10.3.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 73/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/387 VAN DE COMMISSIE

van 9 maart 2020

tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1302/2014 en (EU) 2016/919 wat betreft de uitbreiding van het gebruiksgebied en de overgangsfasen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (1), en met name artikel 5, lid 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 54, leden 2 en 3, van Richtlijn (EU) 2016/797 moet voor voertuigen waarvoor voor 15 juni 2016 een vergunning voor indienststelling is afgegeven, overeenkomstig artikel 21 van die richtlijn een nieuwe vergunning voor het in de handel brengen worden afgegeven met het oog op de exploitatie daarvan op een of meer netwerken waarvoor hun vergunning nog niet geldt. Deze voertuigen moeten derhalve voldoen aan de geldende technische specificaties inzake interoperabiliteit (TSI’s) of overeenkomstig artikel 7, lid 1, van die richtlijn ontheffing krijgen van die TSI’s. Tegelijk bestaat één van de doelstellingen van Richtlijn (EU) 2016/797 erin de vergunningsprocedures op EU-niveau te stroomlijnen en te harmoniseren om het vrij verkeer van voertuigen te vergemakkelijken. Daartoe wordt in punt 7.6.1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 321/2013 (2) van de Commissie en in punt 7.5.2.3 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1302/2014 (3) van de Commissie gesteld dat flexibiliteitsbepalingen moeten worden ontwikkeld met betrekking tot de naleving van de eisen van de TSI. In die bepalingen moet worden aangegeven welke mate van flexibiliteit kan worden toegestaan voor een uitbreiding van het gebruiksgebied van voertuigen die voor 15 juni 2016 in dienst zijn gesteld, terwijl tegelijkertijd aan de essentiële eisen wordt voldaan, een adequaat veiligheidsniveau wordt gehandhaafd en, indien redelijkerwijs haalbaar, dat niveau wordt verhoogd. Deze verordeningen moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. De bepaling met betrekking tot “uitbreiding van het gebruiksgebied” heeft ook betrekking op voertuigen die moeten worden aangepast om de technische compatibiliteit met nieuwe netwerken te waarborgen; in dat geval blijft de oorspronkelijke vergunning gelden voor de ongewijzigde delen van het voertuig. De in eerdere vergunningen opgenomen beperkingen en voorwaarden blijven van toepassing. Om dezelfde redenen moet een dergelijke verduidelijking ook worden opgenomen in Verordening (EU) 2016/919 (4).

(2)

De aangemelde instanties en vergunningverlenende entiteiten in de spoorwegsector hanteren een verschillende aanpak bij de toepassing van de verschillende overgangsbepalingen van de punten 7.1.1.2 tot en met 7.1.1.8 en punt 7.1.3.1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1302/2014. In de spoorwegsector is er evenmin sprake van uniformiteit met betrekking tot de geldigheidsduur van EG-type- of -ontwerpkeuringscertificaten in geval van wijziging van een bestaand type rollend materieel, als beschreven in punt 7.2.2.2 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 321/2013 en punt 7.1.2.2 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1302/2014. Bovendien is een verdere harmonisatie die de verschillen ten opzichte van het doelsysteem verkleint essentieel om de kosten van de spoorwegen te drukken en de interoperabiliteit en het concurrentievermogen van het spoor te waarborgen. De bovengenoemde bepalingen moeten derhalve worden gewijzigd om te voorkomen dat die overgangsbepalingen en de geldigheidsduur van certificaten op verschillende manieren worden toegepast; in plaats van algemene vrijstellingen te verlenen, moeten toekomstige overgangsperioden worden toegespitst op specifieke vereisten met een grote impact op lopende projecten, zodat de verschillen ten opzichte het doelsysteem tijdig kleiner worden en de sector tegelijk de nodige voorspelbaarheid en rechtszekerheid krijgt. Dit moet worden gerealiseerd middels de TSI voor de digitalisering van het spoor en groen goederenvervoer (herziening van 2022), waarom de Commissie op 24 januari 2020 heeft verzocht bij het Spoorwegbureau van de Europese Unie.

(3)

Voorts hebben de lidstaten en de sector een aantal technische en redactionele fouten in enkele van deze verordeningen vastgesteld en heeft de Slowaakse Republiek vastgesteld dat het algemene specifieke geval in punt 7.3.2.1 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 321/2013 van de Commissie (TSI WAG) ook voor zijn netwerk met een spoorwijdte van 1 520 mm zou moeten gelden. Die fouten moeten worden gerectificeerd.

(4)

Op grond van Besluit (EU) 2017/1474 moet in TSI’s worden bepaald of conformiteitsbeoordelingsinstanties die op basis van een vorige versie van de TSI zijn aangemeld, opnieuw moeten worden aangemeld en of een vereenvoudigde kennisgevingsprocedure moet worden toegepast. Aangezien deze verordening slechts beperkte wijzigingen bevat, moet niet worden verlangd dat instanties die op basis van een vorige versie van de TSI zijn aangemeld, opnieuw worden aangemeld.

