7.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 410/104


BESLUIT (EU) 2020/1997 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 24 november 2020

betreffende de goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2021 (ECB/2020/57)

DE DIRECTIE VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 128, lid 2,

Gezien Besluit (EU) 2015/2332 van de Europese Centrale Bank van 4 december 2015 betreffende het procedurele kader voor de goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang (ECB/2015/43) (1), en met name artikel 2, lid 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft sinds 1 januari 1999 het alleenrecht de muntenuitgifteomvang door de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de “eurogebiedlidstaten” genoemd), goed te keuren.

(2)

De 19 eurogebiedlidstaten hebben hun verzoeken tot goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2021 bij de ECB ingediend, aangevuld met een toelichting over de gevolgde schattingsmethodologie. Sommige eurogebiedlidstaten hebben tevens aanvullende informatie verstrekt over circulatiemunten, voor zover dergelijke informatie beschikbaar is en door de betrokken eurogebiedlidstaten van belang wordt geacht om het verzoek tot goedkeuring te staven.

(3)

Aangezien het recht van de eurogebiedlidstaten om euromunten uit te geven afhankelijk is van de goedkeuring van de uitgifteomvang door de ECB, mogen de eurogebiedlidstaten overeenkomstig artikel 3 van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43) de door de ECB goedgekeurde hoeveelheden niet overschrijden zonder voorafgaande goedkeuring door de ECB.

4)

Krachtens artikel 2, lid 9, van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43) is de directie, aangezien geen wijziging van de verzochte muntenomvang vereist is, bevoegd dit besluit betreffende de door de eurogebiedlidstaten ingediende verzoeken tot goedkeuring van de muntenuitgifteomvang in 2021 vast stellen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

a)

“muntenuitgifteomvang”: muntenuitgifteomvang als gedefinieerd in artikel 1, punt 3, van Besluit (EU) 2015/2332 (ECB/2015/43);

b)

“circulatiemunten”: circulatiemunten als gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 729/2014 van de Raad (2);

c)

“munten voor verzamelaars”: munten voor verzamelaars als gedefinieerd in artikel 1, punt 3, van Verordening (EU) nr. 651/2012 van het van het Europees Parlement en de Raad (3).

Artikel 2

Goedkeuring van de euromuntenuitgifteomvang in 2021

De ECB keurt hierbij de euromuntenuitgifteomvang door de eurogebiedlidstaten in 2021 goed, zoals uiteengezet in de onderstaande tabel:

(in miljoen EUR)

 

Voor uitgifte in 2021 goedgekeurde euromuntenomvang

Circulatiemunten

Munten voor verzamelaars

(niet bestemd voor circulatie)

Muntenuitgifteomvang

België

33,0

1,0

34,0

Duitsland

417,0

241,0

658,0

Estland

10,4

0,3

10,7

Ierland

15,8

0,5

16,3

Griekenland

99,5

3,6

103,1

Spanje

291,5

30,0

321,5

Frankrijk

243,0

50,0

293,0

Italië

169,3

2,7

172,0

Cyprus

11,0

0,1

11,1

Letland

5,5

0,2

5,7

Litouwen

20,0

0,6

20,6

Luxemburg

14,7

0,4

15,1

Malta

8,2

0,3

8,5

Nederland

0,0

0,1

0,1

Oostenrijk

62,5

153,5

216,0

Portugal

31,5

2,0

33,5

Slovenië

21,0

1,0

22,0

Slowakije

14,0

2,0

16,0

Finland

15,0

10,0

25,0

Totaal

1 482,9

499,3

1 982,2

Artikel 3

Vankrachtwording

Dit besluit wordt van kracht op de dag van kennisgeving ervan aan de geadresseerden.

Artikel 4

Geadresseerden

Dit besluit is gericht tot de eurogebiedlidstaten.

Gedaan te Frankfurt am Main, 24 november 2020.

De president van de ECB

Christine LAGARDE


(1)   PB L 328 van 12.12.2015, blz. 123.

(2)  Verordening (EU) nr. 729/2014 van de Raad van 24 juni 2014 over de denominaties en technische specificaties van voor de circulatie bestemde euromuntstukken (PB L 194 van 2.7.2014, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 651/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de uitgifte van euromunten (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 135).