17.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 129/3


BESLUIT (EU) 2019/792 VAN DE RAAD

van 13 mei 2019

waarbij de Europese Commissie — het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) — wordt belast met de uitoefening van bepaalde bevoegdheden die aan het tot aanstelling bevoegde gezag en aan het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag toekomen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (1), en met name artikel 2, lid 2, van dat Statuut en artikel 6 van die Regeling,

Gezien Besluit (EU) 2017/262 van de Raad van 6 februari 2017 tot bepaling van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het sluiten van overeenkomsten bevoegde gezag voor het secretariaat-generaal van de Raad en tot intrekking van Besluit 2013/811/EU (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Europese Commissie is verantwoordelijk voor het beheer en de afwikkeling van de individuele financiële rechten van het personeel van de Europese Commissie en, door middel van dienstenniveauovereenkomsten, van bepaalde andere instellingen en organen van de Unie en. Wat betreft het personeel van het secretariaat-generaal van de Raad (SGR) is het PMO verantwoordelijk voor het beheer en de afwikkeling van pensioenrechten en verstrekkingen van de ziekteverzekering. Op die gebieden oefent het PMO bevoegdheden uit van het tot aanstelling bevoegde gezag en van het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag, met uitzondering van de behandeling van individuele klachten betreffende verstrekkingen van de ziekteverzekering. Het PMO verstrekt ook een toenemend aantal andere diensten en stelt zijn IT-instrumenten beschikbaar voor het SGR.

(2)

Het beheer van individuele rechten door één gespecialiseerd orgaan is doeltreffender en kostenefficiënter gebleken. Hiermee wordt de uniforme toepassing van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie ("het Statuut") en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie ("de Regeling") in alle instellingen mogelijk, zodat de gelijkheid van behandeling van de ambtenaren van de Unie wordt verzekerd en de rechtszekerheid voorde ambtenaren van de Unie wordt bevorderd. Hiermee worden tevens verdere administratieve vereenvoudiging en interinstitutionele samenwerking mogelijk.

(3)

In dit kader zullen het SGR en het PMO een dienstenniveauovereenkomst ("DNO") ondertekenen waarbij de categorieën van de door het PMO verleende diensten worden uitgebreid tot het beheer en de afwikkeling van individuele geldelijke rechten van het personeel via Sysper, een IT-beheerinstrument voor human resources. Opdat de overeenkomst goed kan functioneren, dient de Europese Commissie (PMO) te worden belast met de uitoefening van de relevante bevoegdheden die aan het tot aanstelling bevoegde gezag en aan het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor personeel van het SGR bevoegde gezag toekomen. Aangezien de nieuwe DNO in de plaats komt van de vorige dienstenniveauovereenkomst over pensioenrechten, werkloosheidsuitkeringen en andere rechten bij de beëindiging van de dienst, dienen bovendien de bevoegdheden van het PMO op dat gebied te worden bevestigd.

(4)

Tijdens de initiële overgangsperiode na de overstap op Sysper, dienen het tot aanstelling bevoegde gezag en het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten van de Raad bevoegde gezag hun bevoegdheden met betrekking tot het personeel van het SGR te kunnen uitoefenen in gevallen waarin een mogelijke verschillende interpretatie van regels inzake individuele rechten door het PMO in vergelijking met de in het SGR vóór de overstap op Sysper toegepaste interpretatie nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor het personeel van het SGR,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Onverminderd lid 2 van dit artikel, wordt de Europese Commissie — het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) — inzake het personeel van het SGR belast met de uitoefening van bevoegdheden die volgens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag en volgens de Regeling aan het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag toekomen, aangaande de toepassing van het volgende:

a)

met betrekking tot individuele rechten:

artikelen 67, 68, 69, 71, 74 en 75 van het Statuut en artikelen 1 tot en met 13 en artikel 17 van bijlage VII bij het Statuut;

artikelen 19 tot en met 27 en artikelen 29, 92, 93, 94 en 97 van de Regeling;

b)

met betrekking tot de pensioenregeling en andere rechten bij de beëindiging van de dienst:

artikelen 70 en 77, artikel 78, tweede, derde en vierde alinea, en artikelen 79, 80, 81, 81 bis en 82 van het Statuut; bijlage IV bij het Statuut; artikel 4 van bijlage IV bis bij het Statuut; artikelen 2 tot en met 12, artikel 13, lid 1, artikel 14, eerste en derde alinea, en artikelen 17 tot en met 34 en 40 tot en met 44 van bijlage VIII bij het Statuut; en artikelen 20 tot en met 28 van bijlage XIII bij het Statuut;

artikel 31, artikel 33, lid 1, artikelen 34 tot en met 40 en artikel 43, artikel 44, eerste alinea, artikelen 99 en 101, artikel 102, lid 2, en artikelen 103 tot en met 110 en 113 tot en met 116 van de Regeling;

c)

met betrekking tot werkloosheidsuitkeringen: de artikelen 28 bis en 96 van de Regeling;

d)

met betrekking tot de terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald krachtens de in de punten a) tot en met c) van dit lid bedoelde bepalingen:

artikel 85 van het Statuut en artikel 46 van bijlage VIII bij het Statuut;

artikel 44, tweede alinea, artikel 45, artikel 114, lid 2, en artikel 116 van de Regeling.

2.   Tot en met 31 december 2021, stelt het PMO het tot aanstelling bevoegde gezag of het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten van de Raad bevoegde gezag in kennis van klachten die zijn ontvangen krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut of de artikelen 46 en 117 van de Regeling, tegen een krachtens punt a) van lid 1 van dit artikel genomen besluit betreffende een personeelslid van het SGR, en verstrekt het PMO informatie over zijn geplande antwoord. Indien, in een individueel geval, het tot aanstelling bevoegde gezag of het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten van de Raad bevoegde gezag daarom verzoekt, staakt het PMO de uitoefening van de op grond van lid 1 van dit artikel gedelegeerde bevoegdheden, en oefent het tot aanstelling bevoegde gezag of het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten van de Raad bevoegde gezag in dat geval de bevoegdheden van het PMO uit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.

(2)   PB L 39 van 16.2.2017, blz. 4.