(5)

Deze verordening strekt tot wijziging van TSI’s om de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Unie verder te stimuleren, het internationaal spoorvervoer te verbeteren en te ontwikkelen, bij te dragen tot de verdere totstandkoming van de interne markt en TSI’s aan te vullen zodat ze alle essentiële eisen bestrijken. Op die manier kunnen de doelstellingen worden behaald en kan worden voldaan aan de essentiële eisen van Richtlijn 2008/57/EG (5) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2016/797. Deze verordening moet daarom rechtstreeks toepasselijk zijn in alle lidstaten, ook in de lidstaten die het Bureau en de Commissie er op grond van artikel 57, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/797 van in kennis hebben gesteld dat ze de omzettingsperiode hebben verlengd en Richtlijn 2008/57/EG tot uiterlijk 15 juni 2020 blijven toepassen. Aangemelde instanties die op grond van Richtlijn 2008/57/EG actief zijn in lidstaten die de omzettingsperiode hebben verlengd, moeten, zolang Richtlijn 2008/57/EG in hun lidstaat van vestiging van toepassing is, een EG-certificaat overeenkomstig deze verordening kunnen afgeven.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/797 bedoelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van de TSI WAG

Verordening (EU) nr. 321/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 3 wordt het volgende punt d) toegevoegd:

“d)

wanneer het gebruiksgebied wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 54, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/797 is punt 7.2.2.4 van de bijlage bij deze verordening van toepassing;”.

2)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Wijzigingen van de TSI LOC&PAS

Verordening (EU) nr. 1302/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   De TSI geldt niet voor bestaand rollend materieel van het spoorwegsysteem in de Unie dat op 1 januari 2015 reeds in dienst was gesteld op het volledige net van een lidstaat of een deel daarvan, behalve wanneer

a)

dat materieel wordt vernieuwd of verbeterd overeenkomstig punt 7.1.2 van de bijlage bij deze verordening of

b)

het gebruiksgebied wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 54, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/797; in dat geval is punt 7.1.4 van de bijlage bij deze verordening van toepassing.”.

2)

In artikel 11, lid 1, wordt de inleidende zin van de tweede alinea vervangen door:

“Onverminderd de punten 7.1.1.4 tot en met 7.1.1.8 van de bijlage, blijven zij echter van toepassing op:”.

3)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Wijzigingen van de TSI CCS

Verordening (EU) 2016/919 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2, lid 2, wordt vervangen door:

“2.   De TSI is niet van toepassing op bestaande trein- en baansubsystemen “besturing en seingeving” van het spoorwegsysteem die op de dag waarop deze verordening in werking treedt reeds in gebruik zijn op een volledig net van een lidstaat of een deel daarvan, tenzij

a)

het subsysteem wordt vernieuwd of verbeterd overeenkomstig punt 7 van de bijlage bij deze verordening, of

b)

het gebruiksgebied wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 54, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/797; in dat geval is punt 7.4.2.4 van de bijlage bij deze verordening van toepassing.”.

2)

De bijlage wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.

Artikel 4

Conformiteitsbeoordelingsinstanties

1)   Aanmeldingen van conformiteitsbeoordelingsinstanties voor de toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1302/2014 en (EU) 2016/919 blijven geldig op basis van die verordeningen, zoals gewijzigd bij onderhavige verordening.

2)   Conformiteitsbeoordelingsinstanties die overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG zijn aangemeld, mogen overeenkomstig deze verordening een EG-keuringsverklaring, EG-conformiteitsverklaring of EG-verklaring van geschiktheid voor gebruik van interoperabiliteitsonderdelen afgeven zolang Richtlijn 2008/57/EG van toepassing is in hun lidstaat van vestiging overeenkomstig artikel 57, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/797, en tot uiterlijk 15 juni 2020.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 maart 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 138 van 26.5.2016, blz. 44.

(2)  Verordening (EU) nr. 321/2013 van de Commissie van 13 maart 2013 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem “rollend materieel — goederenwagens” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie en tot intrekking van Beschikking 2006/861/EG (PB L 104 van 12.4.2013, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1302/2014 van de Commissie van 18 november 2014 betreffende een technische specificatie inzake interoperabiliteit van het subsysteem “rollend materieel — locomotieven en reizigerstreinen” van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 356 van 12.12.2014, blz. 228).

(4)  Verordening (EU) 2016/919 van de Commissie van 27 mei 2016 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit van de subsystemen besturing en seingeving van het spoorwegsysteem in de Europese Unie (PB L 158 van 15.6.2016, blz. 1).

(5)  Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1).


BIJLAGE I

De bijlage van Verordening (EU) nr. 321/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in punt 4.2.2.2 wordt de titel “Sterkte van de eenheid” toegevoegd;

2)

in punt 6.1.2.2 wordt tussen de eerste en de tweede alinea de volgende alinea toegevoegd:

“De conformiteit mag op een alternatieve manier worden aangetoond overeenkomstig punt 6.1.2.4 bis.”;

3)

in punt 6.1.2.3 wordt vóór punt b) de volgende alinea toegevoegd:

“De conformiteit mag op een alternatieve manier worden aangetoond overeenkomstig punt 6.1.2.4 bis.”;

4)

aan het einde van punt 6.1.2.4 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De conformiteit mag op een alternatieve manier worden aangetoond overeenkomstig punt 6.1.2.4 bis.”;

5)

het volgende punt 6.1.2.4 bis wordt ingevoegd tussen de punten 6.1.2.4 en 6.1.2.5:

“Als de in de punten 6.1.2.2, 6.1.2.3 en 6.1.2.4 bedoelde EN-normen niet van toepassing zijn op de voorgestelde technische oplossing, mogen andere normen worden gebruikt om de conformiteit van respectievelijk het mechanisch gedrag van de montage van de wielstellen, de mechanische eigenschappen van de wielen en de mechanische weerstands- en vermoeidheidskarakteristieken van de as aan te tonen. In dat geval moet de aangemelde instantie controleren of de alternatieve normen deel uitmaken van een technisch consistent geheel van normen inzake het ontwerp, de constructie en de beproeving van de wielstellen, waarin specifieke eisen zijn opgenomen voor wielstellen, wielen en assen op het gebied van:

de montage van de wielstellen,

de mechanische weerstand,

vermoeidheidseigenschappen,

toegestane spanningsgrenzen,

thermomechanische eigenschappen.

