|
2.10.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 246/20 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1469 VAN DE COMMISSIE
van 1 oktober 2018
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Vorige onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 2320/1997 (2) heeft de Raad definitieve antidumpingrechten ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit onder meer Rusland. Bij Besluit 2000/70/EG van de Commissie (3) werd een verbintenis van een exporteur in Rusland aanvaard. Bij Verordening (EG) nr. 348/2000 (4) heeft de Raad antidumpingrechten ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne. Bij Verordening (EG) nr. 1322/2004 van de Raad (5) is besloten de geldende maatregelen voorzichtigheidshalve niet langer toe te passen op de invoer uit onder meer Rusland gezien vroegere concurrentiebeperkende gedragingen van bepaalde producenten in de Unie (zie overweging 9 van die verordening). |
|
(2) |
Na een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 258/2005 (6) de bij Verordening (EG) nr. 348/2000 ingestelde definitieve maatregelen gewijzigd, de mogelijkheid van vrijstelling van rechten als bedoeld in artikel 2 van die verordening ingetrokken en een antidumpingrecht van 38,8 % op de desbetreffende producten uit Kroatië en van 64,1 % op die uit Oekraïne ingesteld, met uitzondering van die van Dnepropetrovsk Tube Works, waarvoor een antidumpingrecht van 51,9 % gold. |
|
(3) |
Bij Besluit 2005/133/EG (7) heeft de Commissie de definitieve maatregelen voor Kroatië en Oekraïne met ingang van 18 februari 2005 voor een periode van negen maanden gedeeltelijk geschorst. De gedeeltelijke schorsing werd bij Verordening (EG) nr. 1866/2005 van de Raad (8) met één jaar verlengd. |
|
(4) |
Bij Verordening (EG) nr. 954/2006 (9) heeft de Raad definitieve antidumpingrechten ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen, uit onder meer Kroatië, Rusland en Oekraïne, de Verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 ingetrokken, het tussentijdse nieuwe onderzoek en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Rusland beëindigd, en de tussentijdse nieuwe onderzoeken ten aanzien van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Kroatië, Rusland en Oekraïne beëindigd. |
|
(5) |
Bij zijn arrest van 16 februari 2012 in de gevoegde zaken C-191/09 P en C-200/09 P, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP (10), heeft het Hof van Justitie de hogere voorziening afgewezen die de Raad had ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 maart 2009 houdende nietigverklaring van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 954/2006, voor zover dit betrekking had op het deel van het voor producten van Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (gezamenlijk de „Interpipe-groep”) vastgestelde antidumpingrecht dat hoger was dan het geval zou zijn geweest indien op de uitvoerprijs geen correctie wegens commissie was toegepast wanneer de verkopen via de verbonden handelsmaatschappij Sepco SA waren afgewikkeld (11). Overeenkomstig artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft de Commissie de maatregelen genomen welke nodig waren ter uitvoering van de arresten en het tarief van het antidumpingrecht voor de Interpipe-groep opnieuw berekend in overeenstemming met de aanwijzingen van het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2012 van de Raad (12) corrigeerde de aspecten van Verordening (EG) nr. 954/2006 die niet in overeenstemming waren bevonden met de basisverordening en aldus tot de nietigverklaring van delen van die verordening hadden geleid. Deze verordening heeft alle andere bevindingen in Verordening (EG) nr. 954/2006 onverlet gelaten. Na de herberekening is het antidumpingrecht dat momenteel voor het betrokken product van de Interpipe-groep van kracht is, aldus vastgesteld op 17,7 %. |
|
(6) |
Bij Verordening (EU) nr. 585/2012 (13) heeft de Raad, na nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, definitieve antidumpingrechten ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, en de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Kroatië, beëindigd („het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen”). |
|
(7) |
Na gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening heeft de Raad bij Verordening (EU) nr. 795/2012 (14) respectievelijk Verordening (EU) nr. 1269/2012 (15) de bij Verordening (EU) nr. 585/2012 ten aanzien van een aantal Russische en Oekraïense producenten-exporteurs ingestelde definitieve maatregelen gewijzigd. |
|
(8) |
De thans geldende antidumpingrechten zijn 35,8 % voor invoer van oorsprong uit Rusland, met uitzondering van Joint Stock Company Chelyabinsk Tube Rolling Plant en Joint Stock Company Pervouralsky Novotrubny Works (24,1 %), OAO Volzhsky Pipe Plant, OAO Taganrog Metallurgical Works, OAO Sinarsky Pipe Plant en OAO Seversky Tube Works (28,7 %), en 25,7 % voor invoer van oorsprong uit Oekraïne, met uitzondering van OJSC Dnepropetrovsk Tube Works (12,3 %) en LLC Interpipe Niko Tube en OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (13,8 %). |
1.2. Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(9) |
Op 4 juli 2017 heeft de Commissie door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (16) („bericht van opening”) de opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing waren op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd. |
|
(10) |
Het nieuwe onderzoek werd geopend naar aanleiding van een met bewijsmateriaal onderbouwd verzoek dat op 30 maart 2017 was ingediend door het Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union („de indiener van het verzoek”) namens producenten in de Unie die samen meer dan 25 % van de totale productie in de Unie van bepaalde naadloze buizen en pijpen vertegenwoordigen. Het verzoek werd ingediend omdat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting van de dumping uit Oekraïne en herhaling van de dumping uit Rusland en tot herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.3. Parallel gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek
|
(11) |
Op 7 mei 2018 heeft de Commissie een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening geopend betreffende de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit onder meer Oekraïne (17). Dit gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek is aangevraagd door één groep van producenten-exporteurs in Oekraïne, de Interpipe-groep, en de reikwijdte ervan is beperkt tot onderzoek van dumping voor zover het de indiener van het verzoek betreft. |
1.4. Onderzoek
Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(12) |
Het onderzoek naar de voortzetting of herhaling van de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2014 tot het eind van het TNO („de beoordelingsperiode”). |
Betrokken partijen
|
(13) |
De Commissie heeft de producenten-exporteurs, de importeurs, de haar bekende gebruikers, de vertegenwoordigers van de landen van uitvoer, de indiener van het verzoek en de in het verzoek genoemde producenten in de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
Samenstelling van een steekproef
|
(14) |
Gezien het grote aantal producenten-exporteurs in Rusland en Oekraïne en het grote aantal importeurs werd in het bericht van opening vermeld dat werd overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef van producenten-exporteurs en importeurs. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef inderdaad noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft zij bovengenoemde partijen verzocht zich binnen 15 dagen na de opening van het nieuwe onderzoek kenbaar te maken en haar de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken. |
|
(15) |
Slechts twee Russische producenten-exporteurs (TMK Group en ChTPZ Group, „de twee groepen van Russische producenten-exporteurs”) en één Oekraïense producent-exporteur (de Interpipe-groep) hebben zich binnen de termijn gemeld. Om deze reden werd besloten in het geval van de producenten-exporteurs geen steekproef toe te passen. |
|
(16) |
Geen enkele importeur heeft de in het bericht van opening gevraagde gegevens verstrekt en zich bereid verklaard om mee te werken met de Commissie. Vier importeurs hebben echter na inleiding van de procedure opmerkingen ingediend. Daarom heeft de Commissie besloten geen steekproef samen te stellen. |
|
(17) |
In het bericht van opening heeft de Commissie ook verklaard dat zij een voorlopige steekproef van producenten-exporteurs in de Unie had samengesteld overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening. Vóór de opening hadden twaalf producenten in de Unie de voor de samenstelling van de steekproef gevraagde gegevens verstrekt en zich bereid verklaard om mee te werken met de Commissie. Op basis van deze informatie had de Commissie een voorlopige steekproef samengesteld van drie producenten die representatief bleken te zijn voor de bedrijfstak van de Unie, wat het volume van hun productie en verkoop van het soortgelijke product in de Unie betreft. |
|
(18) |
Na onvoldoende medewerking van één van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en toepassing van de bepaling van artikel 18 van de basisverordening met betrekking tot deze onderneming, heeft de Commissie de voorlopig geselecteerde producent in kwestie vervangen door twee andere producenten in de Unie. Hiermee bestaat de uiteindelijke steekproef van de producenten in de Unie uit Arcelor Mittal Tubular Products, Benteler Steel Tube GmbH, Dalmine S.p.A. en Zeleziarne Podbrezova a.s. |
Vragenlijsten
|
(19) |
Er werden bijgevolg vragenlijsten toegestuurd aan de vijf in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (totaal van de oorspronkelijke en uiteindelijke steekproef), aan vier importeurs, aan de twee groepen van Russische producenten-exporteurs en aan de Interpipe-groep. |
|
(20) |
Geen van beide groepen van Russische producenten-exporteurs heeft de vragenlijst beantwoord. De Russische autoriteiten werden op de hoogte gebracht van de niet-medewerking en het voornemen van de Commissie om artikel 18 van de basisverordening toe te passen. |
|
(21) |
Niettemin hebben beide producenten opmerkingen gestuurd waarin zij de juistheid van het verzoek in twijfel trokken en argumenten aandroegen tegen de voortzetting van de maatregelen. |
|
(22) |
Antwoorden op de vragenlijsten werden ontvangen van de vijf producenten in de Unie en de enige medewerkende Oekraïense producent-exporteur. Er werd verder geen antwoord ontvangen van de vier importeurs in de Unie. |
Controlebezoeken
|
(23) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij nodig achtte om vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk was en om het belang van de Unie te bepalen, ingewonnen en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werden controlebezoeken uitgevoerd:
|
Vervolg van de procedure
|
(24) |
Op 13 juli 2018 deelde de Commissie de belangrijkste feiten en overwegingen mede op grond waarvan zij van plan is een definitief antidumpingrecht in te stellen op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne. |
|
(25) |
Er werden opmerkingen ontvangen van de twee groepen van Russische producenten-exporteurs, van de Interpipe-groep, van de Vertegenwoordiging van Oekraïne bij de Europese Unie en van de Permanente Vertegenwoordiging van de Russische Federatie bij de Europese Unie. Op 8 augustus 2018 vond een hoorzitting plaats tussen de twee groepen van Russische producenten-exporteurs, de Permanente Vertegenwoordiging van de Russische Federatie bij de Europese Unie en de diensten van de Commissie. Op dezelfde dag vond een hoorzitting plaats tussen de Interpipe-groep en de diensten van de Commissie. Gezien de opmerkingen van de Interpipe-groep werden aan de onderneming twee aanvullende informatiedocumenten betreffende de analyse met betrekking tot Oekraïne en bepaalde bedrijfsspecifieke kwesties verstrekt. |
|
(26) |
De opmerkingen van de belanghebbenden zijn onderzocht en indien passend in aanmerking genomen. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(27) |
Het betrokken product is hetzelfde als dat bij het jongste onderzoek, dat tot het instellen van de geldende maatregelen heeft geleid, namelijk bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal („NBP”), met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (18), van oorsprong uit Rusland en Oekraïne („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 11 00, ex 7304 19 10, ex 7304 19 30, ex 7304 22 00, ex 7304 23 00, ex 7304 24 00, ex 7304 29 10, ex 7304 29 30, ex 7304 31 80, ex 7304 39 58, ex 7304 39 92, ex 7304 39 93, ex 7304 51 89, ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 (19) (Taric-codes 7304110010, 7304191020, 7304193020, 7304220020, 7304230020, 7304240020, 7304291020, 7304293020, 7304318030, 7304395830, 7304399230, 7304399320, 7304518930, 7304599230 en 7304599320). |
