in punt 6 bedoelde clusters van met LPAIV besmette inrichtingen. Wanneer om technische of andere naar behoren gemotiveerde redenen bemonstering voor serologische tests niet geschikt is, moeten virologische tests worden uitgevoerd.


BIJLAGE III

DIAGNOSTISCHE METHODEN VOOR DE VERLENING EN HANDHAVING VAN DE ZIEKTEVRIJE STATUS TEN AANZIEN VAN BEPAALDE ZIEKTEN VAN LANDDIEREN

Afdeling 1

Infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis

1.

Serologische tests

a)

tests voor bloedmonsters

i)

gebufferde Brucella-antigeentests

ii)

complementbindingsreactie (CBR)

iii)

indirecte enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (i-Elisa)

iv)

fluorescentiepolarisatietest (FPA)

v)

competitieve enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (c-Elisa)

b)

tests voor melkmonsters

i)

abortus-Bang-ringtest (ABR)

ii)

i-Elisa

2.

huidtest voor brucelline (BST)

Voor de in bijlage IV, deel I, hoofdstuk 1, afdelingen 1 en 2, bedoelde tests wordt de huidtest voor brucelline (BST) alleen bij schapen en geiten gebruikt.

Afdeling 2

Infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex

1.

Tuberculinetests

a)

enkelvoudige intradermale tuberculinetest (SITT)

b)

vergelijkende intradermale tuberculinetest (CITT)

2.

Gamma-interferontest

Afdeling 3

Enzoötische boviene leukose

1.

Serologische tests

a)

tests voor bloedmonsters

i)

agargel-immunodiffusietest (AGID)

ii)

blocking enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (b-Elisa)

iii)

i-Elisa

b)

tests voor melkmonsters

i)

i-Elisa

Afdeling 4

Infectieuze boviene rinotracheïtis/Infectieuze pustuleuze vulvovaginitis (IBR/IPV)

 

Methoden:

Matrix:

niet-gevaccineerde runderen

BoHV-1 I-Elisa (1)

individuele serummonsters (4)

melkmonsters

gB-B-Elisa (2)

individuele serummonsters (4)

individuele monsters van vleessap

DIVA-gevaccineerde runderen waarvoor een gE-negatief vaccin is gebruikt

gE-B-Elisa (3)

individuele serummonsters

individuele monsters van vleessap

Afdeling 5

Infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky (ADV)

 

Methoden:

Matrix:

niet-gevaccineerde varkens

ADV-Elisa (5)

individuele serum- (of plasma-)monsters of maximaal 5 samengevoegde monsters

individuele monsters van filtreerpapier of maximaal 5 samengevoegde monsters

individuele monsters van vleessap

DIVA-gevaccineerde varkens waarvoor een gE-negatief vaccin is gebruikt

gE-Elisa (6)

individuele serummonsters

Afdeling 6

Boviene virusdiarree

1.

Directe methoden:

a)

Realtime reverse-transcriptie-PCR

b)

Elisa voor het aantonen van BVDV-antigeen

2.

Serologische tests:

a)

i-Elisa

b)

b-Elisa


(1)  i-Elisa voor het aantonen van antilichamen tegen het volledige BoHV-1-virus. Verzamelmonsters van maximaal 50 melkmonsters (individuele of tankmelk) mogen worden gebruikt in tests voor de verlening van de status vrij van IBR/IPV, en verzamelmonsters van maximaal 100 melkmonsters (individuele of tankmelk) in tests voor de handhaving van die status.

(2)  b-Elisa voor het aantonen van antilichamen tegen het BoHV-1-gB-eiwit. Deze methode kan ook worden toegepast indien in bijlage IV, deel IV, gerefereerd wordt aan tests voor het aantonen van antilichamen tegen volledig BoHV-1.

(3)  b-Elisa voor het aantonen van antilichamen tegen het BoHV-1-gE-eiwit. Bij tests om de handhaving van de status vrij van IBR/IPV aan te tonen, mogen individuele melkmonsters worden gebruikt. De monsters kunnen worden samengevoegd, waarbij het aantal monsters per verzamelmonster mag worden gekozen op grond van bewijsmateriaal dat de test onder alle omstandigheden van de dagelijkse laboratoriumpraktijk voldoende gevoelig is om één positief monster in het verzamelmonster op te sporen.

(4)  Wanneer tests worden uitgevoerd om de handhaving van de status vrij van IBR/IPV aan te tonen, mogen individueel genomen monsters worden samengevoegd. Het aantal monsters per verzamelmonster mag worden aangepast op grond van bewijsmateriaal dat het testsysteem onder alle omstandigheden van de dagelijkse laboratoriumpraktijk voldoende gevoelig is om één zwak-positief monster in het verzamelmonster van de aangepaste grootte op te sporen.

(5)  Elisa voor het aantonen van antilichamen tegen het volledige ADV, het ADV-gB-eiwit of het ADV-gD-eiwit. Bij de controle van de gehele batch van ADV-gB- en ADV-gD- of volledig-ADV-testkits moet met het communautaire referentieserum ADV 1, of afgeleide normen, een positief resultaat worden verkregen bij de verdunning van 1:2. Deze methode kan ook worden toegepast indien in bijlage V, deel IV, gerefereerd wordt aan tests voor het aantonen van volledig ADV.

(6)  b-Elisa voor het aantonen van antilichamen tegen het ADV-gE-eiwit. Bij de controle van de gehele batch moet met het communautaire referentieserum ADV 1, of afgeleide normen, een positief resultaat worden verkregen bij de verdunning van 1:8.


BIJLAGE IV

ZIEKTESPECIFIEKE VEREISTEN VOOR DE VERLENING, HANDHAVING, OPSCHORTING EN INTREKKING VAN DE ZIEKTEVRIJE STATUS OP HET NIVEAU VAN INRICHTINGEN EN ZIEKTESPECIFIEKE VEREISTEN VOOR DE VERLENING EN HANDHAVING VAN DE ZIEKTEVRIJE STATUS OP HET NIVEAU VAN LIDSTATEN OF ZONES

DEEL I

INFECTIE MET BRUCELLA ABORTUS, B. MELITENSIS EN B. SUIS

HOOFDSTUK 1

Inrichting vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie

Afdeling 1

Verlening van de status

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie kan slechts worden verleend aan een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, indien:

a)

er gedurende de afgelopen twaalf maanden geen bevestigd geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is geweest bij runderen, schapen of geiten die in de inrichting worden gehouden;

b)

gedurende de afgelopen 3 jaar geen van de runderen, schapen of geiten in de inrichting is gevaccineerd tegen infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

c)

de niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden en de niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden die in de inrichting aanwezig zijn op het moment van de bemonstering, met negatief resultaat zijn onderworpen aan serologische tests op 2 als volgt bepaalde tijdstippen:

i)

de eerste test moet worden uitgevoerd op monsters die ten vroegste drie maanden na de verwijdering van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat positief testte bij een immunologische test, zijn genomen;

ii)

de tweede test moet worden uitgevoerd op monsters die ten vroegste zes maanden en ten laatste twaalf maanden na de datum van de in punt i) bedoelde bemonstering zijn genomen;

d)

dieren met klinische symptomen die consistent zijn met infectie met Brucella abortus, Brucella melitensis en Brucella suis, zoals abortus, aan de nodige onderzoeken zijn onderworpen, met negatief resultaat;

e)

sinds het begin van de onder c), i), bedoelde bemonstering alle runderen, schapen of geiten die zijn binnengebracht in de inrichting, afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie, of vrij zijn van infectie met vaccinatie, en die gedurende de afgelopen 3 jaar niet zijn gevaccineerd tegen infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, en die:

i)

afkomstig zijn uit een lidstaat of zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis voor de desbetreffende dierpopulatie;

ii)

niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden of niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden zijn die met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test, uitgevoerd op een monster dat is genomen:

gedurende de dertig dagen voordat zij in de inrichting werden binnengebracht, of

gedurende de dertig dagen nadat zij zijn binnengebracht, mits zij gedurende deze periode geïsoleerd zijn gehouden, of

iii)

vrouwelijke dieren zijn die pas hebben geworpen en vanaf het moment waarop zij in de inrichting zijn binnengebracht, geïsoleerd zijn gehouden totdat zij met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test op een monster dat niet eerder dan dertig dagen na het werpen is genomen, en

f)

sinds het begin van de onder c), i), bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte of gebruikte levende producten van runderen, schapen of geiten afkomstig zijn uit:

i)

inrichtingen die vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie, of

ii)

erkende inrichtingen voor levende producten.