In de bovenvermelde bewijsstukken mag uitsluitend worden verwezen naar normen die openbaar zijn. De door de aangemelde instantie uitgevoerde verificatie moet de consistentie waarborgen tussen de methode van de alternatieve normen, de door de aanvrager gehanteerde aannames, de beoogde technische oplossing en het beoogde gebruiksgebied.”;

6)

in punt 7.2.2.2 worden de drie alinea’s onmiddellijk na tabel 11 bis vervangen door:

“Om de EG-verklaring van type- of ontwerpkeuring vast te stellen, mag de aangemelde instantie die is geselecteerd door de entiteit die de wijziging beheert, verwijzen naar:

de oorspronkelijke EG-verklaring van type- of ontwerpkeuring voor onderdelen van het ontwerp die ongewijzigd blijven of waarvan de wijzigingen geen invloed hebben op de conformiteit van het subsysteem, voor zover deze nog geldig is (gedurende de 10-jarige periode van fase B);

een aanvullende EG-verklaring van type- of ontwerpkeuring (tot wijziging van de oorspronkelijke verklaring) voor gewijzigde onderdelen van het ontwerp die van invloed zijn op de conformiteit van het subsysteem met de laatste herziening van deze TSI die op het desbetreffende moment van kracht is.

De geldigheidsduur van de nieuwe EG-type- of EG-ontwerpkeuringsverklaring voor gewijzigde voertuigtypen, typevarianten of typeversies is beperkt tot 10 jaar vanaf de datum van afgifte doch maximaal 14 jaar na de datum waarop een aangemelde instantie door de aanvrager is aangewezen voor het oorspronkelijke type rollend materieel (aanvang van fase A van de oorspronkelijke EG-type- of EG-ontwerpkeuringsverklaring).”;

7)

in tabel 11 bis van punt 7.2.2.2 wordt rij “4.2.4.3.2.1 Dienstrem” vervangen door:

“4.2.4.3.2.1 Dienstrem

Remafstand

Wijziging van de remweg met meer dan ± 10 %

Opmerking: ook het remgewichtspercentage (ook aangeduid als “lambda”) of het remgewicht kunnen worden gebruikt. Deze kunnen (direct of indirect via de remweg) worden berekend op basis van de vertragingsprofielen.

De toegestane wijziging is dezelfde (± 10 %).

n.v.t.

Maximumvertraging voor de belastingsomstandigheid “ontwerpgewicht bij een normale nuttige last” op de maximumontwerpsnelheid

Wijziging van de maximale gemiddelde remvertraging met meer dan ± 10 %

n.v.t.”

8)

in punt 7.2.2.3 wordt de eerste alinea vervangen door:

“De volgende regels zijn, bovenop punt 7.2.2.2, van toepassing op bestaande eenheden waarvoor vóór 1 januari 2015 een eerste vergunning tot indienststelling is afgegeven en waarbij de reikwijdte van de wijziging invloed heeft op de fundamentele parameters die niet onder de EG-verklaring vallen.”;

9)

in punt 7.2.2.3 wordt de derde alinea vervangen door:

“De specifieke regel in de bovenstaande alinea is niet van toepassing op wijzigingen die een invloed hebben op de fundamentele parameters en zijn ingedeeld in de categorie artikel 21, lid 12, onder a), zoals weergegeven in tabel 11 ter. Voor deze wijzigingen is conformiteit met de eisen van de TSI verplicht.”;

10)

het volgende punt 7.2.2.4 wordt toegevoegd:

“7.2.2.4.

Regels voor de uitbreiding van het gebruiksgebied van bestaande eenheden waarvoor een vergunning is afgegeven overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG of die vóór 19 juli 2010 reeds in dienst waren

1)

Als niet volledig aan deze TSI is voldaan, is punt 2 van toepassing op eenheden waarvoor overeenkomstig artikel 21, lid 13, van Richtlijn (EU) 2016/797 een uitbreiding van het gebruiksgebied wordt gevraagd en die voldoen aan de volgende voorwaarden:

1.

voor de voertuigen is een vergunning afgegeven overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG of zij zijn vóór 19 juli 2010 in gebruik genomen;

2.

de voertuigen beschikken overeenkomstig Beschikking 2007/756/EG (*1) van de Commissie in het nationaal voertuigregister of overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 (*2) van de Commissie in het Europees voertuigregister over een inschrijvingscode “00” (“geldig”) en worden in veilige staat gehouden overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 (*3) van de Commissie.

De volgende bepalingen inzake de uitbreiding van het gebruiksgebied zijn ook van toepassing in combinatie met een nieuwe vergunning als gedefinieerd in artikel 14, lid 3, onder a), van Verordening (EU) 2018/545.

2)

Vergunningen voor een uitbreiding van het gebruiksgebied van de in punt 1 bedoelde eenheden worden verleend op basis van eventuele bestaande vergunningen, de technische compatibiliteit tussen de eenheid en het netwerk overeenkomstig artikel 21, lid 3, onder d), van Richtlijn (EU) 2016/797 en de conformiteit met de fundamentele ontwerpkenmerken in tabel 11 bis van deze TSI, rekening houdend met eventuele beperkingen of voorwaarden.