|
(28) |
Het betrokken product wordt voor allerlei toepassingen gebruikt: als leidingbuizen voor het transport van vloeistoffen, als stutten in de bouwnijverheid, voor de machinebouw, als gas- of ketelbuizen, en als boorpijpen, exploitatiebuizen en bekledingsbuizen voor de oliewinning (oil country tubular goods, „OCTG”). |
|
(29) |
NBP worden in allerlei vormen aan de gebruikers geleverd. Zij kunnen bijvoorbeeld zijn gegalvaniseerd, voorzien zijn van schroefdraad, geen warmtebehandeling hebben ondergaan, speciale uiteinden of een verschillend profiel hebben of op maat zijn gezaagd. Er bestaan geen algemene standaardmaten voor de buizen; dat verklaart waarom de meeste NBP voor de klant op maat worden gemaakt. Gewoonlijk worden NBP aan elkaar gelast. In speciale gevallen kunnen zij door schroefdraad met elkaar zijn verbonden of als losse buis worden gebruikt, maar zij zijn altijd lasbaar. Uit het onderzoek is gebleken dat alle NBP dezelfde fysieke, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt. |
2.2. Soortgelijk product
|
(30) |
Net als eerdere onderzoeken en ook het jongste onderzoek heeft dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bevestigd dat het product dat uit Rusland en Oekraïne naar de Unie wordt uitgevoerd, het product dat in Rusland en Oekraïne wordt geproduceerd en op de respectieve binnenlandse markten wordt verkocht, en het product dat in de Unie door de producenten in de Unie wordt geproduceerd en verkocht dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt, en bijgevolg als soortgelijke producten worden beschouwd in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING
|
(31) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening onderzocht de Commissie of het waarschijnlijk is dat het vervallen van de maatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping leidt. |
3.1. Rusland
3.1.1. Dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek
3.1.1.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(32) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening onderzocht de Commissie eerst of voortzetting of herhaling van dumping bij uitvoer uit Rusland waarschijnlijk is indien de bestaande maatregelen komen te vervallen. |
|
(33) |
Bij gebrek aan medewerking van Russische producenten-exporteurs, zoals aangegeven in overweging 20, baseerde de Commissie haar algemene analyse, met inbegrip van de dumpingberekening, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens. |
|
(34) |
Bijgevolg werd de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping beoordeeld op basis van de gegevens in het verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, in combinatie met andere informatiebronnen, zoals gegevens die zijn verzameld op basis van artikel 14, lid 6, van de basisverordening, informatie in de ontvangen schriftelijke opmerkingen, waaronder Russische uitvoerstatistieken van de Russische federale douaneadministratie („RFCS”) (20), en statistische gegevens van de specialistische website Metal Expert (21). |
|
(35) |
Door het gebrek aan Russische medewerking was het voor de Commissie onmogelijk om per productsoort de normale waarde met de uitvoerprijs te vergelijken. Om deze reden werd zowel de normale waarde als de uitvoerprijs vastgesteld aan de hand van gemiddelde waarden, overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. |
3.1.1.2. Normale waarde
|
(36) |
Om de normale waarde vast te stellen, gebruikte de Commissie dezelfde methode als die welke door de indiener van het verzoek was toegepast. Deze methode is gebaseerd op de Russische binnenlandse prijsgegevens die beschikbaar zijn op Metal Expert. Aldus gebruikte de Commissie gemiddelde binnenlandse prijzen in Rusland (af fabriek) als vermeld op Metal Expert voor de twaalf maanden van juli 2016 tot en met juni 2017. |
3.1.1.3. Uitvoerprijs
|
(37) |
De prijzen bij uitvoer naar de Unie zijn vastgesteld aan de hand van de databank van artikel 14, lid 6, van de Commissie. |
3.1.1.4. Vergelijking
|
(38) |
De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken af fabriek. De normale waarde werd naar boven bijgesteld volgens de methode die door de indiener van het verzoek werd verstrekt (22) en op basis van de op Metal Expert beschikbare gegevens. De uitvoerprijs werd naar beneden bijgesteld tot een niveau af fabriek. Hiertoe werden leveringskosten, verzekering en provisie in mindering gebracht op basis van gegevens die beschikbaar waren in het verzoek. |
3.1.1.5. Dumping
|
(39) |
Op basis van het bovenstaande kwam de Commissie tot de berekening van een dumpingmarge voor Russische uitvoer naar de Unie van ongeveer 33 %. Het niveau van de invoer in het tijdvak van het nieuwe onderzoek was met 0,6 % van het verbruik in de Unie echter betrekkelijk laag. |
3.1.1.6. Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen
|
(40) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen dienden de twee groepen van Russische producenten-exporteurs gezamenlijk opmerkingen in naar aanleiding van het algemene informatiedocument van de Commissie. |
|
(41) |
Beide ondernemingen betwistten de wettigheid van de bestaande maatregelen. Ten eerste voerden zij aan dat de oorspronkelijke maatregelen onwettig waren omdat de Commissie een kostencorrectie op de normale waarde had toegepast op basis van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, hetgeen onwettig zou zijn volgens jurisprudentie van de WTO-beroepsinstantie (23). Ten tweede voerden zij aan dat de benadering van de Commissie ten opzichte van nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van maatregelen, waarbij de Commissie geen bedrijfsspecifieke bevindingen vaststelt (24), strijdig is met de letter en de geest van de basisverordening en de antidumpingovereenkomst van de WTO. |
|
(42) |
Het eerste argument werd verworpen omdat dit de berekening van het oorspronkelijke recht betreft, hetgeen buiten de werkingssfeer van deze procedure valt. Ten behoeve van het onderhavige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen moesten, omdat de Russische producenten-exporteurs niet meewerkten, de bepalingen van artikel 18 worden toegepast. Wat betreft het tweede argument, hebben de twee groepen van Russische producenten-exporteurs niet aangetoond waarom nationale vaststellingen in het kader van nieuwe onderzoeken in verband met het vervallen van een maatregel onwettig zouden zijn. Dit argument werd daarom eveneens verworpen. |
|
(43) |
Met betrekking tot de specifieke aspecten van het onderzoek betwistten de twee groepen van Russische producenten-exporteurs eerst de toepassing door de Commissie van artikel 18 van de basisverordening, en droegen zij aan dat de Commissie informatie had genegeerd die zij in de loop van het onderzoek hadden overgelegd. |
|
(44) |
Met betrekking tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening werden alle bekende Russische producenten-exporteurs na de opening van het onderzoek aangespoord de voor producenten-exporteurs bestemde vragenlijst in te vullen (25). Daarnaast ontving de Permanente Vertegenwoordiging van Rusland bij de EU blanco vragenlijsten en werd zij aangemoedigd contact op te nemen met (of de Commissie op de hoogte te stellen van) andere Russische producenten die ten tijde van de opening van het onderzoek mogelijk niet bij de Commissie bekend waren, om hen in de gelegenheid te stellen aan het onderzoek deel te nemen. |
|
(45) |
De twee groepen van Russische producenten-exporteurs die zich kenbaar hadden gemaakt, deelden de Commissie op 21 augustus 2017 mede dat zij hadden besloten geen volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen. Hierbij gaven zij aan dat zij hadden besloten de vragenlijst niet te beantwoorden en hun deelname vrijwillig te beperken tot het overleggen van slechts bepaalde gegevens (zoals productie en capaciteit, evenals prijzen bij uitvoer naar derde markten) en opmerkingen over een aantal aspecten van het onderzoek. De twee groepen van Russische producenten-exporteurs ontvingen niettemin een vragenlijst met de uitnodiging deze in te vullen. In de brief bij deze uitnodiging werd de Russische producenten-exporteurs ondubbelzinnig te verstaan gegeven dat de Commissie, indien zij geen antwoord zou krijgen op de vragenlijst, artikel 18 van de basisverordening zou toepassen. Van geen van beide werd een antwoord op de vragenlijst ontvangen. |
|
(46) |
Gezien dit feit stelde de Commissie de Russische autoriteiten op 22 maart 2018 in kennis van haar voornemen om artikel 18 van de basisverordening toe te passen. |
|
(47) |
Tijdens de hoorzitting van 8 augustus 2018 benadrukte de Commissie echter dat zij de gegevens die door de twee groepen van Russische producenten-exporteurs waren overgelegd, niet had genegeerd, zoals ten onrechte door hen werd beweerd. De Commissie lichtte toe dat zij de gegevens met betrekking tot capaciteit en productie die door de twee groepen van Russische producenten-exporteurs waren ingediend, immers had getoetst aan openbaar beschikbare gegevens, namelijk van Metal Expert. Daarnaast had de Commissie de Russische uitvoerstatistieken gebruikt die van de producenten-exporteurs waren ontvangen, zoals toegelicht in overweging 34. Het argument dat de Commissie de informatie afkomstig van de twee groepen van Russische producenten-exporteurs had genegeerd, werd daarom verworpen. |
|
(48) |
De twee groepen van Russische producenten-exporteurs merkten ook op dat zij de Commissie hadden uitgenodigd om controlebezoeken uit te voeren inzake de beperkte gegevens die zij hadden verstrekt en dat er geen controlebezoek had plaatsgevonden. |
|
(49) |
Volgens artikel 16 van de basisverordening moeten controlebezoeken worden afgelegd ingeval de Commissie dit nuttig oordeelt en kan de Commissie, indien niet tijdig een correct antwoord wordt ontvangen, besluiten van een dergelijk controlebezoek af te zien. Op die grondslag, en gezien het ontbreken van een correct antwoord op de vragenlijst in dit geval, oordeelde de Commissie dat er geen controlebezoek hoefde plaats te vinden. |
3.1.2. Waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping indien de maatregelen zouden worden ingetrokken
|
(50) |
Zoals hierboven vastgesteld, heeft Rusland de dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek voortgezet, maar was het niveau van de invoer in het tijdvak van het nieuwe onderzoek betrekkelijk laag. Daarom onderzocht de Commissie of het waarschijnlijk is dat het vervallen van de huidige antidumpingmaatregelen tot voortzetting of herhaling van de dumping zou leiden. Daarbij werd gekeken naar de productie en reservecapaciteit in Rusland, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en het gedrag van Russische exporteurs op andere markten. |
3.1.2.1. Reservecapaciteit
|
(51) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistten de twee groepen van Russische producenten-exporteurs de bevindingen van de Commissie betreffende de beschikbare reservecapaciteit in Rusland. De twee groepen van Russische producenten-exporteurs droegen met name aan dat de Commissie de beschikbare reservecapaciteit in Rusland had overschat. Deze reservecapaciteit was gebaseerd op gegevens uit marktonderzoek (Metal Expert) en werd geschat op meer dan 550 000 ton. |
|
(52) |
Tijdens de hoorzitting van 8 augustus 2018 gaf de Commissie toelichting bij de gegevens die zij had gebruikt bij de berekening van het cijfer dat werd gemeld in het algemene informatiedocument, te weten de openbaar beschikbare gegevens (zoals opgenomen in het dossier) ten tijde van het opstellen van het algemene informatiedocument. Naar aanleiding van de ontvangen opmerkingen en de discussies tijdens de hoorzitting nodigde de Commissie de twee groepen van Russische producenten-exporteurs uit de meest actuele en gedetailleerde gegevens over productie en capaciteit die zij beschikbaar hadden, over te leggen. De twee groepen van Russische producenten-exporteurs verstrekten deze informatie (op basis van Metal Expert) op 10 augustus 2018 aan de Commissie. Daarom maakte de Commissie voor de berekening van de productiecapaciteit gebruik van de bijgewerkte gegevens uit Metal Expert zoals op 10 augustus 2018 verstrekt door de twee groepen van Russische producenten-exporteurs. |
|
(53) |
De op deze wijze verkregen bijgewerkte cijfers over reservecapaciteit wezen op een reservecapaciteit in Rusland van 350 000 tot 380 000 ton gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Deze aanzienlijke overcapaciteit vertegenwoordigt meer dan 25 % van het verbruik in de Unie. |
3.1.2.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(54) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat de markt van de Unie om de hieronder vermelde redenen aantrekkelijk is voor Russische producenten. |
