|
4.11.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 282/9 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1840 VAN DE COMMISSIE
van 31 oktober 2019
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 wat betreft de rapportage van de WLTP-CO2-waarden voor bepaalde categorieën nieuwe personenauto’s en tot aanpassing van de inputgegevens voor de correlatietool
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto’s, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 8, lid 9, eerste alinea, en artikel 13, lid 7, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad (2) is bepaald dat de voor het gehele wagenpark van de EU geldende CO2-emissiestreefcijfers voor nieuwe personenauto’s voor 2025 en 2030 moeten worden berekend op basis van de CO2-emissies die zijn gemeten overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (3) voor nieuwe personenauto’s die worden geregistreerd in 2020 (hierna “gemeten CO2-emissiewaarden” genoemd). |
|
(2) |
In Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie (4) zijn voorschriften vastgesteld voor de berekening en rapportage door de fabrikanten van de gemeten CO2-emissiewaarden. Het is echter noodzakelijk nader te specificeren hoe deze waarden moeten worden bepaald, en met name wat betreft niet-extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen (NOVC-HEV’s) en extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen (OVC-HEV’s). |
|
(3) |
Ook moet worden verduidelijkt hoe de gemeten CO2-emissiewaarden moeten worden bepaald wanneer voor de typegoedkeuring meerdere CO2-emissietests worden uitgevoerd. |
|
(4) |
De correlatie van de CO2-emissies van NOVC-HEV’s en OVC-HEV’s moet worden uitgevoerd op basis van fysieke voertuigtests en niet op basis van simulaties die worden uitgevoerd door de correlatietool, vanwege de complexe aanpassingen van de correlatietool die nodig zijn om dergelijke voertuigtechnologieën in aanmerking te nemen. Met het oog op een doeltreffende verificatie van de correlatieresultaten moeten de technische testgegevens met betrekking tot die voertuigen echter op dezelfde wijze als voor conventionele voertuigen aan de Commissie worden verstrekt. |
|
(5) |
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 7 bis wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt 2, onder c), is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 31 oktober 2019.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
(2) Verordening (EU) 2019/631 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto’s en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L 111 van 25.4.2019, blz. 13).
(3) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie van 2 juni 2017 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1014/2010 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 679).
(***) P0: de elektrische machine is met de drijfriem van de motor verbonden en daarom is de referentiesnelheid het motortoerental;
P1: de elektrische machine is met de krukas van de motor verbonden en daarom is de referentiesnelheid het motortoerental;
P2: de elektrische machine is net vóór de transmissie (versnellingsbak of continu variabele transmissie) gemonteerd en daarom is het referentietoerental het toerental van de ingaande aandrijfas van de transmissie;
P2 (planetair): de elektrische machine is verbonden met het aandrijfmechanisme van een planetair tandwielstelsel dat niet is verbonden met de interne verbrandingsmotor of met de zijden van de eindaandrijving, hier aangeduid als de planetaire zijde. In dit geval is de te specificeren toerentalverhouding de verhouding tussen het toerental van de elektrische machine en het toerental van de planetaire zijde (referentiesnelheid) die het effect van een toerentalverhoging/toerentalreductie van een vertragingskoppeling weergeeft;
P3: de elektrische machine bevindt zich juist vóór de eindaandrijving van een aangedreven as en daarom is de referentiesnelheid het invoertoerental van de eindaandrijving (dit omvat elektrische machines die op het aandrijfmechanisme van een planetair tandwielstelsel gemonteerd zijn aan de kant van de eindaandrijving). Een voertuig kan maximaal twee P3-machines hebben (één voor de vooras (P3a) en één voor achteras (P3b);
P4: de elektrische machine bevindt zich achter de eindaandrijving en daarom is de referentiesnelheid het motortoerental. Een voertuig kan maximaal vier P4-motoren hebben (één voor elk wiel, waarbij P4a de voorwielen en P4b de achterwielen aanduidt).
Verdere specificaties van deze input moeten worden ingegeven in het model van de input voor de correlatietool.”;