2.

In afwijking van punt 1, kan de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie aan een inrichting worden verleend indien alle runderen, schapen of geiten afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie, of vrij zijn van infectie met vaccinatie, en die gedurende de afgelopen 3 jaar niet zijn gevaccineerd, en die:

a)

afkomstig zijn uit een lidstaat of zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis voor de desbetreffende dierpopulatie;

b)

niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden of niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden zijn die met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test, uitgevoerd op een monster dat is genomen:

gedurende de dertig dagen voordat zij in de inrichting werden binnengebracht, of

gedurende de dertig dagen nadat zij zijn in de inrichting zijn binnengebracht, mits zij gedurende deze periode geïsoleerd zijn gehouden, of

c)

vrouwelijke dieren zijn die pas hebben geworpen en vanaf het moment waarop zij in de inrichting zijn binnengebracht geïsoleerd zijn gehouden totdat zij met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test op een monster dat niet eerder dan dertig dagen na het werpen is genomen.

3.

In afwijking van punt 1, kan de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie worden verleend aan een inrichting met de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van punt 1, onder a), b), d), e) en f), en

b)

wordt voldaan aan het vereiste van afdeling 2, onder b), i).

Afdeling 2

Handhaving van de status

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie van een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder a), b), d), e) en f), en

b)

negatieve resultaten worden behaald bij serologische tests die worden uitgevoerd op monsters die zijn genomen van:

i)

alle niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden en alle niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden, met passende tussenpozen van niet meer dan twaalf maanden zoals bepaald door de bevoegde autoriteit, rekening houdend met het productietype, de situatie van de ziekte en de vastgestelde risicofactoren, of

ii)

niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden, en niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden, die worden gehouden in inrichtingen die gelegen zijn in een lidstaat of zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, overeenkomstig een door de bevoegde autoriteit opgezette testregeling waarin rekening is gehouden met het productietype en de vastgestelde risicofactoren.

Afdeling 3

Opschorting en herinvoering van de status

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie van een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, moet worden opgeschort indien:

a)

niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2, of

b)

een geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wordt vermoed bij een in de inrichting gehouden rund, schaap of geit.

2.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie kan slechts worden heringevoerd indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder b), d), e) en f), en van afdeling 2, onder b);

b)

de resultaten van nader onderzoek de afwezigheid van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis ondersteunen en de status van alle vermoedelijke gevallen is vastgesteld.

Afdeling 4

Intrekking en opnieuw verkrijgen van de status

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie van een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, moet worden ingetrokken indien:

a)

na het verstrijken van de in artikel 20, lid 3, onder b), bedoelde maximale periode sinds de opschorting van de status, niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2;

b)

de infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis niet kan worden uitgesloten overeenkomstig afdeling 3, punt 2, onder b);

c)

een geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is bevestigd bij een in de inrichting gehouden rund, schaap of geit, of

d)

dit wordt gerechtvaardigd door andere dwingende redenen om infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis te bestrijden.

2.

Indien de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder a), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 2.

3.

Indien de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie overeenkomstig punt 1, onder b), c), of d), is ingetrokken, kan deze slechts opnieuw worden verkregen indien alle bevestigde gevallen en alle dieren die niet-negatief hebben getest, zijn verwijderd en de resterende runderen, schapen of geiten voldoen aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder c).

4.

In afwijking van punt 3 kan, indien de infectie met B. suis biovar 2 is bevestigd bij één enkel in de inrichting gehouden rund, schaap of geit, de status opnieuw worden verkregen nadat negatieve testresultaten zijn verkregen op monsters die zijn genomen overeenkomstig de voorschriften van afdeling 1, punt 1, onder c), i).

HOOFDSTUK 2

Inrichting vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie

Afdeling 1

Verlening van de status

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie kan slechts worden verleend aan een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder a), c) en d);

b)

sinds het begin van de in hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder c), i), bedoelde bemonstering alle runderen, schapen of geiten die zijn binnengebracht in de inrichting, afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie, of vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie, en die:

i)

afkomstig zijn uit een lidstaat of zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis voor de desbetreffende dierpopulatie;

ii)

niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden of niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden zijn die met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test op een monster dat is genomen:

gedurende de dertig dagen voordat zij in de inrichting werden binnengebracht, of

gedurende de dertig dagen nadat zij zijn in de inrichting zijn binnengebracht, mits zij gedurende deze periode geïsoleerd zijn gehouden, of

iii)

vrouwelijke dieren zijn die pas hebben geworpen en vanaf het moment waarop zij in de inrichting zijn binnengebracht, geïsoleerd zijn gehouden totdat zij met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test op een monster dat niet eerder dan dertig dagen na het werpen is genomen, en

c)

sinds het begin van de in hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder c), i), bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte of gebruikte levende producten van runderen, schapen of geiten afkomstig zijn uit:

i)

inrichtingen die vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie of vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie, of

ii)

erkende inrichtingen voor levende producten.

2.

In afwijking van punt 1, kan de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie aan een inrichting worden verleend indien alle runderen, schapen of geiten afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie, of vrij zijn van infectie met vaccinatie, en die:

a)

afkomstig zijn uit een lidstaat of zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis voor de desbetreffende dierpopulatie;

b)

niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden of niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden zijn die met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test, uitgevoerd op een monster dat is genomen:

i)

gedurende de dertig dagen voordat zij in de inrichting werden binnengebracht, of

ii)

gedurende de dertig dagen nadat zij zijn in de inrichting zijn binnengebracht, mits zij gedurende deze periode geïsoleerd zijn gehouden, of

c)

vrouwelijke dieren zijn die pas hebben geworpen en vanaf het moment waarop zij in de inrichting zijn binnengebracht, geïsoleerd zijn gehouden totdat zij met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test op een monster dat niet eerder dan dertig dagen na het werpen is genomen.

Afdeling 2

Handhaving van de status

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie van een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder b) en c), van dit hoofdstuk en die van hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder a) en d), en

b)

negatieve resultaten worden behaald bij serologische tests die worden uitgevoerd op monsters die zijn genomen van alle niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden en alle niet-gecastreerde schapen en geiten ouder dan zes maanden, met passende tussenpozen van niet meer dan twaalf maanden zoals bepaald door de bevoegde autoriteit, rekening houdend met het productietype, de situatie van de ziekte en de vastgestelde risicofactoren.

Afdeling 3

Opschorting en herinvoering van de status

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie van een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, moet worden opgeschort indien:

a)

niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2, of

b)

een geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wordt vermoed bij een in de inrichting gehouden rund, schaap of geit.

2.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie kan slechts worden heringevoerd indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder d), van afdeling 1, punt 1, onder b) en c), en van afdeling 2, onder b);

b)

de resultaten van nader onderzoek de afwezigheid van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis ondersteunen en de status van alle vermoedelijke gevallen is vastgesteld.