|
(55) |
Ten eerste kan de markt van de Unie qua omvang (een verbruik van ruim 1,3 miljoen ton in het tijdvak van het nieuwe onderzoek en 1,5 miljoen ton in 2014) worden beschouwd als een van de grootste NBP-markten wereldwijd. |
|
(56) |
Ten tweede wordt de Russische uitvoer naar de Verenigde Staten van Amerika, een van de belangrijkste Russische uitvoermarkten, mogelijk ten minste voor een deel beperkt nu de VS in het kader van maatregelen op grond van Section 232 van de US Trade Expansion Act een tarief van 25 % op staalproducten hebben ingesteld (26). Deze maatregelen gelden ook voor het betrokken product. Als gevolg hiervan zou de markt van de Unie aantrekkelijker worden, waardoor het risico zich zou voordoen dat handelsverkeer deels naar de Unie wordt verlegd. |
|
(57) |
Wat prijzen betreft, blijkt uit het niveau van prijsonderbieding in het tijdvak van het nieuwe onderzoek (zie overweging 137) dat het gemiddelde prijsniveau van Russische invoer op de markt van de Unie lager is dan dat van de producenten in de Unie. Daarom valt te verwachten dat de uitvoer blijft toenemen als de maatregelen worden ingetrokken. |
|
(58) |
Gezien het betrekkelijk lage niveau van de invoer in de Unie in het tijdvak van het nieuwe onderzoek (8 663 ton) analyseerde de Commissie ook de prijzen bij uitvoer uit Rusland naar andere derde markten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek zoals gerapporteerd in de officiële Russische uitvoerstatistieken van de RFCS, en vergeleek zij deze prijsniveaus met de prijzen van de invoer in de Unie. Uit deze analyse bleek dat Rusland op meerdere van zijn belangrijkste uitvoermarkten producten verkocht tegen prijzen die ongeveer gelijk waren aan of soms zelfs lager waren dan de prijzen van uitvoer die op de markt van de Unie was gedumpt. |
|
(59) |
Gezien de bevindingen in de overwegingen 50 tot en met 58 concludeerde de Commissie dat het zeer waarschijnlijk is dat als de maatregelen zouden vervallen, invoer met dumping vanuit Rusland zich in aanzienlijke volumes zou herhalen. |
3.1.2.3. Opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen
|
(60) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de twee groepen van Russische producenten-exporteurs aan dat het niet waarschijnlijk is dat de dumping wordt voortgezet indien de maatregelen worden ingetrokken. Zij betwistten de bevindingen van de Commissie voornamelijk door de prestaties van de Russische binnenlandse markt van NBP en de situatie op andere uitvoermarkten te benadrukken. Daarnaast voerden de Russische producenten-exporteurs aan dat de Commissie de door hen ingediende (openbaar beschikbare) gegevens had genegeerd die betrekking hadden op prijsniveaus bij uitvoer naar andere derde markten. |
|
(61) |
Dit argument is feitelijk onjuist. Tijdens de hoorzitting van 8 augustus 2018 heeft de Commissie de Russische producenten-exporteurs meegedeeld dat zij voor haar analyse rekening had gehouden met de gegevens die openbaar beschikbaar zijn in de Russische uitvoerstatistieken die door de twee groepen van Russische producenten-exporteurs zijn overgelegd (27). Op grond van deze gegevens bevestigde de Commissie dat gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek de prijzen bij uitvoer naar een aantal van de voornaamste uitvoermarkten van Rusland, goed voor een relevant aandeel van de totale Russische uitvoer van NBP, lager waren dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie (28). Daarom werd het argument afgewezen. |
|
(62) |
De twee groepen van Russische producenten-exporteurs voerden aan dat de conclusie van de Commissie betreffende de omvang van de markt van de Unie, zoals vermeld in overweging 55, „schromelijk overdreven” was. Ook voerden zij aan dat er andere markten zijn die aantrekkelijker zijn dan de markt van de Unie. |
|
(63) |
Ten eerste is het belang van de markt van de Unie specifiek aan de orde gesteld tijdens de hoorzitting van 8 augustus 2018, waarbij de vertegenwoordigers van de grootste Russische producent erkenden dat de markt van de Unie een van de belangrijkste markten voor het betrokken product was. Benadrukt moet worden dat de Commissie geen standpunt innam over de vraag of andere markten mogelijk aantrekkelijker waren dan de markt van de Unie. Wel stelde de Commissie vast dat de markt van de Unie aantrekkelijk was voor Russische producenten-exporteurs, om de in de overwegingen 55 tot en met 58 genoemde redenen. |
|
(64) |
In dit verband constateerde de Commissie tevens inconsistenties tussen het tekstgedeelte van de opmerkingen die van de Russische producenten-exporteurs zijn ontvangen en de feitelijke gegevens in deze opmerkingen. Met name wezen de Russische producenten-exporteurs erop dat de prijzen bij uitvoer naar bepaalde landen, zoals India, Turkije en de VAE, worden gesteld op „niveaus hoger dan prijzen bij uitvoer naar de Unie” (29). Deze bewering is feitelijk onjuist en is in tegenspraak met de feitelijke cijfers die door dezelfde partijen zijn overgelegd (30), waaruit duidelijk bleek dat in het tijdvak van het nieuwe onderzoek de prijzen bij uitvoer naar de Unie juist hoger waren (31). Daarom werd dit argument afgewezen. |
|
(65) |
De twee groepen van Russische producenten-exporteurs betwistten eveneens de conclusies van de Commissie dat na de toepassing van de maatregelen van de VS op grond van Section 232 het risico zou bestaan van verlegging van het handelsverkeer. Ook verwezen zij naar de voorlopige bevindingen van de Commissie betreffende het lopende vrijwaringsonderzoek van de EU betreffende bepaalde staalproducten, waarbij NBP voorlopig van toepassing van de maatregelen werden uitgesloten (32). |
|
(66) |
Wat het vrijwaringsonderzoek van de EU betreffende staal betreft, loopt de procedure nog. NBP zijn voorlopig van de maatregelen uitgesloten. Deze voorlopige uitsluiting van NBP van de voorlopige vrijwaringsmaatregelen was echter niet gebaseerd op het ontbreken van verlegging van het handelsverkeer (zoals ten onrechte aangevoerd door de Russische producenten-exporteurs), maar op het uitblijven van toename van de invoer (33). |
|
(67) |
Met betrekking tot het potentiële effect van de maatregelen op grond van Section 232 blijft de Commissie op het standpunt dat het risico van verlegging van het handelsverkeer niet kan worden uitgesloten en dat dit risico ongetwijfeld waarschijnlijker zou worden als de huidige maatregelen zouden vervallen. Opgemerkt moet worden dat met een tarief van 25 % in de Verenigde Staten van Amerika tegenover een tarief van 0 % in de Unie, als de tarieven zouden vervallen, de markt van de Unie voor Russische producenten-exporteurs duidelijk aantrekkelijker zou worden dan onder de huidige omstandigheden, namelijk met antidumpingrechten op beide markten. De invoertrends in de VS zijn dan ook niet indicatief gezien het feit dat de maatregelen van de Unie van kracht blijven en dat de prikkel om van markt te wisselen mogelijk niet zo relevant is als het geval zou zijn indien er geen sprake was van maatregelen in de Unie. |
|
(68) |
De twee groepen van Russische producenten-exporteurs voerden ook aan dat bepaalde Russische producenten-exporteurs zeer waarschijnlijk bepaalde vrijstellingen van de maatregelen op grond van Section 232 zouden krijgen. De Commissie merkte op dat uit het bewijs (34) dat in dit verband ter beschikking was gesteld, niet kon worden afgeleid dat een bepaalde Russische producent waarschijnlijk van de maatregelen zou worden vrijgesteld. Bij gebrek aan solide bewijs in dit opzicht wees de Commissie dit argument dan ook van de hand. |
|
(69) |
Ten slotte voerden de twee groepen van Russische producenten-exporteurs aan dat het, gezien de beperkte uitgevoerde hoeveelheden in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, onwaarschijnlijk was dat het intrekken van de maatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping zou leiden. |
|
(70) |
De Commissie verwees naar haar bevindingen betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping in de overwegingen 50 tot en met 68, en benadrukte dat de analyse van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping prospectief van aard is. Dit argument werd daarom van de hand gewezen. |
3.2. Oekraïne
3.2.1. Dumping in het tijdvak van het nieuwe onderzoek
3.2.1.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(71) |
Er zijn drie bekende producenten van NBP in Oekraïne, waarvan er één, de Interpipe-groep, aan het onderzoek heeft meegewerkt. De Interpipe-groep is veruit de grootste producent in Oekraïne. Volgens de handelsstatistieken bedroeg de uitvoer van NBP naar de Unie door de Interpipe-groep gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek ongeveer 87 % van de totale invoer uit Oekraïne in die periode (35). Dit komt neer op 80 711 ton of 6 % van het verbruik in de Unie gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De door de Interpipe-groep verstrekte gegevens werden ter plaatse in Oekraïne gecontroleerd, evenals ter plaatse bij de verbonden handelaar van de Interpipe-groep in Zwitserland en de verbonden importeur in Duitsland. Na controle corrigeerde de Commissie bepaalde oorspronkelijk door de Interpipe-groep verstrekte gegevens, voornamelijk met betrekking tot VAA- en CIF-waarden. |
|
(72) |
De producenten-exporteurs LLC Interpipe Niko Tube („Niko Tube”) en OJSC Interpipe NTRP („NTRP”) zijn volledige dochterondernemingen van de Interpipe-groep. Overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie is voor de twee producenten-exporteurs een gemeenschappelijke dumpingmarge berekend. Eerst werd het bedrag van de dumping voor elke afzonderlijke producent-exporteur berekend en vervolgens werd een gewogen gemiddelde van de afzonderlijke dumpingmarges op het niveau van de Interpipe-groep vastgesteld. |
|
(73) |
Gezien de aanzienlijke uitvoer naar de Unie door de Interpipe-groep in het tijdvak van het nieuwe onderzoek was de analyse van de voortzetting van dumping tijdens die periode voornamelijk gebaseerd op de gecontroleerde, door de Interpipe-groep verstrekte gegevens. |
3.2.1.2. Normale waarde
|
(74) |
Eerst heeft de Commissie onderzocht of de totale binnenlandse verkoop van iedere medewerkende producent-exporteur representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ten minste 5 % bedraagt van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie. Op basis hiervan bleek uit het onderzoek dat voor beide producenten-exporteurs de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt representatief was. |
|
(75) |
Vervolgens is de Commissie nagegaan welke productsoorten die op de binnenlandse markt waren verkocht, identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de door de Interpipe-groep uitgevoerde productsoorten. |
|
(76) |
Daarna heeft de Commissie onderzocht of de binnenlandse verkoop van de Interpipe-groep voor elke productsoort die identiek is aan of vergelijkbaar is met een voor uitvoer bestemde productsoort, representatief was overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het tijdvak van het nieuwe onderzoek ten minste 5 % bedroeg van het totale omvang van de uitvoer van de identieke of vergelijkbare productsoort. De Commissie stelde vast dat de omvang van de binnenlandse verkoop voor de meeste productsoorten representatief was. |
|
(77) |
Vervolgens heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het tijdvak van het nieuwe onderzoek bepaald om vast te stellen of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde. |
|
(78) |
De normale waarde werd gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
In het onderhavige geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort in het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(79) |
De normale waarde werd gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkoop van de productsoorten in het tijdvak van het nieuwe onderzoek indien:
|
|
(80) |
Wanneer er geen verkoop van een productsoort van het soortgelijke product in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden of een productsoort niet in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt was afgezet, berekende de Commissie de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(81) |
De normale waarde werd vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van elke medewerkende producent-exporteur in het tijdvak van het nieuwe onderzoek te vermeerderen met:
|
|
(82) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte de Interpipe-groep een aantal elementen die de Commissie bij het berekenen van de normale waarde had gebruikt. De argumenten hadden betrekking op de volgende kwesties: i) berekening van VAA-kosten tussen verbonden ondernemingen; ii) gebruik van financiële kosten die voortvloeien uit [vertrouwelijk] (36); iii) koerswinsten of -verliezen die voortvloeien uit [vertrouwelijk], en iv) bepaalde kredietkosten moeten in aanmerking worden genomen. |
