27.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 85/22


BESLUIT (EU) 2019/510 VAN DE RAAD

van 25 maart 2019

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan moet worden ingenomen wat betreft de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot dat Verdrag

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan (1) („het NEAFC-verdrag”) werd goedgekeurd bij Besluit 81/608/EEG van de Raad (2) en is op 17 maart 1982 in werking getreden.

(2)

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zullen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na die kennisgeving, dat wil zeggen met ingang van 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

(3)

Tot aan zijn terugtrekking uit de Unie blijft het Verenigd Koninkrijk een lidstaat met alle uit de Verdragen voortvloeiende rechten en verplichtingen, waaronder de inachtneming van het beginsel van loyale samenwerking.

(4)

In de richtsnoeren van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU heeft de Europese Raad erkend dat in de internationale context rekening moet worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het Verenigd Koninkrijk als zich terugtrekkende lidstaat, voor zover het Verenigd Koninkrijk zijn verplichtingen nakomt en loyaal blijft aan de belangen van de Unie zolang het nog een lidstaat is.

(5)

Het terugtrekkingsakkoord bevat regelingen voor de toepassing van bepalingen van het recht van de Unie op en in het Verenigd Koninkrijk na de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk („de overgangsperiode”). Indien dat akkoord in werking treedt, blijft het recht van de Unie, met inbegrip van internationale overeenkomsten waarbij de Unie partij is, van toepassing op en in het Verenigd Koninkrijk gedurende de overgangsperiode in overeenstemming met dat akkoord en houdt het op van toepassing te zijn aan het einde van die periode.

(6)

Het NEAFC-verdrag is momenteel van toepassing op het Verenigd Koninkrijk omdat de Unie verdragsluitende partij bij dat verdrag is, terwijl artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag uitsluit dat lidstaten van de Unie ertoe toetreden.

(7)

Op grond van artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag kan elke staat tot het NEAFC-verdrag toetreden, mits de toetredingsaanvraag van die staat binnen 90 dagen na de datum waarop de depositaris kennis heeft gegeven van de ontvangst van de aanvraag, de goedkeuring krijgt van driekwart van alle verdragsluitende partijen.

(8)

Op 8 januari 2019 heeft het Verenigd Koninkrijk een aanvraag tot toetreding tot het NEAFC-verdrag als verdragsluitende partij ingediend voor het geval er geen terugtrekkingsakkoord is op de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk.

(9)

Op grond van de artikelen 56, 63 en 116 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee („UNCLOS”) (3) heeft het Verenigd Koninkrijk rechtmatige belangen bij de visserij in het NEAFC-verdragsgebied (de volle zee) en als kuststaat, in zoverre de wateren in de exclusieve economische zone van het Verenigd Koninkrijk vallen onder het NEAFC-verdragsgebied.

(10)

Om niet-duurzame visserij te voorkomen, is het in het belang van de Unie dat het Verenigd Koninkrijk meewerkt aan het beheer van de visbestanden van gemeenschappelijk belang, met volledige inachtneming van de bepalingen van het UNCLOS, de Overeenkomst van de Verenigde Naties van 4 augustus 1995 over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden („UNFSA”) (4) of enige andere internationale overeenkomst of norm in het internationale recht.

(11)

Volgens artikel 63, lid 2, van het UNCLOS en artikel 8 van de UNFSA, wanneer eenzelfde bestand of bestanden van verwante soorten voorkomen in zowel de exclusieve economische zone als in een gebied buiten en grenzend aan die zone, moeten de kuststaat en de staten die in het aangrenzend gebied op die bestanden vissen, samenwerken om tot overeenstemming te komen omtrent de nodige maatregelen tot behoud van die bestanden in het aangrenzende gebied. Zulke samenwerking kan plaatsvinden in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer of, wanneer die regionale organisaties niet bevoegd zijn voor het betrokken bestand, in het kader van ad-hocregelingen tussen de landen met een belang bij de desbetreffende visserij.

(12)

De toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag zal het Verenigd Koninkrijk in staat stellen mee te werken aan de nodige visserijbeheersmaatregelen, rekening houdend met de rechten, plichten en belangen van andere landen en de Unie, om ervoor te zorgen dat het betrokken bestand (de betrokken bestanden) bij de visserijactiviteiten op een duurzame wijze wordt (worden) geëxploiteerd.

(13)

Het is bijgevolg in het belang van de Unie om de door het Verenigd Koninkrijk ingediende aanvraag tot toetreding tot het NEAFC-verdrag goed te keuren indien het Verenigd Koninkrijk zich bij het verstrijken van de in artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag bedoelde kennisgevingstermijn uit de Unie heeft teruggetrokken zonder terugtrekkingsakkoord,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het kader van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, houdt in dat de aanvraag tot toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot het NEAFC-verdrag wordt goedgekeurd.

2.   De Commissie wordt slechts gemachtigd om de depositaris van het NEAFC-verdrag in kennis te stellen van het standpunt van de Unie indien het Verenigd Koninkrijk zich bij het verstrijken van de in artikel 20, lid 4, van het NEAFC-verdrag bedoelde kennisgevingstermijn uit de Unie heeft teruggetrokken zonder terugtrekkingsakkoord.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 25 maart 2019.

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)   PB L 227 van 12.8.1981, blz. 22.

(2)  Besluit 81/608/EEG van de Raad van 13 juli 1981 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 227 van 12.8.1981, blz. 21).

(3)   PB L 179 van 23.6.1998, blz. 3.

(4)   PB L 189 van 3.7.1998, blz. 14.