Afdeling 4

Intrekking en opnieuw verkrijgen van de status

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie van een inrichting waar runderen, schapen of geiten worden gehouden, moet worden ingetrokken indien:

a)

na het verstrijken van de in artikel 20, lid 3, onder b), bedoelde maximale periode sinds de opschorting van de status, niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2;

b)

de infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis niet kan worden uitgesloten overeenkomstig afdeling 3, punt 2, onder b);

c)

een geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is bevestigd bij een in de inrichting gehouden rund, schaap of geit, of

d)

dit wordt gerechtvaardigd door andere dwingende redenen om infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis te bestrijden.

2.

Indien de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder a), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 2.

3.

Indien de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met vaccinatie overeenkomstig punt 1, onder b), c), of d), is ingetrokken, kan deze slechts opnieuw worden verkregen indien alle bevestigde gevallen en alle dieren die niet-negatief hebben getest, zijn verwijderd en de resterende runderen, schapen of geiten voldoen aan de vereisten van hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder c).

4.

In afwijking van punt 3 kan, indien de infectie met Brucella suis biovar 2 is bevestigd bij één enkel in de inrichting gehouden rund, schaap of geit, de status opnieuw worden verkregen nadat negatieve testresultaten zijn verkregen op monsters die zijn genomen overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk 1, afdeling 1, punt 1, onder c), i).

HOOFDSTUK 3

Lidstaat of zone vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden runderen

Afdeling 1

Verlening van de status wat betreft gehouden runderen

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden runderen kan slechts aan een lidstaat of een zone worden verleend indien:

a)

er gedurende ten minste de laatste 3 jaar geen bevestigd geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is geweest bij gehouden runderen;

b)

overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), gedurende de afgelopen 3 jaar algemene bewakingsvoorschriften zijn uitgevoerd voor de vroegtijdige opsporing van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in gehouden runderen, ten minste met inbegrip van:

i)

regelmatige indiening van monsters van abortusgevallen voor laboratoriumtests;

ii)

tijdig onderzoek naar abortusgevallen die mogelijk het gevolg zijn van een infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

c)

gedurende de afgelopen 3 jaar ten minste 99,8 % van de inrichtingen waar runderen worden gehouden die ten minste 99,9 % van de runderpopulatie vertegenwoordigen, de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie heeft gehandhaafd;

d)

gedurende ten minste de afgelopen 3 jaar geen vaccinatie van runderen tegen Brucella abortus, B. melitensis en B. suis heeft plaatsgevonden en geen enkel in de lidstaat of zone binnengebracht rund is gevaccineerd in de laatste 3 jaar voordat het werd binnengebracht.

Afdeling 2

Handhaving van de status wat betreft gehouden runderen

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden runderen van een lidstaat of een zone kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, onder a), b) en d), en

b)

gedurende de eerste 2 opeenvolgende jaren na de verlening van de status jaarlijkse bewaking is verricht op basis van een representatieve steekproef onder alle inrichtingen waar runderen worden gehouden, die het ten minste mogelijk moet maken dat infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 0,2 % van de inrichtingen waar runderen worden gehouden of een aangenomen prevalentie van 0,1 % van de runderpopulatie;

c)

als er gedurende 2 opeenvolgende jaren na de verlening van de status geen geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is bevestigd bij gehouden runderen, de bewaking wordt gebaseerd op:

i)

aselecte jaarlijkse bewaking die het ten minste mogelijk moet maken dat infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 0,2 % van de inrichtingen waar runderen worden gehouden of een aangenomen prevalentie van 0,1 % van de runderpopulatie, of

ii)

de risicogebaseerde jaarlijkse bewaking ter opsporing van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, waarbij rekening wordt gehouden met de productiesystemen en de vastgestelde risicofactoren, met inbegrip van de verspreiding van de infectie door andere dieren dan gehouden runderen.

2.

De status van een lidstaat of een zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden runderen, wordt niet aangetast door bevestiging van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij een andere dierpopulatie dan gehouden runderen, mits doeltreffende maatregelen zijn genomen, die met geregelde tussenpozen worden beoordeeld, teneinde overdracht van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis op gehouden runderen te voorkomen.

3.

In afwijking van punt 1, onder a), kan de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden runderen van een lidstaat of een zone worden gehandhaafd in het geval van de bevestiging van een infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, indien:

a)

de inrichting waar de infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is geconstateerd bij gehouden runderen, onmiddellijk is onderworpen aan de desbetreffende ziektebestrijdingsmaatregelen van artikel 24;

b)

de bevoegde autoriteit, binnen 60 dagen na de eerste bevestiging van de besmetting, een epidemiologisch onderzoek heeft uitgevoerd en onderzoeken heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 25, om de waarschijnlijke bron aan te wijzen en de verspreiding van de besmetting vast te stellen, en geconcludeerd heeft wat de waarschijnlijke besmettingsbron is, en slechts een beperkt aantal inrichtingen besmet is en die inrichtingen epidemiologisch verband houden met de eerste geconstateerde uitbraak;

c)

de desbetreffende ziektebestrijdingsmaatregelen van artikel 21 of artikel 24 onmiddellijk zijn genomen in elke inrichting waarvoor de aanwezigheid van vermoedelijke of bevestigde gevallen is vastgesteld na de uitvoering van de onder b) bedoelde maatregelen, totdat de ziektevrije status ervan heringevoerd of opnieuw verkregen is;

d)

de in punt 1 bedoelde bewaking is aangepast en heeft aangetoond dat het incident is opgelost.

HOOFDSTUK 4

Lidstaat of zone vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden schapen en geiten

Afdeling 1

Verlening van de status wat betreft gehouden schapen en geiten

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden schapen en geiten kan slechts aan een lidstaat of een zone worden verleend indien:

a)

er gedurende ten minste de laatste 3 jaar geen bevestigd geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is geweest bij gehouden schapen en geiten;

b)

overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), gedurende de afgelopen 3 jaar algemene bewakingsvoorschriften zijn uitgevoerd voor de vroegtijdige opsporing van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in gehouden schapen en geiten, ten minste met inbegrip van:

i)

regelmatige indiening van monsters van abortusgevallen voor laboratoriumtests;

ii)

tijdig onderzoek naar abortusgevallen die mogelijk het gevolg zijn van een infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

c)

gedurende de afgelopen 3 jaar bewaking is verricht ten aanzien van de schapen- en geitenpopulatie en ten minste 99,8 % van de inrichtingen waar schapen of geiten worden gehouden die ten minste 99,9 % van de schapen- en geitenpopulatie vertegenwoordigen, de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder vaccinatie heeft gehandhaafd, en

d)

gedurende ten minste de afgelopen 3 jaar geen vaccinatie van schapen en geiten tegen Brucella abortus, B. melitensis en B. suis heeft plaatsgevonden en er geen in de lidstaat of zone binnengebrachte schapen of geiten zijn gevaccineerd in de laatste 3 jaar voordat zij werden binnengebracht.

Afdeling 2

Handhaving van de status wat betreft gehouden schapen en geiten

1.

De status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden schapen en geiten van een lidstaat of een zone kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de in afdeling 1, onder a), b) en d), omschreven vereisten, en

b)

gedurende de eerste 2 opeenvolgende jaren na de verlening van de status jaarlijkse bewaking wordt verricht op basis van een representatieve steekproef onder alle inrichtingen waar schapen of geiten worden gehouden, die het ten minste mogelijk moet maken dat infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 0,2 % van de inrichtingen waar schapen of geiten worden gehouden of een aangenomen prevalentie van 0,1 % van de schapen- of geitenpopulatie;

c)

als er gedurende 2 opeenvolgende jaren na de verlening van de status geen geval van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is bevestigd bij gehouden schapen en geiten, de bewaking wordt gebaseerd op:

i)

aselecte jaarlijkse bewaking die het ten minste mogelijk moet maken dat infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 0,2 % van de inrichtingen waar geiten en schapen worden gehouden of een aangenomen prevalentie van 0,1 % van de geiten- en schapenpopulatie, of

ii)

de risicogebaseerde jaarlijkse bewaking ter opsporing van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, waarbij rekening wordt gehouden met de productiesystemen en de vastgestelde risicofactoren, met inbegrip van de verspreiding van de infectie door andere dieren dan gehouden schapen en geiten.