|
(83) |
Met betrekking tot het eerste element heeft de Commissie de Interpipe-groep in het tweede aanvullende informatiedocument laten weten wat het effect zou zijn op de dumpingmarge en de daarop volgende bevindingen indien het argument werd aanvaard. Ook heeft de Commissie een voorlopige berekening hiervan verstrekt, volgens dezelfde benadering als in het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Na analyse van alle elementen heeft de Commissie het argument van de Interpipe-groep met betrekking tot dit punt aanvaard en daarom de dumpingmarge dienovereenkomstig verlaagd (zie overweging 90). De argumenten ii) en iii) zijn door de Commissie verworpen. Wegens de vertrouwelijke aard van de gegevens die bij de analyse zijn betrokken, heeft de Commissie op de dag van de bekendmaking van deze verordening een afzonderlijke uitleg verstrekt aan de Interpipe-groep. |
|
(84) |
Met betrekking tot het argument dat bij de dumpingberekening kredietkosten in aanmerking hadden moeten worden genomen, bleef de Commissie op het standpunt (zoals uitgelegd in het specifieke informatiedocument van 13 juli 2018) dat de onderneming had nagelaten de Commissie het gevraagde bewijs ter ondersteuning van haar argument over te leggen. Derhalve werd dit argument verworpen. |
3.2.1.3. Uitvoerprijs
|
(85) |
De producenten-exporteurs voerden het betrokken product uit naar onafhankelijke afnemers in de Unie via een aantal verbonden ondernemingen die optraden als handelaar en/of importeur. |
|
(86) |
Wanneer de producent-exporteur het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Unie had uitgevoerd via een verbonden onderneming die optrad als handelaar (Interpipe Europe SA), werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de voor het betrokken product bij uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijzen. |
|
(87) |
Wanneer de producenten-exporteurs het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming (Interpipe Central Trade GmbH) naar de Unie uitvoerden, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. Correcties op de uitvoerprijs krachtens artikel 2, lid 9, van de basisverordening werden toegepast op de transacties waarbij de verbonden importeur in Duitsland was betrokken. De verkoopprijs van de verbonden importeur voor niet-verbonden afnemers werd terugwerkend gecorrigeerd tot een prijs af fabriek, door aftrek van de VAA-kosten van de verbonden importeur, een redelijke winstmarge en andere vergoedingen, waar van toepassing. |
|
(88) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Interpipe-groep aan dat de cif-prijs van Interpipe Europe opnieuw moest worden onderzocht wegens een discrepantie tussen de berekening en de tekst van de uitleg in de ondernemingsspecifieke mededeling van de definitieve bevindingen. De Commissie constateerde inderdaad dat het tekstgedeelte van de specifieke mededeling geen juiste afspiegeling vormde van de wijze waarop de cif-berekening was uitgevoerd. De Commissie heeft daarom de tekst van de specifieke mededeling gecorrigeerd en bevestigd dat de berekening was uitgevoerd op basis van de bevindingen zoals tijdens het controlebezoek besproken met de onderneming. |
3.2.1.4. Vergelijking
|
(89) |
De prijzen bij uitvoer naar de Unie van de Interpipe-groep werden vergeleken met de normale waarde van haar binnenlandse verkoop op het niveau af fabriek. Om een eerlijke vergelijking te waarborgen, werd rekening gehouden met verschillen die van invloed zijn op de prijsvergelijkbaarheid, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening. In dit verband werden correcties toegepast voor vervoerskosten en provisies die van invloed zijn op de normale waarde en uitvoerprijs. |
3.2.1.5. Dumping
|
(90) |
Op basis van het bovenstaande werd in het tijdvak van het nieuwe onderzoek voor de Interpipe-groep een dumpingmarge van 21,6 % vastgesteld. Gezien het feit dat de Interpipe-groep de grootste Oekraïense producent is en goed was voor het leeuwendeel van de invoer uit Oekraïne in het tijdvak van het nieuwe onderzoek, zoals uitgelegd in overweging 71, concludeerde de Commissie dat de voor de Interpipe-groep vastgestelde dumping representatief was voor Oekraïne op nationaal niveau. |
|
(91) |
Aldus stelde de Commissie vast dat de dumping uit Oekraïne in het tijdvak van het nieuwe onderzoek was voortgezet. |
3.2.2. Waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping indien de maatregelen zouden worden ingetrokken
|
(92) |
Hierboven is vastgesteld dat Oekraïne in het tijdvak van het nieuwe onderzoek de dumping heeft voortgezet. De invoer uit Oekraïne bereikte in het tijdvak van het nieuwe onderzoek 80 711 ton, wat goed is voor een marktaandeel van 6 % op de markt van de Unie (37). In aansluiting op deze bevindingen analyseerde de Commissie of het waarschijnlijk was dat de dumping uit Oekraïne zou worden voortgezet als de huidige antidumpingmaatregelen zouden vervallen. Daarbij werd gekeken naar de productie en reservecapaciteit in Oekraïne, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en het gedrag van Oekraïense exporteurs op andere markten. |
3.2.2.1. Reservecapaciteit
|
(93) |
De reservecapaciteit werd als volgt berekend. De reservecapaciteit van de Interpipe-groep kon worden vastgesteld op basis van de opgegeven en naar behoren gecontroleerde gegevens. De andere twee producenten van het betrokken product in Oekraïne hebben de vragenlijst niet beantwoord. Zij hebben slechts bepaalde informatie over hun productie en productiecapaciteit verstrekt in schriftelijke opmerkingen. Deze informatie werd geanalyseerd en vergeleken met marktinformatiebronnen, met name Metal Expert. Daarom werd de reservecapaciteit voor Oekraïne geschat op ten minste 500 000 ton, oftewel circa 40 % van het verbruik in de Unie (38). |
|
(94) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte de Interpipe-groep het hierboven genoemde cijfer voor de reservecapaciteit en voerde eerst aan dat het [80 000-100 000 ton] hoorde te zijn. Naar aanleiding van de ontvangen opmerkingen verstrekte de Commissie gedetailleerde uitleg en verklaringen in haar eerste aanvullende informatiedocument gericht aan de Interpipe-groep, tijdens de hoorzitting met de onderneming en ook in het tweede aanvullende informatiedocument gericht aan de Interpipe-groep. In haar opmerkingen bij het eerste aanvullende informatiedocument en tijdens de hoorzitting bevestigde de Interpipe-groep dat zij het eens was met de door de Commissie berekende reservecapaciteit voor wat betreft de Interpipe-groep, die aanzienlijk hoger was dan het cijfer in haar opmerkingen bij de mededeling van de definitieve bevindingen. Niettemin bleef de Interpipe-groep de berekening van de capaciteit betwisten met betrekking tot de andere twee Oekraïense producenten. |
|
(95) |
In dit verband bracht de Commissie bij de Interpipe-groep in herinnering dat geen van de twee ondernemingen volledig met de Commissie had meegewerkt, aangezien zij slechts bepaalde informatie met betrekking tot productie en/of productiecapaciteit hadden overgelegd. Daarnaast wees zij erop dat de door deze partijen verstrekte informatie niettemin, en in tegenstelling tot wat de Interpipe-groep beweerde, door de Commissie in aanmerking is genomen in haar analyse. De Commissie heeft de informatie die in deze opmerkingen is verstrekt immers getoetst aan openbaar beschikbare gegevens uit Metal Expert. |
|
(96) |
Voor één van deze partijen waren de Metal Expert-gegevens verenigbaar met de bewering van de onderneming dat de productiecapaciteit gedurende de beoordelingsperiode sterk was teruggelopen. Voor het berekenen van de reservecapaciteit ging de Commissie dan ook uit van de verminderde productiecapaciteit zoals opgegeven in Metal Expert. Niettemin bleef de Interpipe-groep na de verstrekking van dit aanvullende informatiedocument het aldus vastgestelde cijfer voor de reservecapaciteit betwisten. De Commissie verwierp dit argument om de onderstaande redenen. |
|
(97) |
De betrokken onderneming verstrekte in haar eigen opmerking geen cijfers met betrekking tot productiecapaciteit. Zij merkte slechts op dat er minder mensen in dienst zijn (afname van 60 tot 75 % van het personeel) en dat de productie [4 000 tot 10 000] MT per jaar bedroeg. Bovendien verstrekte de Interpipe-groep in haar opmerkingen na de verstrekking van het aanvullende informatiedocument geen enkele schatting van de productiecapaciteit van de betrokken onderneming. |
|
(98) |
Daarom volgt uit de opmerkingen van de Interpipe-groep en van de betrokken onderneming dat de Commissie niet eens over een uitgangspunt beschikte om een schatting te maken van de productie- en reservecapaciteit voor deze onderneming. De Commissie concludeerde niettemin dat het argument van de betrokken onderneming werd bevestigd door openbaar beschikbare gegevens, omdat de lagere productiecapaciteit werd weerspiegeld in het cijfer van productiecapaciteit in Metal Expert voor de onderneming. De Commissie besloot derhalve de reservecapaciteit te berekenen op basis van de productiegegevens die door de betrokken onderneming zijn verstrekt en de gegevens over productiecapaciteit die in Metal Expert zijn opgegeven. |
|
(99) |
Het argument dat de onderneming haar productiecapaciteit sterk had ingeperkt is dan ook door de Commissie aanvaard. Het argument van de Interpipe-groep is daarom ongegrond. |
|
(100) |
Wat betreft de derde producent, constateerde de Commissie aanzienlijke discrepanties tussen de gegevens die door de producent waren verstrekt en openbaar beschikbare gegevens. De Commissie vertrouwde daarom voor het berekenen van de reservecapaciteit op de productiecapaciteit zoals gemeld in Metal Expert. De Interpipe-groep voerde aan dat de Commissie aannamen zou moeten doen op basis van een beweerde controle van die onderneming die is uitgevoerd in het kader van een ander antidumpingonderzoek dat meer dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. De Commissie is van mening dat zij door recente cijfers te gebruiken nauwkeurigere en betrouwbaardere informatie over productie en reservecapaciteit verkrijgt in het kader van dit onderzoek. |
|
(101) |
In dit verband merkt de Commissie op dat de producent in kwestie in meerdere opmerkingen aan de Commissie (39) heeft bevestigd dat het aantal aanwezige productielijnen de laatste jaren niet is veranderd (hoewel sommige hiervan naar verluidt momenteel niet in gebruik zijn). Daarom, en gezien het ontbreken van een antwoord op de vragenlijst, kon de Commissie niet nagaan of de beweringen van de onderneming een rechtvaardiging zouden zijn om het argument van verminderde productiecapaciteit te aanvaarden. |
|
(102) |
Na de verstrekking van het specifieke aanvullende informatiedocument legde de Interpipe-groep een document over dat, naar haar mening, deze berekening ongeldig maakte met betrekking tot de andere twee Oekraïense producenten. Het document was echter in tegenspraak met gegevens uit marktonderzoek waarover de Commissie beschikt en die de berekening van de Commissie juist bevestigen. Uit deze gegevens uit marktonderzoek bleek dat de productiecapaciteit van de andere twee Oekraïense producenten-exporteurs aanzienlijk hoger was dan het door de Interpipe-groep verstrekte document aangaf. |
|
(103) |
De Commissie bevestigt daarom haar vaststelling met betrekking tot reservecapaciteit in Oekraïne, zoals uiteengezet in overweging 93. |
3.2.2.2. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie
|
(104) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat de markt van de Unie ook aantrekkelijk is voor de Oekraïense producenten-exporteurs, om de onderstaande redenen. |
|
(105) |
Ten eerste kan de markt van de Unie qua omvang (een verbruik van ruim 1,3 miljoen ton in het tijdvak van het nieuwe onderzoek en 1,5 miljoen ton in 2014) worden beschouwd als een van de grootste NBP-markten wereldwijd. |
|
(106) |
Ten tweede blijkt, wat prijzen betreft, uit het niveau van prijsonderbieding in het tijdvak van het nieuwe onderzoek (zie overweging 136) dat het gemiddelde prijsniveau van de Oekraïense invoer op de markt van de Unie lager is dan dat van de producenten in de Unie. Daarom valt te verwachten dat de uitvoer blijft toenemen als de maatregelen worden ingetrokken. |
|
(107) |
Ten derde heeft Oekraïne, ondanks het geldende antidumpingrecht, de afgelopen jaren het niveau van de invoer gestaag opgevoerd (van minder dan 2 % marktaandeel in 2012 tot 6 % in het tijdvak van het nieuwe onderzoek). Dit bevestigt dat de markt van de Unie ondanks de ingestelde rechten nog steeds een aantrekkelijke markt is. |