De aanvrager verstrekt een EG-keuringsverklaring, vergezeld van een technisch dossier waarin voor elke fundamentele parameter als bedoeld in kolom 1 van tabel 11 bis van deze TSI door één van de onderstaande opties of een combinatie daarvan bewijs wordt geleverd van de conformiteit met de eisen van deze TSI of met andere bepalingen die een gelijke werking hebben:

a)

conformiteit met de eisen van deze TSI zoals hierboven beschreven;

b)

conformiteit met de overeenkomstige eisen van een vorige TSI, als hierboven bedoeld;

c)

conformiteit met alternatieve specificaties die geacht worden een gelijke werking te hebben als de desbetreffende eisen van deze TSI, zoals hierboven vermeld;

d)

bewijs dat de vereisten inzake technische compatibiliteit met het netwerk van het uitgebreide gebruiksgebied gelijkwaardig zijn aan de eisen inzake technische compatibiliteit met het netwerk waarvoor de eenheid reeds een vergunning heeft gekregen of waarop ze reeds in gebruik is. Dat bewijs wordt geleverd door de aanvrager en mag gebaseerd zijn op de informatie in het infrastructuurregister (RINF).

3)

De gelijke werking van alternatieve specificaties ten aanzien van de eisen van deze TSI (punt 2, onder c)) en de gelijkwaardigheid van de eisen inzake technische compatibiliteit met het netwerk (punt 2, onder d)) worden door de aanvrager gestaafd en gedocumenteerd door toepassing van het risicobeheerproces in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 402/2013. De aanvrager verstrekt een positieve beoordeling door een beoordelingsinstantie (GVM voor risicobeoordeling).

4)

Naast de eisen als bedoeld in punt 2 en indien van toepassing, verstrekt de aanvrager een EG-keuringsverklaring en een technisch dossier waarin wordt aangetoond dat aan de volgende eisen is voldaan:

a)

specifieke gevallen met betrekking tot delen van het uitgebreide gebruiksgebied die zijn genoemd in deze TSI, de TSI geluidsemissies (Verordening (EU) nr. 1304/2014) en de TSI CCS (Verordening (EU) 2016/919);

b)

de nationale voorschriften als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder a), c) en d), van Richtlijn (EU) 2016/797, zoals aangemeld overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn.

5)

De vergunningverlenende entiteit publiceert via de website van het Spoorwegbureau de bijzonderheden van de in punt 2, onder c), bedoelde alternatieve specificaties en van de eisen inzake technische compatibiliteit met het in punt 2, onder d), bedoelde netwerk op basis waarvan zij vergunningen voor het uitgebreide gebruiksgebied heeft verleend.

6)

Wanneer voor vergunde voertuigen overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2008/57/EG ontheffing wordt verleend van de TSI’s of delen daarvan, dient de aanvrager overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn (EU) 2016/797 om ontheffing(en) te verzoeken in de lidstaten van het uitgebreide gebruiksgebied.

7)

Overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/797 worden wagens die worden gebruikt op grond van het Regolamento Internazionale Veicoli (RIV) geacht te zijn vergund overeenkomstig de voorwaarden waaronder zij werden gebruikt, met inbegrip van het gebruiksgebied waarin die wagens werden gebruikt. Na een wijziging waarvoor overeenkomstig artikel 21, lid 12, van Richtlijn (EU) 2016/797 een nieuwe vergunning voor het in de handel brengen is vereist, wordt het gebruiksgebied van op grond van de jongste RIV-overeenkomst aanvaarde wagens gehandhaafd zonder verdere controle van de ongewijzigde onderdelen.

(*1)  Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 30)."

(*2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (PB L 268 van 26.10.2018, blz. 53)."

(*3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie van 16 mei 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake een systeem voor de certificering van met het onderhoud van voertuigen belaste entiteiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie (PB L 139 I van 27.5.2019, blz. 360).”;"

11)

in punt 7.3.2.1 wordt de eerste zin vervangen door:

“Eenheden die rijden tussen een lidstaat en een derde land met een netwerk met een spoorwijdte van 1520 mm: specifiek geval Finland, Polen, Slowakije en Zweden.”;

12)

in punt 7.3.2.2, onder a), wordt de laatste alinea vervangen door:

“Overeenkomstig punt 7.1.2 wederzijds erkende eenheden en eenheden die zijn uitgerust met boordapparatuur voor aslagerbewaking zijn vrijgesteld van dit specifieke geval. De ontheffing voor eenheden overeenkomstig punt 7.1.2 is niet van toepassing wanneer andere methoden voor conformiteitsbeoordeling overeenkomstig punt 6.1.2.4 bis worden gebruikt.”;

13)

in punt 7.3.2.5 wordt de titel vervangen door:

“7.3.2.5.

“Eigenschappen van wielstellen, wielen en assen (punten 4.2.3.6.2 en 4.2.3.6.3) —

Specifiek geval VK voor Groot-Brittannië”;

14)

Punt 7.6.1. “Voorschriften voor de uitbreiding van het gebruiksgebied van bestaand rollend materieel waarvoor geen EG-keuringsverklaring is afgegeven” wordt vervangen door:

“7.6.1.

Uitvoeringsvoorschriften

Op 24 januari 2020 heeft de Commissie het Spoorwegbureau van de Europese Unie gevraagd de werkzaamheden aan te vatten voor de herziening van de TSI met het oog op de digitalisering van het spoorvervoer en vergroening van het goederenvervoer (herziening 2022).

Overeenkomstig Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie moet het pakket voor de herziening van de TSI’s met het oog op de digitalisering van het spoor en de vergroening van het goederenvervoer voorzien in een evaluatie en waar mogelijk vereenvoudiging van de strategie voor de toepassing van de TSI’s, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de verschillen ten opzichte van het doelsysteem geleidelijk maar tijdig kleiner worden en de sector tegelijk de nodige voorspelbaarheid en rechtszekerheid wordt geboden. Die bepaling bestrijkt de toekomstige overgangsperioden en het verstrijken van de geldigheidsduur van de certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen.