2.

De status van een lidstaat of een zone die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden schapen en geiten, wordt niet aangetast door bevestiging van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij een andere dierpopulatie dan gehouden schapen en geiten, mits doeltreffende maatregelen zijn genomen, die met geregelde tussenpozen worden beoordeeld, teneinde overdracht van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis op gehouden schapen en geiten te voorkomen.

3.

In afwijking van punt 1, onder a), kan de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat betreft gehouden schapen en geiten van een lidstaat of een zone worden gehandhaafd in het geval van de bevestiging van een infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, indien:

a)

de inrichting waar de infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is geconstateerd bij gehouden schapen en geiten, onmiddellijk is onderworpen aan de desbetreffende ziektebestrijdingsmaatregelen van artikel 24;

b)

de bevoegde autoriteit, binnen 60 dagen na de eerste bevestiging van de besmetting, een epidemiologisch onderzoek heeft uitgevoerd en onderzoeken heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 25, om de waarschijnlijke bron aan te wijzen en de verspreiding van de besmetting vast te stellen, en geconcludeerd heeft wat de waarschijnlijke besmettingsbron is, en slechts een beperkt aantal inrichtingen besmet is en die inrichtingen epidemiologisch verband houden met de eerste geconstateerde uitbraak;

c)

de desbetreffende ziektebestrijdingsmaatregelen van artikel 21 of artikel 24 onmiddellijk zijn genomen in elke inrichting waarvoor de aanwezigheid van vermoedelijke of bevestigde gevallen is vastgesteld na de uitvoering van de onder b) bedoelde maatregelen, totdat de ziektevrije status ervan heringevoerd of opnieuw verkregen is, en

d)

de in punt 1 bedoelde bewaking is aangepast en heeft aangetoond dat het incident is opgelost.

DEEL II

INFECTIE MET HET MYCOBACTERIUM TUBERCULOSIS-COMPLEX

HOOFDSTUK 1

Inrichting vrij van infectie met Mycobacterium tuberculosis-complex

Afdeling 1

Verlening van de status

1.

De status vrij van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (Mycobacterium bovis, Mycobacterium tuberculosis, Mycobacterium caprae) (MTBC) kan alleen worden verleend aan een inrichting waar runderen worden gehouden, indien:

a)

er gedurende de afgelopen twaalf maanden geen bevestigd geval van infectie met MTBC is geweest bij runderen die in de inrichting worden gehouden;

b)

de runderen ouder dan zes weken die in de inrichting aanwezig zijn ten tijde van de tests of de bemonstering met negatief resultaat zijn onderworpen aan een immunologische test op 2 als volgt bepaalde tijdstippen:

i)

de eerste test moet worden uitgevoerd op runderen of op monsters die van runderen zijn genomen, ten vroegste zes maanden na de verwijdering van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat positief testte bij een immunologische test;

ii)

de tweede test moet worden uitgevoerd op runderen of op monsters die ten vroegste zes maanden en ten laatste twaalf maanden na de datum waarop overeenkomstig punt i) de test op het rund is uitgevoerd of de monsters zijn genomen;

c)

sinds het begin van de tests of bemonstering zoals bedoeld in punt b), i), alle in de inrichting binnengebrachte runderen afkomstig zijn uit inrichtingen die vrij zijn van besmetting met MTBC en:

i)

afkomstig zijn van een lidstaat of zone die vrij is van infectie met MTBC;

ii)

runderen van meer dan zes weken oud zijn en met negatief resultaat zijn onderworpen aan een immunologische test:

gedurende de dertig dagen voordat zij in de inrichting werden binnengebracht, of

gedurende de dertig dagen nadat zij zijn binnengebracht, mits zij gedurende deze periode geïsoleerd zijn gehouden, en

d)

sinds het begin van de onder c), i), bedoelde tests of bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte of gebruikte levende producten van runderen afkomstig zijn uit:

i)

inrichtingen die vrij zijn van infectie met MTBC, of

ii)

erkende inrichtingen voor levende producten.

2.

In afwijking van punt 1 kan de status vrij van infectie met MTBC aan een inrichting worden verleend indien alle runderen afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie met MTBC en:

a)

afkomstig zijn van een lidstaat of zone die vrij is van infectie met MTBC;

b)

indien het runderen van meer dan zes weken oud zijn, met negatief resultaat zijn onderworpen aan een immunologische test:

i)

gedurende de dertig dagen voordat zij in de inrichting werden binnengebracht, of

ii)

gedurende de dertig dagen nadat zij zijn binnengebracht, mits zij gedurende deze periode geïsoleerd zijn gehouden.

3.

In afwijking van punt 1, onder c), en punt 2, onder b), hoeft de bevoegde autoriteit de test niet voor te schrijven indien:

a)

de runderen die in de inrichting zijn binnengebracht:

i)

met negatief resultaat zijn onderworpen aan een immunologische test die gedurende de afgelopen zes maanden is uitgevoerd, en

ii)

afkomstig zijn van inrichtingen waar de runderen met negatief resultaat zijn onderworpen aan een testregeling zoals bedoeld in afdeling 2, punt 1, onder c), of punt 2, die gedurende de afgelopen zes maanden is uitgevoerd, of

b)

de runderen die in de inrichting zijn binnengebracht:

i)

met negatief resultaat zijn onderworpen aan een immunologische test die gedurende de afgelopen twaalf maanden is uitgevoerd, en

ii)

afkomstig zijn van inrichtingen waar de runderen met negatief resultaat zijn onderworpen aan een test zoals bedoeld in afdeling 2, punt 2, onder b) of c), die gedurende de afgelopen twaalf maanden is uitgevoerd.

Afdeling 2

Handhaving van de status

1.

De status vrij van infectie met MTBC van een inrichting waar runderen worden gehouden, kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder a), c) en d);

b)

elk vermoedelijke geval van infectie met MTBC bij een rund dat op die inrichting wordt gehouden of vanuit die inrichting in een slachthuis wordt binnengebracht, ter kennis wordt gebracht van de bevoegde autoriteit en wordt onderzocht, en

c)

een immunologische test is uitgevoerd, met negatieve resultaten, op alle runderen ouder dan zes weken, met tussenpozen van niet meer dan twaalf maanden.

2.

In afwijking van punt 1, onder c), kan de bevoegde autoriteit de testregeling als volgt wijzigen:

a)

in een lidstaat of in een zone waar het jaarlijkse percentage, berekend op 31 december van elk jaar, van met MTBC besmette inrichtingen gedurende de laatste 24 maanden niet meer bedraagt dan 1 %, kunnen de tests met langere tussenpozen van 24 maanden worden uitgevoerd;

b)

in een lidstaat of in een zone waar het jaarlijkse percentage, berekend op 31 december van elk jaar, van met MTBC besmette inrichtingen gedurende de laatste 48 maanden niet meer bedraagt dan 0,2 %, kunnen de tests met langere tussenpozen van 36 maanden worden uitgevoerd;

c)

in een lidstaat of in een zone waar het jaarlijkse percentage, berekend op 31 december van elk jaar, van met MTBC besmette inrichtingen gedurende de laatste 72 maanden niet meer bedraagt dan 0,1 %, kunnen de tests met langere tussenpozen van 48 maanden worden uitgevoerd;

d)

in een lidstaat of een zone die vrij is van infectie met MTBC, kunnen de tests, indien het risico op overdracht van MTBC van wilde dieren op runderen door middel van passende bewaking is beoordeeld, met tussenpozen worden uitgevoerd die zijn gebaseerd op het productietype en de vastgestelde risicofactoren, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met de volgende risico’s:

i)

een ligging die in verband wordt gebracht met een vermoedelijke of bevestigde infectie met MTBC bij wilde dieren;

ii)

een voorgeschiedenis van infectie met MTBC in de laatste 5 jaar;

iii)

een epidemiologisch verband met inrichtingen zoals bedoeld in punt i) of ii).