|
(108) |
Ten vierde wordt de Oekraïense uitvoer naar de Verenigde Staten van Amerika, een van de belangrijkste Oekraïense uitvoermarkten, mogelijk ten minste voor een deel beperkt nu de VS in het kader van maatregelen op grond van Section 232 van de US Trade Expansion Act een tarief van 25 % op staalproducten hebben ingesteld (40). Deze maatregelen gelden ook voor het betrokken product. Als gevolg hiervan zou de markt van de Unie aantrekkelijker worden, waardoor het risico zich zou voordoen dat handelsverkeer deels naar de Unie wordt verlegd. Dit moet worden gezien naast andere bestaande handelsbelemmeringen op derde markten (zie overweging 116). |
|
(109) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte de Interpipe-groep de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie. |
|
(110) |
De Interpipe-groep betwistte met name de beoordeling van de Commissie met betrekking tot het potentiële effect van maatregelen op grond van Section 232 en de toenemende invoer uit Oekraïne gedurende de beoordelingsperiode. |
|
(111) |
Met betrekking tot het eerste punt betwistte de Interpipe-groep de analyse van de Commissie aangaande het potentiële effect dat maatregelen op grond van Section 232 op de markt zouden hebben. De Interpipe-groep was met name van oordeel dat er geen risico was van verlegging van het handelsverkeer naar de markt van de Unie. Tevens wees de Interpipe-groep op de voorlopige maatregelen van de Commissie in het kader van het vrijwaringsonderzoek naar staalproducten waar het NBP betreft. |
|
(112) |
Ten eerste, zoals vermeld in overweging 66 in de voorlopige maatregelen die zijn ingesteld in het kader van het vrijwaringsonderzoek, is inderdaad besloten NBP buiten het toepassingsgebied van de voorlopige maatregelen te laten vallen. Deze voorlopige uitsluiting werd echter niet gedaan omdat er geen sprake zou zijn van risico van verlegging van handelsverkeer, maar omdat het niveau van de invoer van dit product over het geheel gedurende het tijdvak in kwestie geen stijging had vertoond. |
|
(113) |
Ten tweede erkende de Interpipe-groep dat het bij haar uitvoer naar de VS deels gaat om OCTG-typen, maar ook om buizen voor algemeen gebruik en leidingbuizen, het producttype dat zij in hoofdzaak naar de Unie uitvoert. De Interpipe-groep voerde ook aan dat de uitvoer naar de VS tot en met mei 2018 was toegenomen. |
|
(114) |
De Commissie blijft op het standpunt dat het risico bestaat dat ten minste een deel van de hoeveelheden die momenteel uit Oekraïne naar de VS worden uitgevoerd, naar de Unie kan worden verlegd indien de maatregelen vervallen. Dit risico betreft met name standaard NBP. Opgemerkt moet worden dat met een tarief van 25 % in de Verenigde Staten van Amerika op de „standaard NBP” tegenover een tarief van 0 % in de Unie, als de tarieven zouden vervallen, de markt van de Unie voor Oekraïense producenten-exporteurs duidelijk aantrekkelijker zou worden dan onder de huidige omstandigheden, namelijk met antidumpingrechten op beide markten. De trends zijn dan ook niet indicatief gezien het feit dat de maatregelen van de Unie van kracht blijven en dat de prikkel om van markt te wisselen mogelijk niet zo relevant is als het geval zou zijn indien er geen sprake was van maatregelen in de Unie. Het feit dat sommige landen en/of specifieke ondernemingen al vrijstellingen van de maatregelen op grond van Section 232 hebben gekregen, zou het voor Oekraïense producenten bovendien lastiger maken om op de Amerikaanse markt te concurreren (41). |
|
(115) |
Bovendien is de Commissie van mening dat het risico van verlegging van het handelsverkeer niet kan worden uitgesloten en dat dit risico ongetwijfeld waarschijnlijker zou worden als de huidige maatregelen zouden vervallen. |
|
(116) |
Ten slotte moeten de maatregelen op grond van Section 232 waar het Oekraïne betreft ook worden gezien in een bredere context, namelijk de talrijke handelsbelemmeringen waarmee Oekraïense producenten van NBP momenteel worden geconfronteerd op sommige derde markten, te weten antidumpingmaatregelen in Brazilië, Canada, Mexico en Rusland. |
|
(117) |
Gezien al het bovenstaande blijft de Commissie dan ook op het standpunt dat de markt van de Unie zonder een antidumpingrecht nog aantrekkelijker zou worden en daarom waarschijnlijk een grotere hoeveelheid invoer met dumping uit Oekraïne zou ontvangen. |
3.2.2.3. Andere opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen
|
(118) |
De Interpipe-groep voerde verschillende argumenten aan die verband hielden met de ontwikkelingen van het verbruik op de Oekraïense markt en de diversificatie van haar uitvoermarkten. Ten eerste voerde de Interpipe-groep aan dat de ontwikkeling van haar uitvoerniveau en marktaandeel gelijk loopt met of anderszins in overeenstemming is met de ontwikkeling van het verbruik in de Unie, en dat de ontwikkeling van de invoer en het bijbehorende marktaandeel geen risico kunnen vormen voor de bedrijfstak van de Unie. Ten tweede voerde de Interpipe-groep aan dat gezien de ongekende groei op de Oekraïense markt het niet mogelijk was de verkoop van NBP aan de Unie te vergroten. De Interpipe-groep concludeerde dat de groei op de binnenlandse markt eventuele overproductie in Oekraïne kon absorberen. In dezelfde geest wees de Interpipe-groep ook op een meer gediversifieerd portfolio van uitvoerproducten om de bevinding van de Commissie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping te betwisten. De Commissie heeft deze argumenten behandeld in het tweede aanvullende informatiedocument gericht aan de Interpipe-groep. |
|
(119) |
De Commissie heeft deze argumenten overwogen maar betwist. Het eerste punt van dit argument is feitelijk onjuist en het tweede punt is in strijd met de feiten zoals vastgesteld in dit onderzoek. |
|
(120) |
Wat bijvoorbeeld het eerste punt betreft, steeg in 2015 de uitvoer van Oekraïne met 20 %, terwijl het verbruik in de Unie met 9 % daalde. Bovendien steeg over het geheel genomen het marktaandeel van Oekraïne in de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 27 % (1,3 procentpunt), terwijl het verbruik in de Unie in dezelfde periode met 10 % daalde. |
|
(121) |
De Commissie bevestigde dan ook dat, gedurende de beoordelingsperiode, de invoer uit Oekraïne in de Unie aanzienlijk toenam (tot een marktaandeel van 6 %), terwijl het verbruik afnam en ondanks de maatregelen die van kracht waren. Zoals hierboven vastgesteld in de analyse van de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping, is het waarschijnlijk dat indien maatregelen uitblijven het aandeel van de invoer met dumping uit Oekraïne verder zal toenemen. Het argument van de Interpipe-groep werd daarom verworpen. |
|
(122) |
Met betrekking tot het tweede punt van overweging 118 bleef de Commissie op het standpunt dat uit de feiten ondubbelzinnig blijkt dat het uitvoergedrag van Oekraïense producenten-exporteurs op de markt van de Unie zich anders ontwikkelt dan volgens de prognoses van de Interpipe-groep het geval zou zijn. De Commissie betwistte de trends in binnenlands verbruik en andere uitvoerbestemmingen die door de Interpipe-groep waren beschreven niet. Wel wees de Commissie erop dat de conclusies/voorspellingen van de Interpipe-groep op grond van deze trends (met betrekking tot hoe deze van invloed zouden zijn op de benadering van de markt van de Unie door de producenten in Oekraïne) strijdig waren met de feiten, te weten een toename van de invoer in de Unie, zelfs terwijl er een antidumpingrecht van kracht is. Ten slotte verwijst de Commissie in verband met het argument van diversificatie van uitvoer naar overweging 116, waarin werd getoond dat er momenteel meerdere handelsbelemmeringen tegen Oekraïne van kracht zijn op een aantal relevante derde markten. De beweerde toename van uitvoerbestemmingen moet dan ook worden beschouwd samen met de bovengenoemde handelsbelemmeringen op andere markten. |
|
(123) |
Bijgevolg werd dit argument afgewezen, gezien de bevindingen met betrekking tot de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie, reservecapaciteit en bepaalde handelsbelemmeringen op sommige derde markten. |
|
(124) |
Ten slotte betwistte de Interpipe-groep de analyse van de Commissie met betrekking tot een naderende jointventureovereenkomst met een van de „belangrijkste producenten in de EU”. De Commissie lichtte haar beoordeling met betrekking tot deze kwestie toe in het tweede aanvullende informatiedocument gericht aan de onderneming. Ten eerste is de naderende joint venture volgens de informatie die de Commissie beschikbaar heeft niet door alle betrokken mededingingsautoriteiten goedgekeurd. Bijgevolg kan in dit stadium niet worden geconcludeerd of deze joint venture effect kan hebben op de uitvoer van NBP van de Interpipe-groep naar de Unie, en zo ja, welk. Ten tweede bevestigde de Interpipe-groep dat de joint venture nog niet is opgericht. Ten derde verwijst de Commissie naar haar beoordeling in het tweede aanvullende informatiedocument gericht aan de onderneming, waarin zij tevens het feit benadrukte dat zij, ondanks herhaalde verzoeken, geen toegang had gekregen tot de details van de jointventureovereenkomst in kwestie, zodat effecten van bijvoorbeeld potentiële toekomstige productie niet konden worden beoordeeld. Daarom konden er op dat moment nog geen conclusies over de effecten van deze joint venture worden getrokken. Niettemin voegt de Commissie er voorts aan toe dat de argumenten met betrekking tot het potentiële effect van de joint venture op de markt van de Unie en de argumenten van de Interpipe-groep betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping sterk met elkaar in tegenspraak zijn waar het het (on)vermogen van de Interpipe-groep betreft om de uitvoer naar de Unie te vergroten (42). |
3.3. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumpingindien de maatregelen zouden worden ingetrokken
|
(125) |
Gezien: i) de voortzetting van dumping uit beide landen in het tijdvak van het nieuwe onderzoek; ii) de aanzienlijke beschikbare reservecapaciteit (gezamenlijk meer dan 800 000 ton), en iii) de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het zeer waarschijnlijk is dat als de maatregelen zouden vervallen, invoer met dumping vanuit Oekraïne en Rusland zou blijven toenemen respectievelijk zich met aanzienlijke volumes zou herhalen. |
4. PRODUCTIE IN DE UNIE EN BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(126) |
In de beoordelingsperiode werd het soortgelijke product in de Unie door 18 producenten vervaardigd. Zij worden als de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening beschouwd en worden hierna „de bedrijfstak van de Unie” genoemd. |
|
(127) |
Om de totale productie in de Unie voor het tijdvak van het nieuwe onderzoek te bepalen, werden alle beschikbare gegevens met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie gebruikt, zoals de in het verzoek verstrekte informatie, de gegevens van de producenten in de Unie en de indiener van het verzoek die werden verzameld voordat en nadat de procedure werd ingeleid, alsmede de door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ingevulde vragenlijsten. |
|
(128) |
Op basis hiervan werd de totale productie in de Unie gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek geschat op ongeveer 2,25 miljoen ton. Dit cijfer omvat de productie van alle producenten in de Unie, zowel zij die wel als zij die niet in de steekproef zijn opgenomen, berekend op basis van gecontroleerde, door de indiener van het verzoek verstrekte gegevens. |
|
(129) |
Zoals aangegeven in de overwegingen 17 en 18 werd een uiteindelijke steekproef van vier producenten geselecteerd uit de twaalf producenten in de Unie die de gegevens verstrekten waarom voorafgaand aan de inleiding van de procedure met het oog op de selectie van de steekproef was gevraagd. |
|
(130) |
De vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie vertegenwoordigden 30 % van de totale geschatte productie in de Unie gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek en 37 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie. De uiteindelijke steekproef wordt dan ook representatief geacht voor de gehele bedrijfstak van de Unie. |
5. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN SCHADE
5.1. Verbruik in de Unie
|
(131) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op grond van het volume van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en de totale invoer. Het verbruik in de Unie nam tijdens de gehele beoordelingsperiode af met 10 %. Het laagste niveau werd bereikt in 2016: een daling met 14 % in vergelijking met 2014. Gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek werd een gematigde toename van het verbruik waargenomen.