Met hetzelfde doel voor ogen, namelijk een geleidelijke maar tijdige vermindering van de verschillen ten opzichte van het doelsysteem en de nodige voorspelbaarheid en rechtszekerheid voor de sector, moet voorts worden bekeken welke flexibiliteit kan worden geboden bij de toepassing van geactualiseerde versies van normen, onder meer voor de normen die zijn ingevoerd in bijlage I (TSI WAG 2019) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie (*4).

(*4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie van 16 mei 2019 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1299/2014, (EU) nr. 1301/2014, (EU) nr. 1302/2014, (EU) nr. 1303/2014 en (EU) 2016/919 van de Commissie en Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie teneinde deze af te stemmen op Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en met het oog op de verwezenlijking van specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie (PB L 139I van 27.5.2019, blz. 108)”;"

15)

in aanhangsel C, “Aanvullende facultatieve voorschriften”, wordt het volgende punt toegevoegd aan het einde van het aanhangsel:

“C. 20.

Rijdynamicagedrag

De combinatie van de maximale bedrijfssnelheid en het maximaal toelaatbare verkantingstekort moet overeenkomen met tabel H.1 van EN 14363:2016.

Eenheden die met een vastgezet loopwerk zijn uitgerust als beschreven in hoofdstuk 6 van EN 16235:2013 worden geacht aan deze eis te voldoen.”.


(*1)  Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 30).

(*2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (PB L 268 van 26.10.2018, blz. 53).

(*3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie van 16 mei 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake een systeem voor de certificering van met het onderhoud van voertuigen belaste entiteiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie (PB L 139 I van 27.5.2019, blz. 360).”;

(*4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie van 16 mei 2019 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1299/2014, (EU) nr. 1301/2014, (EU) nr. 1302/2014, (EU) nr. 1303/2014 en (EU) 2016/919 van de Commissie en Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie teneinde deze af te stemmen op Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en met het oog op de verwezenlijking van specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie (PB L 139I van 27.5.2019, blz. 108)”;”


BIJLAGE II

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 1302/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

in punt 4.2.2.5, punt 5, wordt de tekst “index 8, tabel 1, punt 5)” vervangen door “index 8, tabel 1, punt 4”;

2)

in punt 4.2.2.5, punt 6, wordt de tekst “index 8, tabel 3, van deel 5” vervangen door “index 8, tabel 2, van deel 5”;

3)

onder 4.2.2.5 wordt punt 7 vervangen door:

“7)

Bij de toepassing van de scenario’s 1 en 2 op locomotieven met automatische centrale bufferkoppelingen, die op de koppelingen een trekkracht van meer dan 300 kN kunnen uitoefenen als beschreven in tabel 2 van de in aanhangsel J-1, index 8, bedoelde specificaties, zijn de “botssnelheid” en “botspartner” in de onderhavige TSI:

20 km/h in plaats van 36 km/h voor scenario’s 1 en 2, en

de in aanhangsel D beschreven referentiewagen in plaats van de in bijlage C.1 van de specificatie als bedoeld in aanhangsel J-1, index 8, beschreven referentiewagen voor scenario 2.

Opmerking: een dergelijke hoge trekkracht is vereist voor zware goederenlocomotieven.”;

4)

in punt 6.2.3.7 wordt de volgende zin toegevoegd aan het einde van punt (7):

“De door de aangemelde instantie uitgevoerde verificatie moet de consistentie waarborgen tussen de methode van de alternatieve normen, de door de aanvrager gehanteerde aannames, de beoogde technische oplossing en het beoogde gebruiksgebied.”;

5)

onder 7.1.2.2 wordt punt 11 vervangen door:

“11)

Om de EG-verklaring van type- of ontwerpkeuring vast te stellen, mag de aangemelde instantie die is geselecteerd door de entiteit die de wijziging beheert, verwijzen naar:

de oorspronkelijke EG-verklaring van type- of ontwerpkeuring voor onderdelen van het ontwerp die ongewijzigd blijven of waarvan de wijzigingen geen invloed hebben op de conformiteit van het subsysteem, voor zover deze nog geldig is (gedurende de zevenjarige periode van fase B);

een aanvullende EG-verklaring van type- of ontwerpkeuring (tot wijziging van de oorspronkelijke verklaring) voor gewijzigde onderdelen van het ontwerp die van invloed zijn op de conformiteit van het subsysteem met de laatste herziening van deze TSI die op het desbetreffende moment van kracht is.

De geldigheidsduur van de nieuwe EG-type- of EG-ontwerpkeuringsverklaring voor gewijzigde voertuigtypen, typevarianten of typeversies is beperkt tot 7 jaar vanaf de datum van afgifte doch maximaal 14 jaar na de datum waarop een aangemelde instantie door de aanvrager is aangewezen voor het oorspronkelijke type rollend materieel (aanvang van fase A van de oorspronkelijke EG-type- of EG-ontwerpkeuringsverklaring).”;

6)

onder 7.1.3.1 wordt punt 4 vervangen door:

“4)

De basis voor beoordeling aan de hand van de TSI voor een type wordt gedefinieerd voor een periode van fase A, met een duur van maximaal zeven jaar. Onverminderd de punten 7.1.1.4 tot en met 7.1.1.8 verandert de gedurende de periode van fase A door de aangemelde instantie te gebruiken beoordelingsbasis voor EG-keuring niet.”;

7)

het volgende punt 7.1.4 wordt toegevoegd:

“7.1.4.