Afdeling 3

Opschorting en herinvoering van de status

1.

De status vrij van infectie met MTBC van een inrichting waar runderen worden gehouden, moet worden opgeschort indien:

a)

niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2, of

b)

een geval van infectie met MTBC wordt vermoed bij een in de inrichting gehouden rund.

2.

De status vrij van infectie met MTBC kan slechts worden heringevoerd indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder c) en d), van afdeling 2, punt 1, onder b), en, in voorkomend geval, van afdeling 2, punt 1, onder c) of punt 2;

b)

de resultaten van nader onderzoek de afwezigheid van infectie met MTBC ondersteunen en de status van alle vermoedelijke gevallen is vastgesteld. als runderen waarvan vermoed wordt dat zij zijn besmet, in verband daarmee worden geslacht, bij de onderzoeken ook rechtstreekse diagnostische methoden op monsters worden toegepast.

Afdeling 4

Intrekking en opnieuw verkrijgen van de status

1.

De status vrij van infectie met MTBC van een inrichting waar runderen worden gehouden, moet worden ingetrokken indien:

a)

na het verstrijken van de in artikel 20, lid 3, onder b), bedoelde maximale periode sinds de opschorting van de status, niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2;

b)

de infectie met MTBC niet kan worden uitgesloten overeenkomstig afdeling 3, punt 2, onder b);

c)

een geval van infectie met MTBC is bevestigd bij een in de inrichting gehouden rund, of

d)

dit wordt gerechtvaardigd door andere dwingende redenen om infectie met MTBC te bestrijden.

2.

Indien de status vrij van infectie met MTBC is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder a), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 2.

3.

Indien de status vrij van infectie met MTBC is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder b), c) of d), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien:

a)

alle bevestigde gevallen en alle dieren die met niet-negatief resultaat zijn onderworpen aan een immunologische test, zijn verwijderd, en

b)

de resterende runderen voldoen aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder b).

4.

In afwijking van punt 3, onder b), kan de status opnieuw worden verkregen, indien:

a)

alle runderen ouder dan zes weken die in de inrichting aanwezig zijn ten tijde van de tests met negatief resultaat zijn onderworpen aan 2 als volgt uitgevoerde immunologische tests:

i)

de eerste test moet worden uitgevoerd op runderen of op monsters die van runderen zijn genomen, ten vroegste twee maanden na de verwijdering van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat positief testte bij een immunologische test;

ii)

de tweede test moet worden uitgevoerd op runderen of op monsters die van runderen zijn genomen, ten vroegste twee maanden en ten laatste twaalf maanden na de datum waarop overeenkomstig punt i) de test of de bemonstering op het rund is uitgevoerd, en

b)

ten minste een van de onderstaande voorwaarden is van toepassing:

i)

de conclusie van het epidemiologisch onderzoek wijst erop dat de besmetting te wijten is aan het binnenbrengen van een of meer besmette dieren in de inrichting gedurende de laatste twaalf maanden vóór de opsporing van de infectie met MTBC, of

ii)

er is slechts één geval bevestigd, of er is slechts één rund met positief resultaat onderworpen aan een immunologische test op MTBC sinds de besmetting met MTBC is opgespoord, en de status van de inrichting is in de afgelopen 3 jaar niet ingetrokken, of

iii)

runderen in de inrichting zijn met negatief resultaat onderworpen aan een immunologische test die minder dan twaalf maanden vóór de opsporing van de besmetting met MTBC is uitgevoerd overeenkomstig afdeling 2, punt 1, onder c), of punt 2.

HOOFDSTUK 2

Lidstaat of zone vrij van infectie met MTBC

Afdeling 1

Verlening van de status wat betreft gehouden runderen

De status vrij van infectie met MTBC wat betreft gehouden runderen kan slechts aan een lidstaat of een zone worden verleend indien:

a)

gedurende de afgelopen 3 jaar ten minste 99,8 % van de inrichtingen waar runderen worden gehouden die ten minste 99,9 % van de runderpopulatie vertegenwoordigen, de status vrij van infectie met MTBC zonder vaccinatie heeft gehandhaafd en de incidentie van inrichtingen waarvoor de aanwezigheid van besmetting is bevestigd gedurende het jaar de 0,1 % niet overschreed, en

b)

overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), gedurende de afgelopen 3 jaar algemene bewakingsvoorschriften zijn uitgevoerd voor de opsporing van infectie met MTBC in gehouden runderen, ten minste met inbegrip van:

i)

het systematisch onderzoeken van laesies van infectie met MTBC bij alle geslachte runderen door middel van ante-mortem- en post-mortembewaking;

ii)

het onderzoeken van laesies die het gevolg zouden kunnen zijn van infectie met MTBC.

Afdeling 2

Handhaving van de status

1.

De status vrij van infectie met MTBC wat betreft gehouden runderen van een lidstaat of een zone kan slechts worden gehandhaafd, indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, onder b), en

b)

gedurende de eerste 2 opeenvolgende jaren na de verlening van de status aselecte jaarlijkse bewaking wordt verricht op basis van een representatieve steekproef onder alle inrichtingen waar runderen worden gehouden, om, met een betrouwbaarheid van 95 %, aan te tonen dat:

i)

ten minste 99,8 % van de inrichtingen, die ten minste 99,9 % van de runderpopulatie vertegenwoordigen, vrij zijn van infectie met MTBC;

ii)

de incidentie van inrichtingen waarvoor de aanwezigheid van besmetting is bevestigd gedurende het jaar de 0,1 % niet overschrijdt;

c)

als gedurende 2 opeenvolgende jaren aan de onder b) bedoelde voorwaarden is voldaan, de bewaking gebaseerd is op:

i)

aselecte jaarlijkse bewaking om ten minste met een betrouwbaarheid van 95 % aan te tonen dat de incidentie van inrichtingen waarvoor de aanwezigheid van besmetting is bevestigd gedurende het jaar de 0,1 % niet overschrijdt, of

ii)

risicogebaseerde jaarlijkse bewaking ter opsporing van besmetting met MTBC, rekening houdend met de productiesystemen, de vastgestelde risicofactoren, met inbegrip van de verspreiding van de besmetting door andere dieren dan gehouden runderen, en verscherpte bewaking in inrichtingen die in verband worden gebracht met ten minste één van de specifieke risico’s zoals bedoeld in hoofdstuk 1, afdeling 2, punt 2, onder d).

2.

De status van een lidstaat of een zone die vrij is van infectie met MTBC wordt niet aangetast door bevestiging van infectie met MTBC bij een andere dierpopulatie dan gehouden runderen, mits doeltreffende maatregelen zijn genomen, die met geregelde tussenpozen worden beoordeeld, teneinde overdracht van infectie met MTBC op gehouden runderen te voorkomen.

DEEL III

ENZOÖTISCHE BOVIENE LEUKOSE

HOOFDSTUK 1

Inrichting vrij van enzoötische boviene leukose

Afdeling 1

Verlening van de status

1.