|
||||||||||||||||||||
5.2. Invoer uit de betrokken landen
5.2.1. Volume en marktaandeel van de betrokken invoer
|
(132) |
Tijdens de beoordelingsperiode ontwikkelden het volume en het marktaandeel van de invoer in de Unie uit Rusland en Oekraïne zich als volgt:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(133) |
Het volume van de invoer uit beide betrokken landen nam in de beoordelingsperiode ondanks de geldende antidumpingmaatregelen met 11 % toe. De toename kwam geheel voor rekening van de invoer uit Oekraïne, die tijdens de beoordelingsperiode met 14 % toenam, terwijl de invoer uit Rusland met 14 % afnam. In dezelfde periode nam hun gezamenlijke marktaandeel met 23 % toe, wederom als gevolg van de toename van de invoer uit Oekraïne, waarvan het marktaandeel in de beoordelingsperiode met 27 % toenam tot 6 % van het verbruik in de Unie gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek, terwijl het marktaandeel van Rusland met 4 % afnam en 0,6 % van het verbruik in de Unie vertegenwoordigde gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond van een dalend verbruik. |
5.2.2. Invoerprijzen en prijsonderbieding
|
(134) |
Onderstaande tabel bevat de gemiddelde prijs van de invoer uit Rusland en Oekraïne. Benadrukt moet worden dat de verkoopprijzen van de invoer uit beide betrokken landen tijdens de gehele beoordelingsperiode niet alleen lager waren dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie, maar in deze periode ook een sterk dalende trend vertoonden.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(135) |
Omdat de Russische producenten-exporteurs niet aan het onderzoek meewerkten, moest de prijsonderbieding door invoer uit Rusland worden vastgesteld aan de hand van statistische invoergegevens op Taric-niveau, waarvoor overeenkomstig artikel 14, lid 6, van de basisverordening verzamelde informatie werd gebruikt. De prijsonderbieding door de invoer uit Oekraïne werd vastgesteld door gebruik te maken van de uitvoerprijzen van de medewerkende Oekraïense producent-exporteur, zonder antidumpingrecht. De cif-prijzen van de invoer werden naar boven bijgesteld voor kosten na invoer. De correctie bedroeg 2 EUR per ton, op basis van de bevindingen van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. Vanwege gebrek aan medewerking van niet-verbonden importeurs in de huidige procedure ontbrak een basis voor een nieuwe schatting van het niveau van deze correctie. De verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie waren die welke de in de steekproef opgenomen ondernemingen aanrekenden aan hun onafhankelijke afnemers, met leveringskosten, kortingen en provisies verlaagd tot een niveau af fabriek. |
|
(136) |
Gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek bedroeg de prijsonderbiedingsmarge voor de invoer van NBP voor de enige medewerkende Oekraïense producent-exporteur (goed voor ongeveer 90 % van de Oekraïense uitvoer naar de Unie) 28,9 %. |
|
(137) |
Wat Rusland betreft, werd een prijsonderbiedingsmarge van 20,3 % vastgesteld op basis van vergelijking van gemiddelde prijzen. Daarnaast bleek uit de analyse van de Russische prijzen bij uitvoer naar andere derde markten dat Rusland op sommige van zijn belangrijkste uitvoermarkten producten verkocht tegen prijzen die ongeveer gelijk waren aan of soms zelfs lager waren dan de in de Unie aangerekende prijzen. Hierdoor werd de conclusie versterkt dat de Russische prijzen op het huidige niveau de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie zouden onderbieden. |
|
(138) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de twee Russische producenten-exporteurs aan dat deze prijsonderbiedingsmarge niet representatief was omdat hun uitvoer naar de Unie naar eigen zeggen bestond uit goedkopere producten, terwijl de binnenlandse verkoop van de bedrijfstak van de Unie voor een aanzienlijk deel bestond uit duurdere producten, namelijk OCTG. Volgens de ondernemingen zou de berekening van de prijsonderbieding tot een volkomen andere marge geleid hebben als de prijzen van soortgelijke producten waren vergeleken. |
|
(139) |
In dit verband wordt opgemerkt dat de Commissie geen prijsvergelijking per productsoort kon maken aangezien de Russische producenten-exporteurs in kwestie niet aan het onderzoek meewerkten en geen antwoord op de vragenlijst gaven waarmee de Commissie de prijsonderbieding had kunnen berekenen rekening houdend met de beweerde andere productmix van de Russische uitvoer en de binnenlandse verkoop van de bedrijfstak van de Unie. |
5.3. Ander bij antidumpingmaatregelen betrokken land
|
(140) |
Volgens gegevens van Eurostat is het volume van de invoer van NBP van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad (43), tijdens de beoordelingsperiode met 34 % gedaald. |
|
(141) |
Het marktaandeel van de Chinese invoer is gedaald van 5,7 % in 2014 tot 4,2 % in het TNO. |
5.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
5.4.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(142) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie een beoordeling gemaakt van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed zijn. |
|
(143) |
Zoals in overweging 129 vermeld, werd voor het onderzoek naar mogelijke door de bedrijfstak van de Unie geleden schade gebruikgemaakt van een steekproef. |
|
(144) |
Voor de schadeanalyse heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. In dit verband wordt de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie beoordeeld op grond van a) macro-economische indicatoren, namelijk productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel en groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van werkelijke dumpingmarge en herstel van eerdere dumping, waarvoor de gegevens zijn verzameld op het niveau van de totale bedrijfstak van de Unie, en b) micro-economische indicatoren, namelijk gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken, voorraden en loonkosten, waarvoor de gegevens zijn verzameld op het niveau van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(145) |
Om de macro-economische indicatoren en in het bijzonder de gegevens met betrekking tot de niet in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te bepalen, zijn alle beschikbare gegevens met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie gebruikt, met inbegrip van de in het verzoek verstrekte informatie, de gegevens van de producenten in de Unie die werden verzameld voor en nadat het onderzoek werd geopend alsmede de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(146) |
De micro-economische indicatoren zijn bepaald op grond van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in hun antwoord op de vragenlijst hebben verstrekt. |
5.4.2. Macro-economische indicatoren
a) Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(147) |
De productie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich tijdens de beoordelingsperiode ontwikkeld als volgt:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(148) |
Het productievolume in de Unie is tijdens de beoordelingsperiode met 23 % gedaald. Aangezien de productiecapaciteit gedurende die periode vrijwel constant is gebleven (geringe daling met 3 %), resulteerde de daling van de productie in een aanzienlijke daling van de bezettingsgraad met 14 procentpunten, namelijk van 63 % in 2014 tot 49 % gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De bezettingsgraad bereikte in 2015 en 2016 een ongekend dieptepunt (respectievelijk 46 % en 42 %). Gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek steeg de productie en daarmee de bezettingsgraad, maar de bezettingsgraad ligt nog altijd onder 50 %. |
b) Verkoopvolume, marktaandeel en groei
|
(149) |
De verkoop van de producenten in de Unie omvatte ook de verkoop via handelsondernemingen. De verkoop via verbonden ondernemingen vertegenwoordigde in de beoordelingsperiode ongeveer 17 % van het verbruik in de Unie. Voor zover deze verkoopvolumes later worden doorverkocht aan onafhankelijke afnemers op de markt van de Unie, worden zij echter nog steeds beschouwd als onderdeel van de verkoop ten behoeve van het vaststellen van trends in verkoopvolumes, marktaandeel en groei van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(150) |
Het verkoopvolume, het marktaandeel en de groei hebben zich tijdens de beoordelingsperiode ontwikkeld als volgt:
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(151) |
Het volume van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode met 10 % af. Deze trend volgde de trend in het verbruik, dus de bedrijfstak van de Unie slaagde er tijdens de gehele beoordelingsperiode in zijn marktaandeel van ongeveer 81 % te behouden. Dit ging echter ten koste van de verkoopprijzen, die fors werden verlaagd, en het leidde tot een verslechtering van de financiële indicatoren, zoals hieronder uitgelegd. |
c) Werkgelegenheid en productiviteit
|
(152) |
Het werkgelegenheidsniveau van de bedrijfstak van de Unie hield gelijke tred met de productie en de verkoop, en vertoonde tussen 2014 en het einde van het tijdvak van het nieuwe onderzoek eveneens een daling, en wel met 18 %. Deze inkrimping van het personeelsbestand leidde echter niet tot een stijging van de productiviteit, uitgedrukt in productie per werknemer per jaar, omdat het productievolume in de beoordelingsperiode sterker is teruggelopen dan het aantal werknemers. De productiviteitsindicator verbeterde alleen gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek, hetgeen samenhing met een stijging van de productie vergeleken met 2016, terwijl het niveau van werkgelegenheid, na de daling sinds 2015, stabiel bleef.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
d) Hoogte van de werkelijke dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(153) |
De dumpingmarge die is aangetroffen voor invoer uit Oekraïne is aanzienlijk (zie overweging 90). Gezien het volume, het marktaandeel en de prijzen van de invoer met dumping uit Oekraïne, zoals hierboven beschreven, kan het effect van de werkelijke dumpingmarge op de bedrijfstak van de Unie niet als te verwaarlozen worden beschouwd. Als gevolg van voortdurende oneerlijke prijsstelling door Oekraïense exporteurs was het voor de bedrijfstak van de Unie ook onmogelijk om te herstellen van eerdere dumpingpraktijken. |
5.4.3. Micro-economische indicatoren
a) Gemiddelde verkoopprijzen per eenheid op de markt van de Unie en productiekosten per eenheid
|
(154) |
De gemiddelde verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers in de Unie daalden met 19 % tussen 2014 en het tijdvak van het nieuwe onderzoek. De prijsdaling weerspiegelt een algemene dalende trend van de kosten voor de belangrijkste grondstoffen, evenals pogingen tot herstructurering van de kosten die leidden tot kostenverlaging door de producenten in de Unie. Vanwege de verdere prijsverlaging in de beoordelingsperiode door de Russische en Oekraïense exporteurs, die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie voortdurend onderboden, konden de producenten in de Unie echter niet profiteren van de daling van de kosten, omdat zij, om hun marktaandeel te behouden, de verkoopprijzen meer moesten verlagen dan op grond van de daling van de kosten mogelijk was. |
|
(155) |
De kosten van de bedrijfstak van de Unie zijn in de beoordelingsperiode met 9 % gedaald; dat was veel minder dan de daling van de prijzen. Als gevolg daarvan verslechterde de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode aanzienlijk.
