|
25.3.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 82/29 |
BESLUIT (EU) 2019/483 VAN DE RAAD
van 19 maart 2019
betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst (Verordening kapitaalvereisten (Verordening (EU) nr. 575/2013) (VKV) en Richtlijn kapitaalvereisten (Richtlijn 2013/36/EU) (RKV IV))
(Voor de EER relevante tekst)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden. |
|
(2) |
Op grond van artikel 98 van de EER-overeenkomst kan het Gemengd Comité van de EER besluiten onder andere bijlage IX bij die overeenkomst, die bepalingen inzake financiële diensten bevat, te wijzigen. |
|
(3) |
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) moeten in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(4) |
Bijlage IX bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 19 maart 2019.
Voor de Raad
De voorzitter
G. CIAMBA
(1) PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(2) PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(3) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(4) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
ONTWERP
BESLUIT Nr. …/2019 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER
van …
tot wijziging van bijlage IX (Financiële diensten) bij de EER-overeenkomst
HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikel 98,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), zoals gerectificeerd in PB L 208 van 2.8.2013, blz. 68, PB L 321 van 30.11.2013, blz. 6, en PB L 20 van 25.1.2017, blz. 2, moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(2) |
Verordening (EU) 2017/2395 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de overgangsregelingen ter beperking van de gevolgen van de invoering van IFRS 9 voor het eigen vermogen en ter behandeling als grote risicoblootstellingen van blootstellingen met betrekking tot bepaalde overheidsinstanties welke in de nationale valuta van een lidstaat luiden (2), moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(3) |
Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (3), zoals gerectificeerd in PB L 208 van 2.8.2013, blz. 73, en PB L 20 van 25.1.2017, blz. 1, moet in de EER-overeenkomst worden opgenomen. |
|
(4) |
In Verordening (EU) nr. 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU wordt verwezen naar „EU-moederinstellingen”, „financiële EU-moederholdings” en „gemengde financiële EU-moederholdings” die in het kader van de EER-overeenkomst worden gelezen als verwijzingen naar entiteiten die voldoen aan de in de verordening opgenomen desbetreffende definities en die zijn gevestigd in een overeenkomstsluitende partij van de EER en die geen dochterondernemingen zijn van een andere instelling die in een andere overeenkomstsluitende partij van de EER is opgericht. |
|
(5) |
Richtlijnen 2006/48/EG (4) en 2006/49/EG (5) van het Europees Parlement en de Raad, die opgenomen zijn in de EER-overeenkomst, worden ingetrokken bij Richtlijn 2013/36/EU en moeten derhalve uit de EER-overeenkomst worden geschrapt. |
|
(6) |
De mogelijkheden voor ongegronde verminderingen van eigenvermogensvereisten die voortvloeien uit het gebruik van interne modellen zijn onder andere ingeperkt door nationale wetgeving tot uitvoering van artikel 152 van Richtlijn 2006/48/EG, dat eind 2017 is vervangen door artikel 500 van Verordening (EU) 575/2013. Er zijn evenwel nog steeds verscheidene andere bepalingen in Verordening (EU) 575/2013 en Richtlijn 2013/36/EU op grond waarvan bevoegde autoriteiten deze kwestie kunnen aanpakken, met onder meer de mogelijkheid om maatregelen te nemen om ongegronde verminderingen van de risicogewogen posten voor blootstellingen te neutraliseren, zie bijvoorbeeld artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, en om prudente voorzichtigheidsmarges op te leggen bij de kalibratie van interne modellen, zie bijvoorbeeld artikel 144 van Verordening (EU) 575/2013 en artikel 101 van Richtlijn 2013/36/EU. |
|
(7) |
Bijlage IX bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage IX bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De tekst van punt 14 (Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad) wordt vervangen door de volgende tekst: „ 32013 L 0036: Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338), zoals gerectificeerd in PB L 208 van 2.8.2013, blz. 73, en PB L 20 van 25.1.2017, blz. 1. De bepalingen van de richtlijn worden voor de toepassing van deze overeenkomst met de volgende aanpassingen gelezen:
|
|
2) |
Na punt 14 (Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad) wordt het volgende ingevoegd:
|
|
3) |
In punt 31bc (Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad):
|
|
4) |
In punt 31ea (Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad) wordt het volgende streepje toegevoegd:
|
|
5) |
De tekst van punt 31 (Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad) wordt geschrapt. |
Artikel 2
De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals gerectificeerd in PB L 208 van 2.8.2013, blz. 68, PB L 321 van 30.11.2013, blz. 6, en PB L 20 van 25.1.2017, blz. 2, en Verordening (EU) 2017/2395 en Richtlijn 2013/36/EU, zoals gerectificeerd in PB L 208, 2.8.2013, blz. 73, en PB L 20 van 25.1.2017, blz. 1, zijn authentiek.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op […], op voorwaarde dat alle in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst bedoelde kennisgevingen hebben plaatsgevonden (*1).
Artikel 4
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel,
Voor het Gemengd Comité van de EER
De voorzitter
De secretarissen van het Gemengd Comité van de EER
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) PB L 345 van 27.12.2017, blz. 27.
(3) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338.
(4) PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1.
(5) PB L 177 van 30.6.2006, blz. 201.
(*1) [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]
Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen bij Besluit nr. …/2019 waarbij Richtlijn 2013/36/EG in de EER-overeenkomst wordt opgenomen
De overeenkomstsluitende partijen zijn het erover eens dat de opname in de EER-overeenkomst van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG geen afbreuk doet aan nationale regels van algemene strekking met betrekking tot de screening van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid of openbare orde.