De status vrij van enzoötische boviene leukose (EBL) kan slechts worden verleend aan een inrichting waar runderen worden gehouden, indien:

a)

er gedurende de afgelopen 24 maanden geen bevestigd geval van EBL is geweest bij runderen die in de inrichting worden gehouden;

b)

gedurende de afgelopen twaalf maanden alle in de inrichting gehouden runderen ouder dan 24 maanden, met negatief resultaat aan een serologische test zijn onderworpen op ten minste 2 tijdstippen met tussenpozen van ten minste vier maanden;

c)

sinds het begin van de onder b) bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte runderen:

i)

afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van EBL, of

ii)

afkomstig zijn van inrichtingen waar binnen 24 maanden vóór de verzending van de dieren noch in de vorm van klinische of post-mortemaanwijzingen, noch als resultaat van een diagnostische test voor EBL enig bewijs voor de aanwezigheid van EBL is gevonden, en

indien ouder dan 24 maanden,

zijn onderworpen aan serologische tests, met negatieve resultaten, op 2 tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden terwijl zij geïsoleerd werden gehouden van andere runderen van de inrichting, of

dertig dagen voor het tijdstip waarop zij zijn binnengebracht, met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test, mits alle runderen zijn getest overeenkomstig het bepaalde onder b);

indien jonger dan 24 maanden,

zij zijn geboren uit moederdieren die met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test voor EBL, uitgevoerd op monsters die gedurende de afgelopen twaalf maanden op 2 tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen, en

d)

sinds het begin van de onder b) bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte levende producten van runderen afkomstig zijn uit:

i)

inrichtingen die vrij zijn van EBL, of

ii)

erkende inrichtingen voor levende producten.

2.

In afwijking van punt 1 kan de status vrij van EBL aan een inrichting worden verleend, indien alle runderen afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van EBL en zijn gelegen in een lidstaat of een zone die vrij is van EBL of in een door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma bestreken lidstaat of zone.

Afdeling 2

Handhaving van de status

De status vrij van EBL van een inrichting waar runderen worden gehouden, kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder a), c) en d), en

b)

negatieve resultaten worden behaald bij serologische tests voor EBL die worden uitgevoerd op monsters die zijn genomen:

i)

met tussenpozen van niet meer dan 36 maanden, van alle runderen ouder dan 24 maanden, of

ii)

overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 2, onder b) of c), naargelang het geval, indien de inrichting in een lidstaat of zone is gelegen die vrij is van EBL.

Afdeling 3

Opschorting en herinvoering van de status

1.

De status vrij van EBL van een inrichting waar runderen worden gehouden, moet worden opgeschort indien:

a)

niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2;

b)

er een geval van EBL wordt vermoed bij een rund dat in de inrichting wordt gehouden.

2.

De status vrij van EBL kan slechts worden heringevoerd indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder c) en d), en van afdeling 2, onder b);

b)

de resultaten van nader onderzoek de afwezigheid van EBL ondersteunen en de status van alle vermoedelijke gevallen is vastgesteld.

Afdeling 4

Intrekking en opnieuw verkrijgen van de status

1.

De status vrij van EBL van een inrichting waar runderen worden gehouden, moet worden ingetrokken indien:

a)

na het verstrijken van de in artikel 20, lid 3, onder b), bedoelde maximale periode sinds de opschorting van de status, niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2, of

b)

een geval van EBL is bevestigd bij een in de inrichting gehouden rund.

2.

Indien de status vrij van EBL is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder a), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder c) en d), en van afdeling 2, onder b).

3.

Indien de status vrij van EBL is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder b), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien:

a)

alle runderen die met positief resultaat op EBL zijn getest en al hun nakomelingen jonger dan 24 maanden zijn verwijderd;

b)

alle runderen ouder dan twaalf maanden met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test, op 2 tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden, waarbij de eerste test moet worden uitgevoerd op monsters die niet eerder dan vier maanden na de verwijdering van het laatste bevestigde geval zijn genomen.

4.

In afwijking van punt 3), onder a), kunnen de nakomelingen van moederdieren die met positief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test voor EBL of die laesies van EBL hebben vertoond, in de inrichting worden gehouden indien:

a)

zij onmiddellijk na het kalven zijn gescheiden van het moederdier en met negatief resultaat zijn onderworpen aan een PCR-test, op 2 tijdstippen, waarbij het eerste monster moet worden genomen in de periode van 3 tot vijf weken en het tweede binnen 8 tot tien weken na het werpen, en

b)

zij in de inrichting blijven tot zij 24 maanden oud zijn en met negatief resultaat aan een serologische test worden onderworpen, of vóór die test rechtstreeks naar het slachthuis worden gebracht overeenkomstig de voorschriften van artikel 27, lid 4.

HOOFDSTUK 2

Lidstaat of zone vrij van EBL

Afdeling 1

Verlening van de status

De status vrij van EBL wat betreft gehouden runderen kan slechts aan een lidstaat of een zone worden verleend indien:

a)

ten minste 99,8 % van de inrichtingen waar runderen worden gehouden, vrij is van EBL, en

b)

alle runderen ouder dan 24 maanden die in deze lidstaat of zone worden geslacht, worden onderworpen aan een officieel post-mortemonderzoek, waarbij monsters van alle dieren met tumoren die door EBL zouden kunnen zijn veroorzaakt, aan laboratoriumonderzoek worden onderworpen om de aanwezigheid van EBL te bevestigen of uit te sluiten.

Afdeling 2

Handhaving van de status

De status vrij van EBL wat betreft gehouden runderen van een lidstaat of een zone kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, en

b)

gedurende de eerste 5 jaar na de verlening van de status vrij van EBL bewaking wordt verricht op basis van:

i)

jaarlijkse aselecte bemonstering om ten minste, met een betrouwbaarheid van 95 %, met EBL besmette inrichtingen op te sporen bij een aangenomen prevalentie van 0,2 %, of

ii)

serologische tests bij alle runderen die ouder zijn dan 24 maanden, op ten minste één tijdstip;

c)

na de eerste 5 jaar na de verlening van de status vrij van EBL wordt bewaking verricht om de afwezigheid van besmetting aan te tonen, waarbij rekening wordt gehouden met de productiesystemen en de vastgestelde risicofactoren.

DEEL IV

INFECTIEUZE BOVIENE RINOTRACHEÏTIS/INFECTIEUZE PUSTULEUZE VULVOVAGINITIS

HOOFDSTUK 1

Inrichting vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis

Afdeling 1

Verlening van de status

1.

De status vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis (IBR/IPV) kan slechts worden verleend aan een inrichting waar runderen worden gehouden, indien:

a)

er gedurende de afgelopen twaalf maanden geen bevestigd geval van IBR/IPV is geweest bij runderen die in de inrichting worden gehouden;

b)

gedurende de afgelopen 2 jaar geen van de in de inrichting gehouden runderen tegen IBR/IPV is gevaccineerd;

c)

de in de inrichting gehouden runderen zijn onderworpen aan ten minste één van de volgende testregelingen, rekening houdend met eerdere DIVA-vaccinaties, waarbij serologische tests voor het aantonen van antilichamen tegen volledig BoHV-1 of, indien nodig, antilichamen tegen BoHV-1-gE, zijn uitgevoerd op:

i)

een bloed-, melk- of vleessapmonster dat over een periode van ten hoogste twaalf maanden van elk rund is genomen, of

ii)

bloed-, melk of vleessapmonsters die op ten minste 2 tijdstippen met tussenpozen van ten minste twee maanden en niet meer dan twaalf maanden zijn genomen van

alle vrouwelijke runderen ouder dan twaalf maanden, en

alle voor fokdoeleinden gebruikte of bestemde mannelijke runderen ouder dan twaalf maanden, en

