|
5.11.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 274/25 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/1642 VAN DE COMMISSIE
van 13 juli 2018
tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere invulling van de door bevoegde autoriteiten te hanteren criteria bij hun beoordeling van de vraag of beheerders van significante benchmarks bepaalde vereisten dienen toe te passen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (1), en met name artikel 25, lid 9, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011 wordt de beheerder van een significante benchmark de mogelijkheid gelaten om een aantal bepalingen van die verordening niet toe te passen. Indien een beheerder ervoor kiest een of meer van die bepalingen niet toe te passen, heeft de bevoegde autoriteit de bevoegdheid om te beslissen dat de beheerder niettemin een of meer van die bepalingen moet toepassen. In artikel 25, lid 3, van die verordening worden de criteria vermeld waarmee een bevoegde autoriteit rekening moet houden bij het beoordelen van de vraag of het voor de beheerder passend is om die bepalingen toe te passen. |
|
(2) |
Bij de criteria waarmee een bevoegde autoriteit rekening moet houden, dient te worden gekeken naar de aard van de bepalingen op grond van Verordening (EU) 2016/1011 waarbij beheerders van significante benchmarks ervoor kunnen kiezen om deze niet toe te passen. Beheerders van significante benchmarks kunnen ervoor kiezen om een aantal bepalingen niet toe te passen op grond waarvan zij organisatorische maatregelen moeten opzetten ter beperking van het risico op belangenconflicten die ontstaan door de betrokkenheid van hun personeelsleden bij de aanlevering van de benchmark. Wanneer bevoegde autoriteiten rekening houden met de onder a), c) en i), van artikel 25, lid 3, van die verordening genoemde criteria, dienen zij ook na te gaan of, in plaats van de door die bepalingen opgelegde organisatorische maatregelen, andere adequate methoden voorhanden zijn om de integriteit van de benchmark te beschermen. |
|
(3) |
Wanneer bevoegde autoriteiten rekening houden met de in artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 genoemde criteria, dienen zij ook de impact van de benchmark na te gaan op een of meer specifieke markten, op de economie meer algemeen en het belang van de benchmark voor het verzekeren van de financiële stabiliteit. Daartoe dienen bevoegde autoriteiten gebruik te maken van informatie die publiek beschikbaar is of die hun via bekendmaking door de beheerder of anderszins beschikbaar wordt gesteld. |
|
(4) |
Wanneer bevoegde autoriteiten rekening houden met het onder f) van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 genoemde criterium, dienen zij ook na te gaan of de beheerder over adequate alternatieve technische middelen en controlemechanismen beschikt om de continuïteit van het aanbieden van de benchmark en de degelijkheid ervan te handhaven, gelet op de aard van de bepalingen waarvoor de beheerder heeft geopteerd om die niet toe te passen. |
|
(5) |
Beheerders dient voldoende tijd te worden gegeven om de naleving van de vereisten van deze verordening te waarborgen. Deze verordening dient derhalve twee maanden na de inwerkingtreding ervan van toepassing te worden. |
|
(6) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority — ESMA) bij de Commissie heeft ingediend. |
|
(7) |
ESMA heeft open publieke consultaties gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke kosten en baten van deze normen geanalyseerd en de Stakeholdergroep effecten en markten geraadpleegd die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 (2) is opgericht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De vatbaarheid van de benchmark voor manipulatie
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de vatbaarheid van de benchmark voor manipulatie, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
de vraag of de benchmark op transactiegegevens is gebaseerd; |
|
b) |
de vraag of de contribuanten onder toezicht staande entiteiten zijn; |
|
c) |
de vraag of maatregelen van toepassing zijn die de degelijkheid van de inputgegevens versterken; |
|
d) |
de vraag of de organisatiestructuur van de beheerder de stimulansen voor manipulatie vermindert; |
|
e) |
de vraag of de beheerder een financieel belang heeft bij financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken; |
|
f) |
de vraag of er bewezen gevallen van manipulatie zijn van diezelfde benchmark of van een benchmark met een vergelijkbare methodologie die wordt aangeleverd door een beheerder van vergelijkbare omvang en met een vergelijkbare organisatiestructuur. |
Artikel 2
De aard van de inputgegevens
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de aard van de inputgegevens, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
in gevallen waarin de inputgegevens transactiegegevens zijn: de vraag of de beheerder een deelnemer is aan de markt of de economische realiteit die de benchmark moet meten; |
|
b) |
in gevallen waarin de inputgegevens worden aangeleverd door contribuanten: de vraag of de contribuanten een financieel belang hebben bij financiële instrumenten of financiële overeenkomsten die de benchmark als referentie gebruiken, of baat zouden kunnen hebben bij de prestatie van een beleggingsfonds dat door de benchmark wordt gemeten; |
|
c) |
in gevallen waarin de inputgegevens afkomstig zijn van in een derde land gevestigde beurzen of handelssystemen: de vraag of op die beurzen of handelssystemen een regelgevings- en toezichtkader van toepassing is dat de integriteit van de inputgegevens in stand houdt; |
|
d) |
in gevallen waarin de inputgegevens uit bied- en laatprijzen bestaan: de vraag of die bied- en laatprijzen bindend of indicatief zijn en de vraag of daarop controlemechanismen van toepassing zijn. |
Artikel 3