Regels voor de uitbreiding van het gebruiksgebied van bestaand rollend materieel waarvoor een vergunning is afgegeven overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG of die vóór 19 juli 2010 reeds in dienst waren

1)

Als niet volledig aan deze TSI is voldaan, is punt 2 van toepassing op rollend materieel waarvoor overeenkomstig artikel 21, lid 13, van Richtlijn (EU) 2016/797 een uitbreiding van het gebruiksgebied wordt gevraagd en dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

a)

voor dat materieel is een vergunning afgegeven overeenkomstig Richtlijn 2008/57/EG of het is vóór 19 juli 2010 in gebruik genomen;

b)

het beschikt overeenkomstig Beschikking 2007/756/EG (*1) van de Commissie in het nationaal voertuigregister of overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 (*2) van de Commissie in het Europees voertuigregister over een inschrijvingscode “00” (geldig) en wordt in veilige staat gehouden overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 (*3) van de Commissie.

De volgende bepalingen inzake de uitbreiding van het gebruiksgebied zijn ook van toepassing in combinatie met een nieuwe vergunning als gedefinieerd in artikel 14, lid 3, onder a), van Verordening (EU) 2018/545.

2)

Vergunningen voor een uitbreiding van het gebruiksgebied van het in punt 1 bedoelde rollend materieel worden verleend op basis van eventuele bestaande vergunningen, de technische compatibiliteit tussen dat materieel en het netwerk overeenkomstig artikel 21, lid 3, onder d), van Richtlijn (EU) 2016/797 en de conformiteit met de fundamentele ontwerpkenmerken in tabel 17 bis en 17 ter van deze TSI, rekening houdend met eventuele beperkingen of voorwaarden.

De aanvrager verstrekt een EG-keuringsverklaring, vergezeld van een technisch dossier waarin voor elke fundamentele parameter als bedoeld in kolom 1 van de tabellen 17 bis en 17 ter de conformiteit wordt aangetoond met de eisen van deze TSI, of met bepalingen die gelijke werking hebben, en met de volgende punten van deze TSI:

4.2.4.2.2, 4.2.5.5.8, 4.2.5.5.9, 4.2.6.2.3, 4.2.6.2.4, 4.2.6.2.5, 4.2.8.2.7, 4.2.8.2.9.8 (automatisch beheer van het passeren van fase- of systeemscheidingssecties), 4.2.9.3.1, 4.2.9.6, 4.2.12 en 4.2.12.6

4.2.5.3 in Italië

4.2.5.3.5 en 4.2.9.2.1 in Duitsland

via één of een combinatie van de volgende opties:

a)

conformiteit met de eisen van deze TSI, als hierboven bedoeld;

b)

conformiteit met de overeenkomstige eisen van een vorige TSI, als hierboven bedoeld;

c)

conformiteit met alternatieve specificaties die geacht worden een gelijke werking te hebben als de desbetreffende eisen van deze TSI, zoals hierboven vermeld;

d)

bewijs dat de vereisten inzake technische compatibiliteit met het netwerk van het uitgebreide gebruiksgebied gelijkwaardig zijn aan de eisen inzake technische compatibiliteit met het netwerk waarvoor het rollend materieel reeds een vergunning heeft gekregen of waarop dat reeds in gebruik is. Dat bewijs wordt geleverd door de aanvrager en mag gebaseerd zijn op de informatie in het infrastructuurregister (RINF).

3)

De gelijke werking van alternatieve specificaties ten aanzien van de eisen van deze TSI (punt 2, onder c)) en de gelijkwaardigheid van de eisen inzake technische compatibiliteit met het netwerk (punt 2, onder d)) worden door de aanvrager gestaafd en gedocumenteerd door toepassing van het risicobeheerproces in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 402/2013. De motivering wordt beoordeeld en gevalideerd door een beoordelingsinstantie (GVM voor risicobeoordeling).

4)

Naast de in punt 2 genoemde eisen en indien van toepassing, verstrekt de aanvrager een EG-keuringsverklaring en een technisch dossier waarin wordt aangetoond dat aan de volgende eisen is voldaan:

a)

specifieke gevallen met betrekking tot delen van het uitgebreide gebruiksgebied die zijn genoemd in deze TSI, de TSI geluidsemissies (Verordening (EU) nr. 1304/2014), de TSI PRM (Verordening (EU) nr. 1300/2014) en de TSI CCS (Verordening (EU) 2016/919);

b)

de nationale voorschriften als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder a), c) en d), van Richtlijn (EU) 2016/797, zoals aangemeld overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn.

5)

De vergunningverlenende entiteit publiceert via de website van het Spoorwegbureau de bijzonderheden van de in punt 2, onder c), bedoelde alternatieve specificaties en van de eisen inzake technische compatibiliteit met het in punt 2, onder d), bedoelde netwerk op basis waarvan zij vergunningen voor het uitgebreide gebruiksgebied heeft verleend.

6)

Wanneer voor vergunde voertuigen overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2008/57/EG ontheffing wordt verleend van de TSI’s of delen daarvan, dient de aanvrager overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn (EU) 2016/797 om ontheffing(en) te verzoeken in de lidstaten van het uitgebreide gebruiksgebied.