|
||||||||||||||||||||||||||||||
b) Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(156) |
Tijdens de beoordelingsperiode hebben de kasstroom, de investeringen, het rendement van investeringen van de producenten in de Unie en hun vermogen om kapitaal aan te trekken zich ontwikkeld als volgt:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(157) |
De winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie wordt uitgedrukt als nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. Zoals uitgelegd in overweging 155 waren de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in 2014 winstgevend, maar werden zij vanaf 2015 verliesgevend. Over de gehele beoordelingsperiode is de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie gedaald van 6 % winst naar 6 % verlies. |
|
(158) |
De kasstroom, het vermogen van de bedrijfstak om zijn activiteiten zelf te financieren, was positief in de jaren 2014-2015, maar werd na de dalende trend in winstgevendheid negatief in 2016 en tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. |
|
(159) |
De producenten in de Unie waren tijdens de gehele beoordelingsperiode nog steeds in staat te investeren, maar ook de investeringen ondervonden de negatieve gevolgen van de ontwikkeling van de winstgevendheid en de kasstroom, zodat zij in de beoordelingsperiode met 64 % zijn gedaald. Voorts bevond het rendement van investeringen zich vanaf 2015 in de min, net als de winstgevendheid. |
|
(160) |
Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de financiële prestaties van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek negatief waren. |
c) Voorraden
|
(161) |
De voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn in de beoordelingsperiode met 21 % afgenomen. De verhouding tussen voorraden en productie is in de beoordelingsperiode echter stabiel gebleven (ongeveer 3 %). De trend in voorraadniveau volgt de trend in productie. In dit geval wordt deze indicator evenwel niet als bijzonder relevant beschouwd voor het beoordelen van de economische situatie van de producenten in de Unie, omdat NBP gewoonlijk op bestelling worden geproduceerd.
|
||||||||||||||||||||
d) Loonkosten
|
(162) |
De gemiddelde loonkosten van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie namen in de beoordelingsperiode enigszins af, als onderdeel van de pogingen van de bedrijfstak van de Unie om de kosten te herstructureren. Deze indicator is bijzonder belangrijk, omdat loonkosten meer dan 25 % van de productiekosten van NBP uitmaken.
|
||||||||||||||||||||
5.5. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van de schade
|
(163) |
Gezien de overwegingen 131 tot en met 162 luidt de conclusie dat de producenten in de Unie zich in een minder gunstige situatie bevonden gedurende het tijdvak van het nieuwe onderzoek dan in 2014 en dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
|
(164) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de meeste schade-indicatoren tijdens de beoordelingsperiode zijn verslechterd. Het verkoopvolume daalde met 10 %, het productievolume nam af met 23 % en de bezettingsgraad liep terug van 63 % tot 49 %. De bedrijfstak van de Unie slaagde erin zijn niveau van marktaandeel rond 81 % te houden, maar dit ging ten koste van de winstgevendheid; er was zelfs sprake van een aanzienlijke daling (– 19 %) van de verkoopprijzen in de Unie. Ondanks pogingen om de productiekosten te verminderen (daling met 9 %) is de bedrijfstak van de Unie sinds 2015 verliesgevend. Tussen 2014 (6,2 % winst) en het tijdvak van het nieuwe onderzoek (6,0 % verlies) daalde de winstgevendheid met 12,2 procentpunten. De financiële indicatoren zoals kasstroom en rendement van investeringen veranderden eveneens van positief in 2014 in negatief in de daaropvolgende jaren en het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Gedurende dezelfde periode daalden de investeringen met 64 %. |
|
(165) |
Het voortbestaan van schade is het gevolg van een aantal factoren, zoals de afname van het verbruik in de Unie en de daling van de uitvoer. Daarnaast werden de prijzen in de Unie evenwel gedrukt door invoer met dumping. Oekraïne verhoogde het volume van zijn uitvoer naar de Unie immers met 14 %, tegen lage en dumpingprijzen, waardoor zijn marktaandeel in de beoordelingsperiode met 27 % steeg. De enige Oekraïense exporteur onderbood de prijzen in de Unie met bijna 30 %. Een daling van het productievolume in combinatie met prijsverlagingen had in deze zeer kapitaalintensieve bedrijfstak negatieve gevolgen voor de winstgevendheid. |
|
(166) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen werden door de overheid van Oekraïne en twee Russische producenten-exporteurs een aantal factoren genoemd die in aanmerking hadden moeten worden genomen als factoren in de analyse van het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer uit de betrokken landen. Dergelijke factoren zouden zijn het afnemende verbruik in de Unie, interne concurrentie tussen producenten in de Unie, ontoereikende uitvoerprestaties van de producenten in de Unie, overcapaciteit en hoge vaste kosten van de ondernemingen in de Unie en invoer uit Belarus. |
|
(167) |
Zoals erkend in overweging 165 is het voortbestaan van schade het gevolg van meerdere factoren. Behalve de afname van verbruik, de daling van uitvoer en de invoer met dumping waren er geen andere factoren die een belangrijke rol speelden. De lage bezettingsgraad is veeleer een afspiegeling van een afname van de productie dan een geval van overcapaciteit, en over het geheel was er een daling van de invoer uit andere derde landen. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie bleef eveneens relatief stabiel tijdens het tijdvak van het nieuwe onderzoek. Het argument betreffende concurrentie tussen producenten in de Unie werd niet gemotiveerd. Het berust slechts op de grond dat de steekproef van de producenten in de Unie slechts 30 % van de productie in de EU vertegenwoordigde en dat daarom de concurrentie tussen de producenten die wel en de producenten die niet in de steekproef waren opgenomen, moest worden onderzocht. Dit argument moet worden verworpen omdat het strijdig is met het principe van steekproeven. De Commissie heeft weliswaar de situatie van alle producenten in de Unie onderzocht, maar heeft zich — gezien het grote aantal producenten — bij het onderzoeken van bepaalde factoren beperkt tot een steekproef die representatief is voor de bedrijfstak van de Unie over het geheel. Daarom is het niet nodig het effect van de niet in de steekproef opgenomen producenten op de wel in de steekproef opgenomen producenten te onderzoeken. |
|
(168) |
In ieder geval is, zoals hieronder toegelicht, de conclusie betreffende schade in dit geval met name gericht op de waarschijnlijke situatie van de bedrijfstak van de Unie indien de maatregelen worden ingetrokken. |
|
(169) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen werd door de overheid van Oekraïne en één van de Oekraïense producenten-exporteurs naar voren gebracht dat het marktaandeel van de Oekraïense invoer in het verbruik in de Unie slechts 6 % bedroeg en dat het in de toekomst waarschijnlijk niet gaat stijgen vanwege binnenlands verbruik in Oekraïne en aanzienlijke diversificatie van de Oekraïense uitvoer, die zich heeft uitgebreid naar nieuwe markten. |
|
(170) |
In antwoord op dit punt moet worden benadrukt dat het huidige marktaandeel van 6 % al schadelijk is voor de bedrijfstak van de Unie, vooral wanneer men de aanzienlijke prijsonderbieding in aanmerking neemt. Ook moet worden opgemerkt dat de toename in volume van de Oekraïense invoer gedurende de beoordelingsperiode plaatsvond in weerwil van de antidumpingrechten die van kracht waren. |
|
(171) |
Daarnaast voerde één van de Oekraïense producenten-exporteurs, deels ondersteund in de opmerkingen van de overheid van Oekraïne, aan dat de Commissie in haar analyse van de waarschijnlijkheid van herhaling van schade rekening had moeten houden met de jointventureovereenkomst die is getekend tussen de Oekraïense producent-exporteur in kwestie en een van de grootste producenten in de Unie van het betrokken product. Volgens de Oekraïense producent zal deze jointventureovereenkomst een aanzienlijke invloed hebben op het volume van de toekomstige uitvoer door de onderneming naar de EU, distributiekanalen en prijsstelling. |
|
(172) |
De Commissie verwijst naar de weerlegging van dit argument in overweging 124. |
|
(173) |
Rusland voerde slechts een kleine hoeveelheid uit naar de EU, maar ook hier werd vastgesteld dat de prijzen in de Unie werden onderboden. Er is een prospectieve analyse uitgevoerd van de verwachte ontwikkeling van het volume van de uitvoer uit dit land, voor het geval de maatregelen worden ingetrokken, zoals beschreven in de overwegingen 50 tot en met 68. Hieruit bleek dat de invoer uit Rusland waarschijnlijk zou toenemen tot niveaus die aanzienlijk hoger liggen dan de in het tijdvak van het nieuwe onderzoek bereikte niveaus. |
|
(174) |
Zoals uitgelegd in de overwegingen 53 en 93, beschikken beide landen over aanzienlijke reservecapaciteit en is het waarschijnlijk dat zij laaggeprijsde invoer verhogen indien de maatregelen worden ingetrokken, gezien de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie in termen van omvang en prijzen. De aantrekkelijkheid van de markt van de Unie zal waarschijnlijk toenemen, zoals uitgelegd in de overwegingen 56 en 108, vanwege het recht van 25 % dat in maart 2018 door de Verenigde Staten van Amerika is ingesteld op staalproducten, met inbegrip van NBP. De Verenigde Staten van Amerika vormen een van de belangrijkste uitvoermarkten voor Rusland en Oekraïne, en de markt van de Unie is een voor de hand liggend doel voor ten minste een deel van de hoeveelheden die niet meer in de VS verkocht mogen worden. |
|
(175) |
De bedrijfstak van de Unie bevindt zich nog steeds in een kwetsbare positie, en de situatie zou nog moeilijker worden als de maatregelen werden ingetrokken. Laaggeprijsde Oekraïense invoer met dumping zou blijven toenemen en Russische invoer met dumping zou zich waarschijnlijk in aanzienlijke hoeveelheden herhalen, met als gevolg verdere prijsverlagingen en verlies van verkopen op de markt van de Unie. |
6. BELANG VAN DE UNIE
6.1. Inleiding
|
(176) |
Ingevolge artikel 21 van de basisverordening werd nagegaan of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen ten aanzien van Rusland en Oekraïne tegen het belang van de Unie in haar geheel zou indruisen. Dit werd vastgesteld aan de hand van een beoordeling van alle verschillende betrokken belangen. Bij de eerdere onderzoeken werden antidumpingmaatregelen niet in strijd met het belang van de Unie geacht. Bovendien kan nu, omdat het om een nieuw onderzoek gaat waarbij een situatie wordt onderzocht waarin al antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, worden nagegaan of die maatregelen ongewenste negatieve gevolgen voor de betrokken partijen hebben. |
|
(177) |
Op basis hiervan werd onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade veroorzakende dumping, dwingende redenen waren om te concluderen dat handhaving van de maatregelen ten aanzien van de invoer van oorsprong uit Rusland en Oekraïne in dit bijzondere geval niet in het belang van de Unie is. |
6.2. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(178) |
Wat het belang van de Unie betreft, is het duidelijk dat als de maatregelen worden ingetrokken, de toch al fragiele economische situatie van de bedrijfstak van de Unie, die momenteel zorgt voor 13 000 banen in de staalsector die verband houden met het betrokken product, nog verder zou verslechteren. |
6.3. Belang van de importeurs en de gebruikers
|
(179) |
Medewerking van importeurs en gebruikers ontbrak, hoewel alle bekende importeurs en gebruikers (ruim 70 ondernemingen) op de hoogte waren gesteld van de inleiding van de procedure en de mogelijkheid om als belanghebbende mee te werken. |
|
(180) |
Volgens de bevindingen van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen betrekken de importeurs hun staalproducten van verschillende leveranciers uit meerdere landen en is het effect van een voortzetting van maatregelen ten aanzien van invoer uit Rusland en Oekraïne dus beperkt. Destijds bleek ook dat het de importeurs gelukt is winstgevend te blijven, ook al zijn er al meerdere jaren maatregelen van kracht. |
|
(181) |
Wat gebruikers betreft, lijken de bevindingen van het vorige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, alsook de beschikbare informatie erop te wijzen dat het aandeel van NBP in hun productiekosten vrij laag is. NBP maken gewoonlijk deel uit van grotere projecten (boilers, pijplijnen, gebouwen) waarvan zij slechts een klein deel vormen. Bijgevolg zal het mogelijke effect van voortzetting van de maatregelen op gebruikers naar verwachting niet aanzienlijk zijn. |
|
(182) |
Vanwege het gebrek aan medewerking van de ondernemingen in kwestie ontbreken controleerbare gegevens en informatie waaruit blijkt dat de situatie over het geheel genomen is veranderd. |