een aselecte steekproef van mannelijke dieren die niet voor fokdoeleinden bestemd zijn en die ouder zijn dan twaalf maanden. Het aantal geteste dieren moet het ten minste mogelijk maken dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, seropositieve dieren worden opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 10 %, of

iii)

in het geval van een inrichting waar ten minste 30 % van de runderen melk produceren,

monsters van tankmelk, op ten minste 3 tijdstippen met tussenpozen van ten minste drie maanden genomen van melkproducerende vrouwelijke runderen die alle epidemiologische eenheden van de inrichting vertegenwoordigen, en

bloedmonsters genomen van alle niet-melkproducerende vrouwelijke runderen ouder dan twaalf maanden en van alle voor fokdoeleinden gebruikte of bestemde mannelijke runderen ouder dan twaalf maanden, en

een aselect bloed- of vleessapmonster genomen van niet voor fokdoeleinden bestemde mannelijke runderen ouder dan twaalf maanden. Het aantal geteste dieren moet het ten minste mogelijk maken dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, seropositieve dieren worden opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 10 %, of

iv)

in het geval van een inrichting waar minder dan 5 % van de gehouden runderen mannelijk is en ten minste 95 % van de vrouwelijke dieren ouder dan 24 maanden voor de melkproductie bestemd is of gebruikt wordt, op monsters van tankmelk, op ten minste 6 tijdstippen met tussenpozen van ten minste twee maanden genomen van melkproducerende vrouwelijke runderen die alle epidemiologische eenheden van de inrichting vertegenwoordigen;

d)

sinds het begin van de onder c) bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte runderen:

i)

afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van IBR/IPV en, indien de inrichtingen van oorsprong zijn gelegen in een lidstaat of zone die noch vrij is van IBR/IPV, noch door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma wordt bestreken, met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test voor het aantonen van antilichamen tegen volledig BoHV-1 of, indien nodig, antilichamen tegen BoHV-1-gE, op een monster dat is genomen nadat zij zijn binnengebracht en voordat de status vrij van IBR/IPV is verleend, of

ii)

in quarantaine zijn geplaatst voordat zij zijn binnengebracht en met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test voor het aantonen van antilichamen tegen volledig BoHV-1 op een monster dat niet eerder dan 21 dagen na het begin van de quarantaine is genomen, en

e)

sinds het begin van de onder c) bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte levende producten van runderen afkomstig zijn uit:

i)

inrichtingen die vrij zijn van IBR/IPV, of

ii)

erkende inrichtingen voor levende producten.

2.

In afwijking van punt 1 kan de status vrij van IBR/IPV aan een inrichting worden verleend, indien alle runderen afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van ÌBR/IPV en zijn gelegen in een lidstaat of een zone die vrij is van IBR/IPV of in een lidstaat of zone waarvoor een goedgekeurd uitroeiingsprogramma van toepassing is, mits zij voldoen aan de vereisten van afdeling 2, onder c) en d), naargelang het geval.

Afdeling 2

Handhaving van de status

De status vrij van IBR/IPV kan slechts worden gehandhaafd in een inrichting waar runderen worden gehouden, indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder a), b) en e);

b)

negatieve resultaten worden behaald bij serologische tests voor de opsporing van antilichamen tegen volledig BoHV-1 of, indien nodig, antilichamen tegen BoHV-1-gE, rekening houdend met eerdere vaccinaties met een DIVA-vaccin,

i)

op bloed-, melk of vleessapmonsters die jaarlijks worden genomen van alle runderen ouder dan 24 maanden, of

ii)

in het geval van een inrichting waar ten minste 30 % van de runderen melk produceren, ten minste jaarlijks op:

monsters van tankmelk, op ten minste 3 tijdstippen met tussenpozen van ten minste drie maanden genomen van melkproducerende vrouwelijke runderen die alle epidemiologische eenheden van de inrichting vertegenwoordigen, en

bloedmonsters, genomen van alle mannelijke fokrunderen ouder dan 24 maanden, of

iii)

in het geval van een inrichting waar minder dan 5 % van de gehouden runderen mannelijk is en ten minste 95 % van de vrouwelijke dieren ouder dan 24 maanden voor de melkproductie bestemd is of gebruikt wordt, ten minste jaarlijks op monsters van tankmelk, op ten minste 6 tijdstippen met tussenpozen van ten minste twee maanden genomen van melkproducerende vrouwelijke runderen die alle epidemiologische eenheden van de inrichting vertegenwoordigen, of

iv)

mits de status vrij van IBR/IPV gedurende de afgelopen 3 opeenvolgende jaren is gehandhaafd, jaarlijks op bloed- of melkmonsters genomen van een aantal runderen dat het ten minste mogelijk maakt dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, seropositieve dieren worden opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 10 %, of

v)

indien de inrichting gelegen is in een lidstaat of een zone die vrij is van IBR/IPV, op monsters die zijn genomen overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 2, punt 1, onder b), of hoofdstuk 2, afdeling 2, punt 3, naargelang het geval.

c)

uitsluitend niet tegen infectie met IBR/IPV gevaccineerde runderen in de inrichting worden binnengebracht, wanneer die gelegen is in een lidstaat of zone:

i)

die vrij is van IBR/IPV, of

ii)

waar als onderdeel van de uitroeiingsstrategie in het kader van een goedgekeurd uitroeiingsprogramma een vaccinatieverbod van kracht is.

d)

alle runderen die worden binnengebracht, voldoen aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder d), ii), of afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van IBR/IPV en waarvoor negatieve resultaten zijn behaald bij een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen volledig BoHV-1 of, indien nodig, antilichamen tegen BoHV-1-gE, op een monster dat binnen een periode van 15 dagen vóór de verzending van de dieren is genomen in de inrichtingen van oorsprong, in het geval dat:

i)

de inrichting is gelegen in een lidstaat of zone die vrij is van IBR/IPV en de inrichtingen van oorsprong niet zijn gelegen in een lidstaat of zone die vrij is van IBR/IPV, of

ii)

de inrichting gelegen is in een door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma bestreken lidstaat of zone en de inrichtingen van oorsprong zich bevinden in een lidstaat of zone die noch vrij is van IBR/IPV, noch door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma wordt bestreken.

Afdeling 3

Opschorting en herinvoering van de status

1.

De status vrij van IBR/IPV van een inrichting waar runderen worden gehouden, moet worden opgeschort indien:

a)

niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2;

b)

een geval van IBR/IPV wordt vermoed bij een in de inrichting gehouden rund.

2.

De status vrij van IBR/IPV kan slechts worden heringevoerd indien:

a)

wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder b) en e), en van afdeling 2, onder b), c) en d);

b)

de resultaten van nader onderzoek de afwezigheid van IBR/IPV ondersteunen en de status van alle vermoedelijke gevallen is vastgesteld.

Afdeling 4

Intrekking en opnieuw verkrijgen van de status

1.

De status vrij van IBR/IPV van een inrichting waar runderen worden gehouden, moet worden ingetrokken indien:

a)

na het verstrijken van de in artikel 20, lid 3, onder b), bedoelde maximale periode sinds de opschorting van de status, niet wordt voldaan aan een of meer van de vereisten van afdeling 2;

b)

een geval van IBR/IPV is bevestigd bij een in de inrichting gehouden rund.

2.

Indien de status vrij van IBR/IPV is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder a), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder b) en e), en van afdeling 2, onder b), c) en d).

3.

Indien de status vrij van IBR/IPV is ingetrokken overeenkomstig punt 1, onder b), kan deze alleen opnieuw worden verkregen indien:

a)

alle bevestigde gevallen zijn verwijderd;

b)

ten minste één van de testregelingen van afdeling 1, punt 1, onder c), met negatieve resultaten is uitgevoerd op monsters die niet eerder dan dertig dagen na de verwijdering van het laatste bevestigde geval zijn genomen.