7)

Overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/797 worden rijtuigen die worden gebruikt op grond van het Regolamento Internazionale Carrozze (RIC) geacht te zijn vergund overeenkomstig de voorwaarden waaronder zij werden gebruikt, met inbegrip van het gebruiksgebied waarin die rijtuigen werden gebruikt. Na een wijziging waarvoor overeenkomstig artikel 21, lid 12, van Richtlijn (EU) 2016/797 een nieuwe vergunning voor het in de handel brengen is vereist, wordt het gebruiksgebied van op grond van de jongste RIC-overeenkomst aanvaarde rijtuigen gehandhaafd zonder verdere controle van de ongewijzigde onderdelen.

(*1)  Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 30)."

(*2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (PB L 268 van 26.10.2018, blz. 53)."

(*3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie van 16 mei 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake een systeem voor de certificering van met het onderhoud van voertuigen belaste entiteiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie (PB L 139 van 27.5.2019, blz. 360).”;"

8)

punt 7.5.2.3. “Voorschriften voor de uitbreiding van het gebruiksgebied van bestaand rollend materieel waarvoor geen EG-keuringsverklaring is afgegeven” wordt vervangen door:

“7.5.2.3.

Uitvoeringsvoorschriften

Op 24 januari 2020 heeft de Commissie het Spoorwegbureau van de Europese Unie gevraagd de werkzaamheden aan te vatten voor de herziening van de TSI’s in het kader van de digitalisering van het spoorvervoer en de vergroening van het goederenvervoer (herziening 2022).

Overeenkomstig Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie moet het pakket voor de herziening van de TSI’s met het oog op de digitalisering van het spoor en de vergroening van het goederenvervoer voorzien in een evaluatie en waar mogelijk vereenvoudiging van de strategie voor de toepassing van de TSI’s, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de verschillen ten opzichte van het doelsysteem geleidelijk maar tijdig kleiner worden en de sector tegelijk de nodige voorspelbaarheid en rechtszekerheid wordt geboden. Die bepaling bestrijkt de toekomstige overgangsperioden en het verstrijken van de geldigheidsduur van de certificaten voor interoperabiliteitsonderdelen en subsystemen.

Met hetzelfde doel voor ogen, namelijk een geleidelijke maar tijdige vermindering van de verschillen ten opzichte van het doelsysteem en tegelijk de nodige voorspelbaarheid en rechtszekerheid voor de sector bieden, moet voorts worden bekeken welke flexibiliteit kan worden geboden bij de toepassing van geactualiseerde versies van normen, onder meer voor de normen die zijn ingevoerd in bijlage IV (TSI LOC&PAS 2019) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie (*4).

(*4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie van 16 mei 2019 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1299/2014, (EU) nr. 1301/2014, (EU) nr. 1302/2014, (EU) nr. 1303/2014 en (EU) 2016/919 van de Commissie en Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie teneinde deze af te stemmen op Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en met het oog op de verwezenlijking van specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie (PB L 139I van 27.5.2019, blz. 108).”;"

9)

aanhangsel D wordt vervangen door:

“Aanhangsel D

Referentiewagen voor locomotieven met automatische centrale bufferkoppelingen, die op de koppelingen een trekkracht van meer dan 300 kN kunnen uitoefenen

Voor botsingen tussen een treineenheid en een wagen die is uitgerust met koppelingen voor zware belasting, moet de wagen worden weergegeven als een massa van 80 t, met slechts een bewegingsvrijheid van één graad in de translatorische richting x. De geometrie van de interface van de wagen is weergegeven in figuur D.1. De kopwand en de geometrie van de koppelkop worden geacht star te zijn. De wagen wordt uitgerust met een centrale koppeling met een slag van 110 mm en de in figuur D.2. aangegeven kenmerken van de verplaatsingskracht. Het totale energieabsorptievermogen van de wagenkoppeling is 77 kJ.

De geometrie van de koppelkop en de hoogte boven de bovenkant van de spoorstaaf moeten dezelfde zijn als die van de botsende treineenheid. De afstand in de lengterichting van het koppelvlak tot de kopwand van de wagen moet 645 mm bedragen. Ter vereenvoudiging mogen de koppelkoppen worden gemodelleerd aan de hand van de in figuur D.1. opgegeven geometrie en hoogte.

Image 1

Afmetingen in millimeter

Image 2

;

10)

in aanhangsel J-1 wordt index 8 van de tabel vervangen door:

“8

Passieve veiligheid — algemeen

4.2.2.5

EN 15227:2008+A1:2010

Relevant punt (1)

Behalve bijlage A

Passieve veiligheid — indeling

4-tabel 1

Passieve veiligheid — scenario’s

5-tabel 2, 6

Passieve veiligheid — baanschuiver

6.5”

11)

in aanhangsel J-1 wordt index 10 van de tabel vervangen door:

“10

Heffen en opvijzelen — markering

4.2.2.6

EN 15877-2:2013

4.5.19”

12)

in aanhangsel J-1 wordt index 36 van de tabel vervangen door:

“36

Omgevingsomstandigheden — baanschuiver

4.2.6.1.2

EN 15227:2008

+A1:2010

Relevant punt (1)”

13)

in aanhangsel J-2 wordt index 2 van de tabel geschrapt.


(*1)  Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 30).

(*2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (PB L 268 van 26.10.2018, blz. 53).