6.4. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(183) |
Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om de bestaande antidumpingmaatregelen niet te handhaven. |
|
(184) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden twee Russische producenten-exporteurs aan dat de handhaving van maatregelen een negatief effect zou hebben op een aantal consumenten (gebruikers) in de Unie en concurrentie in de Unie zou belemmeren. Daarom stelden de belanghebbenden in kwestie de Commissie voor te overwegen de maatregelen voor maximaal twee jaar te verlengen. |
|
(185) |
De Commissie onderzocht het voorstel van beperkte verlenging van de maatregelen in het belang van de Unie. In dit verband zij erop gewezen dat de beoordeling van het belang van de Unie in het kader van een antidumpingonderzoek een procedureel nauw omlijnde operatie vormt waarbij de belangen van de betrokkenen (waaronder de bedrijfstak van de Unie, gebruikers en consumenten) tegen elkaar moeten worden afgewogen en waarbij juridisch, economisch en politiek complexe factoren moeten worden beoordeeld (44). De Commissie herinnerde eraan dat uit de beoordeling van het belang van de Unie met betrekking tot de bedrijfstak van de Unie bleek dat bij intrekking van de maatregelen de reeds kwetsbare economische situatie van de bedrijfstak van de Unie nog verder zou verslechteren. Tevens zij erop gewezen dat er geen samenwerking was van importeurs en gebruikers waaruit zou kunnen blijken dat de verlenging van de huidige geldende maatregelen voor hen ongunstig is. Er is dan ook geen bewijs waaruit blijkt dat een beperking van toepassing van de maatregelen tot twee jaar het belang van de Unie beter zou dienen dan toepassing van de maatregelen gedurende de volledige periode van vijf jaar volgens artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Op grond hiervan heeft de Commissie het argument dat door de twee Russische producenten-exporteurs naar voren is gebracht, van de hand gewezen. |
7. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(186) |
Uit het bovenstaande volgt dat, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening, de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op NBP van oorsprong uit Rusland en Oekraïne moeten worden gehandhaafd. |
|
(187) |
De belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was de antidumpingmaatregelen in kwestie in te stellen en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen die wijziging konden brengen in de hierboven vermelde conclusies. |
|
(188) |
Het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (45), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 11 00, ex 7304 19 10, ex 7304 19 30, ex 7304 22 00, ex 7304 23 00, ex 7304 24 00, ex 7304 29 10, ex 7304 29 30, ex 7304 31 80, ex 7304 39 58, ex 7304 39 92, ex 7304 39 93, ex 7304 51 89, ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 (46) (Taric-codes 7304110010, 7304191020, 7304193020, 7304220020, 7304230020, 7304240020, 7304291020, 7304293020, 7304318030, 7304395830, 7304399230, 7304399320, 7304518930, 7304599230 en 7304599320), van oorsprong uit Rusland en Oekraïne.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product is als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Rusland |
Joint Stock Company Chelyabinsk Tube Rolling Plant en Joint Stock Company Pervouralsky Novotrubny Works |
24,1 |
A741 |
|
OAO Volzhsky Pipe Plant, OAO Taganrog Metallurgical Works, OAO Sinarsky Pipe Plant en OAO Seversky Tube Works |
28,7 |
A859 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
35,8 |
A999 |
|
|
Oekraïne |
OJSC Dnepropetrovsk Tube Works |
12,3 |
A742 |
|
LLC Interpipe Niko Tube en OJSC Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (Interpipe NTRP) |
13,8 |
A743 |
|
|
CJSC Nikopol Steel Pipe Plant Yutist |
25,7 |
A744 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
25,7 |
A999 |
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 1 oktober 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Verordening (EG) nr. 2320/97 van de Raad van 17 november 1997 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit Hongarije, Polen, Rusland, de Tsjechische Republiek, Roemenië en de Slowaakse Republiek, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1189/93 en tot beëindiging van de procedure met betrekking tot dergelijke invoer van oorsprong uit de Republiek Kroatië (PB L 322 van 25.11.1997, blz. 1).
(3) Besluit 2000/70/EG van de Commissie van 22 december 1999 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in verband met het tussentijds nieuw onderzoek naar het antidumpingrecht met betrekking tot de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit onder meer Rusland (PB L 23 van 28.1.2000, blz. 78).
(4) Verordening (EG) nr. 348/2000 van de Raad van 14 februari 2000 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne en tot definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 45 van 17.2.2000, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 1322/2004 van de Raad van 16 juli 2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2320/97 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit, onder meer, Rusland en Roemenië (PB L 246 van 20.7.2004, blz. 10).
(6) Verordening (EG) nr. 258/2005 van de Raad van 14 februari 2005 tot wijziging van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 348/2000 inzake de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne (PB L 46 van 17.2.2005, blz. 7).
(7) Besluit 2005/133/EG van de Commissie van 16 februari 2005 tot gedeeltelijke schorsing van de bij Verordening (EG) nr. 258/2005 ingestelde definitieve antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne (PB L 46 van 17.2.2005, blz. 46).
(8) Verordening (EG) nr. 1866/2005 van de Raad van 8 november 2005 tot verlenging van de tijdelijke schorsing van de definitieve antidumpingrechten die bij Verordening (EG) nr. 258/2005 waren ingesteld op naadloze buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal uit Kroatië en Oekraïne (PB L 300 van 17.11.2005, blz. 1).
(9) Verordening (EG) nr. 954/2006 van de Raad van 27 juni 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 van de Raad, tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne (PB L 175 van 29.6.2006, blz. 4).
(10) C-191/09 P — Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP.
(11) T-249/06 — Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad.
(12) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2012 van de Raad van 21 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 954/2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland (PB L 165 van 26.6.2012, blz. 1).
(13) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 585/2012 van de Raad van 26 juni 2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009, en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Kroatië (PB L 174 van 4.7.2012, blz. 5).
(14) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 795/2012 van de Raad van 28 augustus 2012 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 585/2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 238 van 4.9.2012, blz. 1).
(15) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1269/2012 van de Raad van 21 december 2012 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 585/2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit onder meer Rusland, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 357 van 28.12.2012, blz. 1).
(16) Bericht van opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne (PB C 214 van 4.7.2017, blz. 9).
(17) Bericht van opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op bepaalde naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit onder meer Oekraïne (PB C 159 van 7.5.2018, blz. 18).
(18) Het CEV wordt bepaald volgens het Technisch Verslag van 1967, IIW doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (International Institute of Welding, IIW).
(19) Zoals momenteel gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 282 van 31.10.2017, blz. 1).
(20) Databank van de Russische federale douaneadministratie inzake buitenlandse handel (http://stat.customs.ru/apex/) (openbaar toegankelijke gegevens verstrekt door de Russische producenten-exporteurs. Bijlage 2 bij de opmerkingen van 21 augustus 2017 en van 30 juli 2018).
(21) Metal Expert LLC: www.metalexpert-group.com
(22) Beschikbaar in de openbare versie van het verzoek.
(23) Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië, WT/DS473/AB.
(24) Bv. een vaststelling waardoor het onderzoek ten aanzien van een bepaalde producent-exporteur kan worden beëindigd ook al worden de maatregelen op nationaal niveau gehandhaafd.
(25) In de mededeling van 27 juli 2018 werd de Russische producenten-exporteurs ondubbelzinnig te verstaan gegeven dat de Commissie, indien zij geen antwoord zou krijgen op de vragenlijst, artikel 18 van de basisverordening zou toepassen.
(26) Zie: Presidential Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States, Federal Register, 83 FR 11619 en 83 FR 11625, 15 maart 2018; Presidential Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States van 22 maart 2018, 83 FR 13355 en 83 FR 13361, 28 maart 2018; Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States van 30 april 2018, 83 FR 20683 en 83 FR 20677, 7 mei 2018; en Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States van 31 mei 2018.
(27) Oorspronkelijk overgelegd op 21 augustus 2017, bijlage 2. Dezelfde gegevens met kleine variaties zijn eveneens overgelegd in de opmerkingen naar aanleiding van het algemene informatiedocument en in de na de hoorzitting ingediende opmerkingen van 10 augustus 2018.
(28) Bijlage 2 bij de opmerking van 30 juli 2018 en bijlage 2 bij de opmerking van 21 augustus 2017. Uit deze gegevens blijkt dat de prijzen bij uitvoer van NBP naar een aantal derde landen, waaronder belangrijke bestemmingen van uitvoer (goed voor meer dan 50 % van de totale Russische uitvoer van NBP) nog lager zijn dan de dumpingprijzen bij uitvoer naar de Unie. Zo zijn de prijzen bij uitvoer naar de VS (nummer 1), Turkije (nummer 4), India en VAE (nummers 5 en 6) lager dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie.
(29) Punt 32 van de opmerking van 21 augustus 2017 en punt 25 van de opmerking van 30 juli 2018.
(30) Bijlage 2 bij bovenstaande opmerkingen.
(31) Opgemerkt moet worden dat, bijvoorbeeld in het geval van Turkije, de prijzen bij uitvoer naar de Unie altijd hoger waren, ongeacht het jaar van de in aanmerking genomen beoordelingsperiode (in de opmerking wordt niet gespecificeerd naar welke periode wordt verwezen).
(32) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013 van de Commissie van 17 juli 2018 tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 181 van 18.7.2018, blz. 39).
(33) Ibidem, overweging 24.
(34) Bijlage 3 bij de opmerking van 30 juli 2018.
(35) Bron: de databank van artikel 14, lid 6.
(36) Verwijzingen naar vertrouwelijke gegevens van ondernemingen worden in deze verordening aangeduid als [vertrouwelijk].
(37) Bron: de databank van artikel 14, lid 6, en gecontroleerde gegevens van de Interpipe-groep.
(38) Bron: gecontroleerde gegevens van de Interpipe-groep, en Metal Expert voor de twee andere producenten in Oekraïne.
(39) Opmerkingen van 27 juli 2017 (t17.009159), 8 augustus 2017 (t17.009653), 1 februari 2018 (t18.000894), 31 mei 2018 (t18.006325) en 1 juni 2018 (t18.006324).
(40) Zie: Presidential Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States, Federal Register, 83 FR 11619 en 83 FR 11625, 15 maart 2018; Presidential Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States van 22 maart 2018, 83 FR 13355 en 83 FR 13361, 28 maart 2018; Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States van 30 april 2018, 83 FR 20683 en 83 FR 20677, 7 mei 2018; en Proclamations on Adjusting Imports of Steel and Aluminium into the United States van 31 mei 2018.
(41) Noch de Oekraïense overheid, noch de Interpipe-groep op individuele basis heeft tegenover de Commissie melding gemaakt van een vrijstelling van de maatregelen op grond van Section 232.
(42) Wegens de vertrouwelijke aard van deze informatie is de volledige analyse van de Commissie niet in de verordening opgenomen. Aan de Interpipe-groep is op de dag van de bekendmaking van deze verordening in een afzonderlijk document een gedetailleerde toelichting verstrekt.
(43) Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 262 van 6.10.2009, blz. 19).
(44) Arrest van het Hof van 15 juni 2017 in zaak C-349/16, T.KUP, ECLI:EU:C:2017:469, punt 44. (Zie ook arrest van het Gerecht van 8 juli 2003 in zaak T-132/01, Euroalliages e.a./Commissie, ECLI:EU:T:2003:189, punt 40.)
(45) Het CEV wordt bepaald volgens het Technisch Verslag van 1967, IIW doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (International Institute of Welding, IIW).
(46) Zoals momenteel gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1925 van de Commissie van 12 oktober 2017 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 282 van 31.10.2017, blz. 1). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, en die in de desbetreffende GN-code.