HOOFDSTUK 2

Lidstaat of zone vrij van IBR/IPV

Afdeling 1

Verlening van de status

De status vrij van IBR/IPV wat betreft gehouden runderen kan slechts aan een lidstaat of een zone worden verleend indien:

a)

vaccinatie tegen IBR/IPV verboden is voor gehouden runderen, en

b)

ten minste 99,8 % van de inrichtingen, die ten minste 99,9 % van de overeenkomstige runderpopulatie vertegenwoordigen, vrij zijn van IBR/IPV.

Afdeling 2

Handhaving van de status

1.

De status vrij van IBR/IPV wat betreft gehouden runderen van een lidstaat of een zone kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, en

b)

jaarlijks bewaking wordt uitgevoerd op basis van aselecte bemonstering die het ten minste mogelijk moet maken dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, de besmetting van inrichtingen met BoHV-1 wordt opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 0,2 % van de inrichtingen, of met BoHV-1 besmette runderen worden opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 0,1 % van de runderpopulatie.

2.

In afwijking van punt 1, onder a), kan het gebruik van DIVA-vaccinatie door de bevoegde autoriteit worden toegestaan bij een uitbraak, indien:

a)

uit het resultaat van het epidemiologisch onderzoek en de onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 25, is gebleken dat slechts een beperkt aantal inrichtingen bij de uitbraak betrokken was;

b)

het gebruik beperkt blijft tot de bestrijding van deze uitbraak, zoals door de bevoegde autoriteit noodzakelijk geacht;

c)

de runderen onder toezicht van de bevoegde autoriteit DIVA-gevaccineerd worden en het gebruik van DIVA-vaccins voor elk dier wordt gedocumenteerd;

d)

de DIVA-gevaccineerde runderen alleen rechtstreeks naar een slachthuis of naar een inrichting in een andere zone of lidstaat waar geen vaccinatieverbod van kracht is, worden verplaatst.

3.

In afwijking van punt 1, onder b), kan bewaking worden verricht om jaarlijks de afwezigheid van infectie met BoHV-1 aan te tonen, waarbij rekening wordt gehouden met de productiesystemen en de vastgestelde risicofactoren, mits er gedurende 5 opeenvolgende jaren na het verlenen van de status vrij van IBR/IPV in deze lidstaat of zone geen uitbraken zijn geconstateerd.

DEEL V

INFECTIE MET HET VIRUS VAN DE ZIEKTE VAN AUJESZKY

HOOFDSTUK 1

Inrichting vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky

Afdeling 1

Verlening van de status

1.

De status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky (ADV) kan slechts worden verleend aan een inrichting waar varkens worden gehouden, indien:

a)

er gedurende de afgelopen twaalf maanden geen bevestigd geval van infectie met ADV is geweest bij varkens die in de inrichting worden gehouden;

b)

gedurende de afgelopen twaalf maanden geen van de in de inrichting gehouden varkens tegen de ziekte van Aujeszky (AD) is gevaccineerd;

c)

gedurende de afgelopen twaalf maanden de in de inrichting gehouden varkens zijn onderworpen aan één van de volgende testregelingen, rekening houdend met eerdere DIVA-vaccinaties, waarbij serologische tests voor het aantonen van antilichamen tegen ADV of, indien nodig, antilichamen tegen ADV-gE, met negatieve resultaten zijn uitgevoerd op:

i)

een van elk varken genomen bloed- of vleessapmonster, of

ii)

bloed- of vleessapmonsters, op 2 tijdstippen met een tussenpoos van 2 tot drie maanden genomen van een aantal dieren dat het ten minste mogelijk maakt dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, seropositieve dieren worden opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 10 %.

d)

sinds het begin van de onder c) bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte varkens:

i)

afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie met ADV en, indien de inrichtingen van oorsprong zijn gelegen in een lidstaat of zone die noch vrij is van infectie met ADV, noch door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma wordt bestreken, met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test voor het aantonen van antilichamen tegen volledig ADV of, indien nodig, antilichamen tegen ADV-gE, nadat zij zijn binnengebracht en voordat de status vrij van infectie met ADV is verleend, of

ii)

gedurende ten minste 30 dagen voordat zij zijn binnengebracht in quarantaine zijn geplaatst en met negatief resultaat zijn onderworpen aan een serologische test voor het aantonen van antilichamen tegen volledig ADV op 2 tijdstippen met een tussenpoos van ten minste 30 dagen tussen het nemen van de afzonderlijke monsters. Het monster voor de laatste test moet binnen 15 dagen vóór de verzending worden genomen.

e)

sinds het begin van de onder c) bedoelde bemonstering alle in de inrichting binnengebrachte levende producten van varkens afkomstig zijn uit:

i)

inrichtingen die vrij zijn van infectie met ADV, of

ii)

erkende inrichtingen voor levende producten.

2.

In afwijking van punt 1 kan de status vrij van infectie met ADV aan een inrichting worden verleend, indien alle varkens afkomstig zijn van inrichtingen die vrij zijn van infectie van ADV en zijn gelegen in een lidstaat of een zone die vrij is van infectie met ADV of in een door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma bestreken lidstaat of zone, mits zij aan de vereisten van afdeling 2, onder d), voldoen.

Afdeling 2

Handhaving van de status

De status vrij van infectie met ADV van een inrichting waar varkens worden gehouden, kan slechts worden gehandhaafd indien:

a)

nog steeds wordt voldaan aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder a), b) en e);

b)

met negatief resultaat serologische tests worden uitgevoerd op een representatief aantal bloed- of vleessapmonsters die zijn genomen van in de inrichting gehouden varkens, om de afwezigheid van infectie met ADV te verifiëren op basis van een testregeling waarbij rekening wordt gehouden met de productiecyclus en het risico op de insleep van ADV:

i)

ten minste eenmaal per jaar, indien alle gehouden varkens niet tegen AD zijn gevaccineerd, met tests voor het aantonen van antilichamen tegen volledig ADV, of

ii)

ten minste tweemaal per jaar, met tests voor het aantonen van antilichamen tegen volledig ADV en tests voor het aantonen van antilichamen tegen ADV-gE, indien nodig;

c)

mits de inrichting gelegen is in een lidstaat of een zone die vrij is van infectie met ADV, de onder b) bedoelde serologische tests worden uitgevoerd, zoals vereist, overeenkomstig de bewaking zoals bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, punt 1, onder b), of hoofdstuk 2, afdeling 2, punt 4, naargelang het geval;

d)

alle varkens die worden binnengebracht:

i)

voldoen aan de vereisten van afdeling 1, punt 1, onder d), ii), of

ii)

zijn afkomstig van inrichtingen die vrij zijn van infectie met ADV en zijn met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test op antilichamen tegen volledig ADV, op een monster dat binnen 15 dagen voor de verzending van de dieren is genomen in de inrichtingen van oorsprong, in het geval dat:

de inrichting is gelegen in een lidstaat of zone die vrij is van infectie met ADV en de inrichtingen van oorsprong niet zijn gelegen in een lidstaat of zone die vrij is van infectie met ADV, of

de inrichting gelegen is in een door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma bestreken lidstaat of zone en de inrichtingen van oorsprong zich bevinden in een lidstaat of zone die noch vrij is van infectie met ADV, noch door een goedgekeurd uitroeiingsprogramma wordt bestreken.

Het aantal geteste varkens moet het ten minste mogelijk maken dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, seropositieve dieren worden opgespoord bij een aangenomen prevalentie van 10 %.

In afwijking van de eerste alinea kan voor varkens van minder dan vier maanden die zijn geboren uit DIVA-gevaccineerde moederdieren worden gebruikgemaakt van de serologische test voor het aantonen van antilichamen tegen ADV-gE.

Afdeling 3