(*3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/779 van de Commissie van 16 mei 2019 tot vaststelling van nadere bepalingen inzake een systeem voor de certificering van met het onderhoud van voertuigen belaste entiteiten overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 445/2011 van de Commissie (PB L 139 van 27.5.2019, blz. 360).”;

(*4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/776 van de Commissie van 16 mei 2019 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 321/2013, (EU) nr. 1299/2014, (EU) nr. 1301/2014, (EU) nr. 1302/2014, (EU) nr. 1303/2014 en (EU) 2016/919 van de Commissie en Uitvoeringsbesluit 2011/665/EU van de Commissie teneinde deze af te stemmen op Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en met het oog op de verwezenlijking van specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in Gedelegeerd Besluit (EU) 2017/1474 van de Commissie (PB L 139I van 27.5.2019, blz. 108).”;”


BIJLAGE III

In de bijlage bij Verordening (EU) 2016/919 wordt het volgende punt 7.4.2.4 toegevoegd:

“7.4.2.4

Regels voor de uitbreiding van het gebruiksgebied van bestaande voertuigen

De volgende regels zijn van toepassing op bestaande voertuigen die op het moment waarop de uitbreiding van het gebruiksgebied wordt aangevraagd reeds in gebruik zijn en zijn ingeschreven overeenkomstig Beschikking 2007/756/EG (*1) van de Commissie in het nationaal voertuigregister of overeenkomstig Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 (*2) van de Commissie in het Europees voertuigregister:

1)

Voertuigen moeten voldoen aan de relevante bijzondere bepalingen die van toepassing zijn in de specifieke gevallen als bedoeld in punt 7.6 van deze bijlage en aan de toepasselijke nationale voorschriften als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder a), c) en d), van Richtlijn (EU) 2016/797 die zijn aangemeld overeenkomstig artikel 14 van die richtlijn. In geval van gedeeltelijke naleving van de eisen van deze TSI, zijn ook de bepalingen van 6.1.1.3, punt 3), van toepassing.

2)

Voertuigen die reeds met ETCS of GSM-R zijn uitgerust, hoeven niet te worden aangepast, tenzij dat noodzakelijk is om de technische compatibiliteit te waarborgen.

3)

Voertuigen die nog niet met ETCS zijn uitgerust, moeten worden uitgerust met ETCS en voldoen aan de specificatiereeksen #2 of #3 als bedoeld in de tabellen A.2.2 en A.2.3 van bijlage A. Tenzij uitrusting met ETCS noodzakelijk is om de technische compatibiliteit te waarborgen, is die niet verplicht voor:

a)

voertuigen die niet speciaal zijn ontworpen voor gebruik op hogesnelheidslijnen (*3) en waarvoor vóór 1 januari 2015 een vergunning is afgegeven;

b)

voertuigen die niet speciaal zijn ontworpen voor gebruik op hogesnelheidslijnen en waarvoor op of na 1 januari 2015 een vergunning is afgegeven, in één van de volgende situaties:

i)

de voertuigen zijn uitsluitend bedoeld voor verkeer binnen één lidstaat op lijnen die geen deel uitmaken van de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/6 gedefinieerde corridors en die geen verbinding vormen met de belangrijkste Europese havens, emplacementen, goederenterminals en goederenzones als bedoeld in bijlage II van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

ii)

voertuigen die bedoeld zijn voor grensoverschrijdend verkeer buiten het TEN, d.w.z. treinen die tot het eerste station in een buurland rijden of tot het eerste station waar er aansluitingen naar verdere bestemmingen in dat buurland zijn en daarbij uitsluitend gebruikmaken van lijnen die niet tot het TEN behoren;

c)

voertuigen in lidstaten die punt 7.4.3, lid 2, toepassen, als het gebruiksgebied na de uitbreiding nog steeds binnen éénzelfde lidstaat ligt, behalve wanneer op het moment van de uitbreiding van het gebruiksgebied meer dan 150 km van de lijnen binnen dat uitgebreide gebied met ETCS zijn uitgerust of binnen vijf jaar na de uitbreiding van het gebruiksgebied van die voertuigen met ETCS zal worden uitgerust;

d)

mobiele uitrusting voor de bouw en het onderhoud van spoorinfrastructuur;

e)

rangeerlocomotieven.

4)

Voertuigen die nog niet met GSM-R-spraakradio zijn uitgerust, moeten worden uitgerust met een GSM-R-radio in de stuurcabine en voldoen aan de specificaties van de tabellen A 2.1, A 2.2 en A 2.3 van bijlage A wanneer zij bestemd zijn voor gebruik op een netwerk waarvan ten minste één punt met GSM-R is uitgerust, behalve als GSM-R is ingevoerd ter aanvulling van een ouder radiocommunicatiesysteem dat compatibel is met het reeds in die voertuigen geïnstalleerde klasse B-systeem.

5)

Voertuigen die nog niet zijn uitgerust met GSM-R voor ETCS-gegevens moeten worden uitgerust met een GSM-R ETCS-radio die uitsluitend voor datacommunicatie is bedoeld en voldoen aan de specificaties als bedoeld in de tabellen A.2.1, A 2.2 en A 2.3 van bijlage A als die voertuigen overeenkomstig punt 3 met ETCS moeten worden uitgerust en bedoeld zijn voor gebruik op een netwerk binnen het uitgebreide gebruiksgebied dat uitsluitend is uitgerust met ETCS niveau 2 of 3.

6)

Wanneer voor vergunde voertuigen overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2008/57/EG ontheffing wordt verleend van de TSI’s of delen daarvan, dient de aanvrager overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn (EU) 2016/797 om ontheffing(en) te verzoeken in de lidstaten van het uitgebreide gebruiksgebied.


(*1)  Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 30).

(*2)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1614 van de Commissie van 25 oktober 2018 tot vaststelling van specificaties voor de voertuigregisters die zijn vermeld in artikel 47 van Richtlijn (EU) 2016/797 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging en intrekking van Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (PB L 268 van 26.10.2018, blz. 53).

(*3)  Als beschreven in bijlage I bij Richtlijn (EU) 2016/797.”.”