De mate waarin sprake is van belangenconflicten
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de mate waarin sprake is van belangenconflicten, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
de vraag of de beheerder een financieel belang heeft bij financiële instrumenten of financiële overeenkomsten die de benchmark als referentie gebruiken, of baat zou kunnen hebben bij de prestatie van een beleggingsfonds dat door de benchmark wordt gemeten; |
|
b) |
in gevallen waarin de benchmark is gebaseerd op de aanlevering van inputgegevens: de vraag of de betrekkingen tussen de beheerder en de contribuanten worden beregeld door adequate controlemechanismen; |
|
c) |
de vraag of de beheerder beschikt over controles of andere maatregelen om potentiële belangenconflicten daadwerkelijk te mitigeren. |
Artikel 4
De omvang van de discretionaire bevoegdheid van de beheerder
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de omvang van de discretionaire bevoegdheid van de beheerder, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
in gevallen waarin de benchmarkmethodologie ruimte biedt voor professionele oordeelsvorming door de beheerder: de vraag of het gebruik van deze oordeelsvorming of de uitoefening van keuzevrijheid door de beheerder voldoende transparant is; |
|
b) |
in gevallen waarin de benchmark op ramingen is gebaseerd: de doeltreffendheid van de internecontrolemaatregelen waarover de beheerder beschikt. |
Artikel 5
De impact van de benchmark op markten
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de impact van de benchmark op markten, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
in gevallen waarin de benchmark voor een specifieke markt of voor specifieke markten van bijzonder belang is: de vraag of de onbetrouwbaarheid van de benchmark een disruptief effect zou hebben op het functioneren van die markt of markten en de vraag of er adequate substituten voor die benchmark bestaan; |
|
b) |
in gevallen waarin de benchmark op grond van punt b) van artikel 24, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011 als een significante benchmark kwalificeert en waarin de informatie aan de bevoegde autoriteit bekend is: relevante kwantitatieve verbanden tussen financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken, en de totale waarde van de betrokken instrumenten in een lidstaat. |
Artikel 6
De aard, omvang en complexiteit van het aanbieden van de benchmark
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de aard, omvang en complexiteit van het aanbieden van de benchmark, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
de mate waarin de inputgegevens op aangeleverde gegevens zijn gebaseerd, de vraag of de inputgegevens transactiegegevens zijn en de vroeg hoe deze verhouding tot uiting komt in de controlemechanismen waarover de beheerder beschikt; |
|
b) |
het volume te verwerken inputgegevens en het aantal gegevensbronnen; |
|
c) |
de vraag of de beheerder over voldoende technische middelen beschikt om de inputgegevens doorlopend en degelijk te verwerken; |
|
d) |
de vraag of de methodologie operationele risico's doet ontstaan bij de verwerking van de inputgegevens; |
|
e) |
de mate waarin de beheerder op contribuanten vertrouwt om de benchmark vast te stellen. |
Artikel 7
Het belang van de benchmark voor de financiële stabiliteit
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met het belang van de benchmark voor de financiële stabiliteit, omvatten ten minste een beoordeling van de verhouding tussen de totale waarde van de financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken, en de waarde van de totale activa van de financiële sector en de banksector in een lidstaat, voor zover die informatie de bevoegde autoriteit bekend is.
Artikel 8
De waarde van financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de waarde van financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
de totale waarde van alle financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken, op basis van alle looptijden van de benchmark, voor zover die de bevoegde autoriteit bekend zijn; |
|
b) |
de vraag of het gebruik van de benchmark is geconcentreerd in individuele categorieën financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of beleggingsfondsen; |
|
c) |
in gevallen waarin de benchmark op grond van artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/1011 een significante benchmark is en waarin de bevoegde autoriteit bekend is hoe dicht de totale waarde van financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en beleggingsfondsen die de benchmark als referentie gebruiken, bij de in artikel 20, lid 1, onder a) en artikel 20, lid 1, onder c), i), van die verordening genoemde drempels ligt. |
Artikel 9
De omvang, organisatievorm of structuur van de beheerder
De verdere criteria waarnaar de bevoegde autoriteit op grond van artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1011 moet kijken wanneer deze rekening houdt met de omvang, organisatievorm of structuur van de beheerder, omvatten ten minste de volgende punten:
|
a) |
in gevallen waarin het aanbieden van benchmark niet de kernactiviteit van de beheerder is: de vraag of het aanbieden van de benchmark organisatorisch gescheiden is, dan wel of er andere passende middelen voorhanden zijn om belangenconflicten te vermijden; |
|
b) |
in gevallen waarin de beheerder onderdeel is van een groep en een of meer entiteiten binnen de groep daadwerkelijke of potentiële gebruikers van de benchmark zijn: de vraag of de beheerder onafhankelijk handelt en de vraag of de beheerder beschikt over andere passende middelen om belangenconflicten te vermijden. |
Artikel 10
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 25 januar 2019.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 